Het ware risico bestaat niet

door Liesbeth Claassen en Tom Jansen – Skepter 31.2 (2018)

EEN van de opvallendste kenmerken van discussies over risico’s is dat er altijd discussies over zijn. Het lijkt wel alsof elke situatie door verschillende deelnemers op verschillende momenten verschillend wordt geïnterpreteerd.

Risico is, in ieder geval volgens de omschrijving op de Nederlandse Wikipedia, ‘de kans dat een potentieel gevaar resulteert in een daadwerkelijk incident en de ernst van het letsel of de schade die dit tot gevolg heeft’. Er is kennelijk sprake van een gevaar (dus iets dat voor schadelijke effecten kan zorgen), van een kans dat die schadelijke effecten optreden, en de ernst daarvan (wat dus het risico al dan niet waard is). In wetenschappelijke discussies worden, soms ongemerkt, verschillende definities van risico en ook verschillende soorten gegevens gebruikt voor de risicobeoordeling. Het maakt het er, voor degenen die het publiek wegwijs moeten maken in kansen en risico’s, in afwegingen en verzekeringen, niet eenvoudiger op.

Maar zelfs als de boodschap aan de ‘productiekant’ eenduidig is, kan het aan de ‘gebruikerskant’ nog alle kanten op gaan. Er zijn nu eenmaal grote sociale en individuele verschillen in de manier waarop mensen risico’s beoordelen. Deze verschillen worden voor een deel bepaald door verschillen in kennis: de doorsneeburger heeft minder technische en inhoudelijke kennis over de risico’s van bepaalde situaties of technologieën dan een wetenschapper die zich hier al vijftien jaar in heeft verdiept. Bovendien worden sommige wetenschappelijke termen als ‘kankerverwekkend’ of ‘mogelijk kankerverwekkend’ door burgers op een andere manier geïnterpreteerd. Ook het begrip van wat er nodig is voordat een klein risico een grote ramp kan worden, is vaak beperkt. Bestaat er een ongevaarlijke dosis alcohol of radioactiviteit, of is elke hoeveelheid schadelijk? Is er al een risico bij een enkele korte blootstelling, of moet de blootstelling chronisch zijn? Maakt het uit welk orgaan wordt blootgesteld, en kunnen verschillende, amper schadelijke blootstellingen tezamen leiden tot extra grote schade?

De Sinabung op Sumatra in 2016 — voor de omwonenden een vertrouwd tafereel (foto: Yosh Ginsu)

Publieksreacties

Toch zijn het niet zozeer dergelijke kwantitatieve overwegingen en objectieve berekeningen die de grootste rol spelen bij risico-afwegingen. Naar deze andere determinanten van ‘risicoperceptie’ is sinds de jaren zeventig veel wetenschappelijk onderzoek verricht.

De eerste studies waren gericht op het duiden, verklaren en voorspellen van publieksreacties op nieuwe risico’s op grond van de eigenschappen van deze risico’s. We zullen een aantal van de bevindingen bespreken.

