Een prehistorisch vliegveld

Recent onderzoek op en om de vlakte van Nazca

door Marcel Hulspas – Skepter 5.3 (1992)

De vlakte van Nazca, met zijn kilometers lange, kaarsrechte lijnen, is ongetwijfeld het beroemdste overblijfsel uit de Amerikaanse prehistorie. Tegelijkertijd vormde het ook al decennia lang één groot raadsel. Wie heeft deze immense wirwar aangelegd, en waarom?
In 1969 kwam Erich von Däniken met de theorie dat het om een prehistorisch vliegveld zou gaan. Von Däniken had vele jaren vrij spel; er waren vrijwel geen wetenschappelijk verantwoorde alternatieven. Pas zeer recent heeft archeologisch onderzoek een eind gemaakt aan deze onbevredigende situatie.

De spin (foto: athoughtpaul | Flickr)

In Peru, ruim driehonderd kilometer ten zuiden van de hoofdstad Lima en enige tientallen kilometers uit de Pacifische kust, ligt een woestijnachtig plateau van tweehonderd vierkante kilometer. Het is doorsneden met drooggevallen rivierbeddingen en wordt in het noorden begrensd door de canyon van de Ingenio-rivier, in het westen en zuiden door die van de Nazca, en in het oosten door de uitlopers van de Andes. Deze pampa is bezaaid met vuistgrote stenen, ooit aangevoerd vanuit de Andes door woeste stromingen, veroorzaakt door zware regenval. Maar het schaarse regenwater dat tegenwoordig van de heuvels komt, is daartoe bij lange na niet meer in staat. Het landschap ligt er dan ook al duizenden jaren onveranderd bij.

De stenen zijn, onder invloed van de zon en bacteriën, aan de bovenkant bekleed met een donker laagje ijzer- of mangaanoxyde, desert varnish, en zo’n vijftienhonderd jaar geleden maakten de bewoners van de omringende valleien daar handig gebruik van. Door de stenen aan de kant te leggen maakten ze de lichtere ondergrond zichtbaar en zo voorzagen ze de pampa van grote figuren, ‘geoglyfen’ – figuren zó groot dat hun pracht eigenlijk alleen vanuit de lucht goed te bewonderen is.

Er zijn er zo’n zevenhonderd. Het overgrote deel zijn lijnen, in breedte variërend van één decimeter tot tien meter en in lengte van een tiental meters tot vele kilometers. De meeste vertrekken vanuit bepaalde centra, vaak gelegen op heuvels en gemarkeerd door steenhopen. Ze gaan recht over heuvels en dalen, maken zomaar ergens een knik en houden dan zomaar op of komen op een ander punt weer bij elkaar. Alles loopt kris-kras door elkaar, waardoor de vlakte de indruk wekt van een militair oefenterrein, een dagje gebruikt door een dronken generaal.

Indrukwekkend zijn ook de driehoekige en trapeziumvormige figuren, de spiralen en de tekeningen van dieren: een vogel, een spin, een aap en zelfs een walvis. Het overgrote deel van de tekeningen heeft echter niets te maken met de grote lijnconfiguraties, die er vaak dwars overheen geconstrueerd zijn. Ze bevinden zich vrijwel uitsluitend aan de noordrand van de pampa, in de buurt van de vallei van de Ingenio-rivier.

Over de makers van al dit fraais is heel weinig bekend. Het waren in ieder geval niet de “klassieke” Inca’s, de laatste en grootste van de Andesculturen, die door de Spanjaarden onder de voet gelopen werden. Uit archeologisch onderzoek blijkt dat ze waarschijnlijk geconstrueerd zijn door het zogenoemde Nazca-volk, dat vanaf het begin der jaartelling tot plm. 750 de omringende valleien bewoonde. Aardewerk gevonden op de vlakte vertoont overeenkomsten met artefacten aangetroffen in de ruïnes van de tempelstad Cahuachi, de belangrijkste tempelstad van de Nazca, aan de zuidkant van de pampa.

