Hoe geldgebrek een afwijking werd

door Arnout Jaspers – Skepter 30.2 (2017)

Het idee dat mensen dom worden van armoede maakt school onder hulpverleners en pleitbezorgers van het basisinkomen. Want met door armoede aangetaste hersenen kun je jezelf niet uit de misère werken. Het idee komt van de fameuze armoede-onderzoeker Eldar Shafir. Toch werd het onderzoek uit 2013 dat zijn reputatie vestigde al snel onderuit gehaald, en het is zelfs door later onderzoek weersproken. Daar trekt eigenlijk niemand zich wat van aan.

Bill Clinton had, naar verluidt, een tegeltje aan de muur hangen met de tekst: It’s the economy, stupid! Want als politicus kun je je wel verbeelden dat politiek gaat over idealen, maar uiteindelijk stemmen kiezers op de politicus van wie ze denken dat die hun portemonnee gevuld houdt. In de tegeltjeswijsheid zijn armoede en werkloosheid het gevolg van falend economisch beleid, en van onrecht en uitbuiting. De domkop is hier de politicus die dit niet in zijn oren knoopt.

Vreemd genoeg rukt de laatste tijd een nieuw idee over armoede op, dat je kunt samenvatten als It’s not the economy, stupid! De domkop die hier wordt aangesproken is de armoedzaaier zelf. Die is geen slachtoffer van een falend economisch systeem, maar van een psychische aandoening: armoedegerelateerde domheid. Zodra iemand door welke oorzaak dan ook in financiële problemen raakt, veroorzaakt dit een dusdanige daling van het cognitief vermogen dat je niet mag verwachten dat de patiënt hier nog op eigen kracht uit komt. Eerst zal er weer ‘cognitieve bandbreedte’, die nu door de sores van de armoede wordt ingenomen, moeten worden vrijgemaakt.

Dit concept is bijvoorbeeld gretig omarmd door De Correspondent, waar journalist Rutger Bregman aan Eldar Shafir en diens ideeën een lang artikel wijdde onder de titel ‘Waarom arme mensen domme dingen doen’. [1] Bregman gebruikt het ook als onderbouwing voor zijn boek Gratis geld voor iedereen [2] en zijn campagne voor een onvoorwaardelijk basisinkomen.

Niet mals

Het fundament voor de populariteit van het idee werd gelegd in augustus 2013. Toen publiceerde Shafir met drie collega’s in Science een onderzoek getiteld ‘Poverty impedes cognitive function’. [3] In de inleiding oordelen zij niet mild over mensen op de bodem van de samenleving:

Armen gebruiken minder preventieve gezondheidszorg, slikken niet trouw hun medicijnen, zijn slomer en houden zich vaak niet aan afspraken, zijn minder productieve werkers, minder toegewijde ouders en slechtere beheerders van hun eigen financiën.

Dit alles voorzien, uiteraard, van verwijzingen naar de nodige wetenschappelijke studies. Armen lijken zichzelf in hun armoede gevangen te houden, en dit gedrag zelfs aan de volgende generatie door te geven. Armoedeonderzoekers hebben grote moeite om zulk contraproductief gedrag te verklaren zonder te vervallen in sociaal-darwinisme (simpel gezegd: ‘zo zijn ze nu eenmaal’).
Shafir verkondigt al langer dat de zorgen die gepaard gaan met armoede je cognitief vermogen aantasten, en zette dit onderzoek speciaal op om dit idee te bewijzen. Het bestond uit een Amerikaans en een Indiaas deel.

In een winkelcentrum in New Jersey werd aan honderd proefpersonen gevraagd om zich een reparatie aan hun eigen auto voor te stellen. Daarna moesten ze een sterk verkorte IQ-test doen (Raven’s progressive matrices, waarin je een ontbrekende figuur in een rijtje moet aanvullen) en een test op cognitieve beheersing (waarbij je figuren ziet maar soms tegengesteld aan je eerste impuls moet reageren). De proefpersonen werden op basis van het jaarinkomen dat ze zelf opgaven onderverdeeld in een ‘arme’ helft en een ‘rijke’ helft, en ze kregen at random een moeilijk of een makkelijk scenario voorgeschoteld (een dure, respectievelijk goedkope reparatie). Het experiment werd met kleine variaties drie keer uitgevoerd.

Volgens het artikel in Science maakte het voor de ‘rijken’ niets uit of hun denkbeeldige auto een dure of goedkope reparatie kreeg; die scoorden op beide testen bij beide scenario’s even goed. De ‘armen’ echter scoorden op beide testen significant slechter als ze aan een dure autoreparatie hadden gedacht.

