Opgerolde raadselen

Mythes en mysteries rond de Dode-Zeerollen

door Richard Gwynn-Seary

De ontdekking van de Dode-Zeerollen, in 1947 en de jaren daarna, zette de historische wereld op haar kop. Vijftig jaar later vormt deze unieke vondst nog steeds een bron van speculaties.

Prof. SukenikEen van de meest opmerkelijke aspecten aan de Dode-Zeerollen is dat ze op een uiterst gunstig moment aan het licht kwamen – slechts enkele weken voordat de joodse staat Israël werd uitgeroepen. Een van de eerste echte geleerden die een deel van deze schat onder ogen kreeg was Eleazar Sukenik, het toenmalige hoofd van de archeologische faculteit van de Hebrew University, tijdens een illegale ontmoeting over het prikkeldraad dat, in november 1947, Oost- van West-Jeruzalem scheidde. De rollen werden te koop aangeboden door een louche Armeense antiquair. Sukenik nam er drie mee naar huis, met de twee potten waar ze in hadden gezeten, om nader te bestuderen alvorens de koop te sluiten. Hij was daar juist mee bezig toen hij via de radio hoorde dat de Verenigde Naties besloten hadden een joodse staat op te richten. Sukeniks zoon, Yigal Yadin, toen hoofd operaties van de ondergrondse Joodse Militie, de Haganah – later de Israeli Defense Force – twijfelde geen moment aan de betekenis van de vondst juist op dat ogenblik: ‘Het is alsof deze manuscripten tweeduizend jaar in hun grotten hebben zitten wachten, vanaf de vernietiging van Israëls onafhankelijkheid, tot op het moment dat het volk van Israël terugkeerde naar zijn thuis en zijn vrijheid hervond.’

De rollen gaven de nieuwe staat een soort literaire legitimiteit: een sterke tastbare band met joodse gemeenschappen van twee millennia her. Het deed er niet toe dat de gemeenschappen die deze rollen produceerden er opvattingen op na hielden die, alhoewel ze Jahweh aanbaden, totaal verschilden van het hedendaagse judaïsme, waar het om ging was dat ze joods waren, en onderdeel uitmaakten van de lange, gecompliceerde joodse geschiedenis.

Sinds de ontdekking – in 1947 en later – is er over deze verzameling teksten), die bekend staat als de Dode-Zeerollen, meer geschreven dan over welke andere oude religieuze of seculiere tekst ook. De gevechten over hun betekenis, over wie deze relieken mochten bezitten, bestuderen en erover publiceren, hebben de gemeenschap van Hebreeuwse theologen, archeologen en historici verdeeld. Volgens sommigen bevestigen ze de bijbelse teksten, volgens anderen spreken ze deze tegen; weer anderen geloven dat ze het product zijn van een obscure sekte, of het werk van vroege christenen, een deel van de bibliotheek van de Tempel van Herodes te Jeruzalem (1), of zelfs een verslag van de strijd tussen Jezus en Johannes de Doper (zie Een baaierd aan meningen).

Verleiding

De eerste rollenonderzoekers zochten koortsachtig naar manieren om de gevolgen die de vondst van deze teksten zou moeten hebben, om te buigen, te verbergen of te verwerpen. De rollen hadden hen ertoe moeten dwingen hun opvattingen over het judaïsme tussen de 2de eeuw v.C. en de 1ste eeuw n.C. – de tijd waarin de rollen moeten zijn geschreven en die bekend staat als de ‘intertestamentaire periode’ – grondig te herzien. In plaats daarvan werden de teksten opgesplitst en ingepast in de lappendeken van bestaande theorieën.

Bepaald niet bevorderlijk voor een objectieve interpretatie was het feit dat de eerste geleerden die de tekstfragmenten onderzochten christelijke geestelijken waren, geconditioneerd door wat de kerk en het Nieuwe Testament over deze periode te melden hadden (zie De christenen en de rollen). De eerste rol die nauwkeurig werd bestudeerd, de ‘Sekteregel’ – een overzicht van leefregels van een religieuze gemeenschap die zichzelf Serekh Hayadad, ‘Orde van Eenheid’ noemde – werd geïnterpreteerd als een voorloper van de leefregels behorende bij de latere, christelijke kloostertraditie. Nu bevonden zich in Qumran, niet ver van waar de rollen waren gevonden, de ruïnes van een of ander gebouwencomplex, en al spoedig werd gesuggereerd dat dát het ‘joodse klooster’ moest zijn geweest waarin de rollen geproduceerd waren. En aangezien de Essenen de enige bekende joodse sektarische gemeenschap waren, werd deze obscure sekte de belangrijkste verdachte. Deze opvatting is nog steeds gemeengoed onder de deskundigen.

