Op bezems door de lucht

De oorsprong van de heksenwaan

door Rob Nanninga

Vanaf de 15de eeuw werden er in Europa tienduizenden heksen verbrand. Zij werden beschouwd als geheime duivelaanbidders die zich tijdens nachtelijke rituelen overgaven aan vleselijke lusten en kannibalisme. Hoe kwam men op het spoor van deze internationale satanssekte en wie waren de vermeende leden?

heks
Oudste afbeelding van een heks op een bezem d.d. 1451 bij Matin Lefranc’s Champion des Dames.

Ze komen op geheime plaatsen bijeen om baby’s en kleine kinderen te offeren. Ze slurpen het bloed van hun slachtoffers en verorberen hun vlees. Ze vereren het geslachtsorgaan van hun priester en houden perverse orgieën waarbij volwassenen met hun eigen kinderen copuleren. Incest, babyoffers en kannibalisme: dat waren de gruweldaden waarvan de eerste christenen werden verdacht. Het was geen toeval dat zij later dezelfde aantijgingen gebruikten in hun strijd tegen joden en ketterse sekten. De joden werden beschuldigd van rituele moord op christenkinderen, terwijl men aannam dat de ketters zich vooral te buiten gingen aan orgieën.

De angst voor demonische invloeden nam in de loop der eeuwen sterk toe, zodat de ketters er ook van werden beschuldigd dat zij de duivel en zijn trawanten dienden. Gregorius IX beschreef in een pauselijke bul uit 1233 welke bestialiteiten zich tijdens de nachtelijke rituelen afspeelden. Naar verluidt gaf Satan acte de présence in de vorm van een reusachtige zwarte kat die zich onder de staart liet kussen. De paus verkreeg deze informatie van de fanatieke Konrad von Marburg, die hij twee jaar eerder in Duitsland als inquisiteur had aangesteld. De Duitse bisschoppen zagen echter weinig heil in zijn onderzoeksmethoden, waarvan ook enkele hooggeplaatsten het slachtoffer werden. Gelukkig werd Konrad al spoedig vermoord.

Op water en brood

Een van de meest hardnekkige ketterse sekten waren de Waldenzen. Zij werden omstreeks 1173 gesticht door Petrus Waldus, een rijke koopman uit Lyon. Hij baseerde zich op een tekst in Mattheüs (19:21): ‘Indien ge volmaakt wilt zijn, verkoop dan al wat ge bezit en geef het aan de armen…’ Waldus volgde deze raad op en begon de armoede te prediken. Toen de aartsbisschop daar een stokje voor wilde steken, deed hij een beroep op de Heilige Stoel. Maar de paus liet zich niet vermurwen, zodat Waldus zich gedwongen zag hem de rug toe te keren. Zijn aanhangers vermenigvuldigden zich ook buiten Frankrijk en presenteerden zich met enig recht als de ware christenen: ze verworpen de liederlijke levenswijze van de geestelijkheid zonder de gevestigde dogma’s in twijfel te trekken.

De Waldenzen werden dringend opgeroepen zich vrijwillig te melden en al hun medeplichtigen aan te geven. In 1252 gaf paus Innocentius IV zijn inquisiteurs toestemming om vermeende ketters door middel van ingenieuze martelwerktuigen tot een bekentenis te dwingen. Ketters die slechts met moeite berouw toonden, werden levenslang in een kerker opgesloten waar ze ‘op het water van droefheid en het brood van ellende’ vergiffenis van God konden verkrijgen. Lichtere gevallen kregen een ‘alternatieve’ straf opgelegd. Zij moesten zich bijvoorbeeld regelmatig in alle kerken van de stad laten afranselen of ze moesten tien lange pelgrimstochten voltooien. Verstokte ketters werden overgeleverd aan de wereldlijke autoriteiten om te worden verbrand.

Aan het begin van de 14de eeuw werd zelfs de invloedrijke orde der Tempeliers als een duivelse sekte ontmaskerd. Dat was te danken aan de hebzucht van Philips IV de Goede, die zich de bezittingen van de orde toeëigende. De gearresteerde Tempeliers bekenden onder meer dat zij regelmatig op het crucifix spuwden en een geheimzinnige kat vereerden, maar er waren ook velen die de brandstapel prefereerden. Onder druk van Philips zag paus Clemens zich gedwongen de orde te ontbinden (Cohn, 1975).