Vervolgens testte Shafir in India, in de deelstaat Tamil Nadu, ruim vierhonderd boeren zowel vóór als na de suikerrietoogst, met Raven’s progressive matrices en met een Stroop-test (je krijgt ‘7 7 7 7’ te zien maar moet dan zo snel mogelijk ‘vier’ in plaats van ‘zeven’ zeggen, en dergelijke). De boeren scoorden op beide tests significant slechter vóór de oogst dan erna.
Shafir hecht vooral grote waarde aan dit tweede onderzoek, omdat dezelfde proefpersonen zowel ‘arm’ als ‘rijk’ getest werden. Immers, de verkoop van de suikerrietoogst vormt voor deze boeren een groot deel van hun jaarinkomen. Dit sluit uit dat armen lager scoren omdat, bijvoorbeeld, in hun kommervolle kindertijd het brein zich gebrekkig zou hebben ontwikkeld; volgens het artikel zien we hier de ‘cognitieve impact van armoede’. Deze belasting kost denkkracht, waardoor de boeren vóór de oogst minder kunnen inzetten voor het maken van testjes. In het artikel noemt Shafir het verschil in scores equivalent met 13 IQ-punten, een hele nacht niet slapen, of alcoholist worden.

Plafond en hertest

Maar in december 2013 plaatst Science een ‘technical comment’ van twee pagina’s, waarin Jelte Wicherts (Universiteit Tilburg) en Annemarie Zand Scholten (Universiteit van Amsterdam) ernstige bezwaren tegen het onderzoek uiten. [4]
Als je, ten eerste, de proefpersonen in het winkelcentrum niet verdeelt in ‘arm’ of ‘rijk’ maar gedetailleerd kijkt naar het verband tussen hun inkomen en hun score, blijft in geen van de drie experimenten een significante invloed over van inkomen op het effect van de dure autoreparatie. Er is geen rechtvaardiging om ‘inkomen’ slechts als een tweedeling weer te geven.
Ten tweede: de cognitive control test was zo makkelijk dat de helft van de ‘rijken’ in het winkelcentrum alle of op één na alle opgaven goed had bij beide reparatie-scenario’s. Als de ‘rijken’ net als de ‘armen’ ook last hadden gehad van het denken aan een dure autoreparatie, dan kon de test dit verschil niet achterhalen; je kan immers niet hoger dan honderd procent scoren (dit heet het plafond-effect).
Ten derde: de Indiase boeren hadden nog nooit dergelijke tests ingevuld. Het maken van de eerste test heeft dan een groot leereffect, waardoor bijna iedereen beter scoort als er voor de tweede keer getest wordt. En de eerste test vond plaats toen de boeren ‘arm’ waren, de tweede toen ze ‘rijk’ waren. Dit hertest-effect is algemeen bekend.

Deze bezwaren zijn niet slechts interessant voor specialisten: het kan heel goed dat Shafirs ‘baanbrekende’ onderzoeksresultaten fictief zijn, een artefact van de testprocedure. Hadden Shafir, of de reviewers van Science dit niet moeten zien?

‘Vooral over de progressive matrices test is heel veel bekend,’ stelt Wicherts. ‘De effecten die ze in alledrie hun experimenten in het winkelcentrum vinden, zijn dermate groot dat dit in strijd is met heel veel eerder onderzoek. Ook hun keuze voor deze cognitive control test is heel raar. Die test is voor kinderen ontwikkeld. Voor volwassenen is die veel te makkelijk, die meet vrijwel niets.’

Het hertest-effect was makkelijk te ondervangen geweest door de helft van de boeren in omgekeerde volgorde te testen: eerst na de oogst, en dan vóór de volgende oogst. Het is moeilijk in te zien waarom Shafir hier niet aan gedacht heeft. Tijd kan het probleem niet geweest zijn, omdat er in het gebied het hele jaar door geoogst wordt, en hij juist een jaar lang groepen boeren heeft getest om seizoenseffecten uit te sluiten.
Des te vreemder, omdat Shafir zich wel degelijk bewust was van het probleem. Hij heeft zelfs honderd willekeurige boeren de test alleen na de oogst laten doen. Volgens hem scoorden deze honderd gemiddeld gelijk aan degenen die de test na de oogst voor de tweede keer deden. Dit is onbegrijpelijk, aangezien eerder onderzoek keer op keer het bestaan van het hertest-effect heeft aangetoond.

Is dit zelfbedrog en onbewust selectief winkelen in de data, of is er bewust gesjoemeld? Daar wil Wicherts niet over speculeren. ‘Maar dit is precies het soort resultaat waar Science naar op zoek is.’
Science geldt (ex aequo met Nature) als het hoogste podium waarop wetenschappers hun onderzoek kunnen etaleren. Wicherts heeft echter geen al te hoge pet op van deze ‘topbladen’: ‘Het zit in het businessmodel van Science en Nature dat ze vooral met spectaculaire resultaten willen komen. Blijkbaar redeneren ze ‘we hopen dat dit waar is, en zo niet, dan lossen andere wetenschappelijke tijdschriften het wel op’.’