Andere deskundigen verwerpen de pogingen om de rollen in verband te brengen met de Essenen en de ruïne van Qumran. Philip Davies van de universiteit van Sheffield wees erop dat de suggestie dat Qumran een klooster was geweest, haar oorsprong vindt in de opgravingen verricht door de katholieke priesters Roland de Vaux en Jozef Milik. En de Amerikaanse historicus Norman Golb schreef: ‘Zodra de ruïnes beschouwd werden als de plaats van herkomst van de rollen, werd het integreren van alle resultaten een onweerstaanbare verleiding.’

Beker = Graal

Barbara Thiering, jarenlang verbonden aan de theologische faculteit van de universiteit van Sydney, claimt niet alleen dat op de plaats van de ruïne van Qumran ooit een Esseens ‘woestijnklooster’ stond en dat de Dode-Zeerollen daar zijn ontstaan, maar dat het ook de plaats is waar Christus gekruisigd werd, de plaats waar de oude stad Sodom zich bevond en tevens het slagveld ‘Armageddon’ uit Openbaring 16:16. Ze gelooft dat de kruisiging doorgestoken kaart was en dat Jezus deze dankzij een vergif waardoor hij schijndood was, overleefde. In haar meest recente boek, Jesus and the apocalypse (1995) ontwikkelt Thiering zo haar eigen ideeën over het boek Openbaring en (enkele fragmenten uit) de Dode-Zeerollen. Ze beweert dat Jezus lid was van een politiek-religieuze beweging – anderen hebben dat ook beweerd; en dat ligt voor de hand omdat de joden in die tijd geen verschil zagen tussen politiek en religie – die zich tot doel had gesteld het Romeinse gezag omver te werpen en een nakomeling van koning Herodes op de troon te zetten. (2)

Ze beweert ook dat er meerdere Jezussen waren en onderschrijft de ‘Heilig Bloed/Rennes-le- Château/Tempelieren’-theorie, die onder andere stelt dat het Franse koningshuis der Merovingers afstamde van Christus (zie Skepter, juni 1997). Ten slotte sleept ze hier ook nog de legende van de Heilige Graal en de landing van Jozef van Arimathea te Glastonbury erbij (3). Hierbij demonstreert ze echter haar onbekendheid met het bijbelse Grieks. Het woord potayrion, ‘beker’, in Openbaring 16:19 (waarin God aan Babylon dacht, om haar vervolgens ‘de drinkbeker van de wijn des toorns Zijner gramschap’ te geven) valt niet los te zien van het volledige zinsdeel waarin Gods woede wordt omschreven, en waarin de beker geen letterlijke beker is maar gewoon ‘volheid’ betekent, en dus het afdoende karakter van Gods straf aangeeft. Trouwens, Thierings Hebreeuws en Aramees rammelen ook, en ze leest dingen in de teksten die niemand anders daar uit kan halen.

Kathedraal te Efeze

Thierings beweert dat het boek Openbaring geen beloften bevat of een beschrijving geeft van komende tijden, maar dat het een verborgen verslag is van de ‘geschiedenis van de christelijke beweging van AD 1 tot AD 114.’ Historische feiten worden genegeerd of aangepast, en om haar hersenspinsels te ondersteunen stelt ze een volstrekt uniek woordenboek samen van 103 pagina’s, dat impliceert dat de vertalers van de tekst op de hoogte moeten zijn geweest van dit ‘geheim’.

