Anthony Hopkins als pater Lucas.

Exorcisme

Een gevaarlijk rollenspel

door Gerrie Bloothoofd

De film The Rite (2011) is een geromantiseerde versie van het boek The Rite: The Making of a Modern Exorcist (2009), geschreven door de gelovige journalist Matt Baglio. Het boek doet een niet erg geslaagde poging tot objectiviteit.

Horror is populair: of het nu om vampiers, zombies, mutanten of duivels gaat, Hollywood maakt er wat moois van. Exorcisme is waarschijnlijk bekender door de films dan door Bijbelkennis. Het Vaticaan mag zich in de handen wrijven voor deze gratis reclame. Het publiek krijgt te zien dat het niet louter gaat om mensen met ernstige psychische problemen, maar dat er iets bovennatuurlijks achter zit. The last exorcism (2010), The Rite (2011), de laatste tijd komt er ieder jaar wel een titel bij en op YouTube zijn ook tal van ‘echte’ exorcismeclips te vinden.

In The Rite ontmoeten we de ongelovige Michael Kovak, die wil stoppen met zijn priesteropleiding in de VS. Hij laat zich echter overhalen om in Rome een cursus duiveluitdrijving te volgen. Daar maakt hij via pater Lucas (Anthony Hopkins) ook kennis met de bonte dagelijkse praktijk. Tijdens het eerste uur van de film gelooft Kovak er nog niets van. Maar daarna gebeuren er zoveel uitzonderlijke dingen dat hij het bestaan van de duivel niet langer kan ontkennen en besluit om toch priester (en exorcist) te worden.

Het meest bekende verhaal over een duiveluitdrijving betreft de Zuid-Duitse Anneliese Michel (1952-1976), over wie twee speelfilms werden gemaakt, The Exorcism of Emily Rose (2005) en Requiem (2006). Bij Anneliese werd in 1968 epilepsie vastgesteld. Ze kreeg daar medicijnen voor, maar haar gezondheid ging verder achteruit. In 1970 werd ze een half jaar met tuberculose in een sanatorium opgenomen, waar ze steeds depressiever werd. In juni 1970 stelde een neuroloog vast dat haar EEG afwijkingen vertoonde. Een week later zag ze voor het eerst een boosaardige demon in een visioen. Ze had de gewoonte om lang en intensief te bidden, maar dat durfde ze niet meer omdat ze bang was dat de demon opnieuw zou opduiken.

In 1973 ging ze een opleiding voor onderwijzeres volgen. Ze kreeg echter steeds meer last van aanvallen, zag regelmatig demonische gezichten met hoorntjes en rook rottend vlees. Haar vader nam haar mee naar het Noord-Italiaanse bedevaartsoord San Damiano, waar Maria sinds 1964 vele malen zou zijn verschenen. Het werd geen succes. Anneliese voelde de grond onder haar voeten branden en het heilige bronwater kwelde haar eveneens. Ze kreeg het idee dat er demonen in haar huisden.

Men riep de hulp in van pater Ernst Alt. Hij vroeg aan een bisschop toestemming om een exorcisme te mogen uitvoeren, maar dit werd aanvankelijk geweigerd. Anneliese had inmiddels een aversie voor heilige objecten ontwikkeld en kreeg soms aanvallen van razernij, waarbij ze als een dier gromde. Nadat pater Alt in augustus 1974 een klein exorcisme-ritueel uitvoerde, raakte ze helemaal de kluts kwijt. Ze scheurde de kleren van haar lijf, urineerde op de vloer, at spinnen en steenkool en viel priesters aan. De demon die haar in bezit had genomen, noemde zichzelf Judas.