Sloppenwijk in Jakarta (foto: J. McIntosh | Wikimedia Commons)

Weinig aangehaald

Een ‘technical comment’ plaatst Science slechts zelden; het is veel minder vrijblijvend dan een ingezonden brief. Het betekent dat ook de redactie vindt dat er echt iets aan de hand is. Maar aan de zegetocht van dit baanbrekende onderzoek heeft het geen afbreuk gedaan. Ook in een later overzichtsartikel in datzelfde Science, in mei 2014, wordt uitgebreid gerefereerd aan Shafirs onderzoek, maar de kritiek erop wordt genegeerd.
Wicherts: ‘Wel interessant, hoe weinig onze kritiek wordt aangehaald. Maar dat is nu eenmaal hoe het gaat in de wetenschap. De eerste studie over een bepaald onderwerp krijgt veel gewicht, artikelen die achteraf iets corrigeren worden veel minder aangehaald.’

En het bleef niet bij hun commentaar. In de American Economic Review deden Leandro Carvalho en collega’s vorig jaar verslag van een veel groter onderzoek onder Amerikaanse armen die werden getest vlak voor en vlak na hun maandelijkse betaaldag (of de dag dat de uitkering gestort werd; slechts veertig procent had betaald werk). [6] Het onderzoek was speciaal opgezet om de studie van Shafir in Science te repliceren — zowel Wicherts als Carvalho roemen overigens de medewerking van Shafir, die meteen de volledige data van zijn experimenten voor heranalyse beschikbaar stelde.
Carvalho’s conclusies waren ondubbelzinnig: ‘Onze bevindingen ondersteunen niet de hypothese dat financiële zorgen op zich het cognitief functioneren belemmeren en leiden tot slechtere beslissingen.’ Evenzo: ‘Er zijn geen verschillen tussen vóór en na als we naar de hele steekproef kijken.’

In de vele overzichtsartikelen over armoede en denkkracht die daarna nog zijn verschenen, wordt altijd wel verwezen naar Shafirs onderzoek in Science, maar slechts zelden naar Carvalho.
Hetzelfde mechanisme treedt overigens op als wetenschap doorsijpelt naar de media: het eerste, spectaculaire onderzoek is nieuws en komt in de krant, een nuancering of zelfs weerlegging achteraf is voor nieuwsredacties niet interessant meer, zo lieten Estelle Dumas-Mallet en collega’s eerder dit jaar nog eens zien. [7]

Tijd-armoede

Shafir en medeonderzoeker Sendhil Mullainathan lieten zich niet uit het veld slaan, en breidden het concept van de ‘cognitieve bandbreedte’ uit tot een heel boek, Schaarste: hoe gebrek aan tijd en geld ons gedrag bepalen. [8] Het boek gaat niet slechts de behoeftigen aan — die immers zulke boeken niet aanschaffen — maar ook hipsters en yuppen. Bij hen zijn het niet geldzorgen, maar juist de vele verplichtingen van hun rijk gevulde levens die te veel ‘bandbreedte’ in beslag nemen. Zij lijden aan tijd-armoede!
Het boek en het werk van Shafir en Mullainathan kregen een uitgebreide en zeer lovende bespreking in de New York Times. Uiteraard werd ook Shafirs artikel in Science besproken zonder de kritiek te noemen.

De lancering door Shafir en Mullainathan van de term ‘cognitieve bandbreedte’ was publicitair een schot in de roos. Achteraf gezien logisch; verreweg de meeste mensen begrijpen weliswaar niet wat bandbreedte is, maar associëren het met hippe zaken als de nieuwste smartphone en snel internet. Logisch dat je in het moderne leven niet meer kunt meekomen als je daarvan te weinig hebt.
Zinnig is die ontlening niet. Bandbreedte gaat technisch gezien over het transport van informatie, niet over de verwerking ervan. Als Shafir en Mullainathan een zinnige metafoor aan de techniek hadden willen ontlenen, hadden ze het desnoods over processor-capaciteit of buffer-overflow kunnen hebben. Maar die termen komen niet voor in advertenties voor telefoonabonnementen.

Zo is het ‘cognitieve bandbreedte’-paradigma breed doorgesijpeld in het publieke bewustzijn. Armen zijn arm omdat ze overspannen zijn: ze hebben het te druk met hun geldzorgen. ‘Voor een dubbeltje op de laatste rij’, een artikel in de Groene Amsterdammer van 12 april 2017, biedt een fraai overzicht van deze om zich heen grijpende malligheid. [9] In Amerika worden armen in de MRI-scanner gelegd om ze te laten zien wat armoede met hun hersenen doet — ‘This is your brain on poverty!’ Hulpverleners gaan zich richten op het verlichten van de stress van de armoede, in plaats van op de armoede zelf. Ze vinden Shafir aan hun zijde: ‘Beleidsmakers moeten net zo voorzichtig zijn met het cognitief belasten van de armen als ze zijn met financieel belasten.’

