Rabiaat tolerant

De KNMP en de homeopathie

door Cees Renckens

In veel apotheken is de homeopathie prominent aanwezig en sommige apothekers nemen haar serieus. Is de homeopathie binnen de vaderlandse apothekerswereld nog altijd geaccepteerd? Tijd voor een historische terugblik en een actuele ‘fact-finding’.

Biohorma van Vogel kan er heel goed buiten, maar bij VSM werken er wel een paar: apothekers die de homeopathie volstrekt serieus nemen. Wij dachten altijd, dat het ook wel tot die anderhalve man en een paardenkop beperkt zou blijven, maar wij blijken ons hierin te vergissen. In Hoogeveen resideert aan de Wielewaal apotheker I.P.R. Pijpers, die op 16 mei 1998 een themamiddag organiseerde over homeopathie. Dat geschiedde, aldus de aankondiging, in samenwerking met Biohorma, de producent van de ‘Vogel-geneesmiddelen’. Aan de themamiddag, die een ‘interactieve opzet’ had, waren ook prijzen verbonden: gratis reisjes naar de A. Vogel-tuinen te Elburg.

Of de themamiddag van Pijpers goed bezocht is, dat is ons onbekend, want onze informant, zelf ingeschreven bij die apotheek, heeft zich er niet laten zien. Wel stuurde hij Pijpers een gepeperde brief met onder andere de vraag hoe iemand die zeven of acht jaar farmacie heeft gestudeerd in dit geval van geneesmiddelen kan spreken. Antwoord ontving hij niet. Naar aanleiding van deze casus hebben wij ons weer eens afgevraagd of er hier wel sprake is van een uitzondering, een van de zwakke broeders die elke beroepsgroep heeft.

‘Groots en stout’

In 1877 werd er door H. van Gelder, militair apotheker, dr. O.J. van Risselda, apotheker en leraar aan de HBS te Almelo en dr. V. Bruinsma, chemicus maar voor zijn promotie in de scheikunde ook ‘hulpapotheker’, een blad opgericht met het doel apothekers te waarschuwen voor het grote kwaad der toenmalige geheimmiddelen. Dit ‘Weekblad voor pharmacie en natuurwetenschap’ De Pharmaceut beleefde slechts twee jaargangen, want men besefte al snel dat het grote publiek niet werd bereikt.

Vitus Bruinsma zou enkele jaren later met zijn broer dr. G.W. Bruinsma oprichter worden van de Vereniging tegen de Kwakzalverij (VtdK). In die VtdK hebben apothekers altijd een vooraanstaande rol gespeeld en voortreffelijke apothekers vervulden door de jaren heen talrijke bestuursfuncties (en doen dat nog steeds). De verkoop van kwakzalversmiddelen door apothekers was binnen de jonge VtdK al snel een onderwerp van debat en controverse. In de periode van 1890 tot 1900, waarin het bestuur van de VtdK over dit onderwerp in conflict kwam met haar ex-bestuurslid, de apotheker Kruysse, werd de Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Pharmacie (thans KNMP) officieel lid van de VtdK, wier strijd men ‘groots en stout’ noemde.

Apotheker en VtdK-lid Van de Wal verdedigde in 1906 in het Maandblad tegen de Kwakzalverij de verkoop van geheimmiddelen met economische argumenten en meende dat slechts het maken van reclame en het afleveren van dit soort middelen in gevallen van gevaar voor de gezondheid van de patiënt verboden zouden moeten zijn. (1) In 1914 werd in het Maandblad tegen de Kwakzalverij wel begrip getoond voor de positie van de apothekers, maar de verkoop van geheimmiddelen bleef toch een steen des aanstoots: ‘O.i. is de verkoop van kwakzalversmiddelen door apothekers uit den boze; het ontneemt hem zijn prestige als wetenschappelijk gevormd man en het recht om als raadgever van het publiek in zaken, de hygiëne betreffend, op te treden. Nog daargelaten dat verkoop in de apotheek aan de kwakzalversmiddelen (zij het ook ten onrechte) een cachet van deugdelijkheid geeft.’ (2) Soms werden apothekers die het te bont maakten, als lid geroyeerd.

