Degeneratie

Boekbespreking

door Marcel Hulspas

Darwin was het begin van alle ellende, zo weet Peter Scheele. En hij is vast van plan om daar wat aan te gaan doen. In Degeneratie lanceert hij daarom ‘een wetenschappelijk alternatief’, inclusief ‘Creator’.

Peter M. Scheele, Degeneratie – het einde van de evolutietheorie. Buijten & Schipperheijn. ƒ 39,50.

Hij doet wel zijn best, die Peter. Aan de publicatie van zijn boek ging een ware stroom persberichten vooraf. Maar hij wil dan ook heel wat: Darwin verslaan – ‘Let’s beat Darwin!’ is zijn motto. Voorlopig echter richt hij zijn pijlen bij voorkeur op Darwins vertegenwoordiger op de Hollandse aarde: Midas Dekkers. Het boek is opgedragen aan Midas, ‘de verpersoonlijking van traditioneel evolutionistisch denken in Nederland’. Dekkers zal echter, vrees ik, schouderophalend zijn toestemming hebben verleend en verder hoogstwaarschijnlijk ook geen woord aan dit boek vuil maken.

Vanwaar Scheeles breed geëtaleerde afkeer van de grondlegger van de evolutietheorie? Omdat Darwin een godloze religie heeft gesticht, een die leidt tot moreel verval: ‘Het hele probleem van het ontbreken van normen en waarden in onze samenleving en de dringende noodzaak van maatschappelijke discussie, vindt zijn oorzaak in het algemeen aanvaard zijn van de evolutietheorie. (…) De normen die er nu zijn, zijn vaak nog christelijke normen. Maar de bodem voor handhaving van die normen is weggeslagen. (…) En dat hebben we te danken aan de evolutietheorie, aan Darwin.’ (p. 26) Het is het oude, treurig stemmende verhaal van de moreel minderwaardige, tot alle kwaad geneigde, kortom duivelse goddelozen. Oude, agressieve wijn in lekke zakken, zo lijkt het.

Maar Scheele heeft ook iets origineels te bieden. De eerste vier hoofdstukken van Degeneratie bieden een gedetailleerd beeld van verscheidene aspecten van de moderne genetica. Hij heeft er zich heel duidelijk – en dat mag voor dit genre opmerkelijk heten – serieus in verdiept. Dat was noodzakelijk omdat hij in zijn pogingen de evolutietheorie te weerleggen ontdekte dat ‘de oplossing complexer was dan ik aanvankelijk dacht’. Met als gevolg dat het boek veel complexer is dan andere antidarwinistische werken. A. van den Beukels Met andere ogen – over wetenschap en het zoeken naar zin (Ten Have, 1994) bijvoorbeeld komt niet veel verder dan de constatering dat evolutiebiologen ruzie maken en dat er ‘dus’ van de evolutietheorie wel niks zal kloppen. Scheele gaat echter uitgebreid in op allerlei biochemische en genetische details. Goed, zijn stijl is van een gruwelijke gelijkhebberigheid en hij zinkt ook zo nu en dan tot het niveau van het goedkope christelijke tractaat (waarin na vijf uit hun verband gerukte citaten geconcludeerd wordt dat wetenschappers elkaar tegenspreken), maar het is en blijft een dappere poging – die jammerlijk mislukt.

De eerste vier hoofdstukken zijn een inleiding op de ‘Openingsakte van het biokosmisch drama’, hoofdstuk 5. Daarin maken we kennis met Koning Entropie die verwarring zaait, Meesteroplichter Mutatie die voortdurend aan de genen zit te morrelen en Engel Natuurlijke Selectie die door Meesteroplichter Mutatie aangebrachte ongunstige mutaties uit de weg ruimt. Het drama zelf speelt zich af in hoofdstuk 6, ‘Genengroei’, en laat zich als volgt samenvatten:

Genen kunnen muteren en daarna gaan ze nét iets andere eiwitten aanmaken. Dat is het werk van Meesteroplichter Mutatie. Als dat nieuwe eiwit toevallig beter is, kan de Engel Natuurlijke Selectie die nieuwigheid uitselecteren, waardoor deze uiteindelijk het dominerende gen wordt; ongunstige mutaties daarentegen verdwijnen door haar toedoen van het toneel. Als er nu een mutatie optreedt die een volstrekt niet-functioneel eiwit oplevert, dan is dat gen (in Scheeles terminologie) ‘dood’ en niet meer onderhevig aan selectiedruk. Koning Entropie zorgt er dan voor dat het op goed geluk verder muterend steeds verder verwijderd raakt van haar ooit functionele structuur. Tot zover is er nog niets bijzonders aan de hand. Maar neem nu eens een essentieel gen, een dat cruciaal is voor het ontstaan of functioneren van het individu. Dat kan dankzij Meesteroplichter Mutatie ook variëren, maar als het niet-functioneel wordt, sterft het individu onmiddellijk. Kortom: genen die bijzaken regelen kunnen misschien forse veranderingen ondergaan, maar dat geldt niet voor de essentiële genen. Die worden door Engel Natuurlijke Selectie dicht bij dezelfde structuur gehouden. ‘Essentiële genen, zo vat Scheele het samen, ‘kunnen niet evolueren naar een andere functionaliteit.’

Iets verderop volgt het tweede deel van zijn argument: ongeveer tweederde van de genen van zoogdieren, zo concludeert Scheele, vertoont helemaal geen variatie en blijft altijd uiterst dicht bij die ene nuttige structuur, hetgeen betekent dat dit deel van het genetisch materiaal niet evolueert. Scheele kan het wel uitschreeuwen (op pagina 92): ‘Hé Charles. Tweederde van de genen evolueert niet!’

Een beetje tragisch is het wel, aangezien deze conclusie gebaseerd is op een koe van een fout: Dat getal tweederde heeft betrekking op het voorkomen van heterozygotie binnen het genoom en niet op het aantal gemuteerde genen. Dat zit als volgt: we hebben van alle genen in principe steeds twee exemplaren, één van ieder van onze ouders. Pakweg eenderde van die genen kent twee of meer varianten, ‘allelen’, die ieder een ander fenotype (uiterlijk kenmerk) aandragen, maar waarbij meestal een der allelen domineert. Wie bijvoorbeeld van zijn beide ouders een allel voor rood haar heeft ontvangen, krijgt ook rood haar; wie een allel voor rood en een voor zwart haar heeft, krijgt zwart haar omdat ‘zwart’ dominant is en ‘rood’ recessief. ‘Allel’ is een typisch begrip uit de klassieke genetica, en het laat zich niet een-twee-drie vertalen naar moderne inzichten op het gebied van genen. Veel aspecten van de erfelijkheid (men denke aan huidskleur) laten zich op die manier ook niet beschrijven. Het bestaan van allelen heeft daarom niets te maken met het aantal mutaties binnen genen – natuurlijk kan het ene allel een mutatie van het andere zijn. In de praktijk bevatten genen altijd wel een stel (tot vele tientallen) grote en kleine mutaties die ervoor zorgen dat een volledige biochemische beschrijving van genen zoals die bijvoorbeeld door het Human Genome Project wordt geleverd, nooit meer dan een ijkpunt kan zijn.