Vliegende priesters

De lijnen werden in de jaren twintig voor het eerst gezien en beschreven. Men hield het aanvankelijk op irrigatiekanalen, maar toen de Amerikaanse historicus Paul Kosok begin jaren veertig hen ging bekijken, ontdekte hij al snel dat deze interpretatie onjuist was. Wat waren het dan wel? Hij stond voor een meer dan levensgroot raadsel, totdat hij midzomeravond 1941 staande op een kleine heuvel getuige was van een zonsondergang boven de vlakte, en zag dat bepaalde lijnen recht naar de plaats van ondergang liepen. Plots wist hij het: de vlakte was een immense astronomische kalender. Deze ‘astronomische hypothese’ heeft de publicaties over de lijnen van Nazca tot op de dag van vandaag gedomineerd – ten onrechte.

Maria Reiche

De hypothese werd in de jaren daarna uitgewerkt door de wiskundige Maria Reiche, die zich ook verdienstelijk heeft gemaakt voor onderhoud en bescherming van dit wereldwonder. Haar onderzoek spitste zich toe op de spiralen en dierenfiguren. Zij was ervan overtuigd dat dit afbeeldingen van sterrebeelden waren. Zo was de spin een afbeelding van ‘ons’ sterrenbeeld Orion en kon de aap opgesplitst worden over de sterrenbeelden Grote Beer en Leeuw.

Haar werk kreeg een gevoelige klap toen in 1968 de Amerikaanse astronoom Gerald Hawkins – ook bekend van zijn werk aan Stonehenge – een selectie uit de lijnen in zijn computer stopte en uitrekende hoeveel er nu werkelijk in de richting liepen van de punten waar in bepaalde tijdperken zon, maan, planeten en heldere sterren achter de horizon verdwenen. Het resultaat was teleurstellend. Hawkins constateerde dat de vlakte geen astronomische betekenis had. Desondanks bleef de theorie van Kosok-Reiche in leven. Veel populair-wetenschappelijke auteurs gebruikten de schaarse restanten van de theorie die Hawkins nog had kunnen bevestigen, om haar althans als een deel van de verklaring te presenteren.

Archeologen hebben de astronomische theorie -en de verwerping van Hawkins – nooit al te serieus genomen. Alle drie beschouwen de pampa met haar geoglyfen als een eenheid, terwijl duidelijk is dat ze in verschillende fasen aangebracht zijn. Allen keken ze naar de afbeeldingen als geconstrueerd vanuit één enkel uitgangspunt en zochten in de lijnen en figuren naar de astronomische gebeurtenissen en sterren die wij belangrijk vinden, met een grote voorkeur voor de sterrebeelden aan de Noordelijke sterrenhemel. (Het sterrenbeeld Grote Beer bijvoorbeeld komt in Peru maar nauwelijks boven de horizon uit). Maar de verklaring die zij konden geven bleef schetsmatig, vooral door een gebrek aan informatie over de makers.

Het idee dat von Däniken in zijn Erinnerungen an die Zukunft publiceerde, was niet origineel. De ‘landingsbaan voor de goden’ komt bijvoorbeeld al voor in het bekende Dageraad der Magiërs van Louis Pauwels en Jacques Bergier uit 1960. Maar hij maakte de vlakte – en het idee van de landingsbaan – wereldberoemd. Na een korte beschrijving van wat er allemaal op de vlakte te zien is en van het werk van Reiche, speculeert hij hardop over de betekenis ervan, in zijn eigen slordige, hijgerige stijl: ‘Voor ons betekent de 60 km lange vlakte van Nazca – vanuit de lucht gezien – zonder meer een vroegere luchthaven.’ En na nog wat kritiek op anderen: ‘Volgens ons zouden zij ofwel met behulp van een model via een coördinatenstelsel tot in reusachtige afmetingen kunnen zijn aangebracht, of volgens aanwijzingen van een vliegtuig uit aangelegd kunnen zijn. Of de vlakte van Nazca werkelijk een luchthaven was, is op het ogenblik nog niet met zekerheid vast te stellen. (…) Is de veronderstelling zo maar te verwerpen dat de banen werden aangelegd om de ‘goden’ duidelijk te maken: hier landen! Wij hebben alles volgens ‘uw’ opdrachten uitgevoerd! De bouwers van deze geometrische figuren hebben er misschien niet de flauwste notie van gehad wat zij eigenlijk deden. Misschien ook wisten zij wel degelijk wat de ‘goden’ nodig hadden om te landen.’