Kunstpenis

Vooral in de westelijke Alpen (het gebied tussen Lyon en Bern) waren veel ketters te vinden, die in de 14de eeuw hevig werden vervolgd. In dezelfde streek moesten ook de joden het massaal ontgelden. Zij werden ervan verdacht de pest te verspreiden door een giftig poeder in de waterbronnen te strooien. Uiteindelijk ontdekte men hier rond 1400 een nog veel ernstiger bedreiging: de heksen. Zij vormden een satanische samenzwering die tegen de christelijke gemeenschap was gericht. De heksen hadden een verbond met Satan gesloten, die hun occulte vermogens verschafte waarmee ze hun naasten schade konden berokkenen. ’s Nachts vlogen zij zonder dat iemand het merkte naar hun heksensabbat, waar zij naakt dansten, met de duivel copuleerden en ongedoopt kindervlees aten.

De egyptologe Margaret Murray publiceerde in 1921 en 1933 twee invloedrijke boeken waarin zij betoogde dat de heksensabbat in werkelijkheid een oude vruchtbaarheidscultus was die al eeuwen lang een ondergronds bestaan had geleid. De aanhangers aanbaden niet de duivel maar de gehoornde god Dianus (of Janus), een ceremoniële rol die door hun voorgangers werd vervuld. Om deze theorie een schijn van geloofwaardigheid te geven, maakte Murray zeer selectief gebruik van haar bronnen. Zo vertelde ze bijvoorbeeld over een heks die bekende te paard naar de nachtelijke bijeenkomsten te reizen, zonder daarbij te vermelden dat dit paard kon vliegen.

Murray’s ideeën werden onder meer overgenomen door Martin Koomen (1973) in zijn boek Het ijzige zaad van de duivel. Om te kunnen verklaren waarom de duivel zo koud aanvoelde en een onbeperkte potentie had, veronderstelt Koomen dat de priester gebruik maakte van een kunstpenis die water kon spuiten. Een theologische verklaring ligt evenwel meer voor de hand: de duivel was koud omdat hij geen bloed had. Er is geen enkele concrete aanwijzing dat de vermeende heksen werkelijk bijeen kwamen. Niemand heeft ze ooit tijdens hun sabbat kunnen betrappen. Het lijkt ook onwaarschijnlijk dat talloze middeleeuwers een georganiseerde heidense religie aanhingen die pas in de 15de eeuw door de autoriteiten werd ontdekt. Moderne historici hechten daarom geen waarde aan het werk van Murray.

Nachtelijke vluchten

Het geloof in diabolische heksen kwam niet voort uit de ongeletterde bevolking, maar ontstond doordat deskundige autoriteiten geleidelijk een aantal elementen samenvoegden. Ten eerste waren er de geschriften en geruchten over geheime groepen die in ondergrondse schuilplaatsen offers brachten, complotten beraamden, bacchanalen aanrichtten en orgieën hielden. Ten tweede was er een wijdverbreid volksgeloof in vrouwen die ’s nachts door het luchtruim vlogen onder aanvoering van een heidense godin, die onder vele namen bekend stond (Diana, Holda, Perchta, et cetera). Uit 15de-eeuwse bekentenissen blijkt dat er waarschijnlijk vrouwen waren die geloofden dat ze hadden deelgenomen aan zulke nachtelijke reizen (Ginzburg, 1989). De kerk had deze extatische ervaringen aanvankelijk beschouwd als een illusie, maar ze kwamen nu goed van pas om te verklaren hoe de heksen in staat waren in korte tijd grote afstanden te overbruggen als ze naar hun sabbat gingen.

Een derde element was de opkomst van de rituele magie. In 13de-eeuwse boeken werd beschreven hoe je geesten of demonen kunt oproepen. Deze konden de magiër onder meer helpen om een vrouw te verleiden, een verborgen schat op te sporen of de toekomst te voorspellen. Hoewel de demonen niet werden aanbeden maar gecommandeerd in de naam van God, veroordeelden theologen de magiërs als ketters die in de greep van Satan waren. Ook allerlei populaire vormen van tovenarij en het volksgeloof in vrouwen met kwade krachten werd geleidelijk onder dezelfde noemer geplaatst. Magie, ketterij en heidendom werden omgesmeed tot een satanische heksensekte.

Sommige historici hebben aangenomen dat de eerste heksenprocessen al in 1335 in Toulouse plaatsvonden en een uitvloeisel waren van de strijd tegen de Katharen in Zuid- Frankrijk. De Katharen waren dualisten die geloofden dat de materiële wereld door een kwade god of duivel was geschapen (een stelling die nog steeds te verdedigen valt). Ze verwierpen de sacramenten, beschouwden Christus als een reddende engel die een schijnlichaam had aangenomen, en hadden een afkeer van menselijke voortplanting omdat ze geen nieuwe zielen gevangen wilden zetten. Hoewel de Katharen ernaar streefden hun ziel uit de boze wereld bevrijden, werden ze vaak als duivelaanbidders en abortusplegers beschouwd. De theorie dat ze door de inquisitie tot heksen werden omgevormd, was gebaseerd op een 14de-eeuws document dat in 1829 werd aangehaald in een boek van de Franse auteur Lamothe-Langon. Inmiddels is echter duidelijk geworden dat deze Fransman een ervaren vervalser was (Cohn, 1975).

