De UFO-Carrousel

boekbespreking

door Wim van Utrecht

In het nieuwste UFO-boek van Julien Weverbergh moet menige collega-onderzoeker het ontgelden. Slordig zijn ze, en bevooroordeeld. Hoog tijd voor een kritische analyse van zijn eigen inzichten.

Julien Weverbergh, De UFO-carrousel. Fontein, Baarn, ƒ34,90. 

Wie uit de titel afleidt dat Weverbergh naar het skeptische kamp is overgelopen heeft het verkeerd voor. Dit UFO-boek (het achtste binnen ons taalgebied in twee jaar tijd!) zit wel proppensvol venijn, maar dat is natuurlijk geen typisch kenmerk voor de skepticus. Het standpunt dat Weverbergh inneemt kan als volgt worden samengevat: zowel gelovigen als niet-gelovigen springen op een nonchalante manier om met bronnen en feiten. Daardoor begaan ze keer op keer geweldige blunders die het debat vertroebelen. Om misverstanden te voorkomen stelt Weverbergh verder dat achter de UFO-meldingen een onbekend fysiek verschijnsel schuilgaat, waarvan het intelligent gedrag niet betwist kan worden.

Weinig nieuws dus onder de zon, en ook niet onmiddellijk een uitgangspunt dat het debat wél op gang helpt. Vraag is hoe Weverbergh daar zo verzekerd van kan zijn. De uitgever/ufoloog en enfant terrible van de Vlaamse letteren probeert een antwoord te vinden door in alle hoeken en gaten van het UFO-arsenaal op zoek te gaan naar de ‘echte UFO’s’. De skepticus zit dus al van bij het begin op het puntje van zijn stoel. Van een man die zóveel UFO-materiaal heeft doorwroet mag worden verwacht dat hij met goed gedocumenteerde en bijzonder raadselachtige getuigenissen aan komt zetten.

Dat lukt maar gedeeltelijk want wie op de hoogte is van wat er zoal aan bekende en minder bekende verschijnselen in de lucht hangt, kan ook voor een aantal van Weverberghs ‘onverklaarbare gevallen’ een verklaring bedenken.

‘Hard’ brandhout

Een van de meldingen die volgens Weverbergh thuishoort bij het ‘echte fenomeen’ is de veel gepubliceerde waarneming van de Britse fysicus Mortimer Cromwell. Op 16 december 1742 nam Cromwell een roodgloeiende klomp steenkool waar die in ijzeren stangen leek gevat en een lange lichtstaart achter zich aan sleepte. Elke astronoom zal het erover eens zijn dat dit een heldere meteoor is geweest. De golvende beweging die het verschijnsel maakte is wel vaker gerapporteerd. Weverbergh denkt daar anders over en leidt uit deze ene melding af dat UFO’s geen modern verschijnsel zijn. Tegelijk haalt hij scherp uit naar Theo Paijmans omdat die deze ‘kapitale conclusie’ niet heeft getrokken in zijn boek Kosmisch Netwerk (zie Skepter, december 1997) en bovendien de waarneming in 1742 in plaats van 1743 situeerde. Een onterecht verwijt; Paijmans had de datum goed, zoals overduidelijk blijkt uit het originele verslag van Cromwell dat Weverbergh zélf afdrukt.

Toch zitten er tussen Weverberghs ‘harde’ gevallen enkele die op het eerste gezicht moeilijk terug te voeren zijn tot bekende verschijnselen. Marc De Bel bijvoorbeeld maakt het de skepticus knap lastig. Deze bekende Vlaamse jeugdschrijver zag in de vroege avond van 25 januari 1992 een reusachtig driehoekig platform met gele lampen en een rood licht roerloos boven het marktplein van Oudenaarde hangen. Een raadselachtige zaak, maar helaas is dit geval nooit onderzocht.

Wie zoals Weverbergh UFO’s wil onderzoeken en zich niet doodstaart op Identified Flying Objects (zoals skeptici dat nogal eens plegen te doen) kan ook terecht bij de lijst van ‘negentien beste UFO-rapporten’ achterin het boek. Deze opsomming is ontleend aan een briefing document dat werd samengesteld door voornamelijk Amerikaanse UFO-experts. Met deze selectie hopen de ufologen de politieke en wetenschappelijke wereld warm te maken voor UFO-onderzoek. Nochtans werd van enkele van die ‘harde’ gevallen jaren geleden al brandhout gemaakt.

