Vergiftigde zombies en opstandige doden

door Dirk Koppenaal

Zombies zijn ‘levende doden’. Op Haïti zouden voodoopriesters met zwarte magie of een giftig poeder mensen in zombies transformeren. Hollywood gebruikte zombies als goedkope monsters voor B-films, maar kan hun intussen een A-status niet meer onthouden.

Waar moet u banger voor zijn: een zombie of een spook? Een groter verschil tussen twee griezels lijkt niet mogelijk. Een zombie is een kadaver zonder geest en een spook is een geest zonder lichaam. Volgens de filosoof Philip Goff zouden we op basis van cartesiaanse twijfel banger moeten zijn voor een spook: volgens hem de minst onzekere van beide verschijningsvormen. [6] Zijn redenatie is gebaseerd op een gebrek aan inleving. Hij kan zich absoluut geen beeld vormen van een zombie. Op zich niet vreemd. Menig woordenboek omschrijft een zombie als een levende dode of een ondode en echt duidelijk is die uitleg niet. Ook Lazarus en Jezus stonden op uit de dood, maar niemand zal hen zombies noemen. Zelfs het monster van Frankenstein, een verzameling van dode lichaamsdelen, voldoet niet aan het stereotype. De hedendaagse zombie is een bloeddorstige ondode zonder persoonlijkheid of ziel, opgestaan door magie, een virus of een modern wonder. Ook deze definitie kent zijn uitzonderingen. Maar maakt u zich niet ongerust: als u een zombie tegenkomt, herkent u hem zonder twijfel.

De moderne westerse media maakten voor het eerst kennis met de zombie uit Haïti. Veel Haïtianen geloven in zombies en zijn in staat ze te herkennen. Ze geloven dat de magie van voodoopriesters de doden tot leven kan wekken. Sommigen bezitten zelf een zombie, die ze inzetten om toeristen naar hun winkeltje te lokken. Er doen de vreemdste verhalen over zombies de ronde: ze zouden alleen ’s middags zichtbaar zijn, gaan ’s avonds naar de kerk, slapen op kerkhoven en zijn bang voor de kleur rood. Het meest wonderbaarlijke is misschien wel dat een zombie kan sterven. Niet op de brute wijze die in films wordt weergegeven, maar zombies overlijden een jaar of vijf na de ‘overgang’ door ouderdom of uitputting. Zoals in ieder volksgeloof is er ook ontsnapping mogelijk. Een zombie komt vrij als hij zout eet of als zijn meester sterft. Haïtianen kennen geen angst voor zombies, maar zijn bang om er zelf een te worden.

Vanwege het warme klimaat in Haïti wordt iemand die gestorven is, snel begraven. De overledene wordt meestal bijgezet in een familiegraf, een huisje vlakbij het woonhuis. Om te voorkomen dat hun dierbare een zombie wordt, hakt men soms de ledematen en het hoofd van het lichaam af en steekt men een mes door het hart. De Haïtiaanse regering neemt pogingen om mensen in zombies te veranderen serieus. In artikel 246 van het Haïtiaanse wetboek van strafrecht wordt zombificatie gelijkgesteld aan moord, al leven zombies ogenschijnlijk nog wel. [17]

Volgens antropologen komt het concept van zombies voort uit het oorspronkelijke geloof van de Haïtiaanse bevolking en hun langdurige onderdrukking en slavernij. In 1492 ontdekte Christoffel Columbus het eiland dat thans Haïti en de Dominicaanse Republiek vormt. Toen Spanje na 200 jaar overheersing het westen van het eiland aan Frankrijk overdroeg, was het oorspronkelijke Taína-indianenvolk door uitbuiting en geïmporteerde ziektes vrijwel verdwenen. De Fransen legden suikerplantages aan en herbevolkten het land met honderdduizenden slaven uit Afrika, waarvan de nakomelingen nu het merendeel van de bevolking vormen. Binnen de slavengemeenschap kreeg de zombie gestalte. Hij had de laagste status die men een mens kan toedenken: een eeuwige slaaf die zelfs niet meer in staat was om zelfstandig te denken.

De Afrikanen waren animisten en geloofden in goede en kwade geesten, die konden huizen in levende en dode objecten, zoals planten, dieren, rotsen en rivieren. Animisme komt wereldwijd in allerlei variaties voor. Het is geen religie met een heilig boek en het geloof staat open voor analoge spirituele ideeën. De vorm die de Afrikaanse slaven beleden staat bekend als vodon of vodhun. Dankzij priesters en plantagehouders die de slaven dwongen zich tot het katholicisme te bekeren, ontstond een nieuwe stroming: vodou. Katholieke heiligen werden opgenomen als speciale geesten – loas – tot wie men kon bidden omdat de schepper zich allang niet meer met de mensen en hun ellende wilde bemoeien. Voodoo ten slotte is de vorm van vodou die in New Orleans wordt beoefend.

Tot 1929 hadden de meeste mensen nog nooit van zombies gehoord. [11] Het woord stond weliswaar al sinds 1810 in het Oxford Engelse woordenboek, maar dat gaf als betekenis ‘een Afrikaanse god’. In 1792 wordt de zombie als ondode door de creoolse jurist Moreau de Saint-Méry beschreven en onderscheiden van geesten en vampiers. De tekst was in het Frans en werd wellicht daarom door iedereen gemist of vergeten. Wel bekend en veel geciteerd zijn de verslagen van de diplomaat Sir Spencer St. John’s. Hij schreef in 1884 over ‘vaudoux’ en het openen van graven, maar meende dat de arme bevolking dergelijke ceremonies hield om hun dagelijkse dieet aan te vullen.

De journalist Lafcadio Hearn schreef in 1889 een kort artikel over voodoo in New Orleans, waarin hij een ritueel beschreef en het woord ‘zombi’ liet vallen. [5] In 1908 verscheen een verslag over een Haïtiaan die plots ziek werd en stierf, maar later met zijn lijkwade aan wezenloos rondliep zonder iemand te herkennen of aanspreekbaar te zijn. De New York American rapporteerde een gelijke gebeurtenis in 1921. De beschrijvingen kloppen precies met latere verslagen over zombies, maar de term werd niet gebruikt. Eind negentiende eeuw was voodoo populair in theater en liedjes. Voor de zombie als ondode was geen rol. Zo speelde eind 1928 in New Orleans het stuk Zombi waarin de historische voodookoningin Marie Laveau geen dode wekte, maar de duivel aanriep. [11]

In 1928 reisde de avonturier William Seabrook (1884-1945) naar Haïti. Seabrook had veel interesse voor occulte zaken. Hij leerde creools, logeerde bij een voodoopriesteres die liefdesdrankjes maakte en ontmoette uiteindelijk drie zombies. Nieuwsgierig probeerde hij een zombie aan te spreken. Tevergeefs, de zombie gunde hem geen blik waardig. Een jaar later verscheen zijn bestseller The Magic Island. De timing van zijn boek was zeer gunstig. [11] Haïti werd in 1804 na een succesvolle slavenopstand onafhankelijk. In 1822 veroverde Haïti het Spaanse deel van het eiland dat zich in 1844 afscheidde als de Dominicaanse republiek. Vanaf dat moment was Haïti bestuurlijk gezien een chaos met iedere paar jaar een wisseling van de macht. In 1915 greep de VS in om zijn economische belangen op Haïti veilig te stellen en om zich een dominante positie in het Caraïbische gebied te veroveren. De bezetting duurde tot 1934. De overheid propagandeerde berichten over zwarte magie, voodoo, kindoffers en kannibalisme. Zo probeerde zij uit te leggen dat het binnenvallen van Haïti rechtvaardig was en dat het land geciviliseerd moest worden. De zombie werd warm onthaald.

Filmhelden

In 1932 verscheen de eerste zombiefilm: White Zombie. Een voodoomaster verandert op verzoek van een jaloerse plantage-eigenaar een lieftallige dame in een zombie. [11] Het verhaal loopt goed af als de opdrachtgever berouw krijgt van zijn daad en de voodoomeester doodt. De film was zeer populair, maar leidde niet tot directe navolging. Tijdens WO-II verschenen een tiental zombiefilms. [4] Met een geschminkte, houterig acterende, derderangsacteur of -actrice in de hoofdrol was dit soort lowbudgetfilms makkelijk te maken. De zombies waren ook geen vreeswekkende monsters. De griezelfactor was – trouw aan de Haïtiaanse angsten – om er een te worden.

Vanaf 1957 worden regelmatig nieuwe zombiefilms uitgebracht. [4] De voodoomagie wordt geleidelijk losgelaten. In Teenage zombies (1958) gebruikt een wetenschapster een hypnotiserende drug om pubers in zombies te veranderen. In Plan 9 from outer space (1959) wekken aliens een paar doden op om met hun hulp te voorkomen dat de mensheid een bom ontwikkelt die het universum zal vernietigen. In 1968 breekt het genre definitief door met Night of the living dead van regisseur George A. Romero. In deze lowbudgetfilm nemen een toevallige held en heldin het op tegen de bewoners van een begraafplaats, die door een radioactief gas ‘ontwaken’. Door de film ging de zombie aan nieuwe regels voldoen. Zombies hadden geen meester maar een doel: het eten van (mensen)vlees. Ze waren gevaarlijk als ze in groepen opereerden en een zombie kon je stoppen door zijn schedel te verbrijzelen.

Romero was geïnspireerd door het boek I am legend (1954) van Richard Matheson. In dat boek neemt de laatste gