Een onzichtbare epidemie

Ontvoeringen door buitenaardse wezens

door Marcel Hulspas – Skepter 7.3 (1994)

Ufonauten die onschuldige mensen ontvoeren, opereren of bevruchten – het lijken goedkope gruwelsprookjes maar de moderne ufologie draait vrijwel uitsluitend om dergelijke dankzij hypnose ‘herinnerde’ ervaringen. Zijn de buitenaardsen werkelijk zo agressief of hebben we te maken met al te goedgelovige therapeuten en fantaserende slachtoffers?

Decennia lang wisten we niet beter of buitenaardse wezens waren goedaardig. Een man als George Adamski, die begin jaren ’50 claimde regelmatig met ‘Venusianen’ in contact te staan, kon urenlang gloedvol vertellen over de schoonheid van deze buitenaardse wezens en hun bezorgdheid om het lot van de mensheid. Andere contactees (zoals deze ‘contacthebbers’ genoemd worden) beschreven wezens die er misschien geheel anders uitzagen, maar ook die waren steevast vredelievend. Natuurlijk, er waren uitzonderingen. In 1957 bijvoorbeeld beweerde een familie in het dorpje Kelley-Hopkinsville in Kentucky dat zij een avond lang geteisterd waren door enge gedrochtjes met lange armen en puntige oren, die slechts met geweld buiten de deur konden worden gehouden. Maar het algemene beeld was er toch een van vriendelijke buitenstaanders.

Dat veranderde in de loop van de jaren ’60. Er verrijst een nieuwe, kwaadaardige generatie ‘ufonauten’, die doelbewust en rücksichtlos te werk gaan. Twee meldingen uit dat tijdvak die veel aandacht trokken zijn hierbij wellicht richtinggevend geweest. Ten eerste het verhaal van Antonio Villas-Boas (dat in 1965 boven tafel kwam maar zich al in 1957 zou hebben afgespeeld). Villas-Boas, een Braziliaanse boerenzoon, beweerde dat hij in een UFO gesleept was en daar werd gedwongen de liefde te bedrijven met een beeldschone (doch dierlijk grommende) buitenaardse. Het aldus verwekte kind, zo maakte ze met handgebaren duidelijk, zou verder in de ruimte grootgebracht worden. Antonio zei van de copulatie genoten te hebben, maar leed naderhand aan allerlei kwalen die hij toeschreef aan dit incident.

De tweede belangrijke ervaring was die van het echtpaar Betty en Barney Hill, en werd beschreven in het boek The Interrupted Journey, van John Fuller, uit 1966 (de betreffende gebeurtenissen zouden zich vijf jaar eerder hebben afgespeeld). De zaak-Hill behoort tot de bekendste en waarschijnlijk meest grondig onderzochte uit de ufologie. De kern van het verhaal is dat het echtpaar tijdens een lange autorit huiswaarts een helder licht opmerkte, dat hen gaandeweg steeds meer angst inboezemde. Eenmaal thuisgekomen constateerden ze dat ze veel langer over de reis hadden gedaan dan verwacht. Gedurende de maanden daarna kreeg Betty last van nachtmerries waarin buitenaardse wezens een rol speelden. Uiteindelijk kwam het echtpaar onder de hoede van een hypnotiseur die hen onder hypnose ‘terugvoerde’ naar de betreffende avond. Wat naar voren kwam was een landing van een UFO, gevolgd door een medisch onderzoek en een rondleiding aan boord van het ruimteschip. Daar was dus die ‘verloren tijd’ in gaan zitten.

Radicalisering

Het boek werd een bestseller, maar werd door deskundigen met grote argwaan ontvangen. Hypnotiseur Benjamin Simon distantieerde zich in het voorwoord nadrukkelijk van Fullers conclusies en benadrukte dat hypnose geen rode loper naar dé waarheid vormt, doch slechts naar de waarheid ‘zoals die door de patiënt gevoeld en begrepen wordt’. Ook de leidende UFO-onderzoekers moesten weinig van het boek hebben. Geen wonder. In datzelfde jaar 1966 ging een lang gekoesterd verlangen naar politieke erkenning eindelijk in vervulling, en een al te gretige omarming van een dergelijk fantastisch verhaal zou die ontwikkeling in gevaar brengen.