Toverkollen

Paus Innocentius VIII gaf in 1484 het sein tot een grootscheepse heksenvervolging, die meer dan twee eeuwen zou duren. Zijn bul werd twee jaar later opgenomen in de Malleus Maleficarum (Heksenhamer, zie ook Skepter, herfst 2005), het eerste handboek voor heksenjagers, dat dank zij de uitvinding van de boekdrukkunst een ruime verspreiding vond. De ketterjacht werd geleidelijk vervangen door de heksenjacht, waaraan in de 16de eeuw ook de protestanten volop begonnen deel te nemen. De heksen werden nog wreder behandeld dan de ketters: ze kregen meestal geen kans om aan de brandstapel te ontkomen.

De aangeklaagden waren dikwijls oudere, alleenstaande vrouwen die voor hun levensonderhoud deels afhankelijk waren van hun buurtgenoten. Ze zagen er wat angstaanjagend uit, gedroegen zich afwijkend en waren geneigd voor zichzelf op te komen door hun buren uit te schelden of te bedreigen. Als je zo’n kwaadaardig mens een kan melk weigerde en vervolgens getroffen werd door een storm die je oogst ruïneerde, door impotentie of door een sterfgeval in je familie, dan lag het voor de hand om dit onfortuin aan de kwade krachten van de toverkol toe te schrijven. Ook vroedvrouwen en beoefenaars van de volksgeneeskunst werden vaak van zwarte magie verdacht.

Op het platteland was het geloof in toverkrachten al eeuwenlang wijdverbreid en er werden soms ook daadwerkelijk magische hulpmiddelen aangewend om het eigen lot ten koste van anderen te verbeteren. Het was echter niet eenvoudig om iemand voor zulke praktijken te laten boeten omdat het strafproces aanvankelijk accusatoir was. Dit betekende dat men zelf als aanklager naar voren moest treden met overtuigend bewijsmateriaal. Als de aangeklaagde niet bekende of als de bewijzen ontoereikend waren, kon de rechter zijn toevlucht nemen tot een godsoordeel. Zo kon hij opdracht geven de verdachte geboeid in het water te gooien. Indien zij zonk (voordat ze aan een touw weer werd opgehaald), was haar onschuld bewezen en werd de aanklager bestraft. Aangeklaagden konden zich ook verdedigen door met hulp van een aantal eedhelpers te zweren dat ze onschuldig waren. Het was dus riskant om iemand op grond van vage vermoedens te beschuldigen!

Martelingen

Door de invoering van de inquisitoire rechtspraak, die in de 16de eeuw overal in Europa werd toegepast, werd het veel gemakkelijker om vermeende heksen of andere devianten te elimineren (Levack, 1987). Verdachten konden worden aangegeven bij de wereldlijke autoriteiten, die dan zelf een onderzoek instelden. De beklaagden werden veroordeeld als twee ooggetuigen hun misdaad hadden gezien of als zij zelf bekenden. In gevallen van hekserij waren er doorgaans geen ooggetuigen, magische attributen werden zelden gevonden en men kon vaak niet eens vaststellen of er inderdaad een misdaad was gepleegd. Daarom maakte men intensief gebruik van martelingen om een bekentenis los te krijgen.

De martelingen waren aanvankelijk aan regels gebonden. Het was verboden om verdachten meer dan eens naar de martelkamer te brengen, er mochten geen suggestieve vragen worden gesteld, een bekentenis moest buiten de martelkamer worden herhaald en de feiten die aan het licht kwamen moesten worden geverifieerd. Deze regels werden echter al spoedig niet meer in acht genomen omdat men niet het risico wilde lopen een heks op vrije voeten te laten. Heksen werden extra hard aangepakt om hun toverkracht te breken en hen aan de greep van de demonen te ontworstelen. De rechters gingen er voor de zekerheid van uit dat alle aangeklaagden schuldig waren en namen aan dat God de onschuldigen de nodige kracht zou geven om de martelingen te doorstaan.

De rechters waren niet in de eerste plaats geïnteresseerd in het kwaad dat de heksen hun buren hadden aangedaan, maar in hun connecties met de duivel. Ze gebruikten standaardvragenlijsten om de heksen te laten bekennen dat ze op bezemstelen naar hun bijeenkomsten vlogen, waar ze hulde brachten aan de duivel, aan orgieën deelnamen, de sacramenten ontheiligden en uit kindervet toverzalf vervaardigden. Zo werden de aangeklaagde vrouwen tijdens het onderzoek tot leden van een duivelse sekte gebombardeerd. Ze werden ook aangespoord om medeplichtigen te identificeren, waardoor soms een kettingreactie op gang kwam die tientallen slachtoffers eiste. Zulke panische heksenjachten, die vooral in Duitsland voorkwamen, eindigden pas wanneer men begon te beseffen dat er steeds meer mensen werden aangeklaagd die niet beantwoordden aan het stereotype beeld van een heks.

