Tegen de genetica

De laatste bloei en ondergang van het lysenkoïsme

door Marcel Hulspas – Skepter 15.3 (2002)

VIJFTIG jaar lang werd de biologie in de Sovjet-Unie geteisterd door het lysenkoïsme. Dankzij recente ontdekkingen in KGB-archieven wordt nu duidelijk hoe deze pseudowetenschap zo lang kon triomferen.

Trofim Lysenko (via WikiMedia)

Trofim Lysenko had de barre oorlogsjaren ver van de fronten doorgebracht. (1) Hij had in Siberië de boeren geadviseerd over hoe ze de opbrengsten van aardappelen en graan konden vergroten. Hij pleitte voor het voortplanten van aardappelen door middel van stekjes (zodat de pootaardappelen beschikbaar kwamen voor de voedselvoorziening) en wat het graan betrof probeerde hij de boeren over te halen hun zaaigoed te verwarmen alvorens het uit te zaaien. Zijn ‘bijdragen’ werden in de sovjetpers luid geprezen. Gedurende de oorlogsjaren had hij zijn goede contacten met de top van de partij, met name met Jozef Stalin, zorgvuldig gekoesterd en plannen gesmeed om, eenmaal weer terug in Moskou, de strijd tegen de academische biologie en genetica voort te zetten.

De eerste stap werd gezet in 1946. Samen met zijn trouwe medestander, de marxistische filosoof Isaak Prezent, schreef hij een artikel in de Pravda van 28 juni, getiteld ‘Ga niet in een slee zitten die niet van jou is’. Het was een aanval op de beroemde plantkundige Pjotr Zjoekovski die het gewaagd had om Lysenko’s theorieën af te wijzen. Het ging daarbij vooral om diens opvatting dat er geen strijd om het bestaan bestaat tussen soortgenoten, wat toch het fundament is onder de evolutietheorie. Volgens Lysenko bestond er geen strijd bínnen de soort maar alleen tussen soorten. Het was een gewaagde stap, want Zjoekovski was lid van de Academie van Wetenschappen, en een hogere wetenschappelijke rang bestond er in de Sovjet-Unie niet. (2)

Ruim een jaar later volgde een artikel in de Literatoernaja Gazeta waarin Lysenko uitlegde dat het idee dat soortgenoten elkaar bestreden typerend was voor de bourgeoisbiologie van het westen, die op die manier de klassenstrijd en de onderdrukking van de arbeidende klasse binnen de westerse samenleving probeerde goed te praten.

De sovjetbiologen voelden dat Lysenko terug probeerde te komen, en dat hij nu de aanval had geopend op het darwinisme. Ze voelden het gevaar groeien, maar wisten dat hij nog lang niet gewonnen had. Besloten werd tot een tegenaanval. Op 4 november 1947, tijdens een openbare bijeenkomst van de wetenschappelijke raad van de biologische faculteit van de universiteit van Moskou, gaven drie prominente biologen – Schmalhauzen, Formosov en Sabinin – ieder een lezing waarin ze de stelling van Lysenko weerlegden. De vergadering stelde daarna een verklaring op, ‘Onze bezwaren tegen Academielid Lysenko’, die door alle 24 leden ondertekend werd en aangeboden aan de Literatoernaja Gazeta. Het stuk verscheen pas twee weken later, met daaronder uitsluitend de namen van bovengenoemd drietal plus die van faculteitsvoorzitter Joedintsev. In hetzelfde nummer van de krant stond ook een bijdrage geschreven door verscheidene aanhangers van Lysenko.

Goedgekeurd door de partij

De waarschuwing aan het adres van het viertal was overduidelijk. Maar de biologen zetten door. Er volgde een conferentie op 11 december van de afdeling biologie van de Academie, waarvan het verslag werd opgestuurd naar het Centraal Comité, het hoogste orgaan van de Communistische Partij. Tijdens een conferentie begin februari 1948 werd opnieuw benadrukt dat strijd tussen individuen binnen de soort een wetenschappelijk feit was.

Kort daarna werd een van de drie tegenstanders, Ivan Schmalhauzen (1884-1963), de directeur van het Academie-Instituut voor evolutionaire morfologie, uitgenodigd door het hoofd van de afdeling wetenschap van het Centraal Comité, Joeri Zdanov. Dat was de zoon van de machtige partijsecretaris Andrej Zdanov en de schoonzoon van Stalin. Het vraagstuk van de strijd tussen soortgenoten zou ‘gearchiveerd’ worden, zo vertelde Zdanov junior. Korte tijd later hield hij zelfs een lezing waarin hij zich uitsprak tegen de opvattingen van Lysenko.

Het tij leek gekeerd. Maar Lysenko kende Stalin wellicht beter dan Zdanov. Hij speelde de dictator de tekst toe van Joeri Zdanovs lezing. Stalins exemplaar is teruggevonden in het partijarchief; hij heeft de tekst voorzien van kreten als ‘Onzin!’ en ‘Ga nou gauw weg!’ Stalin beschouwde zichzelf als een deskundige als het ging om vraagstukken van biologie en ideologie, en zijn opmerkingen maken duidelijk dat de houding van de sovjetregering ten opzichte van de biologen vanaf dat moment door hem persoonlijk werd vastgesteld.

Lysenko liet pas van zich horen tijdens een bijeenkomst van de Lenin Academie voor landbouwwetenschap (waarvan hij sinds 1938 de voorzitter was) in augustus 1948. Zijn lezing ‘Over de toestand van de sovjetbiologie’ was van tevoren gezien en bewerkt door Stalin persoonlijk. Lysenko verwierp de ‘Mendelistisch-Morganistische genetica’ (3) en noemde het een grote blunder dat Charles Darwin de opvatting van de reactionaire econoom Thomas Malthus in zijn theorie had verwerkt. (4) Lysenko deed een felle aanval op de geneticus en Academielid Schmalhauzen, wiens ideeën volgens hem ‘al lang vernietigd zijn door de progressieve beweging van de wetenschap’ en op Zjoekovski omdat hij geloofde dat er zoiets als genen bestonden. De eveneens aanwezige filosoof Mark Mitin, de directeur van het Marx-Engels Instituut, waarschuwde dat de genetica ‘niets gemeen heeft met het dialectisch materialisme’. (5)

Het ware venijn zat echter in de staart. Na een week heftig debatteren, maakte Lysenko in de slotopmerkingen aan het eind van de conferentie duidelijk dat ‘het Centraal Comité van de partij mijn verslag onderzocht en goedgekeurd heeft’. Dat betekende dat er geen discussie meer mogelijk was; verder verzet betekende verraad aan de partijlijn. Zjoekovski, nogmaals uitgedaagd, was verbijsterd en zag geen andere uitweg dan zelfvernedering: ‘Ik geef toe dat ik een foutief standpunt heb ingenomen’. Anderen volgden. Dat het Stalin en de andere leiders menens was bleek wel uit het feit dat er diezelfde dag in de Pravda een brief verscheen van Joeri Zdanov waarin deze vertelde dat hij zich vergist had.

Lysenko spreekt in het Kremlin in 1935. Rechts achteraan partijchef Jozef Stalin. (via WikiMedia)

Verbanning

De Academie van Wetenschappen wist wat haar te doen stond en wilde de situatie nog enigszins redden. Op 27 augustus publiceerde de Pravda ‘Een brief aan Stalin van het Presidium van de Academie van Wetenschappen’ waarin meegedeeld werd dat men ‘de fouten zal herstellen die zijn begaan, en de afdeling biologie zal reorganiseren en een biologie zal ontwikkelen in een ware materialistische mitjoerinistische richting’. (6) Om te beginnen werd een nieuwe secretaris benoemd van de afdeling biologie: de lysenkoïst Ivan Oparin. Schmalhauzen werd ontslagen. In een redactioneel commentaar, duidelijk geschreven in samenwerking met het Politburo, (7), werd geconstateerd dat het zo ver kon komen omdat het presidium van de Academie geen oog had gehad voor ‘het belangrijkste principe voor iedere wetenschap: het partijprincipe’. De Academie werd opgeroepen om wat dat betreft verder te kijken dan alleen maar naar de afdeling biologie. (8)

Ook het ministerie van onderwijs ondernam nu actie en de hele herfst regende het ontslagen. Complete universitaire afdelingen werden naar huis gestuurd en vervangen door aanhangers van Lysenko. In totaal werden enkele duizenden biologen ontslagen, en omdat ze geen getuigschrift (karakteristika) meekregen, wat in de Sovjet-Unie een absolute vereiste was (en in Rusland nog steeds is) om elders aangenomen te worden, waren hun carrièrekansen daarmee verkeken. Schmalhauzen, een onderzoeker met een internationale reputatie, vond uiteindelijk (en ondanks grote weerstand vanuit de partij) werk op het zoölogisch instituut in Leningrad (het toenmalige Sint-Petersburg). Aleksandr Formozov (1899-1973), zoöloog aan de universiteit van Moskou en ook een geleerde met een grote reputatie, had het geluk dat hij ook nog een baan had bij het geografisch instituut van de Academie, waar hij zijn onderzoek kon voortzetten. De plantkundige Dimitri Sabinin (1889-1951) kon na twee jaar werkloos te zijn geweest een baan op het Academie-Instituut voor bodemonderzoek krijgen, maar werd door secretaris Oparin verjaagd naar de Krim, waar hij onderzoek kon verrichten aan algen. Hij pleegde in 1951 zelfmoord.

De overwinning van de lysenkoïsten was nooit compleet. Opmerkelijk is bijvoorbeeld dat een wetenschappelijk instituut, dat voor bosbouw, altijd gevrijwaard is geweest van lysenkoïsten. Het blad van het instituut, het Botanisch tijdschrift, bevatte begin jaren 1950 regelmatig bijdragen gericht tegen Lysenko. Ook het bulletin van de Moskouse Vereniging voor natuurvrienden was op de hand van de antilysenkoïsten. Medewerkers van de vereniging werkten zelfs aan een woordenboek van Russische botanici waarin tot grote woede van de partij een lemma opgenomen dreigde te worden over een van de bekendste tegenstanders van Lysenko, Nikolaj Vavilov. Uiteindelijk werden ook deze twee onschadelijk gemaakt. Het bosbouwinstituut werd in 1961 overgeplaatst naar Krasnojarsk, in Siberië; de vereniging voor natuurvrienden kwam eind jaren 1960 vrijwel volledig onder controle van aanhangers van Lysenko.

Intimidatie

Nikolaj Vavilov (1887-1943) was een vermaard botanicus en geneticus, Academielid en onder andere directeur van het Academie-Instituut voor Genetica. Na zich aanvankelijk op de vlakte te hebben gehouden, verzette hij zich vanaf 1937 steeds heftiger tegen het ontslaan, arresteren en deporteren van biologen die Lysenko bestreden. Hij schreef brieven naar de NKVD (9) waarin hij om hun vrijlating vroeg, een zeer gevaarlijke activiteit want iedereen wist dat dergelijke verzoeken later gemakkelijk tegen iemand gebruikt kon worden.

Nadat Stalin in 1939 Lysenko, de plantkundige Nikolai Tsitsin (1898-1980) en zichzelf tot Academielid had benoemd, waren de dagen van tegenstanders als Vavilov geteld. Maar het besluit om de vermaarde geleerde op te pakken werd op het hoogste niveau genomen. Lavrenti Beria, het hoofd van de NKVD, vroeg aan de voorzitter van de Raad van Volkscommisarissen, Vjatsjeslav Molotov, toestemming om hem te arresteren. (10) De Raad gaf het groene licht, en op 6 augustus 1940 werd Vavilov gearresteerd, officieel wegens lidmaatschap van de (fictieve) Arbeiders-Boerenpartij en omdat hij contact had gehad met de in 1929 uit de partij gestoten (en in 1938 tijdens een showproces ter dood veroordeelde) ex-partijbons Nikolaj Boecharin (1888-1938).

Vavilovs flat werd leeggehaald en al zijn wetenschappelijke werk en aantekeningen werden vernietigd. Hijzelf werd overgebracht naar de beruchte Loebjankagevangenis in Moskou, waar hij vele maanden lang onderworpen werd aan martelingen en onmenselijke verhoren. Collega’s die eveneens gearresteerd waren en gemarteld werden beschuldigden hem van antisovjetactiviteiten. In de loop van 1940-41 ondertekende een geestelijk en lichamelijk gebroken Vavilov verscheidene door de NKVD opgestelde belastende verklaringen. Uiteindelijk ‘bekende’ hij in juli 1941 dat hij westerse spionnen had geholpen. Hij werd ter dood veroordeeld en overgebracht naar de Boetirkagevangenis in dezelfde stad.

Het vonnis werd niet voltrokken. Mogelijk wilden de partijleiders geen internationaal schandaal uitlokken, was het ze er alleen maar om te doen om andere dwarse biologen te intimideren of waren er plannen om hem over te brengen naar een van de vele geheime onderzoekscentra (de sjaraska’s) waar de NKVD veroordeelde wetenschappers opsloot en dwong om verder onderzoek te doen. (11) In mei 1941 begon Beria met het evacueren van gevangenen uit Moskou naar andere steden (in tegenstelling tot Stalin was hij ervan overtuigd dat er een Duitse inval op stapel stond). De half doodgemartelde Vavilov werd overgebracht naar Saratov, waar hij in januari 1943 in het gevangenisziekenhuis overleed.

De grote overwinnaars van de conferentie van 1948 waren uiteraard Lysenko en Prezent. Lysenko zelf werd hoofd van de afdeling genetica van de Academie; Isaak Prezent (1902-1969) werd hoofd van de faculteiten genetica en de afdelingen darwinisme van de universiteiten in zowel Moskou als Leningrad. (12)

Minstens even opmerkelijk, zeker voor buitenlanders, was de opkomst van Aleksandr Ivanovitsj Oparin (1894-1980). Hij genoot wereldfaam als de auteur van De oorsprong van het leven (Russische editie 1924, Engelse editie 1938) waarin hij het idee lanceerde dat het leven honderden miljoenen jaren geleden ontstaan zou zijn in een chemische oersoep onder een zuurstofloze atmosfeer. Zijn inzichten op dit terrein vormen nog steeds het fundament onder het onderzoek naar het ontstaan van leven. Oparin was van 1946 tot aan zijn dood directeur van het Bach Instituut voor Biochemie maar toonde zich in de jaren na de oorlog ook een enthousiast aanhanger van Lysenko. Daarnaast verleende hij steun aan een nog veel bedenkelijker onderzoeker, Olga Lepesjinskaja (1871-1963). Deze oude bolsjewiek (ze was ooit bevriend geweest met Lenin) had met behulp van haar microscoop ontdekt dat cellen spontaan konden ontstaan uit allerlei soorten niet-cellulaire materie. Die ontdekkingen waren te danken aan onervarenheid, wensdroomdenken en onzorgvuldige prepareertechnieken (ze werkte thuis, geholpen door haar dochter, schoonzoon en kleindochter). Dankzij haar politieke connecties slaagde ze er in 1945 in een boek gepubliceerd te krijgen – met een lovend voorwoord van Lysenko – waarin ze haar ontdekkingen beschreef, onder andere de vorming van rode bloedcellen in eigeel.