Uiteindelijk voerde pater Renz eind september 1975 voor het eerst een volledig exorcisme-ritueel uit. De demonen, onder wie Lucifer, Nero en Hitler, kregen Anneliese echter steeds vaster in hun greep, zodat er meerdere sessies per week nodig waren. Anneliese sloeg met haar hoofd tegen de muur, sliep bijna niet meer, stopte met eten, brak haar knieën door het vele knielen en woog uiteindelijk nog maar 34 kilo. Op 1 juli 1976 overleed ze, een dag na het 67ste exorcisme. De doodsoorzaak was ondervoeding en uitdroging. Haar ouders en de twee genoemde priesters werden tot een half jaar voorwaardelijk veroordeeld wegens dood door nalatigheid. Het graf van Anneliese groeide uit tot een bedevaartsplek, waarover wonderverhalen de ronde deden.

Exorcismen die niet goed aflopen komen nog regelmatig in het nieuws. In 2001 werd een 37-jarige vrouw in Nieuw-Zeeland tijdens een exorcisme gewurgd door een priester. In 2005 werden een priester en vier nonnen aangeklaagd omdat zij een andere non hadden gekruisigd, met een handdoek in haar mond. Ze dachten dat ze bezeten was, maar ze bleek schizofreen te zijn en stierf door uitdroging en gebrek aan zuurstof. Buiten de rooms-katholieke kerk worden ook demonen verjaagd, al dan niet door geestelijken, en dat loopt zo nu en dan eveneens fataal af. Zo stierf het Japanse meisje Tomomi Maishigi (13) eind augustus 2011 bij een boeddhistisch exorcisme.

Morgenster of metafoor?

Het grote publiek kent exorcismen uit griezelfilms. Rond het eind van de twintigste eeuw kwam er in diverse landen weer vraag naar rituele kerkelijke exorcismen. Met name in Italië nam het aantal exorcisten explosief toe, en kwam er zelfs een heuse cursus in Rome (zie Parariteiten zomer 2005). Het Vaticaan gaf wereldwijd elk bisdom opdracht om ten minste één exorcist aan te stellen. Dat leidde ertoe dat een Californische pastoor, Gary Thomas (1953), besloot om zijn sabbatical aan deze cursus te besteden, zonder dat hij overigens Italiaans kende! Het grootste deel van het boek van Baglio gaat over de periode dat Thomas in Rome verbleef, van oktober 2005 tot april 2006.

Baglio schrijft dat de cursus voor exorcisten op universiteitsniveau werd gegeven. Er waren universitaire theologen, psychologen, medici, psychiaters en criminologen die gastcolleges gaven. De opleiding verschafte de priesters kennis over de historische, theologische, sociologische en medische aspecten van een exorcisme. Ze leerden ook hoe men kan bepalen of iemand al of niet bezeten is en hoe de duivel kan worden ‘verslagen’. Inmiddels worden de cursussen eveneens in de VS gegeven.

In het Nieuwe Testament is het uitdrijven van demonen, samen met genezing van zieken, blinden en lammen, een belangrijke activiteit van Jezus en zijn leerlingen. Uit diverse passages in de Bijbel is een tamelijk verwarrende mythologie over de duivel opgebouwd. De slang in het paradijsverhaal wordt geïdentificeerd met de duivel, die mensen wil verleiden tot ongehoorzaamheid aan God. In het verhaal van Job is Satan een handlanger van Jahweh, die Job op de proef moet stellen. In een spotlied op een overleden koning van Babylon in Jesaja 14 komt een passage voor die de basis lijkt voor de mythe dat ‘Lucifer’ (de morgenster waarmee de koning zich placht te vergelijken) een gevallen engel is. Deze mythe lijkt terug te komen in het visioen van de rode zevenkoppige draak in Openbaring 12, en volgens Matteüs 25:41 is de hel een strafkolonie voor ‘de duivel en zijn engelen’. Ook het verhaal waarin Jezus ervan beschuldigd wordt de duivel uit te drijven met Beëlzebul (Matteüs 12:22-28, Marcus 3:20-27, Lucas 11:14-22) geeft aan dat er in de demonenwereld rangen en standen zijn. De duivel werd macht toegedicht blijkens het verhaal van de ‘beproeving in de woestijn’. Daarin biedt hij Jezus alle koninkrijken ter aarde aan (Matteüs 4 en Lucas 4, terloops Marcus 1:32).