Die erkenning was het gevolg van de slordige manier waarop de luchtmacht omsprong een hele serie meldingen uit de staat Michigan. De officiële UFO-onderzoeker daar, de astronoom J. Allen Hynek, liet tijdens een persconferentie weten dat de lichten waarschijnlijk toe te schrijven waren aan spontaan tot ontbranding komend moerasgas. Wekenlang stonden de kranten vol met honende commentaren. Het incident bleek een keerpunt. Hynek, die het gevoel had door de luchtmacht gebruikt te zijn, verbrak zijn banden met deze organisatie en richtte een onafhankelijk Center for UFO Studies (CUFOS) op. Daarnaast besloot een congreslid voor Michigan (en later president), Gerald Ford, dat die hele UFO-geschiedenis nu eens door een andere instantie onderzocht moest worden en gaf zo de stoot tot het Condon-onderzoek, dat eind 1968 resulteerde in het Condon-rapport.

Het rapport was een enorme teleurstelling voor de ufologen. Onderzoeksleider Edward U. Condon constateerde dat er zeker onverklaarde meldingen waren, maar dat er al met al geen reden was om het verschijnsel verder wetenschappelijk te onderzoeken. De luchtmacht zag hierin een mooie aanleiding om haar activiteiten op dit terrein tot een minimum terug te schroeven. Voor de ufologen betekende het in feite de definitieve breuk met het politieke en wetenschappelijke establishment. Een geleidelijke ‘radicalisering’ was het gevolg; als de officiële instanties weigerden hen serieus te nemen, dan hoefden ze zich ook geen zorgen meer te maken over hun imago, en een deel van de meldingen negeren? Langzaam schoven de (om de terminologie van Hynek te gebruiken) ‘ontmoetingen van nabij’, de close encounters, naar het centrum van de belangstelling. In wezen ongeloofwaardige ontvoeringsverhalen als die van Charles Hickson en Calvin Parker uit 1973 en Travis Walton uit 1975 werden serieus onder de loep genomen. Er was op een gegeven moment zelfs sprake van ‘gevecht’ om degelijke gevallen tussen elkaar beconcurrerende UFO-organisaties.

In die tijd duikt ook de naam Budd Hopkins voor het eerst op – de man die de ufologie een volkomen nieuwe richting zou doen inslaan. Hopkins, een kunstschilder die een redelijke bekendheid genoot in de New Yorkse kunstwereld, had al in 1964 een UFO gezien en het onderwerp had hem sindsdien niet meer losgelaten. Naar aanleiding van een melding in New Jersey schreef hij een artikel voor het tijdschrift Village Voice, en spoedig druppelden de meldingen bij hem binnen. Hij kwam op het idee waarnemers die vertelden over ‘vermiste tijd’ te laten hypnotiseren, om zo ‘herinneringen’ naar boven te halen – net zoals dat bij Betty en Barney Hill was gebeurd. In de loop der tijd groeide er een los verband van hypnotiseurs die voldoende geïntrigeerd werden door dit verschijnsel om dat gratis te doen. De eerste waarmee hij samenwerkte was psychiater Bob Naiman, die vele vrije zaterdagmiddagen opofferde aan urenlange, vaak vermoeiende sessies.

Angst op de weg

Hopkins was niet de eerste die op dat idee kwam. De psycholoog Leo Sprinkle had dat in 1967 al gedaan in het kader van het Condon-onderzoek. Het Condon-rapport concludeerde achteraf dat deze techniek nutteloos was, maar Sprinkle was ermee door gegaan en had in de jaren daarna vele UFO-waarnemers op die manier begeleid. Opvallend was dat zij hun ‘herinneringen’ uiteindelijk ervoeren als een spirituele, bevrijdende ervaring – een verschijnsel dat velen toeschreven aan Sprinkles New-Ageopvattingen: hij was er van overtuigd dat de close encounters door buitenaardsen gearrangeerd werden om de mensheid te begeleiden op een pad naar geestelijke en technologische verlichting.

Hopkins trok andere conclusies. De verhalen die hij te horen kreeg, nadat hij zijn cliënten onder hypnose had gebracht, waren zonder uitzondering angstaanjagend. Zijn cliënten werden onder hypnose vaak uiterst emotioneel en Nayman moest ze dan snel uit hun trance halen of ze ‘beschermen’ door ze te suggereren dat het verleden was, niet echt, als in een film. Die suggestie mocht echter niet te sterk zijn omdat de waarnemers anders, aldus Nayman, zouden gaan fantaseren. De in de loop van verschillende sessies ‘herinnerde’ ervaringen hadden allemaal hetzelfde stramien: de ‘vermiste tijd’ groeide uit tot een close encounter met vreemde wezens, gevolgd door ‘herinneringen’ aan een veelal pijnlijke medische ingreep. De beschrijvingen van de wezens varieerden, en die van de overgangen van buiten naar ín de UFO en van binnen de UFO weer naar buiten, waren steevast niet aanwezig of zeer summier.

Een belangrijke stap voorwaarts waren de sessies met acteur Michael Bershad, een vriend van Ted Bloecher, Hopkins’ medewerker in deze jaren. Bershad kon zich geen UFO herinneren en had ook geen last van ‘vermiste tijd’, maar had wel altijd als hij een bepaald stuk weg paseerde, een onaangenaam gevoel. In een serie ver uiteenliggende sessies (begin en eind 1978, en weer een in 1980) ontvouwde zich het scenario van een ontvoering die zich in 1973 op die weg zou hebben afgespeeld. Voor Hopkins betekende dit een doorbraak: blijkbaar waren het niet alleen klassieke UFO-meldingen of ‘vermiste tijd’ waarachter ontvoeringsverhalen schuil konden gaan, ook een schijnbaar onschuldig verschijnsel als een irrationele angst kon het restant zijn van een een dergelijke traumatische, maar verdrongen ervaring. En Bershad was zomaar een ‘friend of a friend’. Hoeveel Amerikanen liepen er niet met dergelijke angsten rond? Hoeveel daarvan waren ooit ontvoerd?

Een tweede nieuwe ‘aanwijzing’ dat de ontvoeringen door buitenaardsen epidemische proporties had aangenomen was de zaak Virginia Horton. Hopkins en Bershad waren in 1979 in een talkshow verschenen en Virginia meldde zich kort daarna om twee ‘gekke’ ervaringen te vertellen. Als zesjarig meisje had ze ooit op de boerderij van haar grootouders op onverklaarbare wijze een wond aan haar kuit opgelopen. Virginia’s moeder kon zich dat niet meer herinneren, maar wist nog wel dat haar dochter tijdens een vakantie in Frankrijk een half uur zoek was geweest en dat haar jurk daarna vreemde bloedspatjes vertoonde, terwijl Virginia zélf alleen maar zei dat ze een prachtig hert had gezien. Tijdens de hypnosesessies bleek dat beide ervaringen verband hielden met ontvoeringen door buitenaardsen.

Het was duidelijk (althans voor Hopkins) dat naast ‘vermiste tijd’ en irrationele angsten ook vreemde kleine wondjes (of littekens) en indrukwekkende ontmoetingen (zoals met dat hert) aanwijzingen waren voor een verdrongen ontvoering. Duidelijk was nu ook (althans weer voor Hopkins) dat iemand meerdere keren ontvoerd kon worden. Indien nodig, kwamen de buitenaardsen gewoon weer terug.

In 1983 zou hij kennismaken met Debby Tomey, en haar verhaal zou de cirkel rond maken: buitenaardsen bevruchtten haar de eerste keer, en kwamen later terug om de ongeboren vrucht weer mee te nemen. Dit thema zou daarna nog vele malen naar voren komen.

Hoofd in een pot

Hopkins wist dat het tijd werd om te publiceren. Ontvoeringen werden populair. Ralph en Judy Blum publiceerden in 1974 Beyond Earth – Man’s contact with UFOs. Coral en Jim Lorenzen (ooit klassieke ufologen, wars van fantastische verhalen) publiceerden in 1976 en 1977 Encounters with UFO Occupants en Abducted!. Ray Fowler kwam twee jaar later met The Andreasson Affair, en in datzelfde jaar publiceerde (parapschycholoog) Scott Rogo en (ufoloog) Ann Druffel The Tujunga Canyon Contacts. Maar al deze boeken suggereerden dat het hier hoogst zeldzame ervaringen betrof. Hopkins wist beter. Hij had de zaak, vond hij, veel systematischer aangepakt en zou zijn conclusies publiceren in een boek dat The Invisible Epidemic moest gaan heten – het boek dat uiteindelijk in 1981 zou verschijnen onder de titel Missing Time. Hypnotiseuse Aphrodite Clamar (die onder andere Bershad begeleidde) vertelde in het voorwoord hoe zij tijdens de sessies te werk ging en dat zij niet in staat was te zeggen of het hier om werkelijkheid of fantasie ging.