Weverbergh bespreekt uitvoerig hoe het nu procentsgewijs zit met de verhouding tussen verklaarde en niet-verklaarde meldingen, en hoe je UFO’s en IFO’s uit elkaar kunt houden. Het is een thema dat iedere serieuze onderzoeker bezighoudt. Uitstekend leesvoer is het hoofdstuk waarin de resultaten van verschillende officiële studies (Blue Book, Condon, GEPAN) vergeleken worden met die van toegewijde privé-onderzoekers. (1) Wat blijkt: deze laatsten hebben een lager aantal onverklaarde meldingen in hun statistieken (amper 10 procent) dan de kritische, wetenschappelijke en door de overheid gesubsidieerde studies (ruim 30). Een beter argument tegen een door de overheid gehanteerde doofpot is moeilijk denkbaar. Weverbergh suggereert dat dit onder meer komt doordat de officiële instanties meer waarnemingen ontvangen van hooggekwalificeerd personeel, waarvan verwacht kan worden dat het zich minder vlug vergist. Dat lijkt logisch, maar aan de andere kant geldt natuurlijk ook dat de doorsnee UFO-vereniging geen 10 procent ‘onverklaard’ in haar archieven heeft zitten maar bijna 100, omdat het zoeken naar verklaringen daar vaak als heiligschennend wordt ervaren. Je mag er dus niet van uitgaan dat instanties en privé-onderzoekers even kritisch te werk gaan.

Aanzienlijke schade

Weverbergh wijst er trouwens zelf op dat ufologen niet in staat blijken de details van een waarneming accuraat weer te geven. Als voorbeeld neemt hij een klassieker onder de loep en past daar de methode van de ‘wetenschappelijke tekstkritiek’ op toe. Lavendelkweker Maurice Masse liep in de zomer van 1965 in het Zuid-Franse Valensole een UFO en twee ‘inzittenden’ tegen het lijf. De schade die in de loop der jaren aan dit verhaal is toegebracht, is aanzienlijk (maar valt eigenlijk nog best mee als we gaan vergelijken met andere klassiekers waarop tekstkritische studies werden uitgevoerd) en na zijn analyse heeft Weverbergh het vertrouwen in dit geval verloren. Maar het dringt niet tot hem door dat dit wel eens de typische gang van zaken zou kunnen zijn voor elke spectaculaire UFO-melding die enige bekendheid verwierf. Wat meer is, Weverbergh is zélf schuldig aan het verkeerd weergeven van feiten. Slaan we bijvoorbeeld de samenvatting erop na die hij geeft van het Zwischbergen-geval (ondergetekende was nauw betrokken bij het onderzoek naar deze Zwitserse dia uit 1975, zie Skepter, december 1995) dan lezen we dat er vier (in plaats van drie) ooggetuigen waren en dat de onderzoekers naast een Zwitsers weerstation ook een Italiaans bureau contacteerden (terwijl de Italiaanse weergegevens te Ukkel werden opgediept). Verder wordt de plaats van waarneming verkeerd gespeld (Swischbergen en Swischenbergen) en heeft Weverbergh het over een negatief terwijl het om een dia gaat. (Dezelfde vergissing komt ook voor bij zijn bespreking van de Petit-Rechain dia, het bekende plaatje van de welbekende Belgische driehoek in volle glorie.)

Weverberghs verwijt dat UFO-onderzoekers zich haast nooit verlaten op betrouwbare en originele bronnen krijgt een bittere bijsmaak wanneer we de bibliografie erop naslaan. Die bevat tal van titels die het papier waarop ze geschreven werden niet waard zijn. Uiteraard refereert Weverbergh ook regelmatig aan eigen werk, zelfs al wordt ook daarin stevig gezondigd tegen de plichten die hij nu zelf voorschrijft. In Ufonauten in Opmars bijvoorbeeld waren periodieken als Flying Saucer Review en Lumières Dans La Nuit nog belangrijke bronnen. Onderzoek heeft in de loop der jaren aangetoond dat het materiaal dat daarin voorkomt volstrekt onbetrouwbaar is. Een aantal van de door deze bladen bekend geworden case histories berust zelfs op pure verzinsels. De lichtvoetige manier waarop uitgevers destijds – en ook nu nog – eender wat publiceerden heeft ook Weverbergh aan het denken gezet over de betrouwbaarheid van de gevallen die als basis dienden voor zijn Ufonauten in Opmars. Maar dat verhindert hem niet om iedereen die hierover meer informatie wil naar zijn boek te verwijzen.