In de vorige eeuw speelde de verkoop van de zogenaamde geheimmiddelen een veel belangrijker rol dan de homeopathie, die alleen in beperkte kring bekendheid genoot. Toch is er over de attitude van de apotheker ten opzichte van de homeopathie wel iets te zeggen, als wij er van uit mogen gaan, dat de ervaring van prof. Benno Stokvis, hoogleraar ziekteleer aan de Amsterdamse universiteit, representatief is. In zijn Voordrachten over homeopathie uit 1887, toen hij op verzoek van zijn studenten een serie van vier colleges over homeopathie gaf, vertelde hij de volgende anekdote: ‘Het opnemen van dezen vreemden poespas, had ik haast gezegd, in de homeopathische apotheek leidt zo nu en dan tot vermakelijke incidenten. Zoo gaf eene dame – het verhaal is van een der groote voorstanders der homeopathie in onze dagen – aan haren bediende den last, een homeopathisch recept in eene apotheek te laten gereed maken, en tevens Estradamurawol no. 5 mede te brengen. Op de keerzijde van het recept schreef zij: ”Estradamura no. 5”, opdat de bediende de wol niet vergeten zou. De bediende biedt het recept aan den apotheker aan, maar ongelukkig alleen de keerzijde, en goedsmoeds wordt nu een glazen buisje met globuli afgeleverd, waar op het etiket Estradamura n.5 (vijfde verdunning) te lezen staat, ofschoon Estradamura als homeopathisch middel nog uitgevonden moet worden.’

De soepele reactie van de apotheker geeft aan dat zij reeds toen de tussenweg tussen verzet en collaboratie kenden, de zogenaamde ‘accommodatie’!

Geen zure opmerkingen!

Geheimmiddelen zijn sinds de Geneesmiddelenwet van 1958 in ons land verboden, maar hun plaats is ongedwongen overgenomen door de homeopathie, die sinds haar introductie in ons land, eind vorige eeuw, eigenlijk altijd een kwijnend bestaan had geleid. Sinds de opkomst van echte werkzame middelen in de jaren ’30 en ’40 verloor de homeopathie veel van haar populariteit. Profiterend van de toenemende populariteit van het alternatief genezen in de jaren ’70 verkreeg de homeopathie echter een positie die zij in de lange periode van haar bestaan nooit eerder had kunnen bereiken. De vaderlandse apotheker van de jaren ’70 en later werd daardoor met precies dezelfde dilemma’s (en kritiek!) geconfronteerd als zijn voorganger ruim honderd jaar geleden.

Want hoe is thans hun opstelling en die van hun beroepsorganisatie de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP)? Het is treurig om het te moeten constateren, maar hoewel de werkzaamheid van geneesmiddelen thans toch op zo veel betrouwbaarder wijze kan worden bestudeerd dan zo’n honderd jaar terug en ondanks het feit dat de hedendaagse geheimmiddelen, ondanks hun aanzienlijke populariteit, slechts enkele procenten van des apothekers omzet vormen, lijkt in honderd jaar in dit opzicht maar bitter weinig veranderd. Zeer talrijk zijn anno 1999 de apotheken, waarin de klant zich eerst tussen rijen homeopathiefolders door moet wurmen om, eenmaal aangekomen bij de toonbank, nóg een keer oog in oog te staan met de overbekende Vogel- en VSM-doosjes en -flesjes, alvorens hij zijn recept kan overhandigen.

De KNMP heeft de verkoop van homeopathica altijd lankmoedig verdedigd, helaas met argumenten die niet altijd even geloofwaardig waren. Men wilde het door de voorschrijvend artsen beoogde placebo-effect niet ondermijnen door zure opmerkingen te maken over de homeopathica, enzovoorts. Dat ging begin jaren ’90 zelfs zo ver, dat er een officiële KNMP-folder Homeopathische middelen verscheen, waarin men welwillende uitspraken deed over de absurde folklore van Hahnemann en zijn navolgers. Kritiek van weldenkende mensen kon niet uitblijven en zo deed de Amsterdamse hoogleraar farmacochemie Timmerman in 1990 in het Pharmaceutisch Weekblad (het ledenorgaan van de KNMP) een aanval op die slappe houding onder de titel: De KNMP en de bevordering van de homeopathie. (3) De KNMP verdedigde zich destijds bij monde van onder andere De Smet, apotheker en stafmedewerker van de KNMP, door te wijzen op de taak van de apotheker bij het erop toezien dat er geen potentieel gevaarlijke middelen worden afgeleverd. (4) De Smet genoot ook toen al faam met zijn publicaties op dit gebied en zou later, in 1993, in het Geneesmiddelenbulletin een mooi stuk over ‘De keerzijde van alternatieve middelen’ publiceren. (5)

In In een redactioneel commentaar op het verloop van de rechtszaak tussen VSM en de VtdK lag de sympathie duidelijk aan de kant van de VtdK, maar verder was de homeopathie, afgezien van wat milde spot door columnisten, in het Pharmaceutisch Weekblad alweer jarenlang een non-issue. Dat veranderde in 1997, toen KNMP-jurist mr. F. Moss en hoofd Farmaceutische patiëntenzorg van de KNMP dr. P.G.A.M. de Smet een artikel schreven naar aanleiding van de nieuwe registratierichtlijnen inzake de homeopathica. (6) In dat stuk gaven zij opnieuw blijk van een houding ten opzichte van de homeopathie die eigenlijk het beste als zeer tolerant kan worden omschreven.

Amuletten en wijwater

Het stuk ademt een merkwaardig capitulationistische houding ten opzichte van de homeopathie, want reeds in het eerste gedeelte, waarin een nuttige en overzichtelijke samenvatting wordt gegeven van de registratieplannen van de overheid, is tussen de regels door een grote mate van toegeeflijkheid te bespeuren. Zo stelden de auteurs dat de gebruikelijke farmacologische, toxicologische en klinische proeven ‘niet zonder meer gehanteerd kunnen worden bij homeopathische geneesmiddelen’. Wij vroegen ons in een ingezonden reactie af waarom dat zo zou zijn. (7) Ook homeopaten denken daar tegenwoordig immers wel anders over: zie de grote serie dubbelblinde proeven, waarvan het Geneesmiddelenbulletin van maart 1996 een overzicht gaf.

De methodologie is dus voorhanden. Maar er zijn meer argumenten in te brengen tegen het gelijktijdig erkennen (en registreren) van zo ongelijksoortige systemen als de homeopathie en de reguliere geneesmiddelleer. Niet alleen is ‘tweeërlei weegsteen de Heere een gruwel’ (Spreuken 11:1), maar ook Hahnemann zelf, zo stelden wij in onze reactie, zou daar ernstige bezwaren tegen hebben gehad. Hij stelde immers in zijn Organon (paragraaf 54) dat de arts, die nu eens een homeopathisch middel dan weer eens een ‘allopathisch’ middel voorschrijft, ‘misdadig verraad aan de goddelijke homeopathie’ pleegt. Men zou dus moeten kiezen, ook nu nog, voor het ene óf het andere stelsel. Van twee walletjes eten, dat hoort nu eenmaal niet.

De auteurs omschreven de gewone geneesmiddelen en de gewone geneeskunde herhaaldelijk als ‘allopathisch’ en ‘allopathie’, overigens een door meer keurige mensen vertoonde ongevoeligheid voor de historische context waarin de term ontstond. (8) In het laatste deel van hun artikel deden Moss en De Smet vier aanbevelingen aan de apotheker. In de eerste stelden zij dat de werkzaamheid van homeopathica ‘niet afdoende is aangetoond’. Dat riep bij ons diverse vragen op. Bedoelden zij daarmee, dat de werkzaamheid wel ‘enigszins’ is aangetoond? Verwachtten zij wellicht dat dat in de nabije toekomst nog zou kunnen veranderen? En indien dat niet het geval is, waarom na twee eeuwen homeopathie niet een wat ondubbelzinniger formulering gekozen?

In hun tweede aanbeveling gingen de auteurs nog verder: de apotheker mag zich niet principieel van de homeopathie distantiëren! De homeopathie zou maatschappelijk geaccepteerd zijn en derhalve door de apotheker, die een centrale rol vervult in de geneesmiddelenvoorziening, afgeleverd moeten worden. Staan de Zweedse apothekers, die geen homeopathie afleveren en dat volgaarne overlaten aan de drogistenbranche, soms minder geworteld in hun samenleving? En moeten de Nederlandse apothekers straks ook Indiaanse oorkaarsen, neushoornpoeder, amuletten en wijwater gaan afleveren als de samenleving daarom mocht gaan vragen?

In de derde aanbeveling herhaalden de auteurs het KNMP-standpunt dat de apotheker vooral moet letten op de eventuele giftigheid van homeopathica (die soms inderdaad vergif, bijvoorbeeld carcinogen bevatten: neem de VSM-melkkoe SRL-gelei). (9) Natuurlijk is dat niet onverstandig. Maar de indirecte schadelijkheid van alternatieve geneeswijzen als de homeopathie is veel groter en de auteurs gaven daarvan slechts één voorbeeld (het gebruik van homeopathie bij ernstige ziekten die goed behandelbaar zijn). Maar, het is al zo vaak gezegd, er is natuurlijk altíjd financiële schade, de middelen zijn nu eenmaal niet gratis. (10)

Andere vormen van schadelijkheid zijn de onnodige medicalisering en somatische fixatie die alternatieve geneeswijzen tot gevolg hebben, alsmede de onzinnige ideeën over ziekte en gezondheid, die aan patiënten wordt aangepraat door hun alternatieve behandelaars. Deze laatste groep laat zich bovendien niet zelden beledigend uit over de reguliere geneeskunde en schroomt niet de beoefenaren van die geneeskunde in diskrediet te brengen.

Gewetensnood

Al deze zaken schaden op den duur het vermogen van patiënten om verstandig om te gaan met hun kwalen en klachten. Juist op dit punt concentreerde zich ook ons bezwaar tegen de vierde aanbeveling van het artikel: de apotheker zou volgens de KNMP-leiding niet ongevraagd het vertrouwen van de patiënt in de homeopathie mogen ondermijnen. Het zou misschien inderdaad wat te veel gevraagd zijn (hoewel..) van de apotheker om ongevraagd met een patiënt in discussie te gaan, maar hij zou dat natuurlijk wél moeten doen met de voorschrijvend arts, die immers ook door de apotheker wordt aangesproken als deze kritiek heeft op een bepaald regulier recept. Maar hoe vaak, vroegen wij ons af, worden homeopathisch artsen door de apotheker eigenlijk ter verantwoording geroepen over hun receptuur?

De KNMP zou zich natuurlijk radicaal van de homeopathie moeten afkeren; dat zou pas echt grote educatieve betekenis hebben en zeker bijdragen aan een rationeel gebruik van geneesmiddelen in onze samenleving en op die wijze aan de volksgezondheid. Als de individuele apotheker zich zou kunnen beroepen op een dergelijke stellingname van de KNMP, dan hoeft hij voortaan ook niet meer zo pijnlijk diplomatiek te formuleren als er eens een patiënt de homeopathie ter sprake brengt, en aldus kan ook de wetenschappelijke gewetensnood van de apotheker aanzienlijk worden verlicht. De aanbevelingen van Moss en De Smet bieden hem in dit opzicht helaas geen enkele steun.

Bovendien, als apothekers deze middelen blijven afleveren, ondermijnen zij daarmee niet alleen hun gezag als geneesmiddeldeskundigen maar verschaffen zij bovendien munitie aan die critici die in de apotheker vooral een koopman zien en veel minder een wetenschappelijk geschoold aanbieder van ‘farmaceutische patiëntenzorg’.

In hun repliek op ons stuk gaan de auteurs niet in op onze bezwaren tegen het gebruik van de term allopathie en stemmen zij wel in met onze visie dat de indirecte bijwerkingen van alternatieve geneeswijzen en geneesmiddelen veel ernstiger zijn dan de directe. (11) Met gerechtvaardigde trots wezen de auteurs op De Smets grote verdienste bij het opsporen van giftigheid in alternatieve middelen. Inzake het ontbreken van werkzaamheid bij homeopathische middelen zijn zij het volledig met ons eens en onderschrijven zij volmondig de conclusies van het Geneesmiddelenbulletin van maart 1996. Ter rechtvaardiging van het voortgezet afleveren van homeopatica door de apotheker citeren zij Porsius, die in 1994 in het bulletin (vol. 28, p.17-20) schreef: ‘In specifieke gevallen en op uitdrukkelijk verzoek kan de prescriptie van een onschuldig preparaat aan iemand die dit rationeel gezien niet behoeft, toch verdedigbaar zijn. Dan wegen de voordelen van voorschrijven op tegen de nadelen van onthouding. Tot dergelijke preparaten behoren onder meer: onschuldige fytotherapeutische middeltjes (bijvoorbeeld valeriaandragees), sommige vitaminepreparaten, een antacidum en een aantal homeopathische producten.’

Wij konden ons niet bij deze hardnekkige ‘homeofilie’ neerleggen en deden nog één poging om de KNMP-auteurs tot ons standpunt over te halen. (12) Deze vasthoudendheid werd vooral gedragen door ons gevoel van teleurstelling over het feit, dat mensen, die zich op vrijwel dezelfde feiten baseren als wij, tot zo’n andere conclusie blijven komen. Hun vanzelfsprekende inzicht in de nutteloosheid van de homeopathie en hun kille en trefzekere reactie op de ingezonden brieven van NEHOMA-directeur Dicke, die snorkend over recente wetenschappelijke vooruitgang in de homeopathie sprak en verder wat ondergeschikte details uit de nieuwe regeling onder de loep nam, maakten dat wij de moed nog niet opgaven. (13, 14, 15)

Wij wezen erop dat de grote mate van acceptatie die alternatieve genezers tegenwoordig ten deel valt zeer hinderlijk is voor met name de huisarts, die een moeilijk te begeleiden type patiënt (waaronder veel ongeneeslijken en functionele oftewel psychogene klagers) met lede ogen ziet afdwalen naar de ‘korte baan’ (aldus de voormalig hoofredacteur van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en emeritus-hoogleraar A.J. Dunning) van de alternatieve geneeskunde. Apothekers die keurig de recepten van homeopaat, iatrosoof of elektroacupuncturist afleveren verlenen hen – zoals reeds in 1914 werd vastgesteld – veel status en dat maakt het artsen moeilijker om hun patiënten van die heilloze weg af te houden.

Misschien zal niet elke apotheker zich kunnen mengen in de discussie over de waarde van acupunctuur, natuurgeneeswijze of chiropractie, maar juist over de homeopathie, aldus onze stelling, zou een deskundig (en afwijzend) oordeel verwacht mogen worden, want de homeopathie is exclusief een geneesmiddelleer en op dat gebied past de apotheker geen terughoudendheid.

De opvatting van De Smet en Moss dat homeopathie neerkomt op het placebogewijs voorschrijven van onschuldige middeltjes zonder rationele indicatie is natuurlijk juist. Die praktijk doet zich ook zeker wel voor, maar vaak genoeg is het de voorschrijver wel degelijk bloedige ernst. De bonafide homeopaat meent over krachtige middelen te beschikken, waarvan het voorschrijven een kunst is die pas na jaren cursus en het afleggen van zware examens kon worden geleerd. De Stichting Homeopathische Opleidingen van de Vereniging van Homeopathische Artsen Nederland (VHAN) verzorgt een driejarige opleiding en iemand die alleen af en toe een placebo wil voorschrijven, is niet in staat zo’n cursus tot het eind te verdragen.