Von Däniken gaat er dus van uit dat het om een ‘luchthaven’ gaat, waarbij iedere lijn een landingsbaan vormt. De lijnen zijn op grond van aanwijzingen van de ‘goden’ aangelegd, en dat de ‘goden’ ook van plan waren te gaan landen. Von Däniken suggereert dat dat ook inderdaad gebeurd is.

Met meetapparatuur werd de richting van de lijnen vastgesteld door Gerald Hawkins in 1968.

Cargo Cult

De critici van Von Däniken, met als bekendste Ronald Story, auteur van The Space Gods Revealed, maakten korte metten met deze hypothese, met behulp van de volgende drie bekende tegenargumenten:

1. Ruimteschepen hebben geen vleugels, die zijn volstrekt nutteloos in de ruimte. Het is voor deze voertuigen dan ook onnodig om horizontaal, langs een landingsbaan, te landen.

2. Het heet dan wel ‘de vlakte van Nazca’, maar vlak is het terrein beslist niet. En de ‘landingsbanen’ lopen dwars over valleien en heuvels.

3. De hoogvlakte heeft een zachte, zandige bodem en is bezaaid met rotsen. Niet bepaald geschikt voor een rustige ‘touchdown’.

En Story geeft als toegift een wel erg modern en economisch argument:

4. Het Nazca-vliegveld was ’s nachts onbruikbaar bij gebrek aan verlichting.

Erich von Däniken (foto: E. von Däniken | Flickr)

Von Däniken pareerde deze argumenten in zijn Habe ich mich geirrt – Neue Erinnerungen an die Zukunft uit 1985 door het eerste deel van zijn theorie te vergeten en het tweede deel op een geheel andere manier uit te werken. Honend verwijt hij zijn critici dat ze ‘helemaal niet weten wat ik daar nu precies over geschreven heb. Een klassieke poging om iemand naar de slachtbank te leiden. Maar ik laat mij niet slachten, omdat ik mij in een sterkere – ter zake kundige – positie weet.’

Vervolgens werkt hij onder de titel ‘Mijn bijdrage aan de oplossing van het Nazca-raadsel’ de hypothese uit dat er maar één keer een buitenaards ruimteschip geland hoefde te zijn, waarna de verbijsterde indianen het door het gelande ruimteschip achtergelaten spoor vele malen geïmiteerd hebben om een tweede bezoek uit te lokken. Hij ziet een parallel met de ‘cargo cults’ in Nieuw Guinea, na de Tweede Wereldoorlog, toen de inboorlingen baden voor de terugkeer van de grote ijzeren ‘vogels’ met hun rijke inhoud, en daartoe zelfs houten namaakvliegtuigen bouwden om echte vliegtuigen naar beneden te lokken. Ze verzorgden zelfs onontplofte bommen, in de hoop dat uit deze ‘eieren’ weer vliegtuigen zouden komen.

Von Dänikens nieuwe hypothese maakt tegenwerping 4 irrelevant, en de in 2 en 3 aangestipte ongerijmdheden kunnen toegeschreven worden aan een wat ongelukkige keuze van landingsgebied. Blijft echter over argument 1. In Neue Erinnerungen beschrijft Von Däniken de langzame daling van het ruimteschip als volgt: “Bij de landing ontstaat op het plateau van Nazca een trapeziumvormig vlak. Het trapezium is het smalst op de plaats waar de uitlaatgassen van de ruimtesloep vanwege de hoogte van het vaartuig nog weinig effect op de bodem hebben en het breedst op de plaats waar de sloep uiteindelijk landt.” De buitenaardsen verrichten wat bodemonderzoek en laten voor de angstig toekijkende aardbewoners een geschenk achter – dat blijkbaar indrukwekkend genoeg is om alle verdere activiteiten te rechtvaardigen. “Dan, op een dag, begint het monster weer te dreunen. De Indios rennen naar hun waarnemingsposten… en zien hoe het ‘goddelijke vaartuig’ vuurstralen uitbraakt en zich weer in de lucht verheft.”

