Barbertje moet hangen

Wetenschap, bedrog en zelfbedrog

door Marcel Hulspas

Frauderen is eenvoudig en valt zelden op. Wél opvallend en invloedrijk zijn die gevallen waarin de onderzoeker niet zozeer zijn collega’s als wel zichzélf bedriegt. Juist op zo’n moment kan een losse beschuldiging van fraude hard aankomen – met alle onaangename gevolgen van dien.

Betrayers of the Truth, zo heette het boek dat de Amerikaanse journalisten William Broad en Nicholas Wade in 1982 publiceerden. ‘Verraders van de Waarheid’. De titel is typerend voor de manier waarop de Amerikaanse media toentertijd tegen ‘fraude in de wetenschap’ aankeken. Wetenschappers zochten de Waarheid met grote W, maar er waren ook ‘verraders’ die dit nobele streven ondermijnden. Volgens de auteurs dreigde fraude in de wetenschap uit te groeien tot een zorgwekkend probleem. Het wetenschappelijk establishment leek niet in staat om daar iets tegen te doen. Sterker nog: men wílde er niets tegen doen. Men negeerde het probleem, hoopte dat het vanzelf zou verdwijnen.

De discussie over fraude in de wetenschap spitste zich uiteindelijk toe rond twee affaires. Ten eerste de strijd tussen de Amerikaanse viroloog Robert Gallo en de Fransman Luc Montagnier over de ontdekking van het hiv-virus (de verwekker van aids). Beiden maakten aanspraak op dit wapenfeit, maar Gallo werd ervan beschuldigd gebruik te hebben gemaakt van het materiaal dat Montagnier hem had toegezonden. De zaak zou uiteindelijk in der minne geschikt worden, en de officiële aanklacht werd in 1994 ingetrokken.

De tweede affaire was de vermeende fraude gepleegd door de immunologe Teresa Imanishi-kari. Zij werd in 1986 door een medewerkster aangeklaagd omdat zij geknoeid zou hebben met de laboratoriumgegevens. Deze zaak loopt nog steeds, maar de hoogstaande principes die ooit op het spel zouden staan zijn inmiddels volstrekt verzonken in een juridisch en medisch-technisch moeras.

De discussie is de laatste jaren sterk geluwd. Alle partijen hebben een lesje geleerd. Politici zijn niet langer in het onderwerp geïnteresseerd omdat ze ontdekt hebben dat het vaak om uiterst ingewikkelde, zo niet onbegrijpelijke zaken gaat, waarmee niet of nauwelijks valt te ‘scoren’. Daarnaast hebben veel onderzoeksinstellingen en universiteiten inmiddels regels opgesteld over hoe te handelen indien beschuldigingen van fraude de kop op steken. Een derde effect van de discussie was veel minder gunstig. De media zijn nu gespitst op fraude, en zodra wetenschappers elkaar in de haren vliegen, gaan ze op zoek naar de fraudeur. Met alle gevolgen van dien.

Unieke vondsten

Een titel als ‘Verraders van de Waarheid’ is gebaseerd op dat versleten ideaal van de boven alle aardse beslommeringen verheven wetenschapper die zijn steentje bijdraagt voor het heil der mensheid. Die opvatting werd filosofisch onderbouwd door Karl Popper en Thomas Kuhn. Een recente wetenschapsfilosofische stroming echter, de Sociology of Scientific Knowledge (SSK) legt veel meer de nadruk op machten en krachten binnen de wetenschappelijke wereld, en retorische gaven van wetenschappers (zie kader). De SSK heeft een stroom van publicaties opgeleverd, die waarin de interacties tussen wetenschappers onderling, en met de politiek en de samenleving in brede zin, centraal staan.

Als al deze werken één ding duidelijk hebben gemaakt, dan is het dat de oude zwart-wit tegenstelling tussen ‘goede’ en ‘foute’ wetenschappers, tussen de popperiaanse helden enerzijds en de ‘verraders’ anderzijds, onhoudbaar is. De wetenschap is een carrière zoals ieder ander, en bedrog kan een wankele carrière overeind houden – en valt niet of nauwelijks op. Wetenschappelijke publicaties worden immers driftig geturfd, maar zelden nagerekend.

De meest eenvoudige vormen van fraude, het simpelweg plagiëren van andermans werk of het verzinnen van resultaten, is uiteraard het veiligst. Een ander betrekkelijk veilige (frauduleuze) manier om een carrière te verstevigen, is het doen van een zogenaamd ‘unieke vondst’.

Vondsten spelen in de geologie, de paleontologie, de archeologie en de antropologie een grote rol. In de eerste twee vakgebieden is fraude echter zeldzaam. (Een voorbeeld is de Gupta-affaire, zie Skepter, september 1990). In de archeologie komt het veel vaker voor. Eerzucht speelt hierbij vaak een belangrijke rol. De beruchte Piltdown-schedel (een vervalsing, begin deze eeuw aangetroffen in Zuid-Engeland) was niet alleen een poging om Engeland te promoten als het vaderland van de missing link tussen mens en aap, de vondst sloot ook opvallend goed aan bij de visie van de Britse paleoantropoloog Sir Arthur Keith – die daarmee meteen een van de hoofdverdachten werd in deze nooit volledig opgehelderde affaire.

Een ander voorbeeld is de ‘schat van Priamos’, een verzameling voorwerpen en sieraden opgegraven door de Duitse archeoloog Heinrich Schliemann (1822-1890), vervolgens naar Duitsland gesmokkeld, in 1945 naar Moskou versleept en daar onlangs tentoongesteld. Schliemann dankt zijn roem aan de ontdekking van het legendarische Troje, maar, zoals de Amerikaanse hoogleraar David Traill in zijn boek Schliemann of Troy (1995) aannemelijk maakt, de door hem opgegraven schat van Priamus (de laatste koning van Troje) is niet veel meer dan een uit meerdere opgravingen bijeengeveegde verzameling, mogelijk aangevuld met vervalsingen. Volgens Traill werd de autodidact Schliemann gedreven door zijn allesverterende verlangen naar academische erkenning.

Wie wil genieten van Nederlandse voorbeelden (dus op bescheidener schaal) van archeologische vervalsingen, kan zijn hart ophalen in het boekje List en bedrog in de Archeologie (1995) van Leo Verhart.

Curiosakast

Fraude in de antropologie is weer betrekkelijk zeldzaam. Beroemd is het geval van Margaret Mead (1901-1978), die in haar boek Coming of Age in Samoa (1928) een volstrekt idyllisch beeld schetste van het leven op dit Zuidzee-eiland, maar zij was geen bedrieger, ze wérd bedrogen door haar informanten.

Bedenkelijker was de handelwijze van antropoloog Kilton Stewart, de ontdekker van de Senoi-‘droomtherapie’ (zie Skepter, juni 1993) en van Marcel Griaule, de schepper het mysterie van de Dogon (zie Skepter, juni 1996). In hoeverre in deze gevallen sprake was van bewúste fraude valt niet meer na te gaan. Mogelijk waren de onderzoeker op een gegeven moment niet meer in staat eigen opvattingen en de verhalen van informanten uit elkaar te houden, mogelijk maakten ze handig gebruik van het feit dat het recht van onderzoek en publicatie vaak bij een onderzoeker rust. In veel vakgebieden is het not done om een collega tijdens zijn werkzaamheden voor de voeten te lopen, en geldt de ongeschreven regel dat onderzoekers die een bepaalde vondst hebben gedaan of toegewezen hebben gekregen, het recht hebben dat materiaal voor zich te houden totdat hun ‘definitieve’ publicatie is verschenen. En dat kan lang duren. Het gros der oudtestamentici moest vele tientallen jaren wachten voordat de beroemde Dode-Zeerollen (waaraan de verantwoordelijke onderzoekers soms al jaren niets meer hadden gedaan) volledig werden vrijgegeven (zie Skepter, juni 1992 en september 1997).

Maar er is een keerzijde. Exclusiviteit maakt argwanend. ‘Voorlopige mededelingen’ over een voor anderen onbereikbare vondst worden daarom alleen met instemming begroet indien ze aansluiten bij bestaande theoretische inzichten. Berichten die de bestaande inzichten op hun kop zetten (een Romeinse munt vastgeklemd in gesteente uit Amerika, bijvoorbeeld) zullen eerst worden genegeerd, en moeten uiteindelijk over zeer overtuigende papieren beschikken. Zodra er een luchtje aan zit (onduidelijke vindplaats, anonieme vinder, et cetera) belanden ze in de curiosakasten van musea – die overigens vaak beter gevuld zijn dan menigeen denkt. (De schaarse vondsten van Romeinse munten op Amerikaanse bodem worden unaniem omschreven als grappen of ‘verloren door verzamelaars’.)

Affaires zoals rond Gupta en de Dode-Zeerollen tonen aan dat de verwarring en misleiding, voortkomend uit het ‘recht op onderzoek’, lang kan duren. Maar ook frauduleuze experimenten kunnen lange tijd een funeste invloed uitoefenen. Replicatie zou in principe snel uitkomst moeten bieden, maar dat is vaak helemaal niet eenvoudig. De volmaakte replicatie vraagt een onderzoeker met dezelfde vaardigheden, dezelfde materialen en dezelfde apparatuur, en bestaat dus in wezen niet. De discussie draait steevast om de vraag of ze dan in ieder geval ‘goed genoeg’ was, en kan lang voortslepen.

Deze problemen zijn vooral van belang als er sprake is van werkelijk origineel onderzoek, op basis van apparatuur en vaardigheden die slechts in één laboratorium (of een zeer beperkt aantal) beschikbaar zijn. Bovendien schuilt er dan nóg een adder tussen het gras. De onderzoeker zou niet zozeer anderen als wel zichzélf voor de gek kunnen houden.

Rammelen aan de poort

Wie naam wil maken, beroemd wil worden, moet geen platgetreden paden bewandelen maar zijn eigen onderzoeksgebied creëren. Aan die keuze kleven echter grote gevaren. Zoiets vraagt forse investeringen, en de onderzoeker moet heilig overtuigd zijn van zijn eigen kunnen en van de juistheid van zijn opvattingen om zijn geldschieters zover te krijgen. Het instrumentarium moet vaak nog worden ontwikkeld worden en de daarmee gemeten effecten zijn in eerste instantie onbeduidend. Alles bij elkaar is het vaak heel lang onduidelijk of een onderzoeker werkelijk iets nieuws op het spoor is, of slechts ziet wat hij of zij wíl zien. Alleen de tijd kan dat leren.

De Amerikaanse fysicus Irving Langmuir (zie Skepter, maart 1990) formuleerde ooit een aantal kenmerken waaraan men door zelfbedrog ontstane ‘pathologische wetenschap’ zou herkennen:

– de gemeten effecten zijn uiterst gering.
– er vindt selectie plaats van ‘goede’ metingen; de onderzoeker is slechts geïnteresseerd in díé metingen die zijn theorie ondersteunen.
– er worden indrukwekkende claims uitgesproken.
– er is geen sprake van een verbetering.

Opvallend is dat de eerste drie kenmerken eigenlijk ook typerend zijn voor grensverleggend onderzoek. Wanneer wordt ‘grensverleggend’ dan ‘pathologisch’? Hier komt het vierde punt om de hoek kijken. De onderzoeker dient, op basis van zijn inzichten, zijn methoden zo te verbeteren dat het niet alleen voor hem maar voor iedereen duidelijk wordt wat de ‘goede’ metingen zijn. Om dat te bereiken is inzet nodig, vasthoudendheid – en tijd.

Wat dat laatste betreft kan zelfs de grootste geleerde in de problemen komen. Zoals uit Gerald Geisons opmerkelijke studie The Private Science of Louis Pasteur (1995) blijkt, kwam deze beroemde Franse microbioloog op een cruciaal moment in zijn carrière tijd tekort, en overtrad vervolgens moedwillig de spelregels. Zijn beroemde demonstratie van een vaccin tegen de schapenziekte antrax was puur bedrog. Het vaccin was dat van zijn tegenstander, zijn eigen vaccin was pas maanden later gebruiksklaar.

De nachtmerrie van de ‘grensverleggende’ onderzoeker is natuurlijk dat de verhoopte versterking van de effecten alsmaar uitblijft en dat hij – en eventueel zijn medewerkers -de enigen zijn én blijven die iets menen te zien. De vraag is dan wie de stekkers uit het stopcontact mag trekken. Een zelfstandig onderzoeker heeft daar natuurlijk geen last van, maar de meesten hebben een chef die ze moeten zien te overtuigen. Dat kan lang goed gaan, maar als de critici aan de poorten rammelen, kan die steun snel omslaan in harde kritiek. Het meest beruchte slachtoffer van een dergelijke ommezwaai is natuurlijk de ‘ontdekker’ van het geheugen van water, de Franse biochemicus Jacques Benveniste (zie Skepter, maart 1994). Die werd, nadat hij al door het tijdschrift Nature keihard was aangepakt, ook door zijn werkgever, de prestigieuze organisatie INSERM, aan de kant werd gezet.

Giftig water

De affaire-Benveniste is nog om een andere reden interessant. Benveniste kreeg een ‘onderzoeksteam’ over de vloer dat, afgezien van Nature-hoofdredacteur John Maddox, bleek te bestaan uit James Randi en de Amerikaanse biochemicus (en zelfbenoemde ‘fraudbuster’) Walter Stewart. Maddox achtte Benvenistes resultaten blijkbaar ondenkbaar, en de enige verklaring die hij daarvoor kon bedenken, was fraude. En de enige manier om dat vast te stellen (en de reputatie van zijn tijdschrift te redden) was een inval in het gezelschap van fraude-jagers.

Wat er ook mis moge zijn geweest in Benvenistes laboratorium, voor de beschuldiging dat hij fraude zou hebben gepleegd bestond geen enkele grond. Hij sprak dus volkomen terecht van ‘een heksenjacht’.

Het reduceren van de kwestie tot de vraag ‘hoe is er gefraudeerd?’, droeg uiteraard bij aan de val van deze ooit zo gerespecteerde Franse onderzoeker. De ontwikkeling die hij daarna doormaakte, is echter opmerkelijk. Claimen bewijzen te hebben voor de homeopathie is al heel wat, maar Benvenistes huidige inzichten reiken nog veel verder. Hij meent te weten dat water een elektromagnetische ‘herinnering’ van een bepaalde stof vast kan houden, en dat die herinnering weer gewist kan worden door middel van zwakke magnetische velden. Ook beweert hij nu dat het mogelijk is die ‘herinnering’ door middel van een elektrische stroom over te brengen van de ene fles water op de andere. Benveniste waarschuwt de Franse overheid dat zaken als bloedserum en gedestilleerd water ‘herinneringen’ bij zich dragen aan allerlei gifstoffen die er ooit in hebben gezeten, en daardoor in staat zijn ziekten te veroorzaken.

En die luistert niet. Het is allemaal onderdeel van een grote samenzwering, constateert Michel Schiff in zijn boek Un Cas de Censure dans la Science: L’affaire de la mémoire de l’eau (1994). De bliksemsnelle escalatie van het conflict is blijkbaar niet alleen voor ‘ketters’ als Benveniste een traumatische ervaring, ook hun volgelingen ervaren de ondergang van hun held als een groot onrecht. De snelheid en grondigheid waarmee die uit de tempel der wetenschap wordt gezet, doet het ergste vermoeden. De wetenschappelijke wereld gedraagt zich als de katholieke kerk ten tijde van de inquisitie, constateert Schiff. Gelukkig zal zijn held binnenkort terugslaan. Het schandaal van het giftige gedestilleerd water zal de wetenschap op haar grondvesten doen schudden.

Benveniste was niet de enige die zich plots geconfronteerd zag met de beschuldiging dat hij fraude zou hebben gepleegd. Hetzelfde overkwam de chemici Fleischmann en Pons, de ‘ontdekkers’ van de koude kernfusie (zie Skepter, juni 1990), die nu trouwens net als Benveniste nog slechts in het pseudo-wetenschappelijke circuit kunnen publiceren. En Peter Duesberg, de man die beweert dat het hiv-virus helemaal niet de oorzaak is van aids (zie Skepter, september 1992 en juni 1994). Hoeveel er ook op hun denk- en werkwijze valt af te dingen, bewijzen voor fraude zijn er nooit overhandigd. Maar ondertussen werden ze wel verdacht gemaakt. Het lijkt wel alsof het wetenschappelijk establishment hierbij dezelfde irrationele reactie vertoont waar de media zich jarenlang aan hebben bezondigd: simplificeren, zwart maken, roepen om uitstoting.

De reactie is niet uitgebleven. In het alternatief-wetenschappelijk publiceren is het samenzweringsdenken momenteel sterk in opkomst. Er is sprake van een ware vloedgolf van duistere beschuldigingen aan het adres van het – naar verluidt – door en door corrupte wetenschappelijk establishment. De Britse auteur Richard Milton publiceerde The Facts of Life (1994), waarin hij de versleten argumenten tegen de evolutietheorie van stal haalt, maar tevens een ‘samenzwering’ ontmaskert. In datzelfde jaar verscheen ook zijn Forbidden Science, waarin hij nog veel meer samenzweringen blootlegt, onder andere tegen Fleischmann en Pons en Benveniste. (Milton werd enige tijd geleden uitgenodigd door de Universiteit voor Humanistiek en heeft in de rector, Ilja Maso, een bewonderaar gevonden.) Ook uit 1994: Deadly Deception, van Robert Willner, een schreeuwerige onthulling van de ‘samenzwering’ tegen Peter Duesberg. En dan was er natuurlijk Michel Schiffs Un Cas de Censure.

Het schrijven van dergelijke boeken heeft ongetwijfeld therapeutisch effect, maar draagt natuurlijk nergens aan bij. Samenzweringstheorieën zijn niet te bewijzen, en ondermijnen slechts iedere kans op toenadering. Maar die mogelijkheid wordt ook van de andere kant aangetast, zolang wetenschappers zich laten verleiden om in geval van ‘ketters’ onderzoek over fraude te beginnen. In hun streven een kwestie zo snel mogelijk uit de wereld (en de media) te helpen, scheppen zij op die manier tegenstanders voor het leven, die met hun emotionele uithalen en duistere beschuldigingen het imago van de wetenschap blijvende schade kunnen toebrengen.


Popper, Kuhn en de SSK

Karl Popper schetste het ideaalbeeld van de wetenschapper die op basis van waarnemingen een theorie bedenkt, en vervolgens zijn eigen theorie weer onderuit probeert te halen. Wetenschap was een puur intellectuele aangelegenheid, en hij ontkende expliciet dat als in de wetenschap de ene theorie verworpen wordt ten gunste van een andere, andere dan strikt logische argumenten een rol zouden spelen. De ontwikkeling van de wetenschap zou dus een ‘logische’ vervolmaking van onze kennis zijn.

Een nuancering van dit beeld was Thomas Kuhns paradigmatheorie, gelanceerd in The Structure of Scientific Revolutions (1963). Volgens hem is een theorie slechts een onderdeel van een ‘paradigma’, waarin verder ook zaken als voorbeelden, instrumenten en technieken thuishoren. De wetenschappelijke vooruitgang is in zijn ogen de vervanging van een oud door een nieuw paradigma, dat over een groter ‘puzzeloplossend vermogen’ beschikt. Een dergelijke vervanging kan heel ingrijpend zijn, maar net als Popper acht Kuhn zoiets steevast logisch verdedigbaar, en is ook bij hem ontwikkeling synoniem met vooruitgang.

Kuhns paradigmatheorie leidde tot een hausse in het aantal publicaties waarin aandacht werd besteed aan de psychologische factoren binnen het wetenschapsbedrijf. Op theoretisch vlak leidde zij tot het ontstaan van een radicale wetenschapsfilosofische stroming, de Sociology of Scientific Knowledge (SSK). Deze vatte Kuhns paradigma’s op als fundamenteel verschillende en dus onvergelijkbare visies op de werkelijkheid. Dat betekende dat er ook geen logische redenen bestonden voor de overgang van het ene naar het andere paradigma. Wetenschappelijke revoluties waren een kwestie van macht, van politiek, van retoriek. En omdat paradigma’s fundamenteel verschillen zijn ze ook niet te vergelijken en kun je ook niet zeggen dat de nieuwe ‘beter’ is. Volgens de SSK is wetenschappelijke vooruitgang een mythe.

Dit ‘fundamentalisme’ lijkt haar langste tijd te hebben gehad. Op abstract-theoretisch niveau mogen paradigma’s dan onvergelijkbaar zijn (Newtons kosmos is fundamenteel anders dan die van Einstein), maar in wezen worden bij wetenschappelijke revolutie vele begrippen, instrumenten en resultaten direct overgedragen, en blijft het mogelijk om daarop gebaseerde theorieën te vergelijken. Maar de SSK heeft er wel voor gezorgd dat het naïeve beeld van de bij iedere stap weer méér verklarende wetenschap, onderuit werd gehaald. Een nieuw paradigma kan heel goed feiten onverklaard laten waar het oude juist een verklaring voor bood.
Terug

Uit: Skepter 10.1 (1997)

Marcel Hulspas is wetenschapsjournalist en was hoofdredacteur van Skepter van 1988 tot en met 2002