  • Wanneer we een risico leren kennen en er vaker mee in contact komen raken we eraan gewend. We zien het dan als een minder groot risico, terwijl er volgens de technisch-wetenschappelijke risicobeoordeling niets verandert. Ook worden risico’s afkomstig van natuurlijke bronnen waarmee we vertrouwd zijn, zoals straling van de zon, kleiner geschat dan risico’s van door de mens gecreëerde bronnen, zoals straling van zendmasten.
  • In de risicoperceptie telt de mogelijkheid van een negatieve uitkomst meestal zwaarder dan de kans dat deze zich voordoet. Sommige risico’s, zoals het risico op kanker, zijn angstaanjagender en worden als groter beoordeeld dan andere, zoals het risico op griep. Ook zijn we meer bezorgd over een risico voor onze kinderen, zoals erfelijke aandoeningen, of risico’s die in één keer veel slachtoffers kunnen veroorzaken dan een risico voor jezelf of een risico dat over een lange periode veel slachtoffers maakt.
  • Doorgaans beoordelen we een riskante situatie waarover we controle hebben als minder ernstig dan wanneer we geen controle ervaren. Mensen hechten bovendien waarde aan keuzes. risico’s wordt groter ingeschat als deze niet vrijwillig kunnen worden genomen. Aan de andere kant worden risico’s als hoger ingeschat wanneer inspraak ontnomen wordt en het risico wordt opgelegd. Dit komt bijvoorbeeld tot uiting in de protesten bij het plaatsen van een zendmast in een wijk.
  • Risico’s die we als oneerlijk beschouwen, beoordelen we eveneens als ernstiger en bedreigender dan risico’s die we rechtvaardig vinden. Omdat vooral zij de dupe zijn van een oneerlijke verdeling van lasten en baten, zullen de risico’s van een aardbeving door gaswinning door Groningers waarschijnlijk hoger worden ingeschat dan door niet-Groningers.
  • Er blijkt een omgekeerde relatie tussen positieve gevoelens en risicoperceptie. Deze relatie is ook gekoppeld aan de ervaren voordelen die met een gevaar gepaard gaan. Bij medische technologie denken we vooral aan de voordelen en minder aan de nadelen. We vinden de risico’s dan minder groot dan van technologieën die vooral negatieve gevoelens opwekken zoals kernenergie en pesticiden.
  • Als er een gebrek aan vertrouwen is in de autoriteit die de informatie over risico’s geeft of verantwoordelijk is voor de beheersing van de risico’s, worden risico’s als groter ervaren. Er is dan twijfel over de deskundigheid of er is een vermoeden van verstrengeling van belangen. Zo wordt er in de discussie over de risico’s van vaccins vaak het argument genoemd dat de industrie belang heeft bij vaccinatie van grote groepen. Informatie over bijwerkingen afkomstig van diezelfde industrie wordt dus met enig wantrouwen bekeken. Indien de overheid niet duidelijk en open is over de verschillende belangen, worden risico’s als groter ervaren.

Eenrichtingsverkeer

Al deze factoren konden wel verklaren waarom mensen een gegeven risico als groter of kleiner ervaren, maar ze bieden nog weinig houvast bij het communiceren van risico’s. Ook met deze nieuwe inzichten was risicocommunicatie nog voornamelijk eenrichtingsverkeer. Experts bepaalden de inhoud van de risicoboodschap zonder veel rekening te houden met de risicoperceptie van gewone mensen. Pas rond 1990 begon het te dagen dat informatie beter wordt begrepen als die aansluit bij de opvattingen en voorkeuren van het publiek.

Het beeld dat wij over een concept (bijvoorbeeld ‘asbest’) vormen, bestaat uit een ingewikkeld web van kennis en ideeën, opgebouwd door persoonlijke ervaring en informatie: het is ons ‘mentale model’ van het concept. Het dient als houvast en filter om nieuwe ervaringen en informatie te begrijpen zodat we die een logische plek kunnen geven. Wanneer we in aanraking komen met informatie over asbest, raadplegen we ons mentale model om te bepalen hoe we op deze informatie reageren.

Het ligt voor de hand dat wetenschappers, beleidsmakers, belangengroepen en burgers verschillende mentale modellen hebben van een zelfde risico. Zij hebben niet alleen andere ervaringen en kennis maar ook andere belangen. Het mentale model van niet-deskundigen is meestal eenvoudiger, onvollediger en incoherenter dan dat van wetenschappers — al kunnen mensen die zich ergens erg veel zorgen over maken, zich soms hevig in een onderwerp verdiepen en informatie bijeengaren waar deskundigen nog nooit van gehoord hebben.

Neutrale partij

Informatie over een risico wordt in het beste geval gegeven door een neutrale partij, bijvoorbeeld een allerwegen betrouwbaar geacht onderzoeksinstituut. Maar dan nog sluit het mentale model van de experts die vandaaruit informatie over risico’s geven, niet altijd aan bij alle mogelijke mentale modellen van het publiek. Informatie die experts over het risico geven, wordt daarom — het zal vaker in dit nummer terugkeren — niet geloofd, niet goed begrepen, of om wat voor reden dan ook diep gewantrouwd.

Als wetenschappelijke experts niet direct kunnen of willen communiceren met het publiek, laten ze die taak graag over aan communicatiemedewerkers, beleidsmakers, media en belangengroepen. Maar ieder tussenstation heeft zijn eigen interpretatie van de informatie, past het in in zijn eigen ‘mentale model’, en weegt de eigen belangen mee in de communicatie. Dan wordt de boodschap bijgekleurd, of gaan andere motieven meespelen. Technisch-wetenschappelijke informatie kan dan bijvoorbeeld wat al te sterk worden benadrukt, of worden ingezet ter bevordering van een bepaalde opvatting over het risico. In het huidige klimaat, waarin burgers gemakkelijk toegang hebben tot informatie, werkt deze strategie overigens vaak averechts.

Perspectief

Effectieve risicocommunicatie gaat dus uit van het mentale model of het perspectief van de betrokkenen. Bij het ontwikkelen van risico-informatie is het daarom van belang om, bijvoorbeeld via interviews, eerst te achterhalen wat het publiek denkt. Door het mentale model van het publiek te vergelijken met het mentale model van experts worden verschillen en misconcepties — bij alle partijen — duidelijk. Het is dan gemakkelijker om risico-informatie te ontwikkelen die door het publiek begrepen en geloofd wordt. Daarnaast moet risico-informatie helder antwoord geven op praktische vragen van mensen: wat betekent een risico voor hen, welke maatregelen kunnen zij nemen afhankelijk van hun risico-inschatting en van andere, soms voor experts onverwachte, overwegingen. Er is geen objectief of ‘waar’ risico — goede risicocommunicatie neemt dit als uitgangspunt.

Een E-One Titan-crashtender bij de brand in Moerdijk. (foto: Ministerie van Defensie)

 

BIJ de brand in januari 2011 bij Chemie-Pack in moerdijk maakten omwonenden zich zorgen over de kankerverwekkende stoffen in de rook. In de communicatie met omwonenden werd er bij dergelijke branden tot voor kort gezegd dat ‘er geen gevaar is voor de volksgezondheid’. ook werd er niets gezegd over kankerverwekkende stoffen in de rook, omdat experts dit een verwaarloosbaar risico vinden. omwonenden kregen echter tegelijkertijd het advies uit de rook te blijven en ramen en deuren te sluiten. zulke boodschappen zien veel mensen als tegenstrijdig en niet erg geloofwaardig.

Uit ons onderzoek blijkt dat een meer op het publiek afgestemde boodschap en het expliciet noemen van het risico op kanker als geloofwaardiger en vertrouwenwekkender wordt beoordeeld. In een dergelijke boodschap krijgen omwonenden het advies uit de rook te blijven omdat rook altijd schadelijke stoffen bevat en mensen door het inhaleren van de rook last kunnen krijgen van irritatie van ogen en luchtwegen. ook wordt uitgelegd dat de kans dat je een ernstige ziekte zoals kanker heel erg klein is vergelijkbaar met het inademen van de rook van enkele sigaretten.

Greven FE, Claassen L, Woudenberg F, Duijm F, Timmermans D. Where there’s smoke, there’s fire: focal points for risk communication. International journal of environmental health research 2018.

Uit: Skepter 31.2 (2018)

Liesbeth Claassen is senior onderzoeker bij het Amsterdam Public Health research institute van VUmc en senior onderzoeker en adviseur crisis en risicocommunicatie bij het RIVM.
Tom Jansen is promovendus bij het Amsterdam Public Health research institute en het RIVM.