Deze en andere passages suggereren dat de mythologie over de duivel al vroeg in de ontwikkeling van het christendom bestond, en dat ongeloof aan de duivel neerkwam op twijfel aan de evangeliën. De duivel was een belangrijke speler geworden in de kosmische strijd tussen goed en kwaad, waar veel mythologieën over verhalen. Naarmate het idee van de absolute almacht, alwetendheid en algoedheid van God werd uitgebouwd, werd ‘het kwade’ problematischer, en zo ziet de rooms-katholieke theologie de activiteiten van demonen dan ook als iets dat met volledige instemming van God gebeurt, bijvoorbeeld om gelovigen op de proef te stellen.

De demonen zouden niettemin behoorlijk intelligent zijn en een vrije wil hebben. Waarom ze hun slachtoffers zo kwellen, is onduidelijk. Dat lijkt niet de slimste methode om iemand naar de ‘dark side’ te lokken. De officiële rooms-katholieke catechismus twijfelt niet aan Satan, maar misschien zijn de innerlijke tegenstrijdigheden in de duivelsleer voor veel priesters redenen om hem slechts als een metafoor voor het kwade te zien.

Rituelen met braaksel

De exorcismen van de rooms-katholieke kerk zijn duidelijk omschreven rituelen die alleen een bisschop of een bevoegd priester mag uitvoeren. Er bestaan twee soorten exorcismen. Het kleine exorcisme is een gebed of eenvoudige zegening. Ook het doopritueel begint met een klein exorcisme, waarna de dopeling voor de zekerheid nog gevraagd wordt of hij (zij) de duivel verzaakt en al zijn werken en ijdelheden. Het groot exorcisme kan wel drie kwartier in beslag nemen. Het Rituale Romanum van 1614 bevat instructies voor rituelen zoals doop, huwelijk, diverse wijdingen, en ook voor een exorcisme van ‘Satan en gevallen engelen’.

Op de website www.katholieknederland.nl wordt het tegenwoordige ritueel geschetst (er staat dat Lucas 14:14-20 voorgelezen wordt, dit is het Beëlzebul-verhaal uit Lucas 11). Het exorcisme bestaat uit twee hoofddelen. Eerst vraagt de exorcist kracht voor zichzelf, waarna het eigenlijke werk kan beginnen. Dat houdt onder meer in dat de bezetene met wijwater wordt besprenkeld. In het boek van Baglio komen we een exorcist tegen die voor dit doel een handige plastic knijpfles gebruikt. De demon wordt bars toegesproken en voorgehouden dat God het voor het zeggen heeft. De exorcist mag niet in discussie gaan met de demonen en alleen maar vragen met hoeveel ze zijn en eventueel hoe ze heten. De mogelijkheid dat de cliënt meerdere inwoners heeft, is geïnspireerd op het incident met de 2000 varkens in het land der Gadarenen of Gerasenen (Matteüs 8:28-34, Marcus 5:1-20, Lucas 8:26-39).

De duivels blijken vaak bekende namen te hebben, maar als de exorcist binnen een week driemaal Asmodeüs tegenkomt, geeft die geen blijk van herkenning. De verklaring zou zijn dat de demonen vaak de naam van hun commandant geven. Overigens blijken de exorcisten vrijwel allemaal eigen variaties op het standaardritueel te verzinnen. Dat is sinds 1998 een boekje van 84 pagina’s in het Latijn, met ook de muziek van alle gezangen erin. Het ritueel zelf is vrijwel identiek aan dat uit 1952, maar de richtlijnen voor wanneer men aan zoiets moet beginnen, zijn vernieuwd. Op websites kan men de Engelse versie vinden. Vele Italiaanse exorcisten voegen gebeden tot de aartsengel Michaël of Maria toe of laten delen weg.

In speelfilms is de bezetene vaak een tierende jonge vrouw met een lage stem, die ook nog Latijn en andere talen spreekt. Ze wringt zich in praktisch onmogelijke bochten en braakt ten slotte iets uit, waarna ze verlost is van het kwaad.