Haar claim dat Openbaring gecodeerde geschiedenis is en dat het christendom ‘gesticht werd door de Herodianen, de joodse koningen […] wier vriendschap met Romeinse keizers het voertuig vormde waarmee het naar Rome kon komen’, komt op geen enkele manier overeen met wat we weten van de Herodianen en de vroege kerk. In tegenstelling tot de populaire heersers die Thiering beschrijft waren de Herodianen een gevreesde en gehate dynastie (4). Haar claim dat ‘de ware stichter van de Kerk – of op z’n minst haar sponsor – was Herodes de Grote’ is volslagen nonsens. Ten eerste stierf Herodes toen Jezus nog maar net geboren was en ten tweede gaat deze bewering lijnrecht in tegen alles wat we weten van deze man. Thiering beweert ook dat een groot deel van de organisatie van de nieuwe religie en de presentatie van haar heilige teksten plaatsvond ‘in de kathedraal van Efese’, waar, volgens haar, in AD 49 het ‘geschiedenisboek’ Openbaring geschreven zou zijn. Kathedralen bestonden toen nog niet. De zetels (‘kathedra’) van bischoppen werden pas in de 4de eeuw ingesteld. Nog belachelijker zijn haar opmerkingen over de evangeliën die, zo schrijft ze, vermeld worden in de Dode-Zeerollen. Volgens haar werden de vier evangeliën, geschreven en wel, gepresenteerd tijdens een ceremonie in ‘de kathedraal van Efese’ in aanwezigheid van Herodes Agrippa, Mattheüs Annas (‘zijn priester-paus op dat moment’), Herodes Agrippa II, de vier evangelisten (Mattheüs, Marcus, Lucas en Johannes) en Jezus. Volgens de conventionele geschiedenisboeken stierf Herodes Agrippa (kleinzoon van Herodes de Grote) in AD 44, en mocht Thiering bedoelen dat diens zoon Agrippa II de ceremonie leidde: die had geen nakomelingen. Ze heeft het wel over Timotheüs, de metgezel van de apostel Paulus in het Nieuwe Testament, als een achterneef van Agrippa II en ‘aangewezen erfgenaam’ maar geeft geen bronnen voor deze bewering (waarschijnlijk omdat ze niet bestaan).

De namen van de Evangeliën, die het product zijn van verscheidene christelijke gemeenschappen over een lange tijdsspanne, werden pas in de tweede eeuw aan de betreffende teksten verbonden. Er circuleerden in de beginjaren van de kerk korte verhalen en ‘gezegden’ van Jezus, maar deze zijn niet terug te vinden in de Dode-Zeerollen, waarin ook geen verslag is te vinden van het leven van Jezus, van zijn leer of over de vroege kerk. Het enige dat met zekerheid gezegd kan worden over het verband tussen de rollen en het christendom is dat de teksten ons een beeld geven van de diversiteit binnen de joodse religie in de tijd vlak voor Jezus, en dat ze ons kunnen helpen te begrijpen hoe zijn prediking van het Koninkrijk Gods ontvangen werd.

Levensmoe

Een ander idee waarmee korte metten moeten worden gemaakt is dat de rollen het product zouden zijn van een Esseens ‘klooster’ te Qumran. De wankele basis voor deze theorie is ontleend aan de Romeinse auteur Plinius de Oude, die in zijn Natuurlijke Historie schreef: ‘Aan de westkust van de Dode Zee, maar buiten bereik van de giftige dampen van de kust, leeft de eenzame stam der Essenen, die van alle andere stammen op aarde verschilt omdat zij geen vrouwen kent en ieder seksueel verlangen heeft uitgebannen, geen geld bezit doch slechts de palmbomen als gezelschap. Iedere dag wordt deze massa aangevuld door een gelijk aantal personen die het leven moe zijn, en door het lot zijn aangespoord om hun gebruiken te aanvaarden. En zo kan gedurende duizenden jaren […] een volk voor eeuwig bestaan terwijl niemand daar geboren wordt. Zo gunstig voor hun voortbestaan is de levensmoeheid van anderen.’

Iets verder schrijft hij, over hun verblijfplaats: ‘Afdalende van de Essenen lag daar de stad En Gedi, in vruchtbaarheid van de haar omringende landerijen en in de omvang van haar palmboomplantages alleen de mindere van Jeruzalem, maar nu, net als die andere stad, een hoop as’.

Dankzij de geschriften van Philo en Josephus weten we iets meer over de Essenen: er waren er niet veel (beide auteurs spreken van vierduizend man), ze waren ascetisch en esoterisch; het waren pacifisten die wapens hadden afgezworen en niet in verzet kwamen tegen de Romeinen; hun leiders leefden celibatair (alhoewel Josephus zichzelf op dit punt tegenspreekt), ze leefden van de landbouw en verafschuwden de handel, ze beschouwden slavernij als een kwaad en veroordeelden het in het openbaar; ze predikten een soort democratisch communisme; ze lieten slechts geboren joden toe en geen bekeerlingen. Ze offerden niet, maakten dus geen deel uit van het jodendom dat in de tempel te Jeruzalem overheerste en waren dus ook niet te vinden in de priester- en aristocratische kaste.