Olympische gedachte

En zo vervangt Von Däniken de ene slordige theorie door de volgende. Waarom zou een landing een keurig recht trapezium opleveren? Waarom werd die tekening bij het opstijgen niet weggevaagd? Waarom begint hij nu ineens over de trapeziums? Goed, er zijn op de vlakte een twintigtal trapeziumvormige tekeningen – maar er zijn honderden lijnen. Waarom hebben de naar een herhaling van het wonder verlangende indianen de vlakte dan niet volgetekend met trapeziums? En waar, om de analogie met Nieuw-Guinea door te trekken, zijn de resten van de namaak-ruimteschepen?

Von Däniken kiest in zijn “bijdrage aan de oplossing” echter niet voor de verdediging van zijn recente ommezwaai, maar gaat tot de aanval over. Hij presenteert zijn verklaring als een toonbeeld van redelijkheid door “de wetenschap” te verwijten dat zij in de loop der jaren nog veel krankzinniger verklaringen verzonnen heeft. Zijn definitie van wetenschap is echter curieus. Naast het werk van Kosok, Reiche en Hawkins vermeldt hij:

Heteluchtballon van Jim Woodman

1. de amateur-archeoloog Jim Woodman, die ervan overtuigd is dat de Nazca-priesters vanuit heteluchtballonnen de figuren bekeken, en bij wijze van “experimentele archeologie” ook zelf op die manier boven de hoogvlakte het luchtruim koos. Aangezet door Michael Debakey van de International Explorers Society maakten Woodman en de Brit Julian Nott een heteluchtballon van linnen en riet, en stegen tot zo’n tweehonderd meter.

2. de “Münchener octrooigemachtigde” Georg van Breunig, die dacht dat de vlakte een immens sportveld geweest was.

3. De Amerikaanse antropoloog William Isbell die het aanleggen van de vlakte interpreteerde als een vorm van bezigheidstherapie – om te voorkomen dat de bevolking in vette jaren te zeer zou groeien.

4. De Berlijnse chemicus Helmut Tributsch, die beweert dat cultuscentra ontstaan daar waar luchtspiegelingen optreden. En dat zou op de vlakte van Nazca ook het geval zijn. (Von Däniken komt met de onzinnige tegenwerping dat voor een fata morgana water nodig zou zijn, en dat is daar niet voorradig.)

5. De Zwitser Henri Stierlin, die de lijnen ziet als de sporen van uitgelegde, zeer lange draden, die op de lijncentra tot grote kleden aaneengeweven werden.

6. de Hongaar Zoltan Zelko, die denkt dat het om een plattegrond van de omgeving van het Titicaca-meer gaat.

Von Däniken schrijft, met een bijna misselijk makend toontje: “Al deze verklaringen van wetenschappelijke kant komen op mij, houd het me ten goede, als bijeengenomen nogal geforceerd over.” Maar met wetenschap hebben deze door hem waarschijnlijk uit dagen weekbladen geknipte ‘verklaringen’ uiteraard niets van doen. Anthony Aveni vermeldt er in zijn The Lines of Nazca – waarover straks meer – twee, en dan vluchtig: Woodmans ballonvaart en Breunigs sportveld, en beide als voorbeeld van een fundamenteel verkeerde aanpak. Aveni besteedt veel aandacht aan het werk van Kosok, Reiche en Hawkins, maar legt de nadruk op de zwakke plekken, en concentreert zich op de theorieën van de Peruaanse archeoloog Mejia Xesspe en de Amerikaanse antropoloog Johan Reinhard – ook over hen later meer.

Von Däniken moge dan niet geïnteresseerd zijn in wat de wetenschap over de lijnen te vertellen heeft, gezegd moet worden dat Ronald Story hem wat dat betreft weinig ontloopt. In zijn hierboven genoemde debunking van Von Däniken kon hij geen ander alternatief geven dan de ballonvlucht van Woodman. Hij spreekt van een “boeiend alternatief voor de theorie van de ruimtegoden” en schijnt zich niet te realiseren dat dat niet veel meer dan een goedkope publiciteitsstunt was die op archeologen bijzonder weinig indruk maakte.

Er zijn geen aanwijzingen dat het Nazca-volk ooit het luchtruim koos. Story vermeldt dat de hete lucht waarschijnlijk geleverd werd door “enorme brandputten” waarvan de resten nog steeds op de vlakte aantoonbaar zouden zijn. Dat slaat nergens op. De vlakte vertoont – afgezien van de lijnen – slechts uiterst weinig sporen van menselijke activiteit. Naast vele steenhopen – met daarin ook potscherven – vallen hier en daar boogvormige of volledig ronde steencirkels op, maar dat zijn beslist geen resten van brandhaarden, (waarschijnlijk gaat het om resten van provisorische schuilplaatsen die bescherming boden tegen zandstormen.)