Bestaan er ‘essentiële genen’ waarbij een bescheiden mutatie reeds fataal kan zijn of een fors verlies aan fitness betekent? Zeker. Een mooi voorbeeld vind ik altijd weer de familie der uilen. Je hebt ze groot en klein, bruin en grijs, slank en dik – maar ze zijn altijd herkenbaar aan dezelfde karakteristieke jachttechniek. Er zijn meerdere wegen naar Rome, maar het is inderdaad denkbaar dat de genen die daarvoor verantwoordelijk zijn, in de loop der evolutie niet of nauwelijks zijn veranderd. Maar dat heeft het ontstaan van vele verschillende uilensoorten niet kunnen voorkomen. Soortvorming treedt op zodra een populatie in twee grotendeels afzonderlijk voortplantende delen uit elkaar valt. Een bescheiden uiterlijk verschil kan daarbij al van cruciaal belang zijn, en verschil in selectiedruk of simpelweg genetische drift (het toevallig uit elkaar drijven van eigenschappen) zorgt dan voor de rest. Bij ‘essentiële genen’ kunnen we denken aan genen die een zeer specifiek eiwit aanmaken voor een zeer gespecialiseerde functie, maar ook aan de grote regulatorgenen die de ontwikkeling van het embryo sturen. Als daar iets mis gaat, zo zou je met Scheele kunnen denken, dan komt die ontwikkeling tot stilstand en sterft de vrucht. Als er dus inderdaad genen bestaan die het onderscheid tussen soorten in stand houden, dan zijn die dat die regulerende genen. Ontwikkelingsbiologen hebben de afgelopen jaren echter vastgesteld dat die starre opvatting over de werking en functie van deze genen, op de helling moet. Langzaam maar zeker krijgt men steeds meer inzicht in de complexe processen die het ontstaan van een individu reguleren, en een van de meest fascinerende ontdekkingen van de laatste jaren is dat dieren uit verschillende stammen van het dierenrijk, die dus totaal anders in elkaar zitten, over sterk op elkaar lijkende genen beschikken die ook sterk verwante functies vervullen: genen die de eerste aanleg van het insectenlichaam reguleren zijn ook actief in de ruggengraat van een ongeboren mensenkind; genen voor poten en vleugels leveren bij ons armen en benen; genen voor lichtgevoelige vlekken of facetogen leveren in de mens onze eigen ogen af. Het lijken stuk voor stuk essentiële genen, en toch is hun functie in de loop van miljoenen ver van hun oorspronkelijke functie geëvolueerd. Hoe? Door de vermeerdering van genen en genencomplexen, gevolgd door variaties in de structuur en onderlinge samenwerking. Een fraaier bewijs voor de juistheid van de evolutieleer is nauwelijks denkbaar.

Scheele denkt de evolutieleer een fatale slag te hebben toegebracht en gaat onverdroten voort met een brief aan Darwin, gevolgd door een intermezzo gewijd aan ‘de Wet van Midas’ (Dekkers; geen wet maar de constatering dat ‘God’ in de wetenschap een zinloos concept is) en daarna deel twee: ‘Het wetenschappelijk alternatief voor biologische verandering: de degeneratietheorie’. Want alles wat Meesteroplichter Mutatie kan bereiken, is degeneratie. Ook constateert hij dat de genetische code dermate ingenieus in elkaar zit dat ze slechts door een buitenaardse ‘Creator’ kan zijn ontworpen. Zijn slotwoorden zijn weer voor zijn geliefde tegenstander: ‘De grootste bezwaren tegen de ideeën in dit boek zullen niet van wetenschappelijke aard zijn, maar van (verborgen) religieuze aard, omdat men zal vallen over het bestaan van een Creator. En spot zal het belangrijkste argument zijn van degenen die geen goede (wetenschappelijke) argumenten hebben. Of niet soms, Midas?’

Met Degeneratie valt niet te spotten – men kan er slechts om zuchten. Van alle pogingen om Darwin te ‘verbeteren’ of te ‘weerleggen’ is deze de meest hopeloze die ik ooit onder ogen ben gekomen. Scheeles inzet is prijzenswaardig, maar zijn aanpak volstrekt nutteloos. Wie moet hier nu in Godes naam van onder de indruk raken? Wie het nodige gelezen heeft over de evolutieleer zal het nooit in zijn hoofd halen dat Darwin plus een eeuw biologisch onderzoek weerlegd kan worden op populair-wetenschappelijk niveau. En dan de tweede potentiële lezersgroep, zij die Darwin en de moderne biologie veelal om religieuze redenen toch al niet vertrouwden. Die worden lastiggevallen met ingewikkelde biochemie en genetica en moeten hun vertrouwen stellen in ene Peter Scheele die een kiertje meent te ontwaren in het evolutionaire pantser – en dat in een boek waarin God ‘Creator’ heet en de bijbel niet voorkomt. ‘Het was voor mij een enorm boeiend project’, schrijft Scheele. Voor hem alleen, vrees ik.

Ui: Skepter 11.1 (1998)

Marcel Hulspas is wetenschapsjournalist en was hoofdredacteur van Skepter van 1988 tot en met 2002