De ufoman

The Close Encounters Man – biografie van Josef Allen Hynek

door Pepijn van Erp – Skepter 30.4 (2017)

WIE zich ook maar een beetje inleest in de geschiedenis van de ufologie, stuit onvermijdelijk op de astronoom Josef Allen Hynek. Vaak opgevoerd als de wetenschapper die begon als debunker van ufo-waarnemingen in dienst van de overheid, maar die veranderde in een overtuigd gelovige in het bestaan van contacten tussen aardlingen en buitenaardse intelligenties. Ook zijn rolletje aan het slot van de bekende ufo-film Close Encounters of the Third Kind van Steven Spielberg blijft meestal niet onvermeld.
De recent verschenen biografie The Close Encounters man: how one man made the world believe in UFOs schetst een genuanceerd beeld van Hynek en vertelt over zijn ufo-onderzoek, maar ook over zijn reguliere wetenschappelijke werk.

Sign, Grudge en Blue Book

Dat Hynek, geboren in 1910, door de luchtmacht werd gevraagd om als expert ufowaarnemingen te analyseren is eigenlijk toeval. Na de eerste moderne ufowaarneming door de piloot Kenneth Arnold in 1947 volgden er snel veel meer. De Amerikaanse luchtmacht startte Project Sign om die meldingen te onderzoeken. Vaak was er een astronomische verklaring, maar om die goed te onderbouwen was het advies van een professionele astronoom gewenst. Project Sign en opvolgers Grudge en Blue Book opereerden vanaf een basis in Dayton in de staat Ohio, zo’n driehonderd kilometer ten zuiden van Detroit. De dichtstbijzijnde universiteit met een astronoom was Ohio State University, waar Hynek sinds 1935 werkzaam was. En het kwam ook wel goed uit dat Hynek door zijn werk aan wapensystemen in de Tweede Wereldoorlog al over een high security clearance beschikte, zodat hij meteen aan de slag kon.
Als adviseur van de opeenvolgende officiële projecten maakte Hynek zich sterk voor een wetenschappelijke aanpak, waarbij hij zich beperkte tot de natuurkunde. Hij wist drommels goed dat er vanuit de psychologie veel te zeggen was over het ufofenomeen, maar ook dat hij op dat gebied geen expert was.

Over de manier waarop zijn militaire bazen omgingen met zijn analyses was Hynek niet altijd even tevreden. De wetenschappelijk genuanceerde uitspraken met allerlei voorbehouden werden nogal eens vertaald in verklaringen waarbij elke twijfel was verdwenen. Een enkele keer kwam Hynek erachter dat eerdere conclusies van hem echt van geen kant klopten, maar die konden dan niet meer gewijzigd worden. Van militaire zijde kwam de nadruk steeds meer te liggen op snelle conclusies die de ufowaarnemingen wegverklaarden. Voor Hyneks oprechte interesse in gedegen onderzoek was steeds minder plaats.
Embed from Getty Images

Moerasgas

Een belangrijk keerpunt voor Hyneks ufobemoeienis komt bij de Dexter-Hills sightings in Michigan in 1966 (zie ook Skepter 7(3), 1994). In korte tijd waren er in dit gebied verschillende waarnemingen. Hynek leken die eigenlijk nogal vaag en niet zo interessant (hij had wel beter gedocumenteerde gevallen in zijn archief), maar omdat ze in de media al veel aandacht hadden gekregen, leek het hem toch een uitgelezen kans om een wetenschappelijke benadering van dit soort fenomenen onder de aandacht te brengen. Dit liep wat anders dan hij vermoedelijk voor ogen had gehad.

Na het horen van slechts enkele van de getuigen kwam Hynek tot de conclusie dat het waarschijnlijk om waarnemingen van oplichtend moerasgas ging. Bij deze getuigenissen zou dat best kunnen kloppen, maar Hynek gaf al vrij snel daarna een persconferentie waarin hij de indruk wekte dat alle waarnemingen van de afgelopen weken nu afdoende verklaard waren, wat volkomen onzinnig overkwam.

De auteur van deze biografie, de Amerikaanse free lance journalist Mark O’Connell, heeft helaas niet kunnen ophelderen of deze persconferentie door een overenthousiaste Hynek te haastig was belegd, of dat zijn toenmalige chef in Project Blue Book, majoor Quintanilla, erachter zat. Die zag niets in het veldonderzoek van Hynek en had misschien met deze voortijdige persconferentie de kwestie snel willen afdoen. Of erger: Hynek opzettelijk willen laten afgaan.