De VHAN heeft ruim 500 leden, die momenteel zorgeloos hun onzinnige recepten kunnen uitschrijven zonder bang te hoeven zijn voor een kritische bejegening van de Nederlandse apotheker, zolang die zich conformeert aan het KNMP-standpunt in deze. Maar artsen of lekenhomeopaten die in volle ernst hun absurde geneesmiddelleer toepassen, lijden aan cognitieve dissonantie, zijn derhalve intellectueel gemankeerd en in hun gewone medisch handelen daarom ook niet meer goed te vertrouwen. Zij richten dan ook zeer veel schade aan. Die schade is niet alleen van het obligate type (valse hoop, kortebaanirrationalisme, somatische fixatie en dergelijke) maar ook vaak dermate ernstig dat – als topje van de ijsberg – gemakkelijk een serie tuchtrechtelijke en strafrechtelijke veroordelingen is op te geven. (16)

De Smet en Moss begonnen met te benadrukken dat zij hun standpunt sinds 1990 niet hadden gewijzigd, maar (zo schreven wij) wellicht dat kennisneming van die casuïstiek hen alsnog op andere gedachten zou kunnen brengen. Wie homeopathie als onschuldig placebomiddel accepteert, versterkt de positie van de ‘echte homeopaten’ die voor hun patiënten een reëel gevaar zijn. En dat kan de KNMP toch niet wensen?

Of onze argumenten op vruchtbare bodem vielen? We moeten het helaas betwijfelen. Een reactie op onze tweede ingezonden brief bleef uit en voorlopig kan de houding van de KNMP ten opzichte van de absurdistische folklore van Hahnemann en Dicke’s ‘weinig gangbare paradigma van verdunning en het gelijke dat het gelijke geneest’ alleen maar gekarakteriseerd worden als rabiaat tolerant.

Als wij nog even teruggaan naar apotheker Pijpers uit het mooie Hoogeveen, dan zijn er, gezien het bovenstaande, voor zijn curieuze gedrag ons inziens maar drie verklaringen mogelijk: hij gelooft echt in de homeopathie, hij wil hogerop in de KNMP of hij heeft platvloerse commerciële motieven en misleidt zijn cliëntèle. Bedenk nu zelf wat het ergste is. Onze informant, zoals gezegd met zijn gezin ingeschreven als patiënt bij Pijpers, concludeerde zonder terughoudendheid: ‘Een slang koesteren wij aan onze borst’. Dat lijkt ons nauwelijks overdreven.

