Kwik in je mond

De vermeende gevaren van amalgaam

door Rainer Schiele – Skepter 9.3 (1996)

Amalgaam is al 150 jaar het standaardmateriaal om gaten in de tanden te vullen, zogezegd het klassieke en klinisch meest verantwoorde wondverband voor carieuze tanden. Maar de laatste tijd wordt er steeds vaker gewaarschuwd: amalgaam bevat kwik en dat is giftig!

Jaarlijks worden over de hele wereld honderden tonnen amalgaam in miljoenen gaatjes gestopt. Op een basis van ruwweg een gat per jaar per persoon komt dat op een behoefte aan 20 ton kwik per jaar in de Bondsrepubliek (1), hetgeen tegenwoordig op 5 tot 10 procent van het totale verbruik komt, zeker nu er steeds minder kwik voor andere doeleinden wordt gebruikt.

Voorkomen is natuurlijk altijd beter dan genezen, en daarom is het ideale alternatief voor amalgaamgebruik het voorkomen van cariës, door goede tandverzorging, minder suiker eten en fluoridering van het tandglazuur.

Amalgaam wordt al zo lang en zo veel gebruikt, maar toch hebben tot nu toe noch tandartsen, noch hun assistentes of patiënten duidelijke ongewenste bijwerkingen ondervonden. Het materiaal is goed te verwerken en duurzaam. Allergische reacties kunnen door vrijwel elk materiaal worden opgeroepen, maar die zijn bij amalgaam zo zeldzaam dat er nauwelijks tandartsen zijn die zo’n reactie meemaken in hun hele praktijkleven. Daarentegen werden er in de afgelopen eeuw herhaaldelijk vermoedens geuit over vergiftigingen of ziekte ten gevolge van amalgaam. Die aantijgingen kwamen telkens van een nogal kleine groep buitenstaanders. Het was overduidelijk dat er geen samenhang aan te wijzen was tussen bepaalde ziekten en een behandeling met amalgaam.

De vullingen hielden het vaak langer dan tien jaar uit, ze sleten niet opvallend snel en losten ook niet op. En hoewel er steeds meer amalgaam gebruikt werd, is de levensverwachting deze eeuw meer dan verdubbeld. Toch hebben vroeger ook enkele toxicologen, onder andere de bekende Berlijner Lewin, geloofd aan de mogelijkheid van vergiftiging door amalgaam. In de Sovjetunie werd amalgaam zelfs tijdelijk verboden omdat het gevaarlijk zou zijn. In Japan is de toepassing van amalgaam in sommige provincies verboden om het milieu te sparen, en in de Skandinavische landen zijn plannen om tegen het einde van deze eeuw de toepassing van amalgaam te staken.

Pas de laatste jaren zijn beweringen over de alomvattende schadelijkheid van amalgaam in Duitsland in de mode gekomen, zozeer zelfs dat dit op een collectieve verdwazing is gaan lijken. Er is bijna geen dagblad meer, geen weekblad, geen radio en geen talkshow die zich niet met dit thema bemoeid heeft. En steeds meer rechtbanken krijgen te maken met klachten van patiënten tegen ziekenfondsen, tandartsen en producenten. En zelfs in de Bondsdag worden er vragen over gesteld.

Ik zou graag iets vertellen over de achtergronden van de bewering dat amalgaam een ‘gif’ is of ‘chemisch afval in de mond’. Deze mening teistert nu al enige jaren de tandartsen en fabrikanten en heeft beiden plotseling de naam van ‘gifmengers’ en ‘volksvergiftigers’ bezorgd. Bovendien wordt de tandartsen ook al aangewreven dat hun eigen kritisch vermogen onder deze stof te lijden heeft gehad en ook zou hun levenverwachting achteruit zijn gegaan.

Hoewel ik zelf geen tandarts ben, heb ik beroepshalve wel te maken met de vraag naar de schadelijkheid van amalgaam: sociale geneeskunde, arbeidsgeneeskunde, medische milieuproblemen, volksgezondheid en economie.

De angst betreft vooral het hoge kwikgehalte van het zilveramalgaam dat in Duitsland al tientallen jaren gebruikt wordt, namelijk ongeveer 50 procent. Dat wil zeggen dat iemand bij wie de kiezen een paar grote vullingen bevatten, al gauw enkele grammen kwik in de mond heeft, in gebonden vorm. Bij de amalgaamkwestie gaat en ging het telkens weer om de angst dat dit kwik giftig is voor de mens.

Toxicologie van kwik

Kwik is giftig, dat is zo langzamerhand wel algemeen bekend. Ook is bekend dat metallisch kwik bij kamertemperatuur vloeibaar is. Zijn gevaarlijke reputatie heeft het te danken aan de kwikdamp. Vloeibaar kwik verdampt onder normale omstandigheden tamelijk makkelijk. Kwik, bijvoorbeeld uit een gebroken thermometer in een gesloten kamer, kan daardoor snel in de ingeademde lucht terecht komen. De maximaal aanvaardbare concentratie op de werkplek (MAC- waarde) is op dit ogenblik in Duitsland 0,1 mg per kubieke meter, maar onder bepaalde omstandigheden bij slechte ventilatie kan de feitelijke waarde wel honderd maal zo groot worden.

De dampspanning van kwik wordt echter snel kleiner als het gebonden wordt in amalgaam. Volgens de tandarts Mayer uit Ulm is deze daling nog sneller en lager bij het zogenaamde non-gamma-2-amalgaam (een minder corrosieve amalgaamsoort) dan bij het wat oudere standaardamalgaam of het sinds de jaren ’50 in onbruik geraakte koperamalgaam.

Kwik is geen uitvinding van mensen of van de chemische industrie, maar het is daarentegen een stof die in de natuur veel voorkomt. Fossiele brandstoffen bevatten er behoorlijk veel van. Uit natuurlijke bronnen zoals vulkanen of zelfs verdamping aan het aardoppervlak komen hoeveelheden vrij die de menselijke productie mogelijk overtreffen.

Er zijn geen voor de mens nuttige of absoluut noodzakelijke effecten van dit zware metaal bekend, het is dus geen sporenelement. Omdat het echter zoveel van nature in het milieu voorkomt, mag men wel aannemen dat de mens en alle levende wezens zich hebben aangepast aan een bepaalde basisblootstelling. Dat sluit natuurlijk het risico van vergiftigingen door hogere doses niet uit.

Kwik en kwikverbindingen worden veelvuldig toegepast, bijvoorbeeld in de elektrochemische industrie en bij de productie van meetapparatuur, bijvoorbeeld thermometers. Omdat in de industrie steeds minder kwik wordt toegepast is in de meeste landen het aandeel van amalgaam in het totale kwikverbruik van 3% opgelopen tot ongeveer 15%.

Een groot gevaar voor het milieu vormt de nog steeds grootschalige toepassing van kwik bij de winning van goud in Zuid-Amerika en Zuidoost-Azië.

De laatste jaren zien we een min of meer constant aantal gemelde gevallen van vermoedelijke kwikvergiftiging op de werkplek, namelijk jaarlijks 40 tot 90 gevallen in Duitsland. Slechts een paar daarvan blijken ook echte kwikvergiftigingen te zijn, en nog minder geven aanleiding tot schade die vergoed moet worden. Alleen in 1991 was er een grote piek, ten gevolge van 500 oude gevallen uit de voormalige DDR, voornamelijk vergiftigingen met organische kwikverbindingen uit zaadbehandelingsmiddelen. Vergiftigingen van tandartsen en hun personeel spelen in de statistiek van erkende arbeidsongevallen geen rol. Er zijn toch al nauwelijks erkende beroepsziekten door kwikvergiftiging.

Ik heb enige zware vergiftigingen door metallisch kwik gezien, voornamelijk in de lampen- en apparatenindustrie, en verder gevolgen van de opname van organische kwikverbindingen in een productiebedrijf. Hoewel de arbeidsomstandigheden in tandartsenpraktijken in de jaren ’50 en ’60 duidelijk slechter waren dan tegenwoordig, heb ik niet één waarschijnlijk geval van kwikvergiftiging van tandartsen of hun personeel meegemaakt.

Chronische vergiftiging door kwikdamp betreft vooral het centrale zenuwstelsel en de symptomen zijn trillen, sterke prikkelbaarheid, en spraakstoornissen. Bij zware gevallen kunnen ook in ontstekingen optreden van de slijmvliezen, met name in de mond, en tijdelijke storingen van de nierfunctie waardoor te veel eiwit in de urine komt. Bij blijvende schade gaat het in de eerste plaats om het zenuwstelsel.