Buitenaardse post

De UFO-pioniers worden op de vingers getikt; op ‘ultra-rationalisten’ heeft Weverbergh het helemaal niet begrepen. Kop van Jut is dit keer niet de Amerikaanse aartsskepticus Philip Klass, noch Robert ‘Scheaffer’ (Sheaffer), ook niet schrijver dezes (die maar een kleine veeg uit de pan krijgt) maar uw hoofdredacteur Marcel Hulspas. Om de zoveel bladzijden wordt die hard tegen de schenen geschopt, maar het wordt nooit echt duidelijk wat Hulspas met zijn boekje UFO! dan wel heeft uitgevreten om zich zoveel woede van deze bijna 70-jarige auteur op de hals te halen. Ik heb de aantijgingen gecheckt en daarvan blijft niets overeind, behalve dan een voorkeur voor het citeren van negatieve conclusies.

Weverbergh verwijt de ‘Hulspassen’ zelfs een gebrek aan dossierkennis, maar als de gelovigen dan zoveel beter geïnformeerd zijn, waarom komen ze dan voortdurend met achterhaalde gevallen aanzetten? De foto op pag. 126 bijvoorbeeld is allang ‘UFO af’. Te zien is de S4B-rakettrap die zich van de Apollo 12 capsule verwijdert. Je hoeft daarvoor enkel maar de originele NASA-foto’s van die vlucht te bekijken.

Weverbergh ontziet haast niemand. Naast skeptici moeten ook een hele reeks goed bekende ufologen het ontgelden. Niet alleen UFO-auteur Hans van Kampen wordt onderuit gehaald, zelfs iemand als Jacques Vallée, waar Weverbergh toch bewondering voor koestert, wordt lichtzinnigheid verweten (en terecht als je nagaat hoe slordig hij zijn catalogi samenstelde). Onderzoekers die Weverbergh wél hoog aanslaat zijn vaak fysici die er keer op keer in slagen om in de banaalste zaken (een storing op de radio, een vlekje op een foto) de hand van de buitenaardsen te zien. Zo ook Jean-Pierre Petit, de Franse kosmograaf die beweert dat zijn theorieën gestoeld zijn op geschriften die de buitenaardsen hem opstuurden (per luchtpost neem ik aan). Ondanks dergelijke blunders behouden dergelijke UFO-vorsers een ereplaatsje in de carrousel.

Als schroeven- en boutenufoloog is Weverbergh ervan overtuigd dat het onderzoek zich in de eerste plaats moet toespitsen op de ‘harde fysieke bewijzen’. Hij hecht dan ook veel waarde aan foto-analyses die met moderne computers worden uitgevoerd en die volgens hem in staat zijn om ‘tot op moleculair niveau in het negatief te dringen en de eventuele allerfijnste haardraadjes te ontdekken’.

Dat is sterk overdreven. Het is vooral de grootte en de lichtgevoeligheid van de kristallen in de fotografische emulsie die bepalen wat wel en niet op de foto komt. Als de draad dun genoeg is, zal de camera die niet kunnen vangen en zelfs de meest geavanceerde apparatuur haalt hem dan niet tevoorschijn. Een draad die op een afdruk moeilijk te onderscheiden is kan wel beter zichtbaar gemaakt worden (bijvoorbeeld door contourversterking) maar dat is andere koek. Verder schrijft Weverbergh dat deze nieuwe methodes ‘ook haarscherp de omtrekken van de gefotografeerde voorwerpen kunnen afbakenen’, maar het met behulp van de computer bijwerken van onscherpe of beschadigde randen (door de pixels op die plaatsen een kleur te geven die het midden houdt tussen die van aangrenzende beeldelementen) geeft wel een haarscherp resultaat maar deze bevat geen nieuwe informatie over het voorwerp.

Spontaan verdwijnen

Wie zich met UFO-onderzoek inlaat moet in de eerste plaats goed weten welke natuurfenomenen zich in de lucht voordoen. Dat is niet Weverberghs sterkste punt. Bij een melding van ‘een grote vuurbal die drie kleine ballen afstootte’ schrijft hij (pag. 40): ‘Ik weet niet of meteorieten zich waarneembaar aldus kunnen splitsen.’ Natuurlijk wel! Fragmenterende vuurballen zijn op oude gravures en video vastgelegd. Zo’n spectaculaire meteoor zorgt ieder jaar altijd wel ergens voor een UFO-golfje. (Op 23 december 1986 was dat in België het geval.) Elders (pagina 38) stelt Weverbergh dat een aantal mensen ongetwijfeld iets gezien hebben ‘dat niet thuishoort bij bekende natuurverschijnselen als meteorieten, bolbliksems, planeten, paraphaelieën en noem maar op.’ Dat meteorieten moet natuurlijk meteoren zijn en ik neem aan dat met ‘paraphaelieën’ gewoon ‘parhelia’ (bijzonnen en dergelijke) worden bedoeld.