Gratis geld

Het is bepaald niet nieuw dat er mensen zijn die problemen hebben met de uitkeringsbureaucratie, of die hun eigen financiën niet kunnen beheren. Nieuw is het idee dat de armoede zelf die problemen zou veroorzaken, en dat elke arme sloeber daar slachtoffer van is. Of, zoals Rutger Bregman het formuleert in De Correspondent: ‘Ze nemen geen domme beslissingen omdat ze dom zijn, maar omdat ze in een context leven waarin iedereen domme beslissingen zou nemen.’

Terwijl de Amerikaan Shafir in zijn adviezen nog terugschrikt voor het meest consequente advies om de cognitieve overbelasting door armoede te verlichten, zet Bregman die stap wel: niks ellenlange formulieren en intakegesprekken, je moet armen geld geven, onvoorwaardelijk. En daklozen een huis, zonder tegenprestatie. Pas dan komt er bij hen cognitieve bandbreedte vrij om, bijvoorbeeld, naar een baan te gaan zoeken of wat geld te reserveren voor verstandige uitgaven.

Shafirs onderzoek is dus een welkome pijler onder Bregmans campagne om het basisinkomen ingevoerd te krijgen, te beginnen in Nederland. Er valt veel te zeggen voor of tegen het basisinkomen, maar argumenten op basis van ondeugdelijk onderzoek helpen de discussie niet verder.
Het is curieus hoe makkelijk het idee ingang heeft gevonden dat er één dominante, psychische oorzaak is voor de armoedeval. Dat geloven we toch ook niet als het gaat over rijken?

De boeren in Tamil Nadu in Shafirs onderzoek hadden eigen land, en namen dagloners in dienst om de suikerrietoogst binnen te halen. Zijn hun kopzorgen over de oogst te vergelijken met die van een Amerikaanse alleenstaande moeder in de nachtdienst, of die van een Nederlandse familie die al drie generaties in de bijstand zit?

Shafirs beleidsadvies om het voor de armen vooral simpel te houden en ze moeilijke beslissingen uit handen te nemen, kun je ook zien als neerbuigend en paternalistisch. Het kan onderzoekers er ook makkelijk toe verleiden, om de structurele oorzaken van armoede — corruptie en zelfverrijking door een inhalige elite, rechteloosheid, uitbuiting — uit het oog te verliezen.

En ten slotte is de bandbreedtetheorie in strijd met het gegeven dat veel mensen zich wel degelijk op eigen kracht uit de armoede omhoog werken. Dat zie je in individuele gevallen overal gebeuren, en de afgelopen decennia is dit met name in Azië en Oost-Europa honderden miljoenen mensen gelukt. Niet doordat de sociale dienst de formulieren vereenvoudigde, of doordat ze een basisinkomen uitgekeerd kregen, maar door economische en sociale hervormingen die hun eindelijk een eerlijke kans gaven. En die hebben de meesten met beide handen aangegrepen.

Noten

[1] Bregman, R. Waarom arme mensen domme dingen doen. De Correspondent 17 december 2013.

[2] Bregman, R. Gratis geld voor iedereen. De Correspondent bv. november 2016.

[3] Mani A, Mullainathan S, Shafir E, Zhao J. Poverty impedes cognitive function. Science 2013 Aug 30;341(6149):976-80.

[4] Wicherts JM, Scholten AZ. Comment on ‘Poverty impedes cognitive function’. Science 2013 Dec 6;342(6163):1169.

[5] Mani A, Mullainathan S, Shafir E, Zhao J. Response to comment on ‘Poverty impedes cognitive function’. Science 2013 Dec 6;342(6163):1169.

[6] Carvalho L, Meier S, Wang S. Poverty and economic decision-making: evidence from changes in financial resources at payday. American Economic Review 2016;106(2):260-284.

[7] Dumas-Mallet E, Smith A, Boraud T, Gonon F. Poor replication validity of biomedical association studies reported by newspapers. PLoS One 2017 Feb 21;12(2):e0172650.

[8] Mullainathan S, Shafir E. Schaarste. Hoe gebrek aan tijd en geld ons gedrag bepalen. Maven Publishing december 2013.

[9] Sanne Bloemink. Voor een dubbeltje op de laatste rij. De Groene Amsterdammer 12 april 2017.

Uit: Skepter 30.2 (2017)

Arnout Jaspers is wetenschapsjournalist