Oosterse fysica

Wetenschap en New Age bij Fritjof Capra

door Erik Hoogcarspel

Het is nu tien jaar geleden dat de Nederlandse vertaling verscheen van het boek The tao of physics, geschreven door de Amerikaanse natuurkundige Fritjof Capra. Het boek is erg populair geworden en ook in Nederland heeft menigeen de vertaling ervan op zijn boekenplank staan. Het is ook een van de klassieken geworden van de inmiddels al niet meer zo nieuwe Nieuwetijdsbeweging. Maar wat is nu het belang van dit boek? Op de kaft van de vertaling staat te lezen ‘Een onderzoek naar de parallellen tussen de moderne fysica en oosterse mystiek’. Heeft Capra deze ook inderdaad aangetoond?

Mocht hij daar in geslaagd zijn, dan zou dit op zich nog niet erg belangwekkend hoeven te zijn. We zouden hier immers kunnen spreken van een opmerkelijk toeval en neo-Kantiaanse filosofen zouden misschien zeggen dat dit wijst op een universeel patroon van het menselijk denken. De reden waarom velen dit boek zo intrigerend vonden is echter dat niet alleen deze parallellen ter sprake komen, maar dat er bovendien wordt gesuggereerd dat deze parallellen niet op toeval berusten. Volgens Capra zijn zowel de Oosterse mystiek als de Westerse kwantumfysica doorgedrongen tot de ‘diepere’ lagen van de werkelijkheid en komen daarom tot gelijkluidende conclusies. Ik zal proberen te laten zien dat dit op een misverstand berust.

Op het eerste gezicht lijkt het boek niet slecht geschreven. De Nederlandse vertaling leest gemakkelijk – bij nader inzien misschien wel te gemakkelijk, want wie naar redeneringen, vragen en argumenten zoekt, stuit al gauw op vaagheid en tegenspraak. Het is goed beschouwd beslist geen filosofisch of wetenschappelijk boek. Capra vertelt in het voorwoord dat hij werd ingewijd in de geheimen van de oosterse mystieke filosofie, volgens hem een ‘bijzonder mooi consistent bouwwerk’, onder andere door twee Aziatische immigranten. Vooral in het begin vond hij het moeilijk om de kloof tussen het analytische denken op het werk en de ‘meditatie-ervaring van de mystieke waarheid’ daarbuiten te overbruggen. Na verloop van tijd krijgt hij echter ‘mystieke ervaringen’, ‘geestelijke inzichten’ die ‘vanzelf komen, zonder enige inspanning’. Daarvan raakte hij de eerste keer zó van de kook dat hij in huilen uitbarstte.

Eén van deze inzichten is die van de parallellen tussen de fysica en de oosterse mystiek. Dit zou gebeurd zijn aan het strand, wanneer Capra’s verbeelding een beetje met hem op de loop gaat en hij het beeld van verschietende elementaire deeltjes vergelijkt met het beeld van de dansende Hindoegod Shiva.

Populaire bezigheid

De ‘geestelijke inzichten’ die Capra in zijn boek verder ten toon spreidt, pakken voor een kritische lezer echter nogal teleurstellend uit. Om te beginnen blijkt het idee om oosterse ideeën met de modellen van de kwantumfysica te vergelijken niet nieuw. In het boek zelf vinden we een citaat van de natuurkundige Werner Heisenberg: ‘Om parallellen met de atoomleer te vinden, (…) moeten we ons richten op de kentheoretische problemen waarmee denkers als Boeddha en Lao Tzu al geconfronteerd werden. Daarmee kunnen we proberen harmonie te brengen in onze positie als toeschouwer en acteur in het grootste drama van ons bestaan.’ Prof. Martin Lambeck wijst er echter in de Skeptiker nr.3 van 1989 – Skeptiker is het Duitse zusterblad van Skepter – op dat het citaat onvolledig is; Heisenberg vervolgt: ‘De kennis van zo’n analogie van het zuiver begripsmatig karakter van de problemen, die we op zulke verschillende gebieden van onderzoek tegenkomen, mag toch geenszins verwisseld worden met het invoeren van een exotische mystiek, die niets te maken heeft met de ware geest van de wetenschap. Integendeel, deze kennis moedigt ons aan om te onderzoeken in hoeverre een logische oplossing van de onverwachte tegenstrijdigheden die wij tegenkomen bij de toepassing van onze eenvoudigste atoomtheoretische begrippen, ertoe zou kunnen bijdragen begripsmatige problemen ook op andere onderzoeksterreinen te overwinnen.’