In 1950 organiseerde ze een conferentie over het spontaan ontstaan van leven die onder voorzitterschap stond van Oparin. ‘Pogingen om levende systemen te scheppen,’ zo zei hij (niet geheel zonder ironie?), ‘zijn alleen mogelijk in de Sovjet-Unie. Ik denk dat het doel van deze bijeenkomst bestaat uit de bekritisering en vernietiging van de laatste rest van het mendelisme in ons land, de virchoviaanse beschrijving van de celtheorie.’ (13)

Zevenentwintig sprekers gaven acte de présence – sommigen overigens pas na bevel van het Centraal Comité. In datzelfde jaar ontving Lepesjinskaja de hoogste onderscheiding van de Sovjet-Unie, de Stalinprijs. Tijdens een vervolgconferentie twee jaar later deelde ze mee dat er nu ‘langs experimentele weg een nieuwe dialectisch-materialistische theorie over de oorsprong van cellen uit niet-levende materie’ was ontwikkeld. Na de dood van Stalin op 5 maart 1953 werd alles anders – of toch weer niet. Het was Stalin geweest die er voor gezorgd had dat de hoogste partijorganen zich met de ideologische betekenis van de moderne biologie hadden beziggehouden. Stalin meende dat hij daar verstand van had, las allerlei boeken en redevoeringen zorgvuldig en droeg zijn ondergeschikten op actie te ondernemen ten gunste van Lysenko. Zijn dood betekende het einde van deze fatale directe bemoeienis met de biologie. Maar dat betekende nog niet dat de lysenkoïsten hun machtspositie kwijt waren. De strijd moest nog beginnen.

Het eerste teken van verzet kwam in 1956, toen drie biologen uit Leningrad – Vladimir Aleksandrov, Dimitri Lebedev en Joeri Olenov – een brief schreven aan het Presidium (de opvolger van het Politburo) van de Communistische Partij. Daaronder stonden, naast hun namen, de handtekeningen van bijna driehonderd vakgenoten. Ze vroegen dringend om de vervanging van Oparin, die zich steeds onmogelijker ging gedragen. Mede dankzij het grote aantal ondertekenaars (waaronder ook lysenkoïsten) kon de partij dat verzoek niet negeren. Oparin vertrok.

Hardnekkig verzet

Daarbij bleef het. De andere lysenkoïsten hielden zich kalm maar zaten aan het pluche genageld. Verzet bleef nog vele jaren gevaarlijk. Dat ondervond bijvoorbeeld Josef Rapoport (1912-1990). Hij was de enige felle antilysenkoïst die tot die fameuze bijeenkomst in augustus 1948 had weten door te dringen. Via een kennis had hij een toegangskaartje weten te bemachtigen en hij was daar de enige geweest die luidkeels liet weten Lysenko en zijn aanhang domkoppen te vinden. Kort daarop werd hij ontslagen als directeur van het Academie-Instituut voor Cytologie, Embryologie en Histologie en uit de partij gegooid. Rapoport vond daarna nog een baan als geoloog. Pas in 1958 vond hij weer zinvol werk.

Na enige maanden bittere strijd met partijbonzen en lysenkoïsten slaagde Nikolaj Semenov (1896-1986), die twee jaar daarvoor de Nobelprijs voor scheikunde had gekregen, er in Rapoport naar zijn Academie-Instituut voor Chemische Fysica te halen. In 1963 werd Rapoport zelf voorgedragen voor de Nobelprijs voor zijn werk aan mutagene stoffen. Het Centraal Comité liet echter weten dat hij de prijs pas mocht accepteren als hij berouw toonde voor zijn gedrag in 1948. Rapoport weigerde categorisch. De sovjetregering liet weten geen prijs te stellen op toekenning van de onderscheiding en de prijs ging aan Rapoport voorbij.