Psychisch gestoord

Er waren heksen die bekentenissen hebben afgelegd zonder dat ze gemarteld werden. Volgens sommige wetenschappers rapporteerden zij hallucinaties die waren opgewekt door psychotrope substanties in de zalf waarmee ze zich insmeerden. Er zijn recepten bekend waarin onder meer giftige nachtschaden zitten verwerkt. In de oudste recepten, die uit de 15de eeuw dateren, zijn zulke stoffen echter niet te vinden. Deze bevatten alleen kindervlees, vleermuisbloed, spinnenkoppen en andere bizarre ingrediënten. Bovendien vertelden de heksen aanvankelijk dat ze niet hun lichaam maar hun bezemsteel insmeerden. Ook indien ze de zalf wel op hun lichaam aangebrachten, was dat vermoedelijk niet erg effectief. Daar komt bij dat bijna niemand ooit heeft gezien dat een heks zich met zalf insmeerde.

In psychiatrische kringen heeft men dikwijls verondersteld dat veel heksen psychisch gestoord waren. Misschien meenden ze naar de sabbat te zijn gevlogen omdat ze schizofreen waren. De bekende MPS-therapeut Colin Ross sprak onlangs het vermoeden uit dat de aangeklaagden dikwijls een zogenoemde borderline persoonlijkheidsstoornis hadden en als kind seksueel misbruikt waren. We kunnen er echter zelden zeker van zijn dat een bekentenis inderdaad vrijwillig is afgelegd (Spanos, 1978). Verdachten mochten ‘vrijwillig’ bekennen nadat men hun de beschikbare martelwerktuigen had getoond. In de Heksenhamer wordt bovendien geadviseerd ze voor te spiegelen dat ze niet ter dood zullen worden gebracht als ze al hun zonden opbiechten. Veel heksen zouden er achteraf gezien verstandig aan hebben gedaan als ze meteen alles hadden toegegeven, want dan zou hun veel leed bespaard zijn gebleven.

Engeland vormde een gunstige uitzondering omdat het martelen van heksen daar niet was toegestaan, al werden ze wel met lange naalden overal in hun lichaam geprikt om een ongevoelige plek op te sporen, het zogenaamde duivelsteken. Er zijn in totaal niet meer dan vijfduizend Engelse heksen aangeklaagd, waarvan minder dan de helft werd opgehangen. Zij vlogen gewoonlijk niet op bezemstelen en aten ook geen kindervlees, maar bekenden alleen dat ze hun buren kwaad hadden gedaan, dikwijls met hulp van een demonisch huisdier. Ook deze bekentenissen kunnen niet als geheel vrijwillig worden beschouwd: de aangeklaagden werden langdurig geïsoleerd en door de autoriteiten onder grote druk gezet, ze mochten soms niet slapen, er werden valse beloften gedaan en suggestieve vragen gesteld. Niettemin lijkt het aannemelijk dat sommige aangeklaagden er van overtuigd raakten dat ze werkelijk heksen waren die over kwade krachten beschikten.

De heksenjacht kwam pas tegen het einde van de 17de eeuw tot bedaren toen het intellectuele klimaat veranderde. Er ontstond een mechanistisch wereldbeeld waarin veel minder plaats was voor dogma’s en demonen. In de rechtspraak begon men hogere eisen te stellen aan het bewijsmateriaal en er kwam steeds meer weerstand tegen de martelkamer. De dood van een koe of een andere tegenslag was niet langer toereikend om iemand voor hekserij te kunnen aanklagen.

Literatuur

Beukers, Herman (2000). Triomf van de maan: geschiedenis van de moderne hekserij. (boekbespreking)

Cohn, Norman (1975). Europe’s inner demons. London: Pimlico, 1993.

Ginzburg, Carlo (1989). Extasen: een ontcijfering van de heksensabbat. Amsterdam: Wereldbibliotheek, 1993.

Levack, Brian P. (1987). The Witch-hunt in early modern Europe. London: Longman, 1993.

Russell, Jeffrey B. (1980). A history of witchcraft. London: Thames and Hudson.

Spanos, Nicholas P. (1978). Witchcraft in histories of psychiatry: a critical analysis and an alternative conceptualization. Psychological Bulletin, 85(2), p.417-439.

Uit: Skepter 7.2 (1994)

zie ook gedeelte uit het artikel “Voor de Glorie van God”

Rob Nanninga was hoofdredacteur van Skepter van 2002 tot 2014