Onmogelijke herinneringen

Susan Clancy en de ufo-ontvoeringen

Boekbespreking door Harald Merckelbach

Op zoek naar mensen die zich vreselijke maar niet-gebeurde dingen herinneren, kwam Susan Clancy in contact met alien abductees.

Van de geheugenexperts Mark Oakes en Ira Hyman (2000) komt de opmerking dat het leven een groot misinformatie-experiment is. Dat moet helemaal gelden voor de VS, waar de gemiddelde burger een deficiënte schoolopleiding paart aan een sterke belangstelling voor sciencefiction, die zich in dat land overigens in overvloed aandient via boeken, documentaires, films en krantenberichten. Niet verwonderlijk dus dat een overweldigende meerderheid van de Amerikanen denkt dat het heelal wordt bevolkt door buitenaardse wezens (aliens). Meer dan 20 procent van hen meent bovendien zeker te weten dat de aarde regelmatig wordt bezocht door deze buitenaardsen. En dan is er nog de niet onaanzienlijke groep die zich herinnert ooit ontvoerd te zijn door aliens. Zulke opvatting leken veel van hun excentriciteit te verliezen toen een heuse professor uit Harvard – de twee jaar geleden overleden psychiater John Mack – in 1994 een boek wijdde aan zijn gesprekken met de slachtoffers van buitenaardse ontvoeringen (alien abductions). Zijn conclusie: ‘the people with whom I have been working are telling the truth’ (zie Skepter, december 1994 en september 1996).

Abducted-book-coverOok Susan Clancy, de schrijfster van het aantal maanden geleden verschenen Abducted: How people come to believe they were kidnapped by aliens, komt uit Harvard. Ergens in het tweede hoofdstuk vertelt zij hoe ze in de wereld van de buitenaardse ontvoeringen verzeild raakte. Schuld eraan was een toevallige ontmoeting met een andere beroemde Harvard professor, namelijk de psycholoog Richard McNally. Terwijl die zijn hondje aan het uitlaten was, sprak Clancy hem aan en informeerde naar interessante onderwerpen voor een proefschrift. Aldus begon zij onder McNally’s hoede midden jaren 1990 onderzoek te doen naar mensen met hervonden herinneringen aan seksueel misbruik. Door gebruik te maken van allerlei slimme laboratoriumtaken konden Clancy en McNally aantonen dat ten minste een deel van deze vrouwen zeer bevattelijk was voor pseudoherinneringen. McNally vatte de resultaten van dit onderzoek samen in zijn voor een breed publiek geschreven Remembering Trauma (2003; zie Skepter winter 2003).

Hisssssss

Maar wat betekent het als vrouwen met hervonden traumaherinneringen zich makkelijk op sleeptouw laten nemen door allerlei suggestieve taken? Bewijst zoiets dat hun hervonden trauma’s nooit zijn gebeurd? Allerminst. Om erachter te komen wat afwijkende prestaties op dergelijke taken zeggen, zou je eigenlijk mensen moeten onderzoeken die zich onmogelijke trauma’s herinneren. Daarover nadenkend kwamen Clancy en McNally op het idee om proefpersonen met herinneringen aan alien abductions te bestuderen. Ze plaatsten advertenties in locale kranten waarin ze mensen met zulke herinneren uitnodigden om mee te doen aan onderzoek. Tot hun eigen verbazing liep het storm. Sommige telefonische aanmeldingen waren natuurlijk vreemd, zoals ‘een slachtoffer’ dat zijn robotachtige boodschap afsloot met een serie atonale piepen gevolgd door een langgerekt hissssss.

Voor haar onderzoek selecteerde Clancy alleen de meest serieuze, maar ook minst gekke slachtoffers van alien abduction. Deze proefpersonen – ongeveer 50 in getal – onderwierp zij aan allerlei taken. Bovendien had ze lange interviews met hen. In haar boek zet ze de resultaten op een rijtje en dat gebeurt op een onderhoudende manier. Hilarisch is bijvoorbeeld Clancy’s beschrijving van een lotgenotenweekend, waarbij de deelnemers grappen maken over de sceptici (‘moet je je voorstellen; ze probeerden ons wijs te maken dat de vliegende schotel een zwerm vogels was’). Aan het einde van de rit begrijpt de lezer hoe het mogelijk is dat aardige en gezonde mensen gaan geloven door buitenaardse wezens te zijn ontvoerd.

Slaap

Een van de meer opmerkelijke elementen in het verhaal van Clancy is dat zo’n beetje alle slachtoffers van buitenaardse ontvoeringen op enig moment last bleken te hebben gehad van slaapstoornissen. Voorzover dat te reconstrueren valt, ging het dan meestal om het onvolledig ontwaken uit de droomfase. Daardoor kan het gebeuren dat iemand wakker wordt, maar tegelijkertijd de voor dromen typische spierverlamming voelt en hallucinatoire beelden ziet. Voor veel mensen zijn dat angstaanjagende ervaringen die een verklaring behoeven.

Dostojevski schreef over een van zijn epileptische aanvallen dat ze zo intens waren dat hij het gevoel had God te kunnen aanraken. Niet alleen epileptische patiënten, maar mensen in het algemeen zijn, in de woorden van sociaal-psycholoog Daniel Gilbert, momentane realisten: emotionele ervaringen worden aan externe factoren toegeschreven, ook als die er niet zijn. Neem zijn experiment waarin vrolijke en droevige studenten keken naar betekenisloze spots op hun computer. Later werd hen gevraagd of ze ‘subliminale woorden’ hadden gezien en zo ja, welke emotionele lading die dan hadden. Vrolijke studenten dachten aanmerkelijk vaker vrolijke woorden te hebben gezien dan droevige studenten. (1)

Ook de proefpersonen van Clancy zijn momentane realisten: ze hebben het gevoel dat hun merkwaardige slaapervaringen verwijzen naar iets dat buiten hen ligt. Dat gevoel is aanvankelijk weifelend. Zodra zij echter via websites of mond-tot-mondreclame terecht komen bij hulpverleners die zijn gespecialiseerd in de behandeling van slachtoffers van buitenaardsen, maakt de twijfel plaats voor stelligheid. Dat deze hulpverleners hun cliënten onderwerpen aan hypnotische sessies, levert daaraan een belangrijke bijdrage. De therapeuten doen dat trouwens op het gezag van professor Mack. Hij schreef immers dat ‘hypnosis appears to complete or greatly add to the process of remembering and has proved in this field to be a valuable therapeutic and investigative tool.’

China

Clancy vertelt in Abducted hoe haar meeste proefpersonen jonge volwassenen zijn die midden in het leven staan. Deze constatering is belangrijker dan hij op het eerste gezicht klinkt. Het betekent namelijk dat het gaat om mensen die behoren tot het cohort dat films als Close Encounters of the Third Kind (1977) en The Walton Experience (1993) heeft gezien. En bestsellers als The Andreasson Affair (1979) en The Roswell Incident (1980) heeft gelezen. Verhalen over ontvoeringen door buitenaardsen behoren zodoende tot de standaardbagage van dit cohort. Het is een generatie die door Hollywood is gevormd. In Nicaragua, Brazilië, Kenia of Vietnam zijn geen mensen te vinden die zich herinneren hoe ze ontvoerd werden door buitenaardse wezens. China hoort niet langer in dit rijtje thuis, want sinds daar in 2005 The X-Files werden uitgezonden, is er het aantal mensen dat zegt contact te hebben gehad met buitenaardsen gestaag gegroeid.

Laat het dan zo zijn dat sommige mensen met slaapproblemen naar een hypnotherapeut gaan en daar hun angstige visioenen in verband leren brengen met aliens. Kan dit allemaal verklaren hoe het zover kan komen dat zulke mensen ook gedetailleerde herinneringen aan buitenaardse ontvoeringen krijgen? Clancy wijst erop dat haar proefpersonen hoog scoorden op een eigenschap die in jargon fantasiegeneigdheid (fantasy proneness) heet. Dat brengt met zich mee dat zij het moeilijk vinden om een onderscheid te maken tussen dingen die ze echt hebben gezien en dingen die ze alleen maar hebben gedroomd of gefantaseerd. Daarom zijn de slachtoffers van buitenaardse ontvoeringen zo vatbaar voor psychologische taken waarmee pseudoherinneringen kunnen worden uitgelokt.

Clancy schrijft dat als je binnen de muren van het psychologisch laboratorium al zo’n moeite hebt met het verschil tussen realiteit en fantasie, dat probleem nog veel pregnanter moet zijn in een buitenwereld waarin Hollywood een aanhoudende stroom van alien abduction plots genereert. Deze redenering volgend, zal menig lezer zich afvragen of iets dergelijks dan ook niet geldt voor mensen met hervonden herinneringen aan seksueel misbruik. Gaandeweg haar betoog besteedt Clancy aan die kwestie steeds minder woorden. Dat is jammer omdat het hele debat rondom het waarheidsgehalte van hervonden herinneringen toch het startpunt was voor haar onderzoekslijn.

Religieus

In het laatste hoofdstuk vat Clancy haar positie als volgt samen: ‘ik beweer dat herinneringen aan buitenaardse ontvoeringen het beste begrepen kunnen worden als het resultaat van een versmelting tussen fantasiegeneigdheid, geheugenvervormingen, cultureel beschikbare scripts, slaaphallucinaties en wetenschappelijk analfabetisme, geholpen door de suggestieve en aanmoedigende uitwerking van hypnotherapie’ (p. 138). En toch is ze het niet helemaal eens met Carl Gustav Jung (1973), die in zijn boek over vliegende schotels schreef dat het allemaal een zaak is van gebrek aan kritische zin (zie ook Skepter, voorjaar 2005). Clancy zegt dat haar proefpersonen herinneringen aan buitenaardse ontvoeringen in zeker zin ook koesteren omdat ze een nieuwe betekenis lijken te verlenen aan hun leven. Haar proefpersonen voelen zich uitverkorenen en met enige sympathie constateert ze dat er een religieuze dimensie schuilt in hun verhalen.

Clancy’s boek is onderhoudend geschreven en laat zich lezen als een aaneenschakeling van mooie gevalsbeschrijvingen. Haar grootste bijdrage is de nadruk die zij legt op slaapstoornissen en de aanzet die zulke stoornissen kunnen geven tot pseudoherinneringen. Die constatering roept allerlei interessante vragen op: komen slaapstoornissen ook veelvuldig voor bij mensen met hervonden herinneringen aan misbruik? Is er een verband met de geheugenfunctie die wel aan sommige slaapstadia wordt toegeschreven? Hebben dissociatieve symptomen (geheugenverlies, gevoelens van depersonalisatie) misschien met chronische slaapafwijkingen te maken? (2) Jammer genoeg komt Clancy niet toe aan dit soort vragen. Wel laat haar boek één ding heel duidelijk zien: het is interessant om mensen met paranormale ervaringen naar het psychologisch laboratorium te halen en met hen onderzoek te doen.

Geïnspireerd door het voorbeeld van Clancy zijn we in ons eigen lab begonnen met het afnemen van geheugentaken bij mensen die herinneringen aan vorige levens rapporteren. Ze lijken verrassend veel op de proefpersonen van Clancy. Ook bij hen komen slaapstoornissen vaak voor. En ook bij deze groep valt op dat er sprake is van een sterke neiging om interne sensaties aan een externe bron die niet bestaat, toe te schrijven (Peters e.a., 2006). Maar natuurlijk hebben ze andere films gezien dan de lijst met alien abduction films die Clancy opsomt.

Noten

1. Dit is een summiere beschrijving van het experiment dat in werkelijkheid meer condities omvatte. De neiging om emotionele ervaringen aan externe factoren toe te schrijven was vooral aanwezig bij studenten die geen tijd werd gegund om eens lang na te denken over wat er nu precies was gebeurd. Zie Gilbert en Gill (2000).

2. In ons eigen werk vonden we inderdaad dat dissociatieve symptomen en slaapstoornissen behoorlijk met elkaar overlappen. Zie Giesbrecht & Merckelbach (2006).

Literatuur

Clancy, S.A. (2005). Abducted: How people come to believe they were kidnapped by aliens. Cambridge, Massachusetts: Harvard University Press.

Giesbrecht, T. & Merckelbach, H. (2006). Dissociatieve symptomen en slaap. Tijdschrift voor Psychiatrie, 48, 207-215.

Gilbert, D.T. & Gill, M.J. (2000). The momentary realist. Psychological Science, 121, 394-398.

Jung, C.G. (1973). Flying saucers: A modern myth of things seen in the sky. Princeton NJ: Princeton University Press.

McNally, R.J. (2003). Remembering trauma. Cambridge, Ms: Harvard University Press.

Oakes, M.A. & Hyman, I.E. (2000). The changing face of memory and self. In D.F. Bjorklund (Ed.). False-memory creation in children and adults (pp. 45-67). Mahwah NJ: Erlbaum.

Peters, M.J.V., Horselenberg, H., Jelicic, M. & Merckelbach, H. (2006). The false fame illusion in people with memories of a previous life. Consciousness and Cognition. In druk [verschenen in: Consciousness and Cognition, 16, 206-212].

Harald Merckelbach (HM) in gesprek met Susan Clancy (SC), auteur van het boek Abducted (2005)

HM: Behoren mensen met hervonden herinneringen aan seksueel misbruik en mensen met herinneringen aan buitenaardse ontvoeringen tot een en dezelfde categorie?

Susan Clancy
Susan Clancy

SC: Als je het hebt over mensen die herinneringen aan seksueel misbruik hervinden terwijl ze in therapie zijn: jazeker! Deze mensen lijken qua cognitief functioneren, maar ook qua persoonlijkheid en symptomen sterk op degenen met herinneringen aan buitenaardse ontvoeringen. Wat deze groepen bovendien gemeenschappelijk hebben, is dat zij hun herinneringen hervinden tijdens een levensperiode waarin zij naarstig op zoek zijn naar de betekenis van bepaalde ervaringen. Die ervaringen variëren van betrekkelijk banale dingen (‘waarom heb ik deze gekke krampen in mijn benen?’) tot aan vrij serieuze levensvragen (‘waarom heb ik niet meer bereikt in mijn leven?’). Dan kom je dicht in de buurt van het standaardscenario voor pseudoherinneringen: mensen die door allerlei vragen worden geplaagd en vervolgens onder hypnose gaan om er antwoorden op te krijgen.

HM: In uw boek beschrijft u hoe u een weekend doorbracht met een zelfhulpgroep van ‘ontvoerden’. Was er tijdens dit weekend geen moment dat u zichzelf begon af te vragen of sommige verhalen die u hoorde misschien echt waar konden zijn? Ik stel me zo voor dat de sociale druk tijdens zo’n weekend behoorlijk kan oplopen.

SC: Nee, op geen enkel moment heb ik gedacht dat de verhalen waar zouden kunnen zijn. Integendeel. Hoe meer ik met hen praatte, hoe meer ik er van overtuigd raakte dat de ‘slachtoffers’ van buitenaardse ontvoeringen hun verhalen confabuleerden. Dat heeft er mee te maken dat je bij deze groep een totale afwezigheid van twijfel ziet. Trouwens: ook het vermogen om in waarschijnlijkheden te denken of de wens om objectieve aanwijzingen te vinden voor de eigen verhalen ontbreken. Zo wisten deze mensen op een vage manier heel goed dat je met hypnose pseudoherinneringen kunt uitlokken. Niettemin hielden ze vast aan het idee dat dit risico bij hen niet aan de orde was omdat ‘de hypnose op de juiste wijze plaatsvond’ of omdat ‘het te echt aanvoelt om niet echt te kunnen zijn.’

HM: Een fascinerend onderwerp in uw boek gaat over afwijkende slaapervaringen die het decor voor verhalen over buitenaardse ontvoeringen lijken te vormen. Maar hoe zeker bent u ervan dat wat de ‘slachtoffers’ vertellen over hun afwijkende slaapervaringen op waarheid berust? Ik stel de vraag vanwege de fantasiegeneigdheid van deze mensen.

SC: Ik ben er vrij zeker van dat wat de ‘slachtoffers’ vertellen over hun merkwaardige slaapervaringen aardig klopt. Wat ze hierover vertellen spoort immers met wat de wetenschap erover te zeggen heeft. Wat hen overkwam – midden in de nacht wakker worden, niet in staat zijn om te bewegen, een gevoel van paniek ervaren – correspondeert met slaapverlammingen zoals die door experts als Hufford zijn beschreven. Bovendien: zulke slaapverlammingen zijn allesbehalve uitzonderlijk. Daarom is het niet vergezocht om te denken dat deze ervaringen een rol spelen bij herinneringen aan buitenaardse ontvoeringen. Maar om heel helder over dit punt te zijn: slaapverlammingen leiden niet rechtstreeks tot herinneringen aan buitenaardse ontvoeringen. Voor de meeste ‘slachtoffers’ lokken zulke slaapervaringen in eerste instantie vooral angst en verwarring uit en een diepe wens om te begrijpen wat er aan de hand is. Onder hypnose of aanverwante technieken wordt deze mensen dan vervolgens geleerd om vrijuit te speculeren over wat er die nacht gebeurd zou kunnen zijn. En dat kan dan uiteindelijk de contouren van een herinnering aan een buitenaardse ontvoering aannemen.

