Boefjeskampen

Boekbespreking

door Ana van Es

In de Verenigde Staten bestaan honderden programma’s waar probleemjongeren met harde hand worden aangepakt. Eenzame opsluiting, slaaponthouding en mishandeling zijn vaste ingrediënten. Onafhankelijk onderzoek naar de resultaten ontbreekt.

Toen de 13-jarige Lulu Corter een zwarte skaileren outfit kocht en vervolgens zei dat ze blonde lokken in het haar ging verven, wist haar moeder het zeker: Lulu werd een druggie. Het was 1984. Twee jaar eerder had presidentsvrouw Nancy Reagan gewaarschuwd voor ‘een complete generatie’ die verloren zou gaan aan drugs. En dus werd Lulu net als haar oudere broer opgenomen in KIDS, een behandelingscentrum voor drugsverslaafde jongeren. Voortaan zat ze twaalf uur per dag samen met honderden andere jongeren op blauwe stoelen in een loods voor groepstherapie. Zes jaar lang mocht ze niet lezen, televisie kijken of naar de radio luisteren. Ze werd tot op het toilet bewaakt en de leiding bepaalde dan hoe vaak ze zich mocht afvegen. Wanneer ze niet meewerkte, werd ze tegen de grond gewerkt of in een kamer opgesloten. Pas op haar 26ste werd Lulu eindelijk vrijgelaten, na een half leven in KIDS.

De zaak van Lulu Corter geldt als een spraakmakende uitwas van het systeem dat journaliste Maia Szalavitz in haar boek Help at any cost aanduidt als de ‘troubled teen industry’. Het gaat om honderden behandelingsprogramma’s voor ontspoorde jongeren in de Verenigde Staten – kampementen, kostscholen en behandelcentra zoals KIDS. De achterliggende filosofie van deze programma’s is dat probleemjongeren op het rechte pad kunnen worden gebracht door ze te breken via het onthouden van basaal comfort, om ze vervolgens via groepsdruk opnieuw op te bouwen. In dertig jaar tijd is dit uitgegroeid tot een miljardenindustrie waarin grof geld wordt verdiend. Ouders betalen tienduizenden dollars per jaar voor deze behandeling.

Rechtszaken en reportages over de misstanden binnen de ‘troubled teen industry’ zijn er in overvloed. Szalavitz heeft die verhalen onderzocht en in een breder verband geplaatst. Eenzame opsluiting, het onthouden van slaap en eten en publieke bekentenissen van vermeend wangedrag voor een zaal met honderden lotgenoten blijken schering en inslag. ‘Het verhaal van deze behandelprogramma’s is in feite een verhaal over de manier waarop kwalijke, inhumane praktijken die men in psychiatrische ziekenhuizen en gevangenissen decennialang probeerde uit te roeien, in een nieuw jasje zijn gestoken en tegenwoordig door een bloeiende bedrijfstak worden verkocht als zijnde onmisbaar en gunstig voor kinderen.’

Het idee dat de jeugd van tegenwoordig in groter gevaar verkeert dan ooit tevoren, klopt niet, constateert Szalavitz droog. Het sterftecijfer onder jongeren in de Verenigde Staten is met maar liefst 40 procent gedaald sinds de jaren 1950. Maar daar storen deze behandelprogramma’s zich niet aan. Illustratief was de werkwijze van Teen Help, een keten van drillscholen. Alle nieuwe patiënten worden opgenomen in hun eigen Brightway Adolescent Hospital. De diagnose maakte niet uit, maar na afloop van de opname was altijd duidelijk dat ze het beste geholpen waren met een langdurig verblijf bij Teen Help.

Bewijs voor het resultaat van deze programma’s ontbreekt. Onafhankelijke gegevens zijn zelden voorhanden. In plaats daarvan zijn er jubelverhalen van enthousiaste ouders en medewerkers. ‘Anecdotes are not enough proof to show that something works.’ Terwijl een nieuwe medische behandeling getest moet zijn voordat die kan worden toegepast, doen deze jongeren mee aan een programma waarbij zelfs achteraf meestal niet wordt gekeken wat het resultaat is geweest. ‘Research shouldn’t come after the fact, it should come first’, schrijft Szalavitz. En een onafhankelijk onderzoeksbureau zou op zijn minst moeten beoordelen of er geen methodes worden toegepast waarvan bekend is dat ze averechts werken. Maar daar is vooralsnog geen sprake van.

‘Brainwashing techniques’

Szalavitz richt zich op een van de grootste ketens voor probleemjongeren: de tak die aan het eind van de jaren 1950 is voortgekomen uit Synanon, een therapiegroep voor alcoholverslaafden. Men probeerde elkaar door intensieve groepsconfrontaties op het rechte pad te helpen. De sessies gingen vaak dagenlang door, zonder slaap of gelegenheid om te eten. In de jaren 1970 ging Synanon zich richten op verslaafde tieners en maakte de enthousiaste media-aandacht plaats voor kritiek. In reactie daarop besloot Synanon dat genezen patiënten de rest van hun leven binnen de gemeenschap zouden moeten blijven. Jongens van nauwelijks achttien werden gesteriliseerd en meisjes moesten abortussen ondergaan. Toen een openbaar aanklager daarachter kwam, stopte een medewerker van Synanon naar verluidt een ratelslang in zijn brievenbus.

Dat betekende weliswaar het einde van Synanon, maar niet van de achterliggende filosofie. Een stand-up comedian, Art Barker, had al in 1971 subsidie losgepeuterd bij de federale overheid om te onderzoeken of de Synanon-methode drugsgebruik bij jongeren kon genezen. Hij noemde zijn programma The Seed. De behandeling bestond eruit dat tieners twaalf uur per dag op blauwe stoelen naar elkaars verhalen moesten luisteren, terwijl ze ondertussen driftig met hun armen zwaaiden. Dit laatste werd ‘motivating’ genoemd. Jongeren die elkaar niet enthousiast genoeg aanmoedigden, werden hardhandig tegen de grond gewerkt.

Terwijl Barker claimde dat 90 procent van de ‘Seedlings’ op het rechte pad bleven, toonde onafhankelijk onderzoek het tegendeel aan. De opgenomen jongeren vielen vaak niet eens onder de doelgroep: 20 procent had bij opname nog nooit drugs gebruikt, laat staan heroïne. Slechts 41 procent maakte het programma af en daarvan werd slechts 10 procent na vrijlating gevolgd. Maar de overheid greep pas in naar aanleiding van een rapport van de Amerikaanse senator Sam Erving, die later het Watergateschandaal onderzocht. The Seed vond hij ‘similar to the highly refined brainwashing techniques employed by the North Koreans in the early 1950s.’

Inmiddels waren maar liefst vijfduizend jongeren behandeld. Het overheidsbureau dat subsidie verstrekte aan The Seed, verklaarde nooit meer geld te geven voor zo’n experiment. Deze belofte hield niet lang stand. Een aantal ouders met een kind bij The Seed gingen verder onder de naam Straight, en wisten moeiteloos opnieuw subsidie te krijgen. Het behandelprogramma was ondertussen hetzelfde gebleven: dezelfde blauwe stoelen, twaalf uur per dag agressieve groepstherapie en het feit dat ouders noch jongeren wisten waar ze aan begonnen. Jongeren werden tot in de badkamer begeleid door een ouderejaars die hen bij de broeksband vasthield. Ze kwamen nauwelijks buiten, kregen slecht te eten en werden in een isoleercel opgesloten bij wangedrag. Vanaf het begin waren er meldingen over misstanden en mishandelingen, maar die werden genegeerd. In 1979 bepaalde een rechter zelfs dat ouders hun kind zonder rechterlijke tussenkomst in een dergelijk regime mogen laten opsluiten.

Het imago van Straight leek onaantastbaar. De Republikeinse Partij gaf grif geld aan de organisatie. Een eerste kentering kwam begin jaren 1980, toen een succesvolle eerstejaarsstudent, Fred Collins, werd opgesloten toen hij zijn jongere broertje in het programma kwamen opzoeken. Collins had rode ogen en zou dus een druggie zijn. Volgens de ex-patiënten die in Straight als onbezoldigde medewerker optraden, was zo iemand ‘in denial’ en moest dus zeker geholpen worden. Pas na een aantal maanden wist Collins te ontsnappen. De daaropvolgende rechtszaak en het rode-ogencriterium als bewijs voor drugsverslaving trok de nodige aandacht.

Als begin jaren 1990 het doek voor Straight definitief valt – na onder meer een televisiereportage met beelden van bont en blauw geslagen jongeren – heeft de organisatie zich als een olievlek verspreid. KIDS, waar Lulu Corter werd opgenomen, is een van de programma’s die alleen in naam verschillen. Andere ex-medewerkers van de organisatie beginnen een kostschool of een trainingskamp voor ontspoorde jongeren. Vooral de trainingskampen kwamen regelmatig in opspraak omdat jongeren overleden als gevolg van ondervoeding en uitdroging. De directeur van zo’n kamp zou volgens een oud-medewerker hebben gesproken over een ‘window of loss’: hij zou zoveel kinderen helpen, dat dit best een paar sterfgevallen waard was.

Een paar jaar geleden filmde de politie in Mexico jongens in een Amerikaanse kostschool, opgesloten in hondenhokken en bedreigd met een veepriem. De directie was naar Mexico uitgeweken om aan de Amerikaanse wetgeving te ontsnappen. Deze ‘special schools’ waaiden ook over naar Europa: begin november 1998 bevrijdde de Tsjechische politie vijfentwintig Amerikaanse jongeren die daar maandenlang gevangen waren gehouden. Het verantwoordelijke echtpaar runde eerder in Mexico een kostschool waar meisjes werden aangetroffen die dagenlang in een isoleercel werden gedwongen om een pijnlijke houding aan te nemen. Tegenwoordig draaien honderden vergelijkbare programma’s nog steeds op volle toeren.

Een Amerikaans probleem?

Door het gebrek aan rechtsbescherming, de preoccupatie met drugs en het fanatisme van ouders lijkt de ‘troubled teen industry’ vooralsnog een zeer Amerikaans fenomeen. Maar wij kennen hetzelfde verschijnsel al wel op veel kleinere schaal. De gang van zaken binnen jeugdgevangenis Den Engh en internaat Glen Mills zou niet misstaan in het boek van Szalavitz. Succescijfers werden opgeleukt en regelgeving genegeerd. ‘If you can never use negative consequences, it completely guts the program’ – zo sprak een advocaat van een Amerikaans trainingskamp waar een jongen was doodgehongerd, en het is hier ook wel eens gezegd. Recentelijk pleitte de Taskforce Jeugdwerkloosheid van het ministerie van Sociale Zaken voor ‘prep camps’ waar onbemiddelbare tieners met harde hand worden aangepakt – onder verwijzing naar de aanpak van Den Engh en Glen Mills.

Meer in het algemeen ontbreekt een wetenschappelijke methode binnen de jeugdzorg. Behandelprogramma’s voor probleemjongeren worden pas onderzocht als het project al een tijd loopt. Van een controlegroep is zelden sprake en zulk onderzoek is vaak niet onafhankelijk. Bovendien is het moeilijk om bij een negatief resultaat de stekker eruit te trekken, want politici en journalisten hebben de nieuwe methode inmiddels omarmd. Szalavitz’ pleidooi voor een wetenschappelijker benadering is daarom ook in Nederland niet misplaatst. Haar boek laat zien wat er eventueel kan gebeuren als onderzoek in een te laat stadium plaatsvindt, en als charismatische hulpverleners steeds opnieuw de kans krijgen om aan politici en journalisten uit te leggen dat wetten en regels moeten wijken voor hun fantastische, maar nog onbewezen aanpak.

Uit: Skepter 19.4 (2006)

Ana van Es studeerde in 2006 Nederlands recht aan de Rijksuniversiteit Groningen.