Weverbergh wil niet geloven dat mensen zo dom zijn dat ze voortdurend natuurverschijnselen voor UFO’s verslijten en hij vindt het dan ook onhebbelijk dat ‘de Hulspassen’ alles op die manier trachten te verklaren. Die aversie voor het zoeken naar aardse verklaringen gaat bij gelovigen vaak heel ver. Zó ver dat als je een waarneming door de planeet Venus weet te verklaren, je meteen iets op je bord krijgt van: ‘Kan niet, want er zijn een heleboel getuigen die ooit een UFO met hoge snelheid voorbij zagen vliegen.’ Die behoefte om waarnemingen die niet noodzakelijk iets met elkaar te maken hebben aan elkaar te koppelen vind je bij elke UFO-gelovige. Op die manier rijpte de mythe dat UFO’s ‘alle fysische wetten tarten.’ Weverbergh maakt dezelfde fout door in deel 2 vier pagina’s in te ruimen voor de typische eigenschappen van UFO’s. In feite staat daar alles in wat ooit in de literatuur is gemeld, ongeacht de bron. Er staat zelfs te lezen dat UFO’s dikwijls zomaar in het niets verdwijnen en getuigen kunnen verlammen. Maar was het niet die lavendelkweker te Valensole die als één van de eersten zoiets meldde, een geval dat volgens Weverbergh ‘onherroepelijk uit de catalogi moet worden geschrapt’?

Als je verschillende waarnemingen bijeenklutst krijg je geheid problemen. Wie op zoek gaat naar één overkoepelende uitleg voor alle eigenaardigheden die ooit aan UFO’s zijn toegeschreven, zit al snel strop. De indruk ontstaat dan dat UFO’s tot alles en nog wat in staat zijn en eender welke verschijningsvorm kunnen aannemen. Zulke verschijnselen zijn per definitie moeilijk te herkennen, laat staan te bestuderen. Toch meent Weverbergh dat hij na al die jaren UFO’s en IFO’s intuïtief uit mekaar haalt. ‘Het kan paradoxaal lijken,’ aldus de auteur, ‘maar er bestaat een duidelijk UFO-patroon.’ Nonsens. Vier pagina’s karakteristieken bewijzen dat het niet zo is.

Iets verder schrijft Weverbergh dan weer (terecht) dat het fenomeen zich irrationeel gedraagt. Meteen wordt duidelijk wie voor dat irrationele aspect verantwoordelijk is. Het feit dat scherpe foto’s ontbreken is niet alleen te wijten aan afstand, beweging of onverwachte omstandigheden, nee, het wazige resultaat zou eerder een intrinsieke eigenschap van het verschijnsel zijn, misschien wel een doelbewuste manoeuvre van de onbekende intelligentie die erachter schuilgaat. Ook gevallen waarbij UFO’s gezien en gefotografeerd worden maar achteraf op de gevoelige plaat ontbreken – of waarbij UFO’s juist wél op de foto staan terwijl de fotograaf niks abnormaals had opgemerkt – confronteren ons volgens Weverbergh met die mysterieuze tweeledigheid van het verschijnsel: enerzijds objectief, anderzijds subjectief. Voor de hand liggende verklaringen – vuiltjes in de camera, beschadigde negatieven, reflecties, grappen – wijst hij als te gemakkelijk van de hand. Geconfronteerd met zoveel irrationaliteit en gesteld voor het feit dat UFO’s ongrijpbaar zijn, vraag je je af waarom Weverbergh erop blijft hameren dat alleen gedegen wetenschappelijk onderzoek ooit wat kan opleveren.

Alien-ijstest

Ook in deel twee draait de carrousel een beetje vierkant. Wanneer Weverbergh het Valensole-geval afschrijft zou je verwachten dat hij op exact dezelfde gronden ook een heleboel andere gevallen liquideert. Een voorbeeld zijn de veelgeprezen ‘UFO-sporen’ aangetroffen in het Franse Trans-en-Provence. Deze klassieker werd onder meer onderzocht door de officiële Franse studiegroep GEPAN. Onderzoekers Maillot en Scornaux deden een hele reeks fouten uit de doeken en trokken ook de integriteit van de getuige in twijfel. Weverbergh wimpelt de kritiek af als psychosociologisch gezwets. Maar de tekst van Maillot en Scornaux is gebaseerd op een 144 pagina’s tellend document samengesteld door Michel Figuet, een correspondent van Weverbergh, die als eerste privé-onderzoeker uitgebreid op het geval inging.