Condor (foto: P. Williams | Wikimedia Commons)

Het water achterna

Archeologen verzetten zich in het algemeen tegen een Thor-Heyerdahlachtige aanpak zoals van Woodman, en in het bijzonder tegen de voortdurend terugkerende suggestie dat de pampa, als één geheel, en dan eigenlijk uitsluitend vanuit de lucht moet worden bestudeerd. Onderzoek aan de grond, daar gaat het om. De pampa is echter zó groot dat men er pas begin jaren tachtig in slaagde dit op de vereiste grootschalige en systematische manier uit te voeren. Dat gebeurde door vrijwilligers en studenten, onder leiding van astronoom en antropoloog Anthony Aveni en antropoloog Gary Urton, beide van de Colgate University in Hamilton (New York), archeoloog Persis Clarkson van de Athabaska universiteit in Edmonton, Alberta (Canada), en informaticus Clive Ruggles van de universiteit van Leicester in Groot-Brittannië. De onderzoekers waren vooral geïnteresseerd in de lijnen. Over de – over het algemeen eerder geconstrueerde – dierenfiguren kwamen ze eigenlijk niets naders te weten.

Aveni bezocht de vlakte voor het eerst in 1977, bij wijze van uitstapje na een lang en inspannend onderzoek aan de ruïnes van de oude Inca-hoofdstad Cuzco. Hij was in het gezelschap van Tom Zuidema, van de universiteit van Illinois, een kenner van de Inca-kalender. Vrijwel onmiddellijk zagen zij de overeenkomst tussen de lijnen op de vlakte en het ceque-systeem waarmee de Incahoofdstad ooit ingedeeld werd.

Ceques waren de onzichtbare, kaarsrechte lijnen met behulp waarvan de bestuurders en priesters van Cuzco de stad en het omliggende land indeelden. Er waren er 41, en op die ceques lagen ruim driehonderd heilige plaatsen, huacas. ledere ‘taartpunt’ van de stad was toegewezen aan een bepaalde socio-economische groep, die verantwoordelijk was voor het onderhoud van de huacas en die, gedurende een bepaalde ‘maand’, iedere dag bij een andere huaca de bijbehorende ceremoniën verrichtte.

De Inca-kalender omvatte zo dertien maanden. Twaalf daarvan werden ‘onderhouden’ door de bevolking, maar de ‘grote vrije maand’ was voorbestemd voor ceremoniën uitgevoerd door de Inca-koning. Het begintijdstip en de lengte van een maand werd bepaald door belangrijke astronomische gebeurtenissen, maar ook zaken als de regentijd en het binnenhalen van de oogst speelden een grote rol. De watervoorziening was een bron van permanente zorg, en daar waar de ceque samenviel met een rivier of bron, bracht men offers aan de daarvoor verantwoordelijke voorouders. Het was al met al een systeem waarin astronomische, geografische en sociale factoren onverbrekelijk met elkaar verbonden waren.

Aveni zag vrijwel onmiddellijk de overeenkomsten tussen het kalendersysteem van Cuzco en de tekeningen op de vlakte, en zette een uitgebreid onderzoek op om deze connectie uit te diepen. Samen met Urton – een leerling van Zuidema – startte hij in 1980 met het verzamelen van literatuur, kaarten en foto’s van de pampa, en een jaar later keerde hij er zelf terug. Het onderzoek nam uiteindelijk vijf jaar in beslag, en verscheen in 1990 als onderdeel van de Memoirs of the American Philosophical Society – een boekwerk van ruim anderhalve kilo, later omgewerkt tot een kort artikel voor het tijdschrift The Sciences. Het is, gezien de financiële en organisatorische inspanning, zonder twijfel de definitieve publicatie over dit onderwerp.

Lijnen naar de tempel

Aveni ontdekte dat de watervoorziening een grote rol speelde bij de aanleg van de Nazca-lijnen. De lijncentra liggen bij voorkeur aan de randen van de vlakte, en de lijnen die vanuit centra bij de heuvelruggen in het oosten vertrekken, lopen voornamelijk pal naar het westen, hetgeen erop zou kunnen duiden dat zij de stroming nabootsen van het water na een – in dit gebied zeldzame – stortbui. Een andere aanwijzing dat de lijnen met waterstromen te maken hebben, was de grote overeenkomst tussen de oriëntatie van een drooggevallen rivierbedding en de lijnen eromheen. Een redelijk aantal lag daar ook gewoon dwars op, maar dan steeds zodanig dat als men de lijn vanuit het centrum volgde, de richting ‘stroomopwaarts’ steeds links lag.

De grote vogeltekening lijkt in lijn met de as van opgaande en ondergaande zon-posities in december en juni.

Waren de lijnen, net als de ceques in Cuzco, verbindingslijnen tussen heilige plaatsen, paden voor ceremonieel gebruik? Voor deze theorie bestaat een bescheiden hoeveelheid aanvullend bewijsmateriaal. Niet alleen lijkt de plattegrond van de vlakte op een verzameling over elkaar gelegde plattegronden van het ceque-systeem, de kaarsrechte, met steenhopen afgezette paden lijken ook sterk op de duizend jaar later aangelegde Incawegen. Daarbij komt dat in de bredere lijnen altijd een smaller voetpad ligt. Gezien het feit dat die paden ook voorkomen in de meest verlaten delen van de pampa, zijn ze waarschijnlijk niet gemaakt door toeristen of de huidige bewoners van de dalen, maar dateren ze nog uit de tijd dat de lijnen aangelegd werden.

Maar wie decoreerden deze godsdienstige arena dan? Potscherven die op de vlakte gevonden werden, vertonen overeenkomsten met scherven aangetroffen in de ruïnes van dorpen in de omliggende rivierdalen. De daarop voorkomende afbeeldingen lijken op de dieren-geoglyfen, en omdat de dorpen gedateerd konden worden tussen 200 vóór en 600 na Christus, dateren de dierafbeeldingen waarschijnlijk uit dezelfde tijd. Met de lijnen ligt het moeilijker. Het feit dat ze veelal over de dierfiguren heen aangelegd zijn, duidt erop dat ze van later datum zijn, wellicht ten tijde van de Huasca’s, die de Nazca’s rond 650 onder de voet liepen.

Er is echter wél een duidelijk verband met de oude Nazca-tempelstad Cahuachi. Aveni had al opgemerkt dat even ten noorden van de stad opvallend veel lijncentra lagen, zodat daar ook extra veel lijnen lopen, en hetzelfde is te zien bij de cultureel aan Cahuachi verwante dorpen, ceremoniële centra en begraafplaatsen. Eén grote lijn begint bij Cahuachi, schiet heen en weer dwars over de vlakte en komt ten slotte weer bij de stad terug. Bij recente opgravingen in Cahuachi vond Helaine Silverman van de universiteit van Illinois, Urbana-Champaign, pal ten zuiden van de tempelstad een verzameling kunstmatige heuvels, verbonden door rechte lijnen, net als op de vlakte aan de andere kant van het rivierdal, zij het veel minder opvallend. Silverman is ervan overtuigd dat de tempelstad en de pampa, en de nabijgelegen bergtoppen, gezien moeten worden als één ‘religieus space’.

Het is uiteraard heel opvallend dat de Nazca’s en de Inca’s, twee zo’n duizend jaar uit elkaar liggende culturen, praktisch hetzelfde kalendersysteem kenden. Is het mogelijk dat er in die tijd weinig of niets aan is veranderd? Nee, sterker nog, zo ontdekte antropoloog Gary Urton, de erfenis van de Andesculturen is nog steeds aanwezig. Varianten op het systeem wordt tot op de dag van vandaag gebruikt.

Zingend de berg op

Urton verrichtte verscheidene jaren veldwerk in het 850 zielen tellende dorpje Pacariqtambo, zo’n 40 kilometer ten zuiden van Cuzco. De bevolking is ingedeeld in tien groepen, ayllus, die buiten het dorp over een gemeenschappelijk stuk grond beschikken en daarbinnen verantwoordelijk zijn voor een combinatie van sociale en religieuze verplichtingen, ledere ayllu is verantwoordelijk voor een bepaalde feestdag, meestal die van een bepaalde heilige. Van tevoren bouwen de ayllu-leden een tijdelijk altaar voor de aanbidding van de heilige op het plein naast de kerk, en op de dag zelf wordt het beeld van de heilige in processie rondgedragen. Dat plein dient dan uiteraard mooi schoon te zijn, en daarom is het terrein onzichtbaar verdeeld in tien stroken, chhiuttas.

ledere ayllu is verantwoordelijk voor zijn eigen chhiutta en de in het verlengde daarvan liggende stukken van de kerkmuur en het kerkhof, en zorgt er voor dat het die dag schoon is, en dat de muren keurig gewit zijn. Tijdens de schoonmaak kan er nog onderhandeld worden over de precieze grenzen tussen de chhiuttas, maar dank zij zaken als greppels, heuveltjes – en de in de loop der jaren ontstane verschillen in onderhoud aan de muren -liggen ze wel redelijk vast.

De inwoners van Pacariqtambo lijken zoiets als het ceque-systeem dus te combineren met christelijke rituelen, en daarbij zijn vooral zaken als de verdeling van werk en van riten overeind gebleven. In andere Andes-gemeenschappen lijkt juist het rituele gebruik van de lijnen bewaard te zijn gebleven. De Amerikaanse antropoloog Johan Reinhard verrichtte – pakweg gelijktijdig met Urton – veldwerk in Bolivia en Chili en ontdekte dat er op verschillende plaatsen rechte lijnen direct naar de toppen van heuvels liepen. Hier en daar trokken dorpelingen op een bepaalde dag zingend en dansend langs deze lijnen naar boven, om aldaar aangekomen offergaven te presenteren aan een verder weg gelegen, veel hogere berg, die beschouwd werden als bron van water. Reinhardt ontwikkelde op basis van zijn observaties de theorie dat in ieder geval enkele Nazca-lijnen rituele wegen waren, tussen bepaalde voor de irrigatie belangrijke punten en heilige plaatsen, en dat deze wegen op gezette tijden afgelegd werden om de water brengende bergen te aanbidden.

Aveni constateert dat Reinhardts hypothese ‘niet in tegenspraak’ is met zijn eigen werk. Het is dan ook mogelijk het werk van Aveni, Urton en Reinhardt te combineren tot één -nog steeds speculatieve – theorie over de betekenis van de Nazca-lijnen. Belangrijk is dat de pampa als een dynamisch geheel moet worden beschouwd. Waarschijnlijk hebben verschillende, wellicht opeenvolgende groepen bewoners van de valleien – die we nu onder de noemer ‘Nazca’ bij elkaar vegen – hun eigen systeem van ceques en huacas ontworpen en aangelegd, dwars over dat van hun voorgangers heen. Op bepaalde feestdagen, samenhangend met de oogst of met astronomische gebeurtenissen, legde men ze dansen en zingend af om aan het eindpunt, midden op de vlakte of aan de voet van de Andes, de zon, sterren of bergen te aanbidden. Voorafgaande aan de processie legde de verantwoordelijke ayllu nieuwe paden aan, of maakte de oude schoon. In één jaar tijd werd zo aan alle religieuze verplichtingen voldaan, en het systeem onderhouden.

Maar ook al weten we nu enigszins wat de functie van de lijnen was, één raadsel onttrekt zich aan ieder archeologisch onderzoek. Hoe waren zij in staat om zulke kaarsrechte lijnen uit te zetten, dwars over heuvels en riviergeulen heen? Die prestatie staat na al die eeuwen nog steeds haarscherp uitgetekend, kilometer na kilometer, op de droge pampa van Nazca.

Literatuur

Anthony Aveni (ed.), The Lines of Nazca, Memoirs of the American Philosophical Society, vol. 183, Boston,1990.

Anthony Aveni en Helaine Silverman, ‘Between The Lines’, The Sciences, july/august 1991.

Erich von Däniken, Waren de Goden Kosmonauten?, Kluwer, Deventer, 1969.

Erich von Däniken, De Fantastische Werkelijkheid, Sijthoff, Amsterdam, 1986.

Ronald Story, Von Däniken weerlegd, Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1979.

Uit: Skepter 5.3 (1992)

Marcel Hulspas is wetenschapsjournalist en was hoofdredacteur van Skepter van 1988 tot en met 2002