Babygebaren

Gebarentaal voor slimme baby’s

door Ronald Kaptein

In de Verenigde Staten worden veel cursussen, boeken en dvd’s verkocht om baby’s en peuters gebarentaal te leren. Ze zouden er eerder door gaan praten, en er zelfs slimmer en socialer door worden. En, zeggen de aanbieders, dat is allemaal wetenschappelijk bewezen. De bewijzen blijken echter niet erg sterk te zijn.

Stel je eens voor dat je met niemand kunt communiceren. Je wilt iets hebben, of iemand iets vragen, maar niemand reageert op je. Schreeuwen helpt niet en je gebaren worden niet begrepen. Het lijkt op de beschrijving van het locked-in-syndroom, waarbij een patiënt, ondanks volledig bewustzijn, compleet van de buitenwereld is afgesloten omdat hij geen betekenisvolle signalen kan geven. Volgens sommige mensen is dit een situatie die we allemaal hebben meegemaakt, namelijk als baby.

Hun idee is dat de geestelijke ontwikkeling van baby’s en peuters minimaal een half jaar voorloopt op hun spraakontwikkeling. Baby’s willen dus best tegen ons praten, maar kunnen dat niet omdat bijvoorbeeld hun fijne motoriek nog niet voldoende is ontwikkeld. De gevolgen: frustratie, huilbuilen en een tragere ontwikkeling. Maar, zeggen dezelfde mensen, er is een oplossing: babygebarentaal.

Baby’s maken van nature altijd al wel een aantal gebaren: schudden met het hoofd voor ‘nee’, knikken voor ‘ja’ en zwaaien met de handen voor ‘dag’. Maar met een beetje hulp schijnen peuters wel tientallen gebaren te kunnen leren. In het boek Babygebaren van Linda Acredolo en Susan Goodwyn, waarvan de eerste Amerikaanse editie in 1996 verscheen, staat zelfs een lijst van 120 gebaren. Geordend op onderwerp zijn er gebaren voor onder andere ‘auto’, ‘boos’, ‘cracker’ en ‘willen’. Een deel van die gebaren is gebaseerd op de officiële Amerikaanse gebarentaal voor doven (ASL, American Sign Language), maar een ander deel is speciaal voor kinderen bedacht. Ook worden ouders aangemoedigd erop te letten of kinderen zelf gebaren verzinnen. Deze kunnen in het repertoire worden opgenomen.

Linda Acredolo en Susan Goodwyn zijn de grondleggers van de methode. Ze putten veel uit eigen ervaring en uit die van anderen. Zo beschrijft Acredolo in een e-mail het volgende voorbeeld: Een klein meisje ziet in de bus een man met een rastakapsel. Ze maakt daarop het gebaar voor ‘hoed’. Haar moeder probeert haar duidelijk te maken dat het geen hoed is, maar haar. Nadat het meisje het haar van de man even mag aanraken, kijkt ze verrast en maakt spontaan het gebaar voor ‘haar’.

Hoewel je bij dit soort verhalen en anekdotes je twijfels kunt hebben, zijn er op YouTube wel filmpjes te vinden van preverbale kinderen die met gebaren reageren op vragen van hun ouders:

‘Can you say ‘milk’? … Milk! Can you say ‘eat’? … ‘Eat’, good boy! How about ‘frog’? What’s ‘frog’? … No, that’s ‘eat’. What’s ‘frog’?

In zo’n geval is het moeilijk om te beoordelen of er sprake is van communicatie of van dressuur. De woorden worden niet gebruikt in een zinvolle context; er is geen kikker in de buurt. De trotse ouders willen alleen laten zien hoeveel gebaren hun kind al kan maken. Ook wanneer kinderen spontaan een gebaar maken, is het niet altijd zeker dat ze daar wat mee willen zeggen. Toch komt het ook voor dat ze bijvoorbeeld een gebaar voor melk maken en tevens op andere wijze duidelijk maken dat ze inderdaad graag melk willen. Op basis van de filmpjes kun je niet vaststellen hoe vaak zulke zinvolle communicatie voorkomt. Is het regel of uitzondering? Wetenschappelijk gezien zijn anekdotes niet zo nuttig (zie Doherty- Sneddon, 2008). Ze maken wel aannemelijk dat het geen complete onzin is en dat de voorstanders van babygebaren dus misschien wel een punt hebben.

Frustraties en gedachten

Het boek Babygebaren is in de VS al jarenlang een bestseller. Het is ook in het Nederlands verkrijgbaar. In totaal zijn er al minstens twee dozijn Engelstalige boeken over babygebaren verschenen, waaronder een hele reeks van de eerder genoemde auteurs. Er worden ook veel cursussen in gegeven. In Duitsland zijn er al circa 130 cursusleidsters die de methode onderwijzen. In Nederland is het aanbod nog niet zo groot.

De pleitbezorgers van de methode beloven van alles. Babygebarentaal zou niet alleen een leuke manier zijn om met baby’s en peuters te communiceren, maar ook allerlei langetermijnvoordelen hebben. Acredolo en Goodwyn noemen in hun eerste boek vier voordelen. De gebarentaal zou tot een prettiger gezinsleven leiden. Je kunt het ook gebruiken om te (laten) zien hoe knap je baby is. Bovendien beweren de auteurs dat kinderen eerder gaan praten als ze gebarentaal leren, en dat hun intellectuele en emotionele groei eerder in gang wordt gezet.

Vooral die laatste twee beweringen zouden een reden kunnen zijn om alle kinderen op jonge leeftijd gebarentaal te leren. Helemaal onlogisch klinkt het niet. Gebarentaal zou bijvoorbeeld de ontwikkeling van hersengebieden die voor praten nodig zijn, kunnen bespoedigen, en daarmee ook het praten zelf. Als kinderen al op vroege leeftijd hun gevoelens, frustraties en gedachten kunnen uiten, zou dat ook een positieve invloed kunnen hebben op hun geestelijke ontwikkeling. Zo wordt er bijvoorbeeld vaak gezegd dat er een relatie bestaat tussen communicatieproblemen en gedragsproblemen (Doherty-Sneddon, 2008).

Maar fraaie beloften zijn natuurlijk niet genoeg. De bewering dat het gebruik van babygebarentaal zulke sterke langetermijneffecten heeft, vereist wetenschappelijke onderbouwing. Volgens veel boeken en websites is die onderbouwing er ook, maar er is nog weinig over te vinden in wetenschappelijke literatuur.

Niet helemaal onafhankelijk

Het meeste wetenschappelijke onderzoek is gedaan door de eerder genoemde grondleggers van de methode, Linda Acredolo en Susan Goodwyn. In 1982 was de dochter van Acredolo ongeveer een jaar oud toen ze spontaan gebaren begon te maken. Het waren gebaren voor bloem (een snuivend geluid) en groot (armen omhoog). Acredolo realiseerde zich dat haar dochter met haar probeerde te communiceren. Ze was destijds universitair docent, en Goodwyn was een van haar studenten. Samen zochten ze in de wetenschappelijke literatuur naar informatie over dit onderwerp, maar zonder veel succes. Ze gingen daarom zelf onderzoek doen.

Aanvankelijk onderzochten Acredolo en Goodwyn de spontane gebaren die baby’s maakten. In 1993 publiceerden ze een studie over baby’s die hadden geleerd om gebaren te gebruiken. Vervolgens gingen ze dit idee commercieel uitbuiten door het programma ‘Baby Signs’ op te zetten. In 1996 verscheen hun eerste boek en vanaf 1998 hadden ze ook een eigen website (www.babysigns.com), waarop ze lieten weten dat ze al dertien jaar onderzoek hadden gedaan naar babygebaren en te gast waren geweest in de talkshow van Oprah Winfrey. Inmiddels zijn er van het eerste boek in de VS al een half miljoen exemplaren verkocht en het is in 14 talen uitgebracht. Het zal ze dus zeker geen windeieren hebben gelegd.

Hoewel het begrijpelijk is dat ze hun methode wilden verspreiden, ondermijnt dit wel hun onafhankelijkheid als onderzoekers. Dit is iets om in het achterhoofd te houden bij het beoordelen van hun onderzoek. In hun wetenschappelijk werk zou eigenlijk melding moeten worden gemaakt van deze ‘conflict of interest’, maar dat is nergens het geval. Hun belangrijkste onderzoeksartikel verscheen in 2000 in het Journal of Nonverbal Behavior. Daarna hebben ze geen wetenschappelijke artikelen meer gepubliceerd.