Bij Baglio is het allemaal wat subtieler. Bezetenheid zou vaak samengaan met hoofd- en buikpijn, wat de neiging tot braken kan versterken. Het braaksel bevat geregeld scherpe objecten zoals spijkers. Haarballen, kralen of bloedstolsels worden ook aangetroffen. Volgens sommige exorcisten materialiseren deze voorwerpen zich pas in de mond van het slachtoffer. Psychotische patiënten slikken echter vaak vreemde objecten in, die ze dan later weer opgeven. Minder fysieke symptomen zijn nachtmerries, stemmen horen en visioenen zien, neiging tot (zelf)moord, stemmingswisselingen en depressie. Soms ruikt het slachtoffer een ‘zwavelgeur’ (zwaveldioxide of zwavelwaterstof, dat is onduidelijk). Veel variatie is er niet op dit gebied. Benadrukt moet worden dat Baglio dit allemaal van horen zeggen heeft. De gevallen die Gary Thomas feitelijk meemaakte, waren minder spectaculair.

In de films krijgen de priesters seksueel getinte opmerkingen te verduren. Volgens Baglio is de seksuele verleiding inderdaad vaak groot tijdens een exorcisme. Als een aantrekkelijke cliënte zich grommend de kleren van het lijf probeert te scheuren, kan dat geruime tijd na de sessie nog effect hebben op de celibataire exorcist. De theologische verklaring is dat de demon eigenlijk de priester aanvalt. Daarom moeten er bij een exorcisme van een vrouw officieel altijd vrouwen van onbesproken gedrag aanwezig zijn – als het even kan familie van de betrokkene – die haar desnoods in bedwang kunnen houden. Maar Thomas merkte dat Italiaanse exorcisten zich op dit punt niet zo nauw aan de regels houden.

Dissociatieve stoornis

De rooms-katholieke kerk wil zich niet met psychische kwalen bemoeien. Dus eerst moet een medicus of psycholoog het groene licht geven. Pas dan kan aan een theologische diagnose begonnen worden. Volgens het Rituaal zijn abnormale vermogens (kracht, talenkennis, helderziendheid) duidelijke aanwijzingen. Een afkeer van alles wat heilig is, kan een extra aanwijzing vormen. Helaas, zo zegt het Rituaal (versie 1952), zijn de demonen soms uiterst sluw en wekken de schijn dat ze helemaal verdwenen zijn – de ‘ontkenningsfase’ van Freud in een theologisch jasje. Het komt erop neer dat de expertise, intuïtie en ervaring van de exorcist de doorslag geven. Dat zegt het Rituaal ook: de exorcist moet de morele zekerheid hebben dat het om een demon gaat.

De exorcisten in het boek van Baglio gaan ervan uit dat een echte demonische aandoening dramatisch opknapt door de behandeling. Veel klanten van de exorcisten die Gary Thomas in Rome ontmoette, komen echter telkens weer terug voor een vervolgbehandeling. Het boek van Baglio wekt zelfs de indruk dat er in Italië vrouwen zijn die even makkelijk naar een exorcist gaan als naar de pedicure. Thomas maakte één keer een sessie van drie uur mee met een vrouw die al veertig jaar onder behandeling was.

Een psychiater of psycholoog kan voor een diagnose het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM-IV) raadplegen, maar daarin wordt bezetenheid alleen impliciet bij de ‘bezetenheidstrance’ genoemd. Er wordt wel gesproken over ‘obsessieve gedachten’: indringende, verstorende gedachten en het sterke gevoel te worden beïnvloed door een kracht van buitenaf. Bij een bipolaire stoornis hebben mensen afwisselend manische en depressieve gedachten en kunnen ze gemakkelijk woedeaanvallen krijgen. Ook epilepsie, schizofrenie en het syndroom van Tourette (ongecontroleerde tics en grove taal) zijn wel eens genoemd als verklaring voor de symptomen die bij bezetenheid opduiken.

Bezetenheid lijkt echter het meest op een dissociatieve stoornis. Bij deze stoornis zijn er duidelijk verschillende persoonlijkheidstoestanden (‘identiteiten’) die het gedrag van de zieke bepalen. Deze identiteiten oefenen afwisselend de controle over iemands gedrag en bewustzijn uit. Ze hebben ook eigen stemmen en maken zelfs ruzie over wie de baas is. De overgang van de ene naar de andere identiteit kan zeer plotseling gebeuren. Voorts is de patiënt af en toe gewelddadig of geneigd tot zelfbeschadiging. De dissociatieve stoornis komt drie tot negen keer zo vaak bij vrouwen voor als bij mannen, wat zou verklaren waarom ook bezetenheid vaker bij vrouwen voorkomt.

Genoemd handboek legt de ‘dissociatieve trancestoornis’ en de ‘bezetenheidstrance’ als volgt uit:

Dissociatieve trancestoornis: eenmalige of episodische stoornissen in het bewustzijn, identiteit of geheugen die op bepaalde plaatsen en culturen inheems zijn. Bij dissociatieve trance is er sprake van een vernauwing van het besef van de directe omgeving of stereotiepe gedragingen of bewegingen die beleefd worden als buiten de eigen controle te liggen. Bij bezetenheidstrance is er sprake van de vervanging van het normale besef van de eigen identiteit door een nieuwe identiteit, hetgeen toegeschreven wordt aan de invloed van een geest, macht, godheid, of ander persoon en samengaat met stereotiepe ‘onwillekeurige’ bewegingen of amnesie.

Mensen die bezeten zouden zijn, vertonen symptomen die lijken op het gedrag van mensen met een hersenafwijking of geestesziekte en met problemen bij het reguleren van emoties. Voor deze mensen is het absoluut noodzakelijk dat zij professionele hulp krijgen, hoogstwaarschijnlijk in de vorm van een medicamenteuze behandeling. Als ze niet behandeld worden en men in plaats daarvan aan ‘duiveluitdrijving’ begint, kan dit leiden tot schrijnende situaties, zoals met Anneliese Michel, waarbij men exorcismen bleef uitvoeren tot de dood erop volgde. Kortom, als het idee bestaat dat iemand bezeten is, dan is dit terug te vinden in de DSM-IV, wat inhoudt dat geen enkele psycholoog of medicus mag terugverwijzen naar de priester, omdat er dringend professionele hulp nodig is.

Een typische rooms-katholieke bezetene heeft overigens vaak al meerdere artsen gezien zonder enig resultaat. Wie alsmaar geen baat vindt bij dokters, gaat vaak iets alternatiefs proberen. De exorcist kan daarom gezien worden als een alternatieve genezer. De exorcisten in het boek van Baglio lijken wel een polikliniek te runnen, zoveel mensen komen er binnen en staan dan na twintig minuten weer buiten. Er worden vervolgafspraken gemaakt, want volgens Baglio is het een mythe dat men na één exorcisme van alle klachten af is.

Sommigen, zogeheten fakers, zouden overigens puur voor de aandacht naar de exorcist gaan. Om ze te ontmaskeren kan de exorcist kraanwater gebruiken in plaats van wijwater. Blijkbaar heeft men geen hoge dunk van de intelligentie van de demonen. Als de bezetene zich laat imponeren door kraanwater, kan daar een sluwe demon achterzitten die het kantoortje van de exorcist weer ongemerkt wil verlaten. En waarom zou zo’n demon eigenlijk zo onder de indruk moeten zijn van wijwater?

Aangeleerd in therapie

De dissociatieve stoornis is dus, met de zegen van de DSM-IV, de verklaring van sommige vormen van bezetenheid. Het is echter een omstreden stoornis. Veel wetenschappelijke deskundigen beschouwen het als een sociale constructie. Zij nemen aan dat de symptomen mede veroorzaakt worden door de overtuiging en behandelwijze van therapeuten, die hun verwachtingen op patiënten overdragen. De patiënten hebben zelf ook al een beeld van hoe een bezetene zich gedraagt en beantwoorden daar onbewust aan.

Bezetenen weten al bij voorbaat dat ze zeer gevoelig zijn voor wijwater en hebben mogelijk wel eens in een speelfilm gezien welke reacties wijwater kan oproepen. Het gedrag dat ze eerst bij anderen hebben waargenomen, gaan ze in de rol van bezetene zelf ten toon spreiden. De duiveluitbanningen op Anneliese Michel begonnen een jaar nadat in 1974 de film The Exorcist (losjes gebaseerd op een Amerikaans geval uit 1949) in Duitsland uitkwam. Het is niet bekend of Anneliese de film had gezien, maar de audio-opnames van de bij haar uitgevoerde exorcismen lijken wel wat op hoe het in de film klonk. Uiteraard past een praktijkopleiding tot exorcist, zoals Gary Thomas die kreeg, ook in dit kader. Hij was aanwezig bij zestig tot zeventig sessies die zijn Italiaanse collega’s uitvoerden en die hij kon navolgen. Zo kunnen de ‘exorcist’ en de ‘bezetene’ terechtkomen in een gevaarlijk rollenspel.

Symptomen kunnen tijdens een therapie of exorcisme worden opgewekt door de veronderstelde persoonlijkheden of demonen als afzondelijke personen toe te spreken. Mensen kunnen zich daardoor gaan gedragen alsof zij inderdaad verschillende persoonlijkheden in zich hebben. Professor Steven Jay Lynn van de Binghamton University heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar dissociatie en hypnotische toestanden. Hij stelt dat er helemaal geen verschillende persoonlijkheden in mensen kunnen bestaan, en zeker geen ‘alters’ die elk een eigen stukje geheugen bezitten. Dit zijn ideeën die patiënten van anderen overnemen. Het gevoel dat men een verdeelde persoonlijkheid heeft, kan een gevolg zijn van de meer of minder impliciete suggesties en aanwijzingen van een therapeut.

De geschiedenis van de pseudowetenschap levert verscheidene voorbeelden van personen die zich in specifieke therapeutische situaties zeer vreemd gingen gedragen. De Duitse arts Franz Anton Mesmer introduceerde zijn dierlijk magnetisme in 1780 in Parijs. Hij gebruikte baquets, houten bakken met water waaraan magnetisch ijzervijlsel was toegevoegd en waaruit ijzeren staven staken. Er waren tal van dames uit de hogere kringen die waarschijnlijk volkomen normaal waren, maar niettemin een grote verscheidenheid aan hysterische symptomen tentoonspreidden als ze de staven vasthielden: toevallen, flauwtes, gedeeltelijke verlammingen, huilbuien en uitbarstingen kwamen frequent voor. Gedurende enige jaren was het een grote rage in Parijs.

Iets dergelijks gebeurde in het Salpêtrière-ziekenhuis, waar de neuroanatoom Jean-Martin Charcot in 1862 directeur werd. Hij maakte er een studie van hysterie. De patiëntes leerden al snel wat er van ze verwacht werd: de grande hystérie, waarbij de patiënt wild om zich heen ging slaan en zich in de meest vreemde bochten wrong. Daarnaast vertoonden ze nog andere verschijnselen zoals plotselinge gevoelloosheid, beperking van het gezichtsvermogen en hoofdpijn. Maar de opvolger van Charcot verbood deze strapatsen, en toen was het meteen afgelopen.

In de tweede helft van de twintigste eeuw is onder invloed van de film en het boek The Three Faces of Eve (1957) het aantal diagnoses van ‘meervoudige persoonlijkheid’ geëxplodeerd. Ook hebben we aan het eind van de twintigste eeuw een epidemie gekend van ‘hervonden herinneringen’ en in de VS zelfs een ‘satanic panic’, de laatste mede veroorzaakt door suggestieve ondervraging van kinderen. De hypothese was dat verschrikkelijke ervaringen zouden leiden tot het verdringen van herinneringen eraan (die dan weer door de uiterst kundige therapeut konden worden teruggehaald, dat spreekt), hoewel concentratiekampslachtoffers daar helaas nooit wat van gemerkt hebben, integendeel. In feite werden al die herinneringen onder invloed van therapeuten opgewekt.