Missing Time verkocht redelijk. Hopkins ging op lecture tour en ontdekte dat de meningen binnen de UFO-gemeenschap verdeeld waren. Een van de sceptici was David Jacobs, een historicus die ooit gepromoveerd was op de geschiedenis van het UFO-verschijnsel (later verschenen als The UFO Controversy in America) en sindsdien regelmatig opdook bij lezingen of conferenties. Na een bezoekje aan huize Hopkins realiseerde Jacobs zich dat de door Hopkins ‘ontdekte’ ontvoerden geen fantasten waren maar gewone mensen die simpelweg bang waren voor wat ze onder hypnose allemaal zeiden. Jacobs ontdekte ook dat de zomerhuisjes van Hopkins en hemzelf vlak bij elkaar stonden. Het werd de basis voor een innige samenwerking. Jacobs leerde van Hopkins hypnotiseren en had spoedig zijn eigen ‘kring’ van slachtoffers. Spoedig werkte hij net als Hopkins en Clamar aan de ontwikkeling van hypnosetechnieken die het mogelijk moesten maken feit en fictie te onderscheiden.

Een tweede belangrijke ontmoeting naar aanleiding van Missing Time was die met Whitley Strieber, begin 1986. Hopkins was zeer vereerd. Strieber is een bekende horrorauteur. Maar tegelijkertijd verontrustte hem dat ook. Zijn de door Strieber als waar vertelde, gruwelijke gebeurtenissen geen producten van zijn blijkbaar verstoorde, professioneel getrainde fantasie? Strieber beschreef twee nachten in oktober en december 1985 gedurende welke buitenaardse wezentjes zijn huis binnendrongen, hem bestormden en aan een soort van medisch onderzoek onderwierpen. Hopkins was voorzichtig en stelde naast hypnose ook een psychologisch onderzoek voor. Strieber hield dat laatste spoedig voor gezien.

Tijdens de hypnosesessies ontvouwde zich het bekende schema van een UFO-ontvoering, met hier en daar een curieus extra. (Strieber ‘zag’ in de UFO ook zijn zuster en vader.) Hopkins dacht dat zijn herinneringen in grote lijnen reëel waren. Later echter kwam het tot een breuk tussen de twee. Strieber had paranoïde buien en beschuldige iedere nieuwkomer ervan een undercoververslaggever te zijn. Berucht werd het verhaal dat hij Debby Tomey tijdens hun eerste ontmoeting vertelde haar eerder gezien te hebben. Dat wil zeggen: haar hoofd, in een glazen pot, in een UFO. En het bewoog ook nog.

De definitieve breuk tussen Hopkins en Strieber ontstond in 1986, toen ze elkaar voor de voeten liepen met plannen voor een boek. Strieber publiceerde uiteindelijk in januari 1987 Communion (ondertitel: A True Story, maar die mededeling had op ook eerdere horrorromans van hem gestaan); Hopkins kwam een paar maanden later met Intruders, gebaseerd op de ervaringen van Debby Tomey en ander ‘ontvoerde foetus’-verhalen. Communion werd een groot succes. Intruders veel minder. Daar had Strieber Hopkins ook voor gewaarschuwd.

Alien op video

Communion betekende de doorbraak voor het ontvoeringsfenomeen, en toen er eind 1987 een UFO-golf losbarstte in Gulf Breeze, Florida, compleet met vele meldingen van ontvoeringen, was de pers niet meer te houden. (De belangrijkste getuige toen, Ed Walters, maakte vele foto’s van de UFO’s die hem lastig vielen. Hij verhuisde een paar jaar later; de nieuwe bewoners troffen op zolder een model aan van de UFO die Ed gekiekt had. Slordig, dachten velen. Een smerige streek van UFO-debunkers, zei Ed. Later zou een vriend van zijn zoon bekennen meegewerkt te hebben aan de productie van de foto’s)

Walters, maar uiteraard ook Strieber, Hopkins en Jacobs verschenen regelmatig in talkshows en gaven ettelijke lezingen. De menigsverschillen bleven echter overeind, en langzaam begon Striebers interpretatie van het fenomeen te verschuiven. Hij keerde zich af van de opvatting van Hopkins en Jacobs dat het hier om harde, fysieke ervaringen zou gaan: UFO’s van bouten-en-moeren gevuld met ufonauten van buitenaards vlees-en-bloed. Hopkins en Jacobs, zo stelde hij, verwaarloosden of verdoezelden de mystieke, spirituele aspecten van dergelijke ervaringen. Zijn angstwekkende encounters waren in feite stuipen in geestelijke groei. De vreemde wezentjes waren de eerste vertegenwoordigers van een Nieuwe Wereldorde. Hopkins en Jacobs vonden het allemaal prima. Hun merk ufologie was inmiddels aan een ware zegetocht begonnen. Grote UFO-organisaties verdedigden hun aanpak en opvattingen. Jacobs werkte hard aan het vergaren van materiaal voor zijn eigen boek, Secret Life, dat uiteindelijk in 1992 zou verschijnen. Hij maakte daarbij behalve van hypnose ook gebruik van een in de criminologie ontwikkelde techniek die ‘geleide herinnering’ heet, waarbij men de getuige voortdurend opdraagt het gebeuren te visualiseren. (Deze omstreden methode is ook gebruikt tijdens de verhoren van de verdachten in de Eper incestaffaire, zie ook Skepter, maart 1994.)

Secret Life draait volledig om door slachtoffers ‘herinnerde’ verkrachtingen door buitenaardsen en de daaropvolgende abortussen. Mannen vertelden dat hen op pijnlijke wijze sperma werd ontnomen. Afgezien van oude littekens en bescheiden verwondingen die de cliënten gemakkelijk zichzelf konden hebben toegebracht, waren harde bewijzen voor deze misdaden niet te verkrijgen. Jacobs gaf cliënten die regelmatig klaagden over buitenaardse binnendringers videocamera’s mee die ze in de slaapkamer moesten installeren en permanent moesten laten draaien, maar dat leverde niets op. Wekenlang draaide de camera en gebeurde er niets, en dan ineens vertelde de cliënt dat ‘een stem’ hen opgedragen had de camera uit te zetten, waarna de buitenaardsen ongestoord hun gang konden gaan.

Desondanks gelooft Jacobs zijn cliënten onvoorwaardelijk. En hetzelfde gold voor Hopkins. Beide vonden nieuwe bewijzen voor de ernst van de situatie in de resultaten van een enquête die ze in 1992 uit lieten voeren, en waaruit bleek dat een flink percentage van de Amerikanen wel eens een of meer ervaringen had ondergaan die volgens de beide ufologen suggereerden dat zij (zonder het te weten) ooit door ufonauten onder handen waren genomen. Dertien procent van de zesduizend ondervraagden had wel eens zoiets als ‘vermiste tijd’ meegemaakt; achttien procent was wel eens wakker geworden met een ‘verlamd’ gevoel en de indruk dat er een vreemde in de slaapkamer aanwezig was; tien procent had wel eens het gevoel gehad te vliegen; acht procent had binnenshuis vreemde lichten gezien, en ook acht procent had littekens waarvan ze niet wisten hoe die ontstaan waren.

Hopkins en Jacobs besloten dat degene die vier van deze vijf ervaringen had, ‘waarschijnlijk ontvoerd’ was. Ze kwamen op ruim 3,5 miljoen Amerikanen die hoognodig gehypnotiseerd moesten worden om dat te controleren. In ieder geval viel niet meer te ontkennen dat er sprake was van een ware buitenaardse invasie.

Symbolische buizen

De meest recente ster aan het ufologisch firmament, John E. Mack, had en heeft grote waardering voor het werk van Jacobs en Hopkins, maar heeft ondertussen ook een eigen visie op het verschijnsel ontwikkeld, een die heel dicht bij die van Sprinkle staat. Hopkins ‘ontdekte’ Mack in 1990, en wist onmiddellijk dat hij een big fish aan de haak had: hoogleraar te Harvard en winnaar van de Pulitzerprijs (voor zijn biografie uit 1976 van de Britse auteur T.E. Lawrence). Mack was toen echter allang geen reguliere academicus meer. Hij had zich jaren daarvoor vol overgave gestort op het onderzoek aan het beroemde (beruchte) Esalen-instituut van de Tsjechisch-Amerikaanse psychoanalyticus Stanislav Grof, die experimenteerde met drugs en andere geestverruimende middelen. Mack kwam pas eind jaren ’80 in aanraking met UFO’s en het ontvoeringsfenomeen. 1990 bracht hij vrijwel volledig door in huize Hopkins, luisterend naar diens cliënten.

Ze konden uitstekend met elkaar overweg, Hopkins en Mack, maar het was onvermijdelijk dat de New-Ageprofessor, zodra hij eenmaal zélf ging hypnotiseren en ondervragen, de kant op zou gaan van Sprinkle, en de ervaringen van zijn cliënten zou interpreteren als spirituele ervaringen. Een belangrijke aanwijzing vond hij dat zij, hoeveel ellende er ook naar boven kwam, hun ‘herinneringen’ uiteindelijk ervoeren als heilzame, kosmische ervaringen, die hen geestelijk een stapje verder brachten.

En Mack concludeerde nog iets: de ontvoeringen, zo vertelden zijn cliënten, vonden soms midden op straat plaats, met tientallen potentiële getuigen. En toch had niemand iets gezien. Het was, zo concludeerde hij, onmogelijk dat het hier om reële ontvoeringen ging, uitgevoerd door de inzittenden van échte vliegende machines. Nee, de daders kwamen uit een andere werkelijkheid, uit andere dimensies. Hun ingrepen lijken buitengewoon pijnlijk, maar tegelijkertijd bewerkstelligen ze een geestelijke transformatie van het slachtoffer, dat ook een innige band met de daders opbouwt. Zaken als tunnels, buizen en draden, zo schrijft hij in Abduction – Human Encounters with Aliens (dat dit voorjaar verscheen) ‘kunnen natuurlijk letterlijk worden opgevat, maar aan de andere kant symboliseren ze de overgang van de ene bewustzijnstoestand naar de andere.’

Onvindbare getuigen

Jacobs’ mislukte pogingen de ufonauten te betrappen met behulp van videocamera’s geeft het al aan: harde bewijzen voor de ontvoeringen waren er niet. Maar in tegenstelling tot Sprinkle en Mack hadden hij en Hopkins daar wél behoefte aan. Ze wilden bewijzen dat er werkelijk sprake was van een ‘onzichtbare epidemie’. Medio 1991 leek het dan eindelijk zo ver. Hopkins kwam met een ontvoering waarbij, naar het scheen, meerdere getuigen aanwezig waren. De affaire staat nog steeds sterk in de belangstelling in Amerikaanse UFO-kringen.

Het vermeende slachtoffer is Linda Napolitano, en haar contacten met Hopkins dateren van enkele jaren daarvoor. Ze had na het lezen van Intruders contact met hem gezocht vanwege een curieuze bult op haar hoofd die wellicht een buitenaardse oorzaak had. Tijdens de daaropvolgende hypnosesessies kwam een ontvoering naar boven, maar Hopkins zag er weinig bijzonders in en begeleidde haar op de gebruikelijke wijze. In november 1989 belde ze echter in paniek op: het was zojuist weer gebeurd. Midden in de nacht werd ze ‘meegenomen’ door een blauwe lichtbundel en zweefde zo uit het raam van haar slaapkamer (op de twaalfde verdieping van een flatgebouw), een UFO in.

Hopkins was ook nu weer niet écht ondersteboven van haar ervaring, maar dat veranderde toen hij in februari 1991 een brief ontving van ‘police officers Richard and Dan’ waarin zij beschreven van buitenaf getuige te zijn geweest van de ontvoering. Het verhaal bleek te mooi om waar te zijn. Ondanks al zijn inspanningen was Hopkins niet in staat de twee op te sporen. Linda daarentegen beweerde regelmatig door hen lastiggevallen te worden. Ze zou zelfs door hen ontvoerd zijn. Hopkins ontving bandjes en brieven van ‘Richard’ en ‘Dan’ (later ook een brief van een derde, vrouwelijke ‘getuige’, die ook nooit boven water is gekomen), en in een daarvan werd ook uitgelegd waarom zijn speurtocht vruchteloos was geweest: ze waren geen politieagent. Ze vormden de escorte van een ‘third man’ die zeer belangrijk is en óók alles zou hebben gezien, maar dat nooit officieel kon toegeven. Volgens Hopkins ging het om Perez de Cuellar, de secretaris-generaal van de VN, en hij was ervan overtuigd dat de buitenaardsen de ontvoering expres uitgevoerd hadden om de aandacht van de secretaris-generaal te trekken.

En dat was nog maar het begin. Het verhaal is in de loop der tijd alleen maar wilder geworden. Andere ufologen, waaronder de bekende skepticus Philip Klass, onderzochten de zaak en begonnen grondig te twijfelen aan Linda’s geloofwaardigheid. Ze sprak zichzelf regelmatig tegen. Haar verhaal leek verdacht veel op een sf-roman uit 1989. Perez de Cuellar was in die periode op die plaats niet geweest – en de verklaring van ‘Richard’ en ‘Dan’ kwam volstrekt niet overeen met de voorschriften waaraan bewakers zich tijdens uitstapjes van deze belangrijke politicus dienen te houden. Voor- en tegenstanders van Linda vliegen elkaar nog steeds regelmatig in de haren. Laatste nieuws: Perez de Cuellar heeft ontkend iets van een UFO-ontvoering af te weten. Hij werd eind vorig jaar, toen hij op de luchthaven van Chicago wilde overstappen, door een ufoloog aan zijn jasje getrokken. Hij wist nergens van. De ufoloog achtte het echter niet uitgesloten dat de buitenaardsen De Cuellars geheugen hadden ‘uitgeschakeld’…