Ondanks de breed uitgemeten publieke kritiek op de moerasgas-verklaring, maakte deze affaire van Hynek waarschijnlijk de bekendste ufo-expert ter wereld. Het betekende tegelijkertijd het begin van het einde voor Project Blue Book. In de commotie die volgde besloot het Congres namelijk dat er een wetenschappelijke evaluatie van het programma moest komen. De commissie-Condon bracht in november 1968 rapport uit, waarna begin 1970 het doek viel voor Blue Book. En sindsdien is er van overheidswege ook geen nieuw onderzoek meer geweest, tot frustratie van de vele ufo-enthousiastelingen.

Hynek ging zijn eigen weg en richtte in 1973 het Center for UFO Studies (CUFOS) op, dat jarenlang vanuit zijn eigen huis zou opereren. In deze periode ging hij zich ook steeds meer richten op de getuigen en hun ervaringen, daarbij vreemd genoeg vergetend dat hij eerder op het standpunt had gestaan dat hij de psychologische expertise ontbeerde om daar op wetenschappelijk verantwoorde wijze mee om te gaan.

Carl Sagan

Het is ook de periode waarin hij botste met Carl Sagan. Hynek legde het in deze confrontaties duidelijk af tegen Sagan die veel scherper was in het debat, vlotter overkwam op televisie en misschien wel bewust Hyneks opvattingen veel fantastischer voorstelde dan ze werkelijk waren. Op de keper beschouwd dachten ze namelijk helemaal niet zo verschillend over het ufofenomeen. Uit de biografie blijkt dat Hynek hierover erg teleurgesteld was. Sagan komt over als iemand die de ufogetuigen gemakzuchtig wegzette als verwarde mensen die zich hadden laten beetnemen door hun eigen zintuigen, zonder in detail op hun getuigenissen in te gaan, iets wat Hynek verafschuwde: ‘Ridicule is not part of the scientific method and the public should not be taught that it is.’

Dat Hynek een behoorlijk open mind had, komt in het boek sporadisch aan de orde. Zo sloot hij interstellaire communicatie via parapsychologische verschijnselen niet op voorhand uit. En op een aantal momenten komt naar voren dat Hynek ook wel gefascineerd was door esoterische onderwerpen, waarover hij las bij diverse Rozenkruizers en Rudolf Steiner. Het lijkt er echter niet op dat die fascinatie zijn concrete analyses heeft beïnvloed.

Het Moederschip zoals gebruikt in Close Encounters of the Third Kind, nu in het Smithsonian. (foto: Owen Byrne | Wikimedia)

Tragisch

Hyneks ambitie om ufo’s wetenschappelijk te onderzoeken kent een wat tragisch einde. CUFOS liep een aantal jaren goed, in de zin dat er samenwerking was met lokale onderzoeksgroepen in de hele Verenigde Staten. Er was ook een hotline die 24 uur per dag gebeld kon worden. Er zouden in die jaren 87.000 ufo’s gemeld zijn van over de hele wereld.

Begin jaren tachtig ging het echter financieel steeds minder en toen in 1984 een rijke weldoener Hynek de kans bood om in Phoenix in de staat Arizona een nieuw onderzoekscentrum te starten, liet hij CUFOS aan zijn medewerkers over, pakte zijn boeltje en verhuisde naar het zuiden. Hij kwam er echter snel achter dat de plannen voor dit nieuwe avontuur niet gelijk opliepen met zijn eigen ideeën. Er zouden namelijk fondsen binnengehaald moeten worden met het maken van tv-shows en films, om te beginnen een over het leven van Hynek zelf. Het had allemaal weinig te maken met de serieuze wetenschappelijke aanpak die Hynek voorstond. Ook ging zijn gezondheid plotseling snel achteruit en dus kwam er niets meer van de grond. Hynek overleed op 27 april 1986.

Hynek zal vooral herinnerd worden vanwege zijn onderzoek naar ufo’s. Op zijn Wikipedia-pagina staat nauwelijks iets over zijn wetenschappelijke activiteiten, die echter indrukwekkend te noemen zijn. Hij blonk ook uit in het coördineren van teams van onderzoekers die soms op locaties over de hele wereld meetstations moesten inrichten, en wist bijvoorbeeld al via crowdsourcing amateurwaarnemers te betrekken bij het volgen van de eerste satellieten.

Mark O’Connell: The Close Encounters man: how one man made the world believe in UFOs. New York: HarperCollins, 2017; 416 pagina’s, € 15,99.

Uit: Skepter 30.4 (2017)

Pepijn van Erp is wiskundige, redacteur van Skepter en bestuurslid van Skepsis.