Kwik in de voeding

Terecht wordt er vaak op gehamerd dat kwik gevaarlijk voor het milieu is, dat in de voedselketen omgezet wordt in het nog gevaarlijker methylkwik dat zich in het centrale zenuwstelsel kan ophopen. Berucht is het geval van de ophoping van kwik in de riviermondingen en baaien ten gevolge van fabriekslozingen bij Minamata en Niigata in Japan. Nog grotere massavergiftigingen hebben zich voorgedaan in ontwikkelingslanden waarbij met methylkwik behandeld zaaizaad in het brood terecht kwam. Vergiftiging met methylkwik hebben alleen effect op het centrale zenuwstelsel. Methylkwik en andere organische kwikverbindingen zijn voor de mens tien keer zo giftig als anorganische kwikverbindingen.

Op grond van ervaringen met kwikvergiftigingen, zowel in de beroepssfeer als daarbuiten, weten we behoorlijk veel van wat de mens aan kwik kan verdragen. De WHO kon dan ook al in het begin van de jaren ’70 aanbevelingen doen voor maximale hoeveelheden opgenomen kwik. Deze waren, met royale veiligheidsmarges, 200 microgram voor methylkwik en 300 microgram voor de totale hoeveelheid kwik.

Volgens mijn eigen onderzoek is de kwikbelasting in voeding (bijvoorbeeld grote zeevis: tot 1000 microgram per kilo) gemakkelijk te meten. De kwikblootstelling ten gevolge van het gemiddelde voedselpakket ligt echter ruim onder de kritische grens, zodat we ons geen bijzondere zorgen hoeven te maken over onze voeding, tenminste wat kwik betreft.

Blootstelling

Het is tegenwoordig ook mogelijk om bij afzonderlijke personen betrouwbare metingen te doen van de kwikbelasting. Het zou te omslachtig zijn om dat te doen door direct te meten hoeveel kwik iemand binnenkrijgt door de voeding en de ingeademde lucht. In de arbeids- en milieugeneeskunde is daarom in de laatste jaren een meer praktische methode ontwikkeld. Die geschiedt door bloed en urine spectroscopisch te onderzoeken. Volgens alle onderzoeken is de gemiddelde kwikconcentratie in deze vloeistoffen 3 tot 5 ppb (microgram per liter vocht), ver onder de grenzen van de WHO (50 ppb) of de Duitse MAC-waarden (200 ppb). De lage waarden voor de algemene bevolking gelden zowel voor mensen met amalgaamvullingen als die zonder. Zie ook onderstaande tabel van kwikconcentraties in de de urine (verzameld over 24 uur) in microgrammen per liter (ppb):

200 ppb Duitse MAC-waarde
50 ppb WHO-grens
5-15 ppb tandartsen
1-10 ppb amalgaamdragers en viseters
1 ppb onbelast

Ik zou dus mijn uiteenzetting hier kunnen afsluiten door vast te stellen dat amalgaam geen gevaarlijke kwikbelasting oplevert. En waar in wezen geen belasting is, hoeft men niet bang te zijn voor nadelige effecten of zelfs vergiftigingen. Tot 15 jaar geleden was dit dan ook de algemene opvatting.

De methode van de meting van kwik in de urine om de totale blootstelling te bepalen is recent (1992) ook toegepast in een door de Duitse overheid opgezet bevolkingsonderzoek. Hoewel gevreesd werd dat in de nieuwe deelstaten door meer milieuvervuiling en slechtere amalgaamkwaliteit de kwikbelasting daar hoger zou zijn dan in de oorspronkelijke deelstaten van de Bondsrepubliek, bleek dit niet zo te zijn. Maar wel bleek dat binnen de normale spreiding het aantal amalgaamvullingen wezenlijk samenhing met de hoeveelheid kwik in de urine. Vroeger had men zich niet zoveel zorgen gemaakt over de precieze bijdrage van amalgaam aan de totale kwikblootstelling, omdat de gevonden waarden zo laag waren.

De Zweedse onderzoeker Frykholm had al in de jaren ’50 onderzoek gedaan met behulp van radio-isotopen, en had gevonden dat alleen bij het aanbrengen en uitboren van amalgaamvullingen gedurende korte tijd de hoeveelheid kwik in de urine toeneemt. Daardoor was het vrijwel een dogma in de tandheelkunde en in toxicologie geworden dat amalgaamvullingen niet bijdragen tot de kwikbelasting. Zelf heb ik ook lange tijd geloofd dat de hoeveelheid kwik die uit amalgaam vrijkomt nauwelijks meer kon zijn dan wat men met de voeding binnenkrijgt.

Bijwerkingen

Tot 1992 werd door de Duitse overheid als bijwerking van een amalgaambehandeling slechts een kortstondige stijging van kwikgehalte van bloed en urine genoemd. Volgens onze huidige kennis moeten we echter uitgaan van een meetbare en blijvende stijging van dat kwikgehalte. Het gaat daarbij niet om een ‘effect’ in de zin van de arbeidsgeneeskunde, maar alleen om een meetbare blootstelling. Verdere zeldzame bijwerkingen zijn allergieën van huid of slijmvliezen, vervelende gevoelens tengevolge van elektrochemische reacties en mondschimmel. Deze treedt echter ook op als niet-specifieke reactie van de slijmvliezen op allerlei prikkelingen, bijvoorbeeld van scherpe randen aan de tanden.

De eerste twijfels aan de stabiliteit van kwik in amalgaam rezen in de jaren ’80. Met name na kauwen kon tijdelijk kwikdamp in de mond aangetroffen worden. Maar dit waren kleine effecten (2), en omdat het kauwen ook niet zolang duurt, was dit resultaat eerder geruststellend dan verontrustend. Op grond van wat bekend was over wat er met ingeademde kwikdamp gebeurt in het menselijk lichaam en de mogelijke ophoping van kwik in nieren en hersenen besloten we in het begin van de jaren ’80 om het verband vast te stellen tussen het kwikgehalte van deze organen in pas overledenen en het aantal amalgaamvullingen in het gebit.

Het kwam als een onaangename verrassing dat we een duidelijk verband vonden. Dit verband werd opnieuw gevonden in een vervolgonderzoek en enkele jaren later werden onze resultaten bevestigd door diverse onderzoeksgroepen in Zweden, de VS en ook in Duitsland. Het dogma dat amalgaamvullingen niet bijdragen tot de kwikblootstelling verviel daarmee. Uit vergelijking van dragers van vullingen met niet-dragers bleek dat vullingen wel het twintigvoudige kunnen opleveren van de gewone blootstelling door de voeding. In 1991 berekende de WHO op grond van door haar geëvalueerde onderzoeken dat de kwikblootstelling uit vullingen wel 6,5 maal zo groot was als de natuurlijke blootstelling.

Er waren veel mensen die dachten dat hiermee ook bewezen was dat amalgaam schadelijk is. Maar dat klopt niet. Bij deze waarden hebben we nog niet te maken met biologisch schadelijke effecten.Dat is een kwestie die los daarvan staat, en die afzonderlijk onderzocht moet worden.

Wij stelden bijvoorbeeld vast dat bij mensen die lang geleden sterk aan kwik bloot waren gesteld, maar die geen tekenen van vergiftiging vertoond hadden, meer dan 100 maal zoveel kwik in de hersenen hadden als dragers van amalgaamvullingen, en soortgelijke waarden werden ook gevonden bij de bevolking rond de Minamatabaai. Met andere woorden, onze metingen vormden geen reden om alarm te slaan.

Wij en ook andere groepen hebben vervolgens nog andere studies verricht, waarin telkens weer bevestigd werd dat amalgaamvullingen een toename van de kwikblootstelling tot gevolg heeft. Bijvoorbeeld vonden we in de pulpa (het bindweefsel in de tandwortel dat zenuwen en bloedvaten bevat) 40 maal zoveel kwik bij gevulde tanden als bij tanden zonder amalgaamvulling, en wel des te meer naarmate het gevulde gat dieper was. Uit de literatuur blijkt echter niet dat de tandpulpa door deze toegenomen kwikblootstelling schade ondervindt. Toen einde jaren ’80 onze analysemethoden verfijnd waren, konden we zelfs bij de normale bevolking het verband aantonen tussen kwik in de urine en het aantal vullingen.

Nog duidelijker bleek dit door toediening van DMPS in de vorm van Dimaval. Dit is een middel dat normaal bij vergiftiging met zware metalen wordt toepast. Het vormt complexen met deze zware metalen, waardoor ze versneld worden uitgescheiden. Door vergelijkend onderzoek konden we de bewering weerleggen dat de feitelijke kwikblootstelling slechts door toediening van DMPS kan worden vastgesteld. De met DMPS verkregen waarden en de waarden uit bepalingen van gewone urine correleren zo goed dat toediening van DMPS onnodig is voor de diagnostiek.

Kortgeleden hebben we in samenwerking met de oogheelkundige kliniek van Jena ooglenzen onderzocht die verwijderd waren uit patiënten met staar. Ook hier vonden we weer een verband tussen kwikgehalte en aantal vullingen, maar geen aanwijzingen dat de lensvertroebeling veroorzaakt zou kunnen zijn door het kwik.

De bijdrage van amalgaamvullingen aan de kwikbelasting van de bevolking is dus meetbaar, en ze is zelfs vaak een veelvoud van de voedingsbijdrage. Op grond van wat we weten van de kwikblootstelling op de werkplek en bij de genoemde milieurampen is er geen reden om aan te nemen dat deze verhoudingsgewijze kleine extra blootstelling bezwaarlijk is of zelfs giftig. Wie zich voor zijn eigen kwikblootstelling interesseert kan die laten bepalen door een meting aan de urine.

Toch heeft de pure vaststelling dat de extra kwikblootstelling door amalgaamvullingen meetbaar is er toe geleid dat amalgaam behoorlijk in diskrediet is geraakt in Duitsland.

Evaluatie

De toxicologie, de arbeids- en milieugeneeskunde proberen grenswaarden aan te geven waaronder schadelijke stoffen geen bezwaar opleveren. Daarbij wordt uitgegaan van het oeroude principe dat giftigheid een kwestie van dosis en concentratie is. Dat was al treffend opgemerkt door Paracelsus, 450 jaar geleden. Volgens dit principe bestaan er geen giften of niet-giften, maar alleen schadelijke of onschadelijke blootstellingen. De vraag is dus of de blootstelling aan kwik uit amalgaam bezwaarlijk is, schadelijk of zelfs giftig.

De huidige spreekbuis van de amalgaamtegenstanders, de internist en klinisch toxicoloog M. Daunderer uit München beantwoordt deze vraag met een volmondig ja. Hij vertegenwoordigt een grote groep alternatieve toxicologen die zeggen dat een giftige werking al is aangetoond als de blootstelling te meten is. Als je consequent bent, betekent dat natuurlijk dat elke mens, met of zonder amalgaam, vergiftigd wordt. Kwik is met de huidige analytische technieken namelijk overal en altijd aan te tonen in uiterst geringe hoeveelheden.

Om zijn standpunt te onderbouwen heeft Daunderer in 1992 een groot losbladig werk gepubliceerd. Vrijelijk naar Goethes ‘wer vieles bringt, wird manchem etwas bringen’ (als je veel meebrengt, zit er voor menigeen wat bij) worden hier talrijke ziektes en symptomen, bij wijze van spreken van aambeien tot zwakzinnigheid in verband met amalgaam gebracht. Aids, alle vormen van kanker, praktisch alle chronische aandoeningen waaronder ook MS, de ziekte van Alzheimer en trillende handen worden als bijwerkingen genoemd. Amalgaam wordt zo letterlijk de wortel van alle kwaad. Elk klinisch vakgebied wordt daarom de laatste jaren met vermeende bijwerkingen van amalgaam geconfronteerd. De oplettende lezer heeft al gemerkt dat de genoemde symptomen ver buiten het bereik treden van bekende effecten van kwikvergiftiging. Voor deze gevallen veronderstellen de amalgaamtegenstanders dan combinatieeffecten met andere bestanddelen van amalgaam en andere milieuverontreinigingen. Grotendeels dezelfde uitvoerige symptoomlijsten bestaan er overigens ook voor andere chemicaliën in het milieu, zoals spaanplaatgas (formaldehyde) en houtconserveringsmiddelen.