Voor de studie die in 1993 verscheen, volgden Acredolo en Goodwyn 22 baby’s die vanaf 11 maanden gebarentraining kregen. Ouders deden dit zelf, maar ze kregen wel allerlei adviezen en materiaal om het goed te doen. De onderzoekers hadden elke twee weken contact met de ouders en noteerden dan onder andere welke gebaren de kinderen geleerd hadden en of ze al (gesproken) woorden gingen gebruiken. Gemiddeld gebruikten kinderen na 12,0 maanden hun eerste gebaar, en na 12,6 maanden hun eerste woord. Voor vijf gebaren en vijf woorden waren de getallen 13,6 en 14,3. Deze verschillen zijn klein, maar statistisch wel significant. Blijkbaar is het voor kinderen iets makkelijker om gebaren te leren dan om te leren praten. De onderzoekers zeggen in hun conclusie ook dat zowel gebaren als woorden pas kunnen ontstaan als bepaalde cognitieve bouwstenen op hun plaats liggen. Over de voordelen van gebarentraining wordt niet gesproken.

Dat wordt anders in hun tweede studie (Goodwyn et al., 2000). Daarin worden naast een gebarengroep van 32 kinderen ook twee andere groepen getest. In de controlegroep zaten 39 kinderen, die geen speciale aandacht of training kregen. Er was bovendien een verbale groep van 32 kinderen. De ouders in deze verbale groep kregen de opdracht om extra veel aandacht te geven aan verbale interactie. Zo kon men onderzoeken of een eventueel positief effect alleen door de extra aandacht werd veroorzaakt, of echt door de gebaren. De ouders in de gebarengroep en de verbale groep kregen bij de start een set gebaren dan wel woorden mee waar ze zich als eerste op moesten richten.

Ouders werden elke twee weken telefonisch geïnterviewd over de voortgang. De kinderen werden ook meerdere keren in het laboratorium getest, de eerste keer toen ze 11 maanden oud waren en voor het laatst toen ze drie jaar waren geworden. Tijdens deze sessies werden verschillende tests gedaan om de taalvaardigheid en communicatieve ontwikkeling te meten. Zo werd bijvoorbeeld de lengte van verbale uitingen gemeten. Ook werd gekeken hoe goed de kinderen in staat waren om bij het horen van een woord een bijbehorend plaatje aan te wijzen.

De kinderen in de gebarengroep leerden gemiddeld ruim 20 gebaren. Getallen voor de andere twee groepen worden niet gegeven, of zijn niet gemeten. Uit eerder onderzoek bleek dat kinderen zonder training gemiddeld slechts zo’n vijf gebaren leren. De gebarengroep scoorde op bijna alle laboratoriumtests hoger dan de controlegroep. Het effect werd echter in de loop der tijd kleiner en was niet meer significant toen de kinderen drie waren. Vreemd genoeg maken de onderzoekers geen directe vergelijking tussen de gebarengroep en de verbale groep. Ze redeneren dat aangezien er geen statistisch significant verschil is tussen controlegroep en verbale groep, de gebarengroep dus ook beter presteerde dan de verbale groep. Maar dit hoeft niet per se zo te zijn.

Ondanks het feit dat gebarentraining geen langdurig positieve effecten opleverde, zijn de onderzoekers in hun conclusie toch positief. In de periode tot 3 jaar kan het wel degelijk grote voordelen opleveren, vinden ze. Ook suggereren ze dat er wellicht wel langdurige sociale en emotionele effecten zijn, omdat gebarentaal de communicatie tussen kind en ouders verrijkt en verbetert.

Meer melk

Hoewel er veel gesproken wordt over de langetermijneffecten van gebarentaal, hebben Acredolo en Goodwyn daarover geen artikel gepubliceerd. Ze hebben er wel onderzoek naar gedaan, dat ze in 2000 op een conferentie presenteerden. Voor deze studie zochten ze kinderen op die aan een eerder onderzoek hadden deelgenomen en inmiddels acht jaar oud waren. Kinderen die oorspronkelijk in de gebarengroep zaten, bleken gemiddeld een IQ van 114 te hebben, terwijl het IQ van de kinderen in de controlegroep gemiddeld 102 bedroeg. Dat was een significant verschil, al konden slechts 19 kinderen uit de gebarengroep worden getest.

Het is onduidelijk waarom de auteurs niet rapporteerden hoe hoog het IQ lag bij kinderen die in de verbale groep zaten. We kunnen ons ook afvragen waarom ze de resultaten nooit in een wetenschappelijk tijdschrift hebben gepubliceerd. In een e-mail licht Acredolo toe dat ze destijds al te weinig tijd had om zowel fulltime professor als ondernemer te zijn. Het ondernemerschap ging blijkbaar voor. Ze schrijft ook dat ze hierna geen onderzoek meer heeft uitgevoerd, evenmin als haar collega. Toch blijft het vreemd dat ze niet even de moeite hebben genomen om er een publicatie uit te slepen. Een verschil van 12 IQ-punten lijkt interessant genoeg, maar misschien liet de kwaliteit van het onderzoek te wensen over.