Met de zaak Napolitano heeft het hele ontvoeringsfenomeen een curieuze draai genomen. Het gaat niet meer om individuen die zich onder hypnose verbijsterende ervaringen ‘herinneren’, er er is nu sprake van een uitgebreid schimmenspel van ongrijpbare ‘getuigen’ die het verhaal bevestigen en vernietigende aanwijzingen die haar verhaal onderuit halen. Als Linda nooit ontvoerd is, dan is er in ieder geval sprake van een ingewikkeld ‘complot’ om Hopkins aan het lijntje te houden. Hopkins zélf is ervan overtuigd dat Linda daar niet toe in staat is en gelooft haar onvoorwaaardelijk. Hoe kan het ook anders. Hopkins ‘weet’ dat buitenaardsen regelmatig aardbewoners ontvoeren en heeft dringend behoefte aan mensen die daar getuige van zijn geweest. En Linda is en blijft de enige die contact heeft met de getuigen van haar vermeende ontvoering – net zoals zij en haar collega-‘slachtoffers’ de enige verbinding vormen tussen hem en de buitenaardse ‘daders’. Hij móét hen wel geloven, hoe fantastisch hun verhalen ook worden, want anders heeft hij niets meer. Therapeuten als Hopkins en Jacobs (want zo beschouwen ze zichzelf toch) zijn daarmee in een klassiek psychotherapeutisch dilemma bekneld geraakt. Psychotherapie is geen ‘medische hulp’ in de gewone zin des woords; het is wel eens vergeleken met een schaakwedstrijd. De therapeut is geen dokter die klachten aanhoort, een diagnose stelt en een recept uitschrijft, maar gaat met zijn cliënt een relatie aan, waarbij de behoeften van beide partijen op een buitengewoon gecompliceerde manier met elkaar verstrengeld kunnen raken. De cliënt vraagt in eerste instantie oprecht om hulp. De cliënten die bij Hopkins aanbellen zijn in eerste instantie werkelijk bang dat hem ooit iets ‘buitenaards’ is overkomen en reageren vaak verbijsterd op datgene wat tijdens de eerste sessie naar boven komt. Maar eenmaal gewend geraakt aan de steun en de aandacht, kan die hulpvraag ondergeschikt worden gemaakt aan die behoefte aan hulp. Met steeds weer nieuwe ontwikkelingen, nieuwe ‘crises’, weet zij de therapeut blijvend te binden. Een therapeut die dit niet in de gaten heeft is gedwongen eindeloos met haar ontwikkeling mee te gaan – en in het geval van Hopkins, die naarstig op zoek is naar ‘de bedoelingen’ van de vermeende ontvoerders, worden nieuwe, steeds gruwelijkere ontwikkelingen juist met hernieuwde belangstelling begroet, hetgeen het proces uiteraard alleen maar versterkt.

Een goede therapeut echter herkent dit proces en weet het te ondervangen door enerzijds wel te blijven geloven in de ‘persoonlijke ervaring’ maar tegelijkertijd te werken aan een blijvende oplossing. Mensen als Sprinkle en Mack lijken op deze wijze te werk te gaan. (Philip Klass heeft wel eens opgemerkt dat als mensen dan tóch zo nodig onder hypnose willen om hun ‘ontvoering’ te ‘herbeleven’, ze dan maar het beste naar Sprinkle kunnen gaan, want dat levert de minst traumatische ervaring op.)

Wie vragen er om dergelijke hulp? Uit een onderzoek midden jaren ’70 uitgevoerd door Alvin Lawson bleek dat proefpersonen die nooit een UFO gezien hadden en er verder ook niet in geïnteresseerd waren, onder hypnose bijna net zulke fraaie ontvoeringsverhalen konden vertellen als de vermeende slachtoffers. Lawson suggereerde dat dergelijke verhalen ontstonden wanneer mensen moeite hadden fantasie en werkelijkheid door elkaar te halen – de zogenoemde fantasy prone personalities. Iets dergelijks kwam ook naar voren uit een onderzoek dat vorig jaar gepubliceerd werd door Nicholas Spanos et al. Zij testten twee groepen mensen: een groep die wel eens een UFO gezien had en een groep die beweerde ufonauten gezien te hebben, ontvoerd te zijn et cetera. De laatste groep had vaker ‘vreemde’ of bovennatuurlijke ervaringen (en was duidelijk meer fantasy prone), maar waarschijnlijk kwamen alleen degenen die al in buitenaardse wezens geloofden er daadwerkelijk toe om die verschijnselen ook als UFO-ervaringen te duiden.