Noten

1. Maandblad tegen de Kwakzalverij 26 (1906) nr. p.3. Terug
2. Maandblad tegen de Kwakzalverij 34 (1914) nr.4, p.1.Terug
3. H. Timmerman, De KNMP en de bevordering van de homeopathie. PW 125 (1990), p.1156-1157.Terug
4. P.G.A.M. de Smet en A.C.A.M. Lelie-van der Zande, De KNMP en de bevordering van de homeopathie. PW 125 (1990), p.1229-1232.Terug
5. P.G.A.M. de Smet, De keerzijde van alternatieve middelen. Geneesmiddelenbulletin 27 (1993), nr. 1.Terug
6. F. Moss en P.G.A.M. de Smet. Registratie en homeopathie. Wat betekent dit voor de apotheker? PW 132 (1997), p.514-516.Terug
7. C.N.M. Renckens, H. Timmerman en H. de Vries, Registratie en homeopathie (IV). PW 1997;132:850-851.Terug
8. Ook iemand als Spreeuwenberg, ex-hoofdredacteur van Medisch Contact, bezondigt zich hieraan meer dan eens. De term ‘allopathie’ is een door Hahnemann bedacht woord voor de ‘oude geneeskunde’ uit zijn tijd. Hij definieerde het (in paragraaf 54 e.v. van de Organon) als de geneeswijze die ‘van alles, maar steeds het niet-passende (alloia), tegen de ziekte ondernam’, dit in tegenstelling tot de homeopathie, die op nauwkeurige waarnemingen en proeven zou zijn gebaseerd. De ‘oude geneeskunde’ meende dat ziekte bestreden kon worden door de ziekteoorzaken, namelijk ‘kwade sappen’ of overmaat aan bloed, snel af te voeren, dus: krachtige braakmiddelen, laxeermiddelen, diuretica, klysma’s, aderlatingen, het bevorderen van zweten en plassen, het kunstmatig opwekken van etterende zweren en abcessen, alsmede wonden uitbranden tot op het bot. Daarbij kwamen nog acupunctuur (!), spaanse vlieg, onzinnige kruidenmengsels, kwikverbindingen, loodoxide, opium en digitalis die alle voornamelijk te onpas werden toegepast. Hahnemann noemde de in zijn tijd gangbare medische theorieën tegennatuurlijke spitsvondigheden en ijdele hersenspinsels. Allopathie, een scheldwoord voor wat eind 18de eeuw al als pseudo-wetenschap herkend werd, is dus een onzinnige aanduiding voor de moderne wetenschappelijke geneeskunde. Zelfs als men, zoals Van Dale, abusievelijk denkt dat dit woord zoiets betekent als behandeling met grote hoeveelheden tegenwerkende middelen, dan nog kan iemand met ook maar een sikkepit medische kennis niet volhouden dat bijvoorbeeld vaccins, antibiotica, insuline en aspirine werken doordat ze ‘tegengestelde symptomen’ opwekken.Terug
9. SRL-gelei bevat Symphytum officinale, een stof die bij dierproeven kankerverwekkend is gebleken: zie noot 5. Terug
10. C.P. van der Smagt, Nog eens alternatieve geneeswijzen; een pleidooi tegen. Medisch Contact 43 (1988) p.1281-1284.Terug
11. P.G.A.M. de Smet en F. Moss. Registratie en homeopathie (V) PW 132 (1997), p.851-852).Terug
12. C.N.M. Renckens, H. Timmerman en H. de Vries, Registratie en homeopathie (VII). PW 132 (1997) p.893.Terug
13. P.G.A.M. de Smet en F. Moss, Registratie en homeopathie (III) PW 132 (1997): p.742-743.
14. M.D. Dicke, Registratie en homeopathie (II) PW 132 (1997), p.740-742.
15. M.D. Dicke, Registratie en homeopathie (VI) PW 132 (1997), p.852-853.Terug
16. Homeopaat veroordeeld tot cel wegens mishandeling. NRC Handelsblad 15 mei 1992; Homeopathisch arts behandelt chronisch eczeem onzorgvuldig. Medisch Contact 47 (1992) p. 1459-1460; Eén jaar ontzegging na eerdere schorsing. Medisch Contact 48 (1993), p.569-572; Behandelend arts liet zich te veel leiden door niet medisch geschoold homeopaat. Medisch Contact 48 (1993), p.657-660; Tijdschrift voor Gezondheidsrecht 1993, p.164; C.N.M. Renckens, Een diagnose van top tot teen, Actieblad tegen de Kwakzalverij 104 (1994), nr.5, p.6; Jaarverslag Medisch Tuchtcollege Amsterdam 1993, 1994 en 1995: Bevoegdheid de geneeskunst uit te oefenen ontzegd aan basisarts-iatrosoof. pag. 11; idem, Maand schorsing na homeopathische aanpak zwangerschapsvergiftiging met catastrofale afloop. pag. 11-12; J.W.M. Remmen, De alternatieve praktijkvoering bezien vanuit het medisch tuchtrecht. Medisch Contact 52 (1997), p.219. Terug

Uit: Skepter 12.1 (1999)

Cees Renckens is gynaecoloog. Hij was van 1988 tot 2011 voorzitter van de Vereniging tegen de Kwakzalverij.