Het zij Heisenberg vergeven dat hij er niet van op de hoogte was dat de Boeddha consequent alle kentheoretische problemen heeft vermeden, omdat deze niet van nut zijn bij het bereiken van de verlossing, en dat Lao Tse nooit heeft bestaan (het werk dat aan hem wordt toegeschreven, de Tao-te Ching, is een gegroeide compilatie van zegswijzen). Enkele andere kwantumfysici hebben overigens ook wel eens dergelijke uitspraken gedaan.

De uitwerking van dit idee door Capra is niet subliem. Het boek wemelt van de suggestieve vaagheden, halve waarheden, onwaarheden en tegenspraken. Zo is er geen sprake van een eenheid van de oosterse filosofie en het is zeker geen ‘consistent bouwwerk’. Men vindt er analytische filosofieën, atomistische, materialistische, monistische, dualistische, metafysische en anti-metafysische na en naast elkaar (1). Niet elke school verkondigt een verlossingsweg of schrijft yoga of meditatie voor. Misschien proberen ze wel allemaal ‘de mysteries van het leven’ te ontraadselen, maar dat dit ook het streven zou zijn van een wetenschap als de natuurkunde, zoals Capra beweert, zullen weinig wetenschappers en filosofen onderschrijven.

Dat oplossen van de ‘raadselen van het leven’ schijnt een populaire bezigheid te zijn, want ook dichters, clowns, kinderen en sjamanen zijn er volgens Capra mee bezig. Volgens hem hebben alle ‘oosterse meesters’ per definitie een groot gevoel voor humor, want staat er niet geschreven in de Tao-te Ching: ‘wordt er niet om gelachen, dan is het niet omvattend genoeg om Tao te zijn’? Inderdaad, maar dit is niet het hele verhaal, de passage wordt ingeleid met de zin: ‘als een minderwaardig mens over de Tao hoort, dan lacht hij erom’ (vers 41, oude nummering). Het is dus niet de meester, maar de minderwaardige die hier gevoel voor humor heeft en dat is bovendien zeer misplaatst. De meester ‘is nauwelijks in staat om het in praktijk te brengen’, zo serieus neemt hij de Tao.

Filosofie of aardappelen

Capra heeft een hekel aan verschillen. Die tussen de Indiase en Chinese tradities zijn volgens hem alleen maar oppervlakkig. Het Chinese schaduwboksen (T’ai Chi) en de Indiase yoga bestaan bijvoorbeeld beide uit ‘lichaamsbewegingen die spontaan, zonder dat er een gedachte aan te pas komt, moeten worden uitgevoerd’. Dit klopt wat de T’ai Chi betreft, maar de meeste yogahoudingen (houdingen, dus geen bewegingen) zijn met voorbedachten rade al bijna onmogelijk uit te voeren, laat staan spontaan. De meeste Chinese tradities leggen in het algemeen grote nadruk op oorspronkelijkheid en natuurlijkheid, de meeste Indiase echter op individuele inspanning en de juiste methode. De verschillen tussen de hindoeïstische religies wuift Capra ook weg, want ‘de hindoe (…) weet dat al deze goden scheppingen van de geest zijn’. Er is dus geen devotiecultus in India en geen dreiging van fundamentalisme en revivalisme?

Tot zover Capra’s onzorgvuldigheid bij het behandelen van de ‘oosterse mystiek’. Zijn beschrijving van de natuurkundige inzichten, een gebied waar men in elk geval van hem enige deskundigheid mag verwachten, laat echter ook nogal wat te wensen over. In bovengenoemd artikel van Martin Lambeck worden de onzorgvuldigheden van Capra op dit gebied duidelijk op een rij gezet. Capra concludeert ten onrechte:

1. Dat, omdat een elektron zowel een golf- als een deeltjeskarakter kan hebben, het afhankelijk is van het bewustzijn,
2. Dat Bohr geloofde aan afstandswerking, momentane beïnvloeding tussen twee deeltjes zonder tussenkomst van een medium,
3. Dat elk deeltje met het gehele heelal in wisselwerking is.

Wat is dan het aantrekkelijke van het boek van Capra geweest? Misschien zijn vele lezers ten prooi gevallen aan een soort onbewuste drogredenering: kwantumfysica is mysterieus, ‘oosterse mystiek’ is mysterieus, dus kwantumfysica en ‘oosterse mystiek’ hebben met elkaar te maken. Beide gebieden prikkelen de nieuwsgierigheid. Misschien heeft het ook iets te maken met het feit dat mysterieuze beweringen de neiging hebben diepzinnig te klinken. Hoe het ook zij, de vraag of in niet-Westerse filosofieën denkbeelden te vinden zijn die kunnen worden vergeleken met de modellen uit de kwantummechanica mag dan uit een drogredenering zijn voortgekomen, Capra mag dan deze vraag teleurstellend hebben behandeld, dit alles geeft nog geen antwoord op de vraag.

Zijn er dan overeenkomsten? Wat moeten we dan verstaan onder een overeenkomst? Met welk criterium beslissen we dat het ene al dan niet met het andere overeenkomt? Beide kunnen worden opgevat als beschrijvingen van de werkelijkheid en wat dat betreft hebben ze met elkaar meer gemeen dan met een zak aardappelen. Capra heeft ook gelijk als hij bedoelt dat beide soorten beschrijvingen afwijken van onze alledaagse kijk op de wereld. Beide soorten beschrijvingen zijn meer elastisch, de relaties zijn meer variabel. Een elektron kan bijvoorbeeld zowel golf als deeltje zijn, de essentie van het individu is tevens de essentie van het heelal. Of ‘oosterse filosofieën’ hierin extremer zijn dan de Westerse, is nog maar de vraag.

In elk geval nemen deze beschrijvingen alle een zekere afstand van de onmiddellijke waarneming. Dit heeft tot gevolg dat het aantal onveranderlijke factoren afneemt, hetgeen de grotere elasticiteit al verklaart. Als de overige overeenkomsten zuiver formeel en toevallig zijn, is de vraag niet interessant. De planeet Uranus heeft ringen, mensen doen elkaar ringen om als ze trouwen, maar dat geeft een wetenschapper nog geen reden om een verhaal over de overeenkomst tussen het huwelijk en de planeet Uranus te schrijven. Een overeenkomst wordt pas interessant als ze ons iets leert over de wereld.

Wat zou zo’n overeenkomst nu kunnen bewijzen? Hier komt Capra met de overtuiging die klaarblijkelijk een belangrijke reden is voor het schrijven van zijn boek: het onderzoek in de kwantummechanica is vergelijkbaar met het beoefenen van ‘oosterse mystiek’. Beide zoeken naar het raadsel van het bestaan, de ene discipline zoekt in de diepere lagen van de materie, de andere in de diepere lagen van het bewustzijn. Beide zijn empirisch, want de mysticus ‘kijkt naar binnen’ en onderzoekt zijn of haar bewustzijn op zijn verschillende niveaus. Capra heeft zich hier laten beetnemen door metaforen. Het eerste ‘in’ is letterlijk bedoeld, het tweede ‘in’ figuurlijk. Een brok materie bevat elementaire deeltjes, maar iemands bewustzijn bevat niet zoiets als gedachten.

Empirische gegevens zijn per definitie waarnemingsgegevens, dus al wat we leren door middel van onze vijf zintuigen. Alle andere kennis is niet empirisch. Als we zeggen dat een mysticus ‘naar binnen kijkt’ dan bedoelen we dit niet letterlijk; we bedoelen niet dat hij zijn ogen omdraait en zijn schedel van binnen inspecteert. We bedoelen alleen maar dat hij zijn aandacht richt op gevoelens, gedachten en voorstellingen en herinneringen. De bron van de kennis van een mysticus bestaat alleen hieruit, vandaar dat hij deze bron zelf moet onderhouden door devotie en religieuze oefeningen.

Capra meent ook dat de mystieke ervaring herhaalbaar is, maar of een persoon of een groep niet soortgelijke, maar exact gelijke mystieke ervaringen kunnen hebben is nog maar helemaal de vraag. Als dat wel zo is, dan is er veel voor te zeggen dat de gelijkheid voortkomt uit het feit dat de groep of de persoon heeft geleerd dezelfde innerlijke situatie op te roepen. De herhaalbaarheid is dan volledig kunstmatig.

Fysici, zo gaat Capra verder, ontlenen hun kennis aan experimenten, in beide gevallen wordt de waarneming als enige bron van kennis erkend. Dit laatste is domweg niet waar, in alle wetenschappen vormen wiskunde en redeneringen evenzeer bronnen van kennis, zij het dat ze alleen kennis opleveren die al impliciet in de gegevens ligt verborgen. Oosterse filosofieën erkennen inderdaad in een klein aantal gevallen eveneens waarneming en redenering als enige kenbronnen. Dit geldt echter alleen voor een paar Indiase filosofieën, vele erkennen daarnaast ook de traditie en de bovennatuurlijke waarneming van een mediterende yogi als bron van geldige kennis.

In de Chinese filosofieën heeft men zich nooit druk gemaakt over kentheorie, de vraag komt dus niet eens aan de orde. Alleen die Indiase filosofieën die de bovennatuurlijke waarneming erkennen zijn dus relevant voor Capra’s stellingname, maar deze weerleggen hem juist, omdat ze wel degelijk een verschil maken tussen de gewone zintuigen en de bovennatuurlijke waarneming. Hij heeft wél gelijk dat ook mystici de neiging hebben te experimenteren, voorzover hun traditie dit toelaat, maar dit hebben ook ze gemeen met allerhande soorten mensen zoals koks, zakenlieden enzovoort.

Is de bovennatuurlijke waarneming nu niet te vergelijken met de meetinstrumenten van de natuurkundige? Niet zoals Capra dat graag wil. Als de bovennatuurlijke waarneming bestaat uit een waarneming op bovennatuurlijke wijze, een waarneming dus van wereldse zaken die met de zintuigen niet direct waarneembaar zijn, is deze inderdaad vergelijkbaar met een meet- of waarnemingsinstrument, maar dan heeft ze ook geen mystieke betekenis. Ze is dan in principe door gewone zintuiglijke waarnemingen of door waarnemingen met behulp van instrumenten te verifiëren. Capra bedoelt echter waarnemingen van het bovennatuurlijke, echte mystieke aanschouwingen dus, en dat brengt onoverkomelijke problemen met zich mee. Het bovennatuurlijke sluit namelijk niet aan bij het natuurlijke. Er is geen overgang.

Metafysica en fysica zijn van een totaal andere orde. Als een mystieke aanschouwing vergelijkbaar zou zijn met een natuurkundige observatie, dan zou een metafysisch object, bijvoorbeeld God, een engel of de menselijke vrijheid van dezelfde orde zijn als een natuurkundig object, hetgeen betekent dat met beide soorten objecten soortgelijke handelingen mogelijk zouden moeten zijn. Als je van een natuurkundig object een foto kunt maken, of de plaats ervan kunt bepalen, zou je dit met een metafysisch object ook moeten kunnen doen en dat is absurd. Het wordt ook tegengesproken door alle teksten over metafysica en mystiek die ik ken. In de tijd dat de metafysica nog serieus werd genomen heeft de filosoof Immanuel Kant juist overtuigend aangetoond dat elke metafysica juist geen uitspraken mag bevatten die ontleend zijn aan de fysica.

Samengevat blijkt dus dat De tao van fysica, alhoewel misschien amusante of zelfs inspirerende lectuur, niet serieus genomen kan worden. De gegevens die erin worden vermeld zijn onbetrouwbaar en de belangrijkste redeneringen en conclusies zijn ongeldig. De schrijver heeft zich onvoldoende gerealiseerd dat er verschil is tussen de letterlijke en figuurlijke betekenis van woorden en hij zou eens een filosofisch leerboek moeten lezen om het verschil te leren tussen fysica en metafysica.

Noot

1. Met ‘metafysica’ wordt soms bedoeld een leer van een bovennatuurlijke werkelijkheid, bedoeld om de natuurlijke werkelijkheid te verklaren, en soms deze bovennatuurlijke werkelijkheid zelf. De metafysica (in beide betekenissen) is in de hedendaagse filosofie afgeschaft omdat niemand er nog iets mee kon aanvangen, of liever gezegd omdat je er alles mee kon verklaren, zonder dat dit echt een nieuw inzicht bracht.

Uit: Skepter 5.1 (1992)

Erik Hoogcarspel is filosoof