In 2009 werd er een onderzoek gepubliceerd van twee Chileense onderzoekers, Góngora en Farkas. Hun gebarengroep bestond uit slechts zeven kinderen, evenals de controlegroep. De ouders van de controlegroep kregen twee keer een praatje te horen over taalontwikkeling. De kinderen waren bij aanvang van het onderzoek tussen de 5 en 9 maanden oud. Men wilde kijken of gebarentaal de interactie tussen ouder en kind zou verbeteren. Hiervoor werd drie keer een sessie opgenomen waarin moeder en kind vrij konden spelen. Met behulp van deze opnames werden vervolgens moeder-kindinteracties geanalyseerd.

De kinderen in de gebarengroep kenden na 1,5 jaar 2 tot 18 gebaren, met een gemiddelde van 10. In de gebarengroep was er in vergelijking met de controlegroep meer visuele en tactiele interactie tussen moeder en kind. Er was ook een neiging naar meer vocale interactie, maar die was niet significant. De onderzoekers suggereren dat de verhoogde interactie misschien komt doordat het gebruik van gebarentaal het noodzakelijk maakt dat ouder en kind elkaar moeten zien.

In Duitsland werd onderzoek gedaan door Mechteld Kiegelmann (2009) van de universiteit van Trier. Daarbij werden ouders benaderd met de vraag of ze aan een taalondersteuningsprogramma wilden meewerken. Ze werden aselect verdeeld in een groep die babygebaren leerde gebruiken (21 kinderen) en een groep waarbij de nadruk lag op kindgericht taalgebruik (24 kinderen). De kinderen, die gemiddeld 22 maanden oud waren, werden meermaals thuis bezocht en de ouders kregen instructiemateriaal. De taalontwikkeling werd aan het begin en circa twee maanden later door middel van een vragenlijst gemeten. Men kon niet vaststellen dat de taalontwikkeling in beide groepen van elkaar verschilde. Er werden ook nog twee onderzoekjes uitgevoerd zonder controlegroep, maar het taalgebruik van kinderen die babygebaren gebruikten, leek zich niet sneller te ontwikkelen dan normaal.

Kiegelmann onderzocht tevens waarom ouders een cursus babygebaren willen volgen. Duitse ouders deden dat vooral omdat ze het leuk vonden. In de VS werd deze reden veel minder vaak genoemd. Een ander verschil was dat Amerikanen hun kinderen in tegenstelling tot de Duitsers gebaren leerden voor ‘dankjewel’, ‘alsjeblieft’ en ‘sorry’. De populairste gebaren in Duitsland waren: meer, melk, eten, drinken, licht en slapen.

Gemotiveerde ouders

Ondanks de grote interesse van ouders in babygebaren, is er dus eigenlijk verrassend weinig onderzoek naar gedaan. In 2005 en 2010 verschenen er twee overzichtsartikelen van onderzoek naar babygebaren (Johnston et al, 2005 en Barnes, 2010). Beide studies vinden slechts 17 publicaties die aan hun eisen voldoen. Van die 17 publicaties zijn er 11 waarbij het gaat om dove kinderen of dove ouders. Zulk onderzoek wordt vaak aangehaald door voorstanders van babygebaren, maar het zegt natuurlijk niets over effecten bij normale, horende kinderen en ouders. Twee van de overige publicaties zijn casestudies met slechts enkele kinderen, waaruit ook geen harde conclusies kunnen worden getrokken. De overige vier publicaties zijn allemaal afkomstig van Acredolo en Goodwyn, en maken grotendeels gebruik van de eerder besproken gegevens. Hun grootste onderzoek laat zien dat er even een positief effect was, maar dat dit na een paar jaar weer was verdwenen.

Er zijn verschillende factoren die de resultaten van de studies beïnvloed kunnen hebben. Veel van die factoren spelen ook een rol bij andere psychologische studies waarin groepen vergeleken worden, en zijn niet altijd te vermijden. Een controlegroep waarmee niets wordt gedaan, heeft gewoonlijk weinig toegevoegde waarde. Alleen al de aandacht die mensen krijgen tijdens een therapie of cursus leidt vaak tot een positief resultaat, een soort psychologisch placebo-effect. Daarnaast is in dit geval de motivatie van de ouders natuurlijk van groot belang. Dat kan ook een rol spelen bij onderzoek waarin wel met een schijnbaar goede controlegroep wordt gewerkt. Men kan zich voorstellen dat ouders in de gebarengroep gemotiveerder waren dan de ouders in de verbale groep. Het leren van gebarentaal aan je kinderen is tenslotte nieuw en spannend, terwijl verbale interactie altijd wel plaatsvindt. Ouders doen dan misschien meer hun best, en steken er wellicht meer tijd in.

In het onderzoek van Góngora en Farkas werden kinderen willekeurig toegewezen aan de gebarengroep of de controlegroep. Zo’n ‘randomized controlled trial’ is erg belangrijk. Als ouders zich bijvoorbeeld op eigen initiatief voor de gebarengroep konden aanmelden, hadden motivatie-effecten en dergelijke waarschijnlijk een enorme rol gespeeld. In de artikelen van Acredolo en Goodwyn wordt helaas nergens gespecificeerd hoe hun groepen tot stand zijn gekomen. Ze zeggen in ieder geval niet expliciet dat de toewijzing willekeurig was, wat doet vrezen dat dit niet zo was.

Al met al is het wetenschappelijke bewijs voor de positieve werking van babygebaren dus zwak. Dat komt misschien vooral doordat er erg weinig onderzoek naar is gedaan, en doordat er op het beschikbare onderzoek wel wat aan te merken is. Het is niet uitgesloten dat toekomstig, beter opgezet onderzoek wel positieve resultaten kan opleveren. Maar gezien het geringe aantal publicaties lijkt er onder wetenschappers momenteel niet veel interesse voor het onderwerp te zijn. Dat is eigenlijk wel jammer, omdat het niet is uitgesloten dat beter onderzoek interessante resultaten zou kunnen opleveren.

Naast de mogelijke voordelen zouden er ook nadelen aan babygebarentaal kunnen kleven. Kinderen die gebarentaal beheersen, zouden bijvoorbeeld later kunnen gaan praten. Ze hebben tenslotte al een communicatiemethode tot hun beschikking, en daardoor misschien minder drang om te gaan spreken. Of misschien gaan de tijd en moeite die ouders er in moeten steken wel ten koste van iets anders. Duidelijke aanwijzingen voor negatieve effecten zijn er echter niet.

Het artikel van Gwyneth Doherty-Sneddon (2008) geeft een mooi overzicht en een heldere kijk op de zaak. Ze is kritisch, maar ook positief. Ze ziet vooral mogelijkheden voor babygebarentaal bij kinderen die om welke reden dan ook achterlopen in hun taalontwikkeling. Ook schrijft ze dat het geen gek idee zou zijn om de term ‘babygebarentaal’ te vervangen door zoiets als ‘verbeterde gebareninput’. Acredolo en Goodwyn noemden hun methode aanvankelijk ‘enhanced gesture training’ en maakten daar pas later ‘Baby Signs’ van. Dat was commercieel gezien een slimme naamswijziging, maar misschien ook wel wat misleidend.

Aan het eind van haar artikel vraagt Doherty-Sneddon zich af waarom een snellere intellectuele, sociale of verbale ontwikkeling eigenlijk gewenst zou zijn? Een terechte vraag die te weinig mensen zichzelf stellen. Is de huidige ontwikkeling van normale kinderen soms niet snel genoeg?

Literatuur

Acredolo LP en Goodwyn SW (2004). Babygebaren: praat al met je baby voor hij iets kan zeggen. Warnsveld: Terra.
Acredolo LP en Goodwyn SW (2000). The long-term impact of symbolic gesturing during infancy on IQ at age 8. Meeting of the International Society for Infant Studies. Brighton, UK.
Barnes SK (2010). Sign Language with Babies: What Difference Does It Make? Dimensions of early childhood, 38 (1), 21-29.
Doherty-Sneddon G (2008). The great baby signing debate. The Psychologist, 21 (4), 300-303.
Goodwyn SW, Acredolo LP en Brown CA (2000). Impact of symbolic gesturing on early language development. Journal of Nonverbal behavior, 24 (2), 81-103.
Goodwyn SW en Acredolo, LP (1993). Symbolic gesture versus word: Is there a modality advantage for onset of symbol use? Child Development, 64(3), 688-701.
Góngora X en Farkas C (2009). Infant sign language program effects on synchronic mother-infant interactions. Infant Behavior and Development, 32 (2), 216-225.
Johnston JC, Durieux-Smith A en Bloom K (2005). Teaching gestural signs to infants to advance child development: A review of the evidence. First Language, 25 (2), 235-251.
Kiegelmann M (2009). Baby Signing – Eine Einschätzung aus entwicklungspsychologischer Perspektive. Das Zeichen, 82, 262-272.

Uit: Skepter 23.2 (2010)

Ronald Kaptein is wetenschapsjournalist.