Voor Lysenko zelf had de dood van Stalin geen directe gevolgen want hij kon rekenen op de steun van diens opvolger, Nikita Chroetsjov. Pas nadat deze ten val kwam, in oktober 1964, was het met de macht van Lysenko gedaan. De nieuwe partijleider Leonid Brezjnev wist dat de sovjetlandbouw ernstig achterbleef bij die in het westen en wilde af van de matige opbrengsten, de wilde beloften en het oeverloze geëxperimenteer. In februari 1965 werd Lysenko afgezet als voorzitter van het Academie-Instituut voor landbouw. En nog was het lysenkoïsme niet verslagen. Zijn medestanders wisten nog steeds van geen wijken.

Hun voornaamste tegenstander in de jaren 1960 was moleculair bioloog Zhores Medvedev die in 1962 in het geheim (via de samizdat) een boek uitbracht over de affaire Lysenko (in 1969 in de VS verschenen als The Rise and Fall of T.D. Lysenko). Hierin kon het westen voor het eerst grondig kennismaken met deze man en zijn waanzinnige theorieën. In 1970 slaagden zijn tegenstanders er in hem op te laten sluiten in een psychiatrische inrichting omdat hij zou lijden aan ‘sluipende schizofrenie’. Dankzij internationaal verzet geleid door de fysici Pjotr Kapitsa (1894-1984, Nobelprijs 1978) en Andrej Sacharov (1921-1989, Nobelprijs voor de vrede 1978) kwam Medvedev na enkele maanden weer vrij. Later emigreerde hij naar Engeland.

Beide fysici waren internationaal bekende onderzoekers en dankzij hun werk aan de Russische atoombom praktisch onaantastbaar. Kapitsa had al eerder het leven gered van de gearresteerde fysici Vladimir Fok en Lev Landau. Sacharov werd in 1968 uit het wetenschappelijk onderzoek gestoten nadat hij zonder toestemming in het westen had gepubliceerd. De veroordeling van Medvedev maakte onderdeel uit van een zeer intensieve KGB-campagne tegen dissidente intellectuelen als Joeri Orlov, Aleksandr Ginzburg, Anatoli Sjaranski en natuurlijk Sacharov zelf, die in 1980 vanwege zijn verzet tegen de oorlog in Afghanistan verbannen werd naar Gorki. Desondanks betekende de bevrijding van Medvedev het begin van het einde van het gesloten front van de Lysenkoïsten. Ondanks alle politieke omwentelingen in Rusland in de jaren 1980-90 is binnen de Academie nooit de behoefte ontstaan aan een systematische zuivering. ‘Natuurlijk verloop’ zal de laatsten der lysenkoïsten uit de Russische wetenschap moeten verwijderen.

Trofim Lysenko meet de groei van graan op een collectieve boerderij in Oekraïne, 1930’s. (foto: Hulton Deutsch Collection)

Noten

1. Trofim Denisovitsj Lysenko (1898-1976) had voor de oorlog furore gemaakt als bedenker van ‘revolutionaire’ inzichten die de opbrengsten van de sovjetlandbouw fors zouden verhogen. Zijn belangrijkste bijdrage was de ‘vernalisatie’, een proces waarbij men het ene soort gewas kon later overgaan in het andere door het zaaigoed op een speciale manier te behandelen. Lysenko werd krachtig gesteund vanuit de communistische partij en al voor de oorlogsjaren werd zijn invloed steeds groter. De oorlog was wat dat betreft niet meer dan een adempauze in zijn strijd tegen de biologie. Een hoge ambtenaar heeft zich jaren later eens laten ontvallen dat ‘als de oorlog niet was uitgebroken, we jullie [genetici] al in 1941 hadden vernietigd’. Zie ook Skepter, juni 1997.

2. De Russische Academie van Wetenschappen, opgericht in 1725 door tsaar Peter de Grote is de oudste wetenschappelijke instelling van Rusland. De oudste universiteit, die van Moskou, dateert van dertig jaar later. Hierdoor is in Rusland de unieke situatie ontstaan dat de Academie wat betreft onderzoeksinstituten ver uitstijgt boven alles wat de universiteiten te bieden hebben. Het lidmaatschap van de Academie is de hoogste eer die een Russische geleerde kan bereiken.