Tikje tegen het voorhoofd

Diverse onderzoeken hebben aangetoond hoe eenvoudig pseudoherinneringen kunnen worden gecreëerd. Ook vele rapporten over ontvoeringen door ufo’s moeten zo ontstaan zijn, namelijk door uitwisseling van gegevens in het wereldje van gelovige therapeuten en hun cliënten. Baglio vermeldt wel terloops (in hoofdstuk 5) iets over de ‘satanic panic’ en hij besteedt de tweede helft van hoofdstuk 9 aan de hierboven geschetste sceptische theorieën. Hij trekt echter niet de conclusie dat tot nader order bezetenheid bij exorcisme niet meer is dan een van de vele aandoeningen die zich ontwikkelen onder invloed van een suggestieve ‘therapie’. De reden is dat hij verhalen gelooft over paranormale verschijnselen zoals leviterende en helderziende bezetenen.

Niet alleen is het exorcisme-ritueel nogal suggestief, maar het lijkt ook in ander opzicht op hypnose. Volgens Baglio gaan de klanten regelmatig in trance als de demon zich openbaart. Ze weten gewoonlijk al ongeveer hoe ze zich bij een exorcist of hypnotiseur moeten gedragen. Het is een rol die ze met hartstocht spelen, vooral als ze geloven dat het een weg naar genezing is. Analoog aan het hypnotische rollenspel, waarbij de hypnotiseur de trance met een vingerknip verbreekt, krijgen bezeten een tikje tegen het voorhoofd. Daarna kunnen ze naar het schijnt niet meer navertellen hoe ze zich hebben aangesteld. Verscheidene onderzoeken hebben ook bevestigd dat mensen er door middel van suggestieve methodes van kunnen worden overtuigd dat zij ervaringen hebben meegemaakt die nooit hebben plaatsgevonden.

Gary Thomas lijkt voorzichtig met zijn cliënten om te gaan, maar onder zijn Amerikaanse collega’s zijn er die van extremen houden. Hoe dan ook, exorcisten bieden hoogstens een placebobehandeling, met een grote kans op instandhouding van de ‘kwaal’, en als het tegenzit een bittere dood. Het aantal verzoeken om exorcismen neemt niettemin toe, ook buiten Italië. De meest voor de hand liggende verklaring is niet dat de duivel actiever is geworden, maar dat het gaat om een combinatie van het onbewust aanleren van symptomen tijdens een behandeling, de invloed van films en boeken en de verwachtingen die binnen sommige geloofsgemeenschappen leven. ‘Bezetenen’ behoren door een professional te worden behandeld, zonder magische methoden die de klachten kunnen verergeren en aan het oude mesmerisme herinneren.

Literatuur

American Psychiatric Association. (2000). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (4th ed., text revision). Washington, DC: Author.
Baglio, M. (2009). The Rite: The making of a modern exorcist. New York: Doubleday.
Cohen, L. M., Berzhoff, J. N., & Elin, M. R. (1995). Dissociative identity disorder: Theoretical and treatment controversies. Nortvale, New Jersey: Jason Aronson.
Comer, R. J. (2010). Fundamentals of Abnormal Psychology (6th ed.). New York: Worth Publishers.
Ferracuti, S., Sacco, R. (1996). Dissociative Trance Disorder: Clinical and Rorschach findings in ten persons reporting demon possession and treated by exorcism. Journal of Personality Assessment, 66, 525-539.
Gleaves, D.H. (1996). The sociocognitive model of dissociative identity disorder: a reexamination of the evidence. Psychological bulletin, 120(1), 42-59.
Guiley, Rosemary Ellen (2009). The Encyclopedia of Demons and Demonology. New York: Facts On File, Inc.
Lillienfeld, S. O., & Lynn, S. J. (2003). Dissociative identity disorder: multiple personalities, multiple controversies. In Science and Pseudoscience in Clinical Psychology, p.109-42. New York: Guilford Press.

Met dank aan de redactie van Skepter voor de aanvullingen.

Uit: Skepter 24.1 (2011)

SkepsisSiteBeheerder