HM: Ofschoon u met sympathie over hen schrijft, heeft u de ‘slachtoffers’ van buitenaardse ontvoeringen toch behoorlijk kwaad gemaakt met uw boek. Waar komt hun boosheid vandaan?

SC: Ze zijn furieus omdat ik iets ter discussie stel waarin zij vast geloven en waaraan ze veel belang hechten. Mensen zijn in cognitief opzicht nogal conservatief: wanneer we er theorieën op nahouden die voor ons verklarende kracht hebben, dan blijven we er graag aan vasthouden. Dan letten we op dingen die onze theorieën ondersteunen en we negeren of attaqueren argumenten die onze theorieën ondergraven. Ik voel sympathie voor de ‘slachtoffers’ omdat ik heel goed snap hoe ze redeneren. Ik ken dat ook uit eigen ervaring: niemand moet me gaan vertellen dat die twee sigaretten en dat glas martini per dag slecht voor me zijn.

HM: Op uw boek werd ook nogal heftig – om niet te zeggen ronduit vijandig – gereageerd door mensen met hervonden herinneringen en hun therapeuten. Dat lijkt me niet altijd even gemakkelijk. Als u terugkijkt, betreurt u het dan dat u überhaupt in dit type onderzoek verzeild ben geraakt?

SC: Tsja. Er was een tijd dat ik zulke vragen beantwoordde met ‘nee, geen enkele spijt; dit onderzoek is te belangrijk om het over te laten aan pseudowetenschappers en politici.’ Tegenwoordig kijk ik er anders tegenaan. Tien jaar onderzoek naar slachtoffers van seksueel misbruik heeft mij belangrijke inzichten opgeleverd, inzichten die ook relevant zijn voor de behandeling en preventie van seksueel misbruik. Maar ik kan die inzichten niet meer goed opschrijven. Ik ben nu al 3 jaar, 2 maanden en 21 dagen aan het proberen om een boek te schrijven over de materie: een boek dat moet laten zien dat, in tegenstelling tot wat velen denken, seksueel misbruik vaak helemaal niet zo traumatisch is. Dat ik het allemaal niet meer helder kan opschrijven, maakt me wanhopig. Het kostte me drie maanden om Abducted te schrijven! De reden dat ik dat volgende boek niet goed op papier kan krijgen, is dat ik nu al de stemmen van de boze critici in mijn hoofd hoor. (1) Dus om u de waarheid te zeggen: ik wou dat ik kon opereren in een wetenschapsgebied waar ik vrijuit mag schrijven over wat mijn gegevens laten zien en waar ik me geen zorgen hoef te maken over de ‘politieke implicaties’ en juridische tegenacties van belangengroepen.

HM: Wat zijn uw plannen voor de komende tijd? Gaat u verder met uw onderzoek naar de psychologie van buitenaardse ontvoeringen?

SC: In het komende jaar? Drie dingen. Ten eerste wil ik toch mijn boek over seksueel misbruik afronden. Ten tweede ben in bezig met onderzoek naar wat nou maakt dat mensen veerkrachtig zijn en traumatische gebeurtenissen vaak wonderwel te boven komen. In dat opzicht helpt het dat ik momenteel in Nicaragua woon. Ten derde wil ik een populair boek schrijven over psychische stoornissen: wat ze zijn, hoe je ze moet diagnosticeren en welke behandelingen nou echt werken. En daarbij wil ik me alleen laten leiden door wat er aan wetenschappelijke inzichten voorhanden is.

Noot juni 2012

1. Het boek is inmiddels gepubliceerd onder de titel The Trauma Myth: The Truth About the Sexual Abuse of Children – and Its Aftermath. Het werd eind 2009 gepubliceerd door Basic Books (een afdeling van Perseus Books).

Uit: Skepter 19.2 (2006)

Harald Merckelbach is hoogleraar psychologie aan de Universiteit van Maastricht en lid van het Comité van Aanbeveling van Skepsis