Nergens staat geschreven dat het geleerden waren, noch is er sprake van kopiisten of commentatoren. Er bestaan verwijzingen naar Essenen als ‘profeten’ en ‘waarzeggers’ maar dat had niets met de sekte van doen. De oude auteurs waren vooral geïnteresseerd in hun celibataire levenswijze – waarmee ze, hoewel officieel joden, dusdanig anders waren dan de gewone joden dat ze gerust als aanhangers van een andere godsdienst mogen worden beschouwd – en geen enkele opmerking in hun geschriften wijs erop dat ze de schrijvers van de rollen zouden zijn geweest, of dat ze iets te maken hadden met het vroege christendom.

Het idee dat de ruïne van Qumran een soort pseudo-christelijke religieuze gemeenschap is geweest, wordt weerlegd door de resultaten van opgravingen. De resten van een verdedigingstoren met muren van twee meter dik en van pijl- en speerpunten suggereren dat het hier om een militair object ging. Een paar architectonische details suggereren dat de vesting gesticht is in de tijd van de dynastie der Hasmoneeën (140 – 130 v.C.). De vesting is bij uitstek geschikt om de weg vanuit Jeruzalem naar En Gedi en (verder zuidelijk) de vesting Masada te beschermen tegen de Nabateeërs uit de zuidelijke woestijn.

Een andere bewijs voor een militaire functie is de grote begraafplaats. Het dichtstbijzijnde graf bevindt zich op slechts 35 meter van de buitenmuur van het gebouwencomplex. De Sekteregel, waarin grote nadruk wordt gelegd op het onderhouden van rituele reinheid, verbiedt expliciet een graf aan te leggen zo dicht bij de woonplaats. Als deze tekst dus Esseens is, dan was Qumran geen Esseense vestiging, of andersom. Verder blijkt uit het feit dat vele graven de skeletten van vrouwen en kinderen bevatten (waarvan vele met verbrande of gebroken ledematen) dat dit geen Esseense begraafplaats kan zijn. Hoogstwaarschijnlijk gaat het hier om de resten van de laatste verdedigers van Qumran, inclusief hun familieleden en vluchtelingen, die ingesloten en afgeslacht werden door de Romeinse oorlogsmachine ten tijde van de joodse opstand. Het feit dat de lichamen noord-zuid liggen – in tegenstelling tot de joodse Wet, die oost-west voorschrijft – suggereert dat ze begraven zijn door Romeinse soldaten na de val van Qumran. (zie Wat gebeurde te Qumran?)

Jagende Arabier

En dan is er de claim dat de teksten verwijzingen bevatten naar een Christusachtige Messias, en de bewering dat de ‘Leraar der Gerechtigheid’ die in enkele teksten voorkomt, Jezus zou kunnen zijn.

Michael Baigent en Richard Leigh schreven in hun boek The Dead Sea Scroll Deception (1995): ‘Als de rollen ver vóór het christelijke tijdperk gedateerd zouden worden, dan zouden ze een bedreiging vormen voor Jezus’ originaliteit en uniciteit. Ze zouden aantonen dat bepaalde woorden en concepten niet door hem bedacht zijn maar ontleend aan stromingen, leringen en tradities die toen in de mode waren. Als de rollen uit de tijd van Jezus dateren of van kort daarna, dan zijn ze nóg beschamender. Dan zou men kunnen volhouden dat de ‘Leraar der Gerechtigheid’ Jezus zélf was en dat Jezus door zijn tijdgenoten dus niet als goddelijk werd beschouwd. Bovendien bevatten de rollen ideeën die het huidige beeld van het vroege christendom aantasten. Er zijn opmerkingen over een militant messianistisch nationalisme dat tot voor kort uitsluitend met de Zeloten werd geassocieerd, terwijl Jezus beschouwd wordt als apolitiek. [..] Men kan zelfs concluderen dat Jezus er nooit aan gedacht heeft een nieuwe godsdienst te stichten of tegen de joodse wet in te gaan.’

Uit deze en andere opmerkingen blijkt dat de auteurs geen verstand hebben van de joodse messianistische tradities. Iedere joodse of christelijke theoloog had hen kunnen vertellen dat een gelijkstelling van deze Leraar met Jezus onnodig is en ook niet voor de hand ligt. Het is al 1000 jaar bekend dat het wemelde van de messiassen en charismatische leiders – de een succesvoller dan de andere – in het Midden-Oosten ten tijde van de Romeinse bezetting. Jezus was slechts een van de velen. De Dode-Zeerollen schetsen de messianistische verwachtingen van een aantal groeperingen. En wat betreft de ‘deception’ (misleiding) ten aanzien van de teksten: dat de vertalingen uitzonderlijk traag loskwamen was het gevolg van academische jaloezie en ambitie.