Wie nu denkt dat je dit allemaal niet serieus hoeft te nemen, heeft het mis. Na een jarenlange ervaring met patiënten uit alle lagen van de bevolking: zelfs artsen, tandartsen, leraren, professoren, advocaten en officieren van justitie, pastoors en nonnen weet ik welke enorme suggestieve kracht zulke beweringen hebben. Die beweringen geven miljoenen zieken hoop. Sommigen zijn ook door dit geloof geholpen, die worden namelijk aanvoerder of lid van een zelfhulpgroep voor amalgaamslachtoffers, en ze stellen zich in dienst van een vermeende goede zaak. Wat als amalgaamverwijdering of ontgiftingsbehandeling niet de gehoopte leniging of genezing brengt? In zulke groepen vindt een groot aantal toch weer een versterking van het geloof, want hun wordt verkondigd dat de vergiftiging al te ver is voortgeschreden om nog grondig te kunnen worden aangepakt.

De ervaring leert dat het niet helpt of wij wetenschappers zeggen dat dit alles onzin is of althans toxicologisch verregaand uitgesloten is. Patiënten, journalisten, gerechtshoven en politici verlangen tegenwoordig zogezegd om de haverklap solide wetenschappelijke tegenbewijzen voor zelfs de meest vergezochte beweringen.

Motieven

Volgens de vaak geciteerde intreerede van Friedrich Schiller op 26 mei 1789 hebben speciaal wij in Jena niet alleen het recht maar ook de plicht te vragen of er achter zulke beweringen een ‘philosophischer Kopf’ of een ‘Brotgelehrter’ (3). Is hier een grote geest en mensenvriend die gerechtvaardigde hoopt wekt bij ontelbare zieken, of gaat het in de eerste plaats om artsen die op eigen gewin uit zijn en hopen op roem en het grote geld van duizenden die behandeld willen worden? Hoop voor of hoop op miljoenen, dat is de vraag!

Het is een vaak gebruikte methode, om patiënten met verschillende ziektes als vergiftigd te beschouwen, puur omdat ze amalgaamvullingen hebben. Dat is om te beginnen wetenschappelijk onaanvaardbaar. Niemand zou toch ook geloven dat ik professor ben geworden omdat ik van kinds af aan twaalf grote amalgaamvullingen heb?

Mijn collega Rüdiger heeft op dit veel te weinig belichte probleem gewezen. Hij schreef in 1991 in een redactioneel hoofdartikel in een medisch tijdschrift: ‘Wij zijn bij onkritische toepassing van onze moderne analytische mogelijkheden maar al te gemakkelijk geneigd om alles wat meetbaar is ook maar meteen als ziekmakend te beschouwen, gewoon omdat het gemeten wordt.’

Het komt wel eens voor dat na een amalgaamverwijdering een verbetering of zelfs een genezing gerapporteerd wordt. Maar over effecten op de langere duur is niets bekend: er zijn geen follow-up studies.

Om echte en niet alleen maar schijnbare ziekteoorzaken en – risico’s op te sporen hebben we vergelijkende epidemiologische onderzoeken nodig, speciaal als het gaat om niet-specifieke en vaak voorkomende ziekten en symptomen. Voor amalgaam zijn er helaas veel te weinig van dat soort onderzoekingen, omdat die moeilijk uitvoerbaar, tijdrovend en duur zijn. Ze zijn er wel, bijvoorbeeld dat van Ahlqwist et al. in Zweden (1988). Deze vergeleek vrouwen met weinig en veel amalgaamvullingen met elkaar. De onderzoeksgroep vond geen significant verschil tussen beide groepen op het punt van vaak voorkomende algemene klachten.

In een vervolgonderzoek (1992) bleek evenmin verschil op het punt van veel voorkomende doodsoorzaken.

We hebben in Erlangen in 1989 een interdisciplinaire onderzoeksgroep opgericht voor patiënten met vermoedelijke bijwerkingen van amalgaam. Tot 1994 hebben we daar meer dan 100 personen zowel klinisch-toxicologisch onderzocht als op het punt van allergieën, het immuunsysteem en huidklachten. De meesten kwamen al met een diagnose ‘amalgaamvergiftiging’ en wilden dit alleen nog maar even bevestigd hebben zodat het ziekenfonds de vervanging van hun vullingen zou betalen. In het kader van dit onderzoek bleek in essentie het volgende:

  • De kwikblootstelling van de vermoedelijke amalgaamzieken verschilde niet van die van gezonde vergelijkbare personen;
  • er was geen dosis-effectverband tussen de kwikblootstelling en de ernst van de klachten;
  • bij de allergologische huidtesten vonden we een verrassend hoog aantal personen dat allergisch was voor amalgaam en of kwik, namelijk 5%, waarschijnlijk door een selectie-effect veroorzaakt; het is de vraag of de reacties klinisch relevant waren;
  • bij meer dan 40% werden psychische afwijkingen vastgesteld, waarschijnlijk als gevolg van de behoefte aan een causale verklaring en de geringe acceptatie van andere oorzaken;
  • uitvoerige immunologische onderzoeken gaven geen aanwijzingen voor de telkens maar weer gemelde ernstige verstoringen van het immuunsysteem.

Samenvattend hebben wij en anderen – op geïsoleerde zeldzame allergieën na – tot nu toe geen schadelijke reacties of bezwaren ten gevolge van amalgaam aangetroffen.

Mogelijk serieuzer is de invloed op de nierfunctie die een Canadese onderzoeksgroep vond. Deze deed een proef met zes schapen die elk twaalf amalgaamvullingen kregen. Deze proef lijkt de moeite waard herhaald te worden. (4) De uitslag van de Canadese proef was aanleiding voor de Duitse overheid om een verminderde nierfunctie als contra-indicatie voor amalgaamvullingen aan te merken.

Eveneens zonder concrete aanwijzing voor schadelijke effecten, maar puur uit voorzorg wordt aanbevolen dat kinderen tot vier jaar, mogelijk zelfs zes jaar geen amalgaamvullingen krijgen. Ze zijn misschien gevoeliger voor kwik. Op statistische aanwijzingen inzake prenatale kwikbelastingen ten gevolge van amalgaamvullingen van de moeder heeft men ook amalgaambehandelingen voor zwangere vrouwen afgeraden, en er wordt al gediscussieerd over een verbod op amalgaambehandelingen voor alle vrouwen in de vruchtbare leeftijd, wat vrijwel zou neerkomen op een overigens niet overwogen totaalverbod op amalgaam. Bij al deze beperkingen van het amalgaamgebruik is er telkens weer op gewezen dat er geen enkel concreet gezondheidsrisico is, en dat het louter om voorzorgsmaatregelen gaat. De burger begrijpt het verschil nauwelijks tussen een duidelijk aangetoond risico en een denkbeeldig risico dat niet volledig uitgesloten kan worden. Voor de burger resulteert daarom niet zozeer een feitelijke verbetering van de medische veiligheid, maar een algemeen gevoel van onzekerheid, ook bij artsen en tandartsen. Iets dergelijks geldt trouwens ook voor de bijsluiters van medicijnen.

Velen laten daarom hun amalgaamvullingen vervangen door kunststof, omdat ze denken die beter te kunnen verdragen. Die hebben bovendien duidelijk het voordeel beter bij de tandkleur te passen.

De ontwikkelingen in de zogeheten composieten zijn hoopgevend, maar er zijn op dit ogenblik geen kunststofmaterialen die amalgaam volledig kunnen vervangen in kiezen op de kauwvlakken. Ze slijten sneller en door krimp laten ze spleten open waar secundaire cariës kan ontstaan. Daardoor zijn weer meer behandelingen nodig en dus extra verlies van tandsubstantie. Bovendien kunnen sommige kunststofcomponenten ook giftig zijn of allergische reactie oproepen.

Gevolgen en alternatieven

Als amalgaam verboden zou worden, zijn gouden inlays van uit een oogpunt van kwaliteit de beste vervangingen. Voor nieuwe vullingen moet men dan wel tientallen miljarden uittrekken, en voor volledige vervanging van alle amalgaam moet men op honderden miljarden rekenen. (5) De gezondheidzorg komt nu al miljarden tekort, dus dit gaat te verbeeldingskracht van alle verantwoordelijken te boven. Van sociaalgeneeskundige en economisch standpunt is er geen reden om veel geld te pompen in dergelijk mega-experiment, waarvan niet eens een concreet positief effect verwacht kan worden.

Zelfs nu vele tandartsen en producenten de strijd om het amalgaam al als verloren beschouwen, vind ik dat we niet buiten verder wetenschappelijk onderzoek kunnen. Enerzijds hebben we wetenschappelijke argumenten nodig voor lopende en toekomstige gerechtelijke processen. Anderzijds weten we ook niet of we ooit wel goede vervangingen kunnen vinden.