3. Johan (kloosternaam: pater Gregor) Mendel (1822-1884) is de ontdekker van de wetten van de overerving van eigenschappen. Thomas Hunt Morgan (1866-1945) werd wereldberoemd vanwege zijn onderzoek naar de genetica van de bananenvlieg Drosophila.

4. Thomas Malthus (1766-1834) waarschuwde voor het feit dat de bevolking geneigd is sneller te groeien dan de voedselproductie, waardoor hongersnood altijd op de loer ligt.

5. De officiële marxistische filosofie van het dialectisch materialisme is gebaseerd op de idee dat de werkelijkheid materieel is en de mens een materieel-economisch wezen is. Hij ontwikkelt door een proces van zich steeds op een hoger plan oplossende economische tegenstellingen (dialectiek), met de communistische heilstaat als eindstadium.

6. De fruitteler Iwan Vladimirovitsj Mitsjoerin (1855-1935) gold als de officiële grondlegger van de leer van Lysenko. Hij beweerde door middel van enten eigenschappen van de ene fruitsoort over te kunnen brengen op een andere.

7. Het Politburo was een afvaardiging vanuit het Centraal Comité belast met de dagelijkse leiding van de partij, en daarmee de facto de regering van de Sovjet-Unie.

8. Daarvoor hebben ongetwijfeld plannen bestaan. In 1949 kwam de natuurkunde (en dan vooral de relativiteitstheorie van de buitenlandse jood Einstein) onder ideologisch vuur te liggen, in 1951 de scheikunde (vooral de resonantietheorie voor molecuulbinding) en in 1951-52 de geologie. De campagne tegen de natuurkunde liep al spoedig vast op massief verzet, en op de mededeling dat een sovjetfysica zonder relativiteitstheorie geen atoomwapens kon ontwikkelen.

9. De veiligheids- en inlichtingendienst van de Sovjet-Unie. De NKVD was de opvolger van de VChEKA en de OGPOe en de voorloper van de KGB (de afkorting voor deze organisatie van 1954 tot 1991) en de MVD, de huidige inlichtingendienst. Dankzij haar gevangenissen, werkkampen (GOeLAG) en geheime laboratoria was de NKVD de grootste economische macht binnen de Sovjet-Unie.

10. Tot 1948 heette een minister in de Sovjet-Unie een volkscommissaris, en heette de ministerraad de Raad van Volkscommissarissen.

11. De bekendste beschrijving van een dergelijk laboratorium is In de eerste cirkel van Aleksandr Solzjenitsin. De meeste sjaraska’s waren weinig meer dan gevangenissen waarin aan zaken als chemische wapens werd gewerkt, maar er waren sjaraska’s, zoals die voor atoomfysici, die veel weg hadden van een van de buitenwereld afgesloten vakantiekamp.

12. Lang zou hij er niet van genieten. Onder de mensen die hij met zich meenam bevonden zich enkele joden, en in mei 1950 moest hij het veld ruimen. Hij was een van de slachtoffers van een nationale campagne tegen ‘kosmopolieten’ (lees: joden) georganiseerd door partijsecretaris Andrej Zdanov.

13. De stelling dat cellen uitsluitend uit cellen kunnen ontstaan

Literatuur

Vadim Birstein, The perversion of knowledge. The true story of Soviet science. Westview Press, 2001.

David Joravsky, The Lysenko affair, University of Chicago Press, 1970.

Uit: Skepter 15.3 (2002)

Lees ook: Wetenschap voor het vaderland -Hoe Trofim Lysenko de sovjetgenetica om zeep hielp door Dick ZeilstraSkepter 10.2 (1997)

Marcel Hulspas is wetenschapsjournalist en was hoofdredacteur van Skepter van 1988 tot en met 2002