Therapeuten als Hopkins en Jacobs realiseren zich natuurlijk wel dat de verhalen die hun cliënten vertellen op fantasie zouden kunnen berusten. Ze zoeken niet voor niets naar ‘harde’ bewijzen. Voorlopig echter zijn ze er van overtuigd met een reëel fenomeen te maken te hebben. Ten eerste omdat hun hypnosetechnieken dusdanig zouden zijn dat het vrijwel uitgesloten is dat zij het niet in de gaten hebben als de gehypnotiseerde ligt te fantaseren. Ten tweede vertellen hun cliënten allemaal in grote lijnen hetzelfde verhaal, en in sommige gevallen komen zelfs details nauwkeurig overeen. Hun critici zijn daar niet erg van onder de indruk. De opvatting dat hypnose (op welke manier dan ook) een rechte weg naar het ‘vergeten’ verleden zou vormen, is al lang en breed achterhaald (zie Skepter, maart 1993). En wat betreft de overeenkomsten: daar bestaat niet zo een-twee-drie een verklaring voor, maar er zijn mogelijkheden genoeg. Iemand die voor zijn eerste hypnosesessie komt, kan nauwelijks beschouwd worden als een ‘onbeschreven blad’. Hij of zij heeft er meeestal al het nodige over gelezen, en in de dagen daarna is er uitgebreid gelegenheid kennis te maken met de therapeut en zijn opvattingen, terwijl in informele bijeenkomsten en ‘praatgroepen’ de andere ‘slachtoffers’ aan de beurt komen. En dan is er nog de mogelijkheid dat de therapeut hen tijdens de sessies bewust of onbewust informatie verschaft over wat ze zouden moeten vertellen. (Er is ook een school die zegt dat de cliënten onder hypnose op paranormale wijze in contact komen met collega-slachtoffers, en zo met dezelfde details op de proppen kunnen komen.)

UFO-ontvoeringen zullen de ufologengemeenschap nog lange tijd bezig houden. Het ontstaan van de ontvoeringsrage binnen de ufologie is an sich echter al een opmerkelijk verschijnsel. Er waren in de voorafgaande jaren wel wat verhalen over ontvoeringen, maar die vormden de uiterste randjes van een in hoofdzaak redelijk respectabele pseudo-wetenschap. In de loop van de jaren ’70 slaat dat volkomen om. De ontvoeringen gaan de ufologie domineren. De randjes worden de kern. De oorzaak hiervoor was waarschijnlijk de verwerping van het fenomeen door de autoriteiten, eind jaren ’60, en de opmars van New-Ageachtige opvattingen die een veel fantastischer interpretatie van het UFO-fenomeen toestonden. Wat de omslag in ieder geval bewijst, is hoe buitengewoon flexibel een pseudo-wetenschap kan zijn. De ufologie leidde eind jaren ’70 een sluimerend bestaan. De gruwelijke ‘onthullingen’ van Hopkins en Strieber hebben haar nieuw leven ingeblazen. Als ufologen geloof blijven hechten aan door middel van hypnose verkregen ‘herinneringen’ van slachtoffers, kunnen zij nog vele spannende jaren tegemoet gaan.

Literatuur

Budd Hopkins, Missing Time, Marek, 1981.
id., Intruders – The Incredible Visitations at Copley Woods, Random House, 1987.
David M. Jacobs, Secret Life – Firsthand accounts of UFO Abductions, Simon & Schuster, 1992.
Philip J. Klass, UFO Abductions – A Dangerous Game, Prometheus Books, 1989.
John E. Mack, Abduction – Human Encounters with Aliens, Simon & Schuster, 1994.
Jim Schnabel, Dark White – Aliens, Abductions and the UFO Obsession, Hamish Hamilton, 1994.

Zie ook: Dr. Susan Clancy over ufo-ontvoeringen (Skepter, zomer 2006)

Uit: Skepter 7.3 (1994)

Vond u dit artikel interessant? Overweeg dan eens om Skepsis te steunen door donateur te worden of een abonnement op Skepter te nemen.

Steun Skepsis

Marcel Hulspas is wetenschapsjournalist en was hoofdredacteur van Skepter van 1988 tot en met 2002