Van alle Dode-Zeerollen, hoe interessant ook voor theologen en gespecialiseerde historici, is eigenlijk alleen de Koperen Rol werkelijk intrigerend. De andere teksten bestaan grotendeels uit op een speculatieve manier samengevoegde fragmenten. De Koperen Rol is daarentegen echt een eenheid. Het is een uniek document, en omdat het niet paste in de verwachtingen van De Vaux en andere onderzoekers van het eerste uur, besloot men dat dit document fictie moest zijn, een verzameling volksverhalen over verborgen schatten. Ik heb het gebroken Hebreeuws vertaald en ben tot de conclusie gekomen dat dit geen literaire tekst is maar een inventarislijst van enorme schatten, voorraden goud, zilver en juwelen, kostbare oliën, priesterlijke gewaden en andere parafernalia voor de eredienst – en van teksten. De koperen rol geeft summiere aanwijzingen waar een en ander gevonden kan worden, maar voordat u tropenhelm en spades aanschaft eerst deze waarschuwing: het is vrijwel zeker dat het meeste al lang geleden gevonden is. Volgens mij staan geruchten en verwarrende verslagen van dergelijke vondsten aan de basis van verhalen zoals die over Aladdin en Ali Baba. De koperen rol zou echter nog uit kunnen groeien tot de meest waardevolle en opmerkelijke van alle rollen, indien deskundigen en archeologen (en dus niet goudzoekers) haar serieus genoeg zouden nemen om expedities op te baseren.

We weten van minstens twee eerdere vondsten van verborgen teksten. De eerste partij werd gevonden ‘in een pot nabij Jericho’ tijdens de regering (211-218) van keizer Caracalla. Deze kwam in het bezit van de kerkvader Origenes en is verwerkt in onze moderne Bijbel. De tweede vondst, in 800, ook nabij Jericho, werd als volgt beschreven door de Nestoriaanse patriarch Timotheüs I van Seleucië (5): ‘De hond van een jagende Arabier […] ging de grot binnen en kwam niet naar buiten. Zijn meester volgde hem en vond een verblijfplaats in de rotsen waarin zich vele boeken bevonden. De jager ging naar Jeruzalem en vertelde het de joden. Ze kwamen in groten getale en vonden boeken uit het Oude Testament en andere Hebreeuwse geschriften.’

Tot op dit moment zijn slechts zo’n 15 van de pakweg 650 verschillende documenten, die min of meer intact zijn teruggevonden of waarvan de reconstructie enigszins logisch klinkt, op aanvaardbare wijze vertaald. De rest bestaat uit zo’n tienduizend fragmenten met een onbekende inhoud. Recente ontwikkelingen op het gebied van DNA-onderzoek maken het mogelijk om bij elkaar horende, op dierenhuiden geschreven fragmenten bij elkaar te zoeken – een puzzel die de onderzoekers tot nog toe moesten trachten op te lossen door de handschriften te vergelijken – maar hoeveel teksten er ook nog zullen worden gereconstrueerd, ik verwacht dat er de komende jaren nog veel meer mythen rond de Dode-Zeerollen zullen verrijzen.

Wat gebeurde te Qumran?

Aanvankelijk werd de ruïne van Qumran versleten voor een Romeins fort. Een onderzoeksteam onder leiding van De Vaux echter kwam in 1951 tot de conclusie dat dat niet het geval kon zijn. Voor De Vaux stond nu vast dat daar Essenen gewoond hadden, en dat zij de auteurs waren van de Dode-Zeerollen.