Figuet blijft buiten schot (misschien omdat hijzelf ooit een UFO zag, door Weverbergh in een eerder hoofdstuk beschreven) maar Maillot en Scornaux moeten het des te erger ontgelden. Weverbergh verwijt hen onder meer dat ze vertrouwen op een anonieme professor die kritiek had op het GEPAN-sporenonderzoek. De professor had zijn verhaal zélf moeten vertellen. Maar zijn gedetailleerde kritiek is integraal opgenomen in Figuets dossier, waarnaar Weverbergh zélf verwijst.

Weverbergh is weer goed op dreef in het derde deel, waar hij de ufologische mallemolen ontleedt. Zijn ongerustheid over ‘het opgeklopt artificieel metafysisch schuim dat het UFO-mysterie aanvreet’ irriteert ook de skepticus die zich intelligentere tegenstanders wenst dan de paranoïde extremisten die vandaag de dag mooi weer maken. Ook Weverbergh ziet verhalen over samenzweringen, ontvoeringen, graancirkels en crashes liever niet ingebed in het UFO-fenomeen – althans, zo lijkt het. Bij de graancirkels aangekomen wordt hij opnieuw overvallen door twijfel. Redenen: professor Levengood heeft bij analyse van graanstengels vreemde zaken ontdekt en in de Ardennen zag een wandelaar op een hete zomerdag spontaan twee cirkels ontstaan in een veldje varens. Weverbergh noemt Levengood niet eens bij name, dat komt pas bij zijn bespreking van even mysterieuze veranderingen in gewassen nabij verminkt vee; voor Levengoods bevindingen over graancirkels volstaat het erop te wijzen dat die ook betrekking hadden op formaties waarvan nadien kwam vast te staan dat ze mensenwerk waren. Het Ardense voorval wijkt in niets af van de manifestatie van twee uit de kluiten gewassen stofhozen, stationaire turbulenties die juist op warme, windstille dagen kunnen ontstaan.

Ook in het stukje over Gulf Breeze (Florida), waar ene Ed Walters veelvuldig UFO’s fotografeert, toont Weverbergh zich verrassend naïef. Hetzelfde geldt voor zijn commentaar op Bob Lazar, de zonderling die onder meer beweert dat er in de VS op het hoogste niveau onderhandelingen gaande zijn met aliens. Over Walters schrijft hij: ‘Tot op heden is de vervalsing van deze foto’s in laboratoria niet kunnen worden aangetoond.’ (Het volstaat blijkbaar niet dat achter een valse muur in de vroegere woning van Walters een papieren UFO werd teruggevonden die als twee druppels water lijkt op de UFO’s op zijn foto’s). Over Lazar: ‘Sommige van zijn beweringen zijn tot op heden nog niet écht ontzenuwd.’ Iemand moet dus nog aantonen dat aliens níét van aardbeienijs houden, zoals Lazar beweert. Het is bedroevend dat zelfs nuchtere ufologen dit soort individuen steeds weer opnieuw het voordeel van de twijfel gunnen.

Weverbergh doet zijn uiterste best om de feiten kritisch en rationeel te benaderen, maar de drang zijn persoonlijke overtuiging te verkondigen steekt daar telkens weer een stokje voor. De verwijten aan het adres van UFO-onderzoekers moeten aanzetten tot introspectie, maar doen dat niet omdat de auteur zélf regelmatig de fout in gaat en in plaats van zelfkritiek te leveren zijn collega-onderzoekers door het slijk haalt.

Het gerucht gaat dat Weverbergh zinnens is om na dit boek zijn fascinatie voor UFO’s aan de kapstok te hangen. Een skepticus gelooft daar natuurlijk niks van. Een aantal hoofdstukjes, inclusief het laatste, eindigt trouwens met ‘wordt vervolgd’. Vraag is of Weverbergh na dit stekelig geschrift nog een publiek overhoudt.

Noot

1. Blue Book was het UFO-onderzoek dat de Amerikaanse luchtmacht in de jaren ’50 en ’60 uitvoerde. Deze bemoeienis met het fenomeen werd in 1969 afgerond met de publicatie van het Condon-rapport. GEPAN is de Franse Groupe d’Etude des Phénomènes Aérospatiaux Non-identifiés, later omgedoopt tot Service d’Expertise des Phénomènes de Rentrées Atmosphériques (SEPRA). Terug.

Uit: Skepter 12.1 (1999)

Wim van Utrecht is projectleider van CAELESTIA, een publicatie- en onderzoeksinitiatief voor niet-geïdentificeerde luchtverschijnselen. Meer info op www.caelestia.be