Een verbod op of een vrijwillig afzien van amalgaam zal de discussie er niet zakelijker op maken. De vervangende materialen zullen ook blootstellingen bij hun dragers veroorzaken, en die zullen dan even onkritisch beschuldigd worden. Genoemde Daunderer publiceerde in 1994 al een tweede losbladig boek over de schadelijkheid van alle andere tandreparatiematerialen.

Soortgelijke discussies worden ook gevoerd over allerlei andere milieuverontreinigingen, bijvoorbeeld vuilverbrandingsinstallaties of elektromagnetische velden. Ook daar gaat het om goed meetbare blootstellingen die echter net als bij amalgaam niet met belastingen of vergiftigingen kunnen worden vergeleken.

Verstand en wetenschap in het medisch onderzoek dreigen de prooi te worden van goed georganiseerde bataljons in het groeiende leger van ‘Brotgelehrter’. Als we dat willen voorkomen hebben we een verbond nodig van ‘philosophischen Köpfe’ uit de wetenschap, politiek en economie in Duitsland. Maar we hebben ook institutionele en structurele verbeteringen nodig waarmee vermoede bijwerkingen van milieu-effecten in de bevolking doeltreffend opgehelderd kunnen worden, in plaats van dat ze in het speculatieve stadium blijven steken en zich daar nog vermenigvuldigen ook. Tien jaar geleden heeft de grote man van de Duitse arbeidsgeneeskunde, professor Valentin, geëist – naar het voorbeeld van de beroepsziekten – dat er ook een meldingsplicht zou moeten komen voor ziektes die mogelijk hun oorzaak in het milieu hebben. Dat moet er eindelijk eens van komen, tezamen met de bijbehorende regel dat elk afzonderlijk geval door deskundigen beoordeeld wordt.

Dit artikel, een uitwerking van de inaugurele rede die Schiele hield op 15 december 1995, verscheen eerder in Skeptiker. Voor een uitgebreide literatuuropgave zie aldaar.

Noten van de vertaler

1. In Nederland werden in 1988 12 miljoen vullingen gelegd, waarvan ruim driekwart met amalgaam. Dit komt neer op 5,5 ton kwik. De MAC-waarde voor kwikdamp in Nederlandse tandartspraktijken is wat lager dan de 100 ppb (microgram per kubieke meter lucht) in Duitsland, namelijk 50 ppb voor mannen en 25 ppb voor vrouwen.
2. De hoeveelheden kunnen enorm uiteenlopen. De concentratie kwikdamp in de mond kan uiteenlopen van 4 tot 155 ppb, maar zelfs bij ademhaling door de mond komt dit neer op maar 2 ppb in de luchtpijp. Kauwen op kauwgom kan deze bedragen wel 15 maal zo hoog maken, mogelijk doordat dit ook wrijvingswarmte ontwikkelt. Naar schatting ademt iemand met 12 amalgaamvullingen dagelijks 1/100 in van wat een tandarts inademt die acht uur per dag is blootgesteld aan de MAC-waarde van 25 ppb in de praktijkruimte.
3. Schiller maakte nogal dweperig het onderscheid tussen achtenswaardige vermogende idealisten die hun geld aan de wetenschap uitgaven en veelweters van de tweede garnituur die een karige boterham moesten zien te verdienen met hun kennis. Tegenwoordig heeft ‘Brotgelehrter’ alleen nog maar de betekenis van een wat saaie wetenschapper zonder visie.
4. Het materiaal voor de schapenvullingen was heel zacht, waardoor het dieet van de schapen een enorme slijtage veroorzaakte. Bovendien was er zo geknoeid tijdens de operatie dat de dieren een behoorlijke portie amalgaam en vrij kwik moeten hebben ingeslikt. Deskundigen warren uitermate kritisch over de proef. (Noot toegevoegd voor de Skepsis-site.)
5. Een gouden inlay kost ruwweg tienmaal zoveel als een amalgaamvulling.

 Uit: Skepter 9.3 (1996)

 

Rainer Schiele is sinds 1994 directeur van het Instituut voor arbeids- en milieugeneeskunde en sociale geneeskunde aan de Friedrich-Schiller-Universiteit van Jena.