Bij een tweede opgraving, in 1952-53, bleek dat de ruïne wel degelijk ooit een militaire vesting was geweest, maar dan enkele eeuwen vóór Christus. Opmerkelijk was een uitgebreid netwerk van kanalen en spaarbekkens, bedoeld om de verdedigers van Qumran gedurende vele maanden van drinkwater te voorzien. Duidelijk was ook dat het complex rond het begin der jaartelling vele decennia leeg had gestaan, alvorens in de jaren 60-70 weer bewoond te worden. Dat zouden dus die Essenen geweest kunnen zijn, maar opmerkelijk was dat men Qumran bij het naderen der Romeinen niet simpelweg had verlaten, doch verdedigd: er waren sporen van brand en de buitenmuren waren op klasssiek-militaire wijze ondergraven. Opvallend was ook wat er niet werd gevonden: géén sporen van een vredelievende sekte, geen cultusvoorwerpen, geen schrijfgerei (op twee armzalige inktpotjes na), en geen snippertje tekst. Er is nooit enige aanwijzing gevonden dat de ruïne iets met de rollen of de Essenen te maken heeft. (Ooit werd in de grotten aardewerk gevonden dat identiek was aan aardewerk uit de ruïne, en De Vaux meende dat de connectie hiermee ‘bewezen’ was, maar inmiddels is duidelijk dat het betreffende type aardewerk in die tijd betrekkelijk algemeen was.)

Om in de archeologische leemte te voorzien, voorzagen De Vaux en zijn team de vondsten van tot de verbeelding sprekende aanduidingen. De spaarbekkens bijvoorbeeld waren volgens hen bedoeld om te dopen. Twee grotere ruimten binnen de ruïne werden een ‘refter’ (de eetzaal in een middeleeuws klooster) en ‘raadszaal’. In het puin werden drie gipsen platen gevonden (en twee inktpotjes) en De Vaux had het prompt over ‘schrijftafels’ en schrijfgerei, en dus een ‘scriptorium’ (de werkplaats der schrijvers in het middeleeuwse klooster). Inmiddels is duidelijk dat de ‘schrijftafels’ zitbanken waren. (mh)

Een baaierd aan meningen

In de loop der tijd werd duidelijk dat de Dode-Zeerollen uiterst moeilijk verenigbaar zijn met de Esseense hypothese. Ten eerste zijn ze in werkelijk honderden verschillende handschriften geschreven – onwaarschijnlijk veel als ze allemaal afkomstig zouden zijn van een kleine sektarische gemeenschap, zelfs als deze enkele eeuwen heeft bestaan. Ook bevindt zich onder de vondsten geen enkele ‘autografie’: een snel geschreven en persoonlijk ondertekend document. Het zijn allemaal keurige kopieën. Dat laatste maakt het uiterst onwaarschijnlijk dat het gaat om de inhoud van een inderhaast ontruimd, bedrijvig ‘scriptorium’.

De teksten vertonen hier en daar parallellen met een aan de der Essenen verwante leer, maar het grootste deel vertoont geen verwantschap of is daar regelrecht mee in strijd. Volgens sommigen zou in ieder geval een deel Esseens zijn, maar de schattingen hoe groot dat deel zou zijn, zijn in de loop der jaren alleen maar gedaald. In 1989 had een onderzoeker, nota bene een lid van het team van De Vaux, het nog slechts over ‘hooguit twintig procent’.

Waar zou dat overgrote, niet-Esseense deel dan vandaan zijn gekomen? Eén verklaring zou kunnen zijn dat joden die voor de Romeinen op de vlucht waren geslagen, allerlei geschriften naar Qumran brachten waarna de Essenen deze tezamen met hun eigen bibliotheek hadden verborgen. Deze verklaring is echter uiterst onwaarschijnlijk omdat de Essenen juist in de woestijn woonden om contact met ‘onreine’ mensen (en teksten) te voorkomen.

Een andere verklaring luidt dat de teksten de ontwikkeling van de sekte weerspiegelen. Het materiaal zou chronologisch geordend kunnen worden. Aanhangers van deze hypothese proberen onderscheid te maken tussen een ‘vroege’ en ‘late’, een pre- en een ‘echt’ Qumraanse fase. Maar zonder duidelijke dateringen (en de teksten zijn niet nauwkeurig genoeg te dateren) is dat niet meer dan een intellectueel spel.

Een variant op deze theorie is de door de Groningse onderzoekers dr. Garcia Martinez en prof. A.S. van der Woude enige jaren geleden gelanceerde ‘Groningse hypothese’. Deze stelt dat de bewoners van Qumran een splinter van de Esseense beweging vormden, met ruime opvattingen. Een veronderstelling om een andere veronderstelling van de ondergang te redden.

Aanhangers van de Esseense hypothese wijzen gaarne op de vondst van vele exemplaren van een religieuze kalender die niet in de pas loopt met de officiële kalender. Een dergelijke afwijkend jaaroverzicht, zo zeggen ze, kan uitsluitend gebruikt zijn door een in afzondering levende sekte. Maar in die tijd werd er uitgebreid gediscussieerd over de ‘juiste’ religieuze kalender, en er is geen reden om te veronderstellen dat alleen de Essenen een afwijkende zouden hebben gehanteerd.

De christenen en de rollen

In 1991 opperden Michael Baigent en Richard Leigh in hun boek The Dead Sea Scrolls Deception dat de schandalig trage publicatie van de Dode-Zeerollen veroorzaakt werd door een Vaticaans complot. De rollen zouden explosieve informatie bevatten over de oorsprong van het christendom. Deze verdachtmakingen zijn inmiddels alweer achterhaald. De teksten – inmiddels vrijwel allemaal openbaar – bevatten geen enkele duidelijke verwijzing naar het vroege christendom. De enige onderzoeker die nu nog gelooft in een verband tussen de rollen en het christendom is de Californische historicus Robert Eisenman, auteur (samen met Michael Wise) van The Dead Sea Scrolls Uncovered (1992). Eisenmans hypothese (regelmatig op televisie te vernemen) is gebaseerd op de vermeende overeenkomst tussen het conflict beschreven in de pesher Habakkuk tussen de ‘Leraar der Gerechtigheid’ en ‘Boze priester’, en het conflict beschreven in de Handelingen der apostelen tussen Jacobus (de broer en opvolger van Jezus) en de apostel Paulus. De ‘Leraar der Gerechtigheid’ zou Jacobus zijn en zijn tegenstander Paulus.

Een tweede flinterdun bewijs is een tekstfragment uit grot 4 dat geïnterpreteerd zou kunnen worden als: ‘en zij sloegen de Prins der Congregatie dood’. De ‘Prins der Congregatie’ zou volgens Eisenman Jezus zijn, en deze regel een verwijzing naar de kruisdood. Andere deskundigen lezen in het tekstfragment juist dat ‘zij’ door de Prins verslagen werden. Deze interpretatie is ook waarschijnlijker. Ze sluit aan bij het traditionele thema van de leider die de vijanden van Israël verslaat. (mh)

De teksten

In pakweg tien jaar tijd ontdekten archeologen in alles bij elkaar elf grotten de fragmenten van vele honderden teksten: fragmenten van bijbelboeken, commentaren en volstrekt unieke manuscripten. De aandacht gaat echter vooral uit naar vier teksten:

De Leefregels beschrijven een initiatieceremonie voor een ‘Orde van de Eenheid’ en voorschriften voor de leden, zoals het afzweren van persoonlijk bezit, de aanvaarding van een radicaal spiritueel, communaal leven en de bestudering van de boeken van Mozes. De tekst vertoont duidelijke overeenkomsten met de Esseense leefregels, maar een verband met de sekte zélf is onwaarschijnlijk. De beschreven ceremonie moet jaarlijks doorlopen worden door de priesters, levieten en ‘heel het volk’, in ‘duizenden, honderden en tientallen’. Het gaat dus om een geïdealiseerde ceremonie, niet die van een sekte.

Dan volgt een verhandeling over de strijd tussen de rechtvaardige ‘zonen van het licht’ en de boosaardige ‘zonen der duisternis’, en ten slotte voorschriften voor de leden van een ‘Raad voor de Eenheid’. De auteur geeft aan dat deze raad er nog moet komen.

Het Damascusverdrag en de pesher (commentaar op) Habakkuk zouden de geschiedenis van de Esseense sekte verhalen. In het Verdrag is sprake van een groep vervolgden die naar ‘het land van Damascus’ vlucht en in de pesher van ‘De Leraar der Rechtvaardigheid’ die door ‘De man van de leugen’ (of ‘De Boze Priester’) verdreven wordt naar ‘het huis van verbanning’. Deze ‘Leraar’ zou de stichter van de gemeenschap van Qumran zijn, en het ‘huis van verbanning’ en het ‘land van Damascus’ synoniemen voor Qumran. Bewijzen daarvoor zijn er niet. De identificatie is ook dubieus. De pesher is voorzien van een uitleg van alle symbolische begrippen, en daarin blijft ‘Damascus’ gewoon de stad Damascus.

De Oorlogsrol ten slotte is een uitgebreide beschrijving van de manier waarop de ‘zonen van het licht’ in de Eindtijd ten strijde zullen trekken tegen de ‘zonen van de duisternis’. Een buitengewoon oorlogszuchtige tekst.

Noten

1. De Tempel te Jeruzalem zoals Jezus die nog kende, was gebouwd tussen 19 en 9 v.C. in opdracht van koning Herodes de Grote. Waarschijnlijk werd hierbij vastgehouden aan de maten en voorschriften behorende bij de legendarische tempel gebouwd door Salomo (1 Koningen 5-7). Aan deze tempel was ongetwijfeld een uitgebreide bibliotheek verbonden. Volgens de Amerikaanse historicus Norman Golb zijn delen van deze bibliotheek ten tijde van de joodse opstand en het daaropvolgende beleg van Jeruzalem (69-70), de stad uit gesmokkeld en verborgen in grotten nabij de Dode Zee. De Dode-Zeerollen zouden dus restanten zijn van de Tempelbibliotheek, en dat zou verklaren waarom de teksten in theologisch opzicht flink uiteenlopen. (Norman Golb, Who Wrote the Dead Sea Scrolls?, Scribner, 1995) De verwoesting van de tempel in AD 70 betekende het einde van de joodse opstand. Het enige stuk van deze tempel dat nu nog overeind staat is de beroemde ‘klaagmuur’.

2. Thiering baseert haar theorieën op een vrijmoedig gebruik van de ‘pesher’- techniek. Oorspronkelijk betekent pesher ‘droomuitleg’, iets waartoe volgens het Oude Testament alleen mensen met bijzondere gaven in staat waren. In de Dode-Zeerollen betekent ‘pesher’ iets anders. In de Pesher Habakkuk bijvoorbeeld geeft de kopiist eerst een vers en ‘vertaalt’ dat vervolgens naar zijn eigen tijd door namen en werkwoorden te vervangen door ‘synoniemen’ en door algemene uitspraken om te zetten in specifieke. ‘De ongelovigen’ bijvoorbeeld wordt in zijn interpretatie dan één enkele, elders al op een andere manier aangeduide tegenstander.
Thiering gaat er van uit dat de schrijvers van de Dode-Zeerollen, de Evangeliën en nog zo wat teksten uit die tijd deze techniek omdraaiden en specifieke historische gebeurtenissen beschreven door ze om te zetten in ‘duistere’ symbolische teksten. Ze hanteert hierbij een volstrekt door haar persoonlijk ontwikkeld interpretatieschema dat, afgezien van de schaarse historische aanwijzingen, volledig drijft op de interne logica van de door haar geconstrueerde ‘geheime geschiedenis’.

3. Jozef van Arimathea was de man die volgens de evangelisten (bijvoorbeeld Matth. 27:57-60) toestemming vroeg aan Pilatus om het lichaam van Christus van het kruis te halen en te begraven in zijn eigen graftombe (waaruit het later weer zou zijn verrezen). Volgens een oude Britse legende (maar er bestaan vele varianten) zou deze man later Engeland hebben bezocht en er – om precies te zijn: in het huidige Glastonbury – de eerste christelijke kerk hebben gesticht. Een kleine hagedoornstruik herinnert aan de plaats waar Jozef zijn staf zou hebben geplant. Volgens de legende zou hij daar ook de Graal van het Laatste Avondmaal hebben begraven.

4. Herodes de Grote (ca. 73-4 v.C.; alleen de historicus Josephus verleent hem de eretitel) heeft altijd een slechte pers gehad, maar hij was niet veel wreder dan andere heersers in zijn tijd en in wezen was zijn bewind over Palestina (vanaf ca. 37 v.C.) een periode van ongekende economische bloei. De in zijn opdracht gebouwde tempel werd het nieuwe centrum van de joodse religie, maar de streng gelovige delen van het volk hebben hem zijn cynische machtspolitiek en zijn pogingen om de joodse en Griekse beschaving te combineren, nooit vergeven.

5. De Nestoriaanse christenen geloofden dat Christus niet één (goddelijke én menselijke) doch twee verschillende naturen had. Deze leer werd in de 5de eeuw door de katholieke kerk als ketters verworpen. Het Nestoriaanse christendom bereikte in de 7de en 8ste eeuw haar grootste verspreiding, vooral in Azië, doch is in de daaropvolgende eeuwen vrijwel volledig van de aardbodem verdwenen.

Dit is een bewerkte vertaling van een artikel dat eerder verscheen in de Fortean Times van december 1996.

Uit: Skepter 10.3 (1997)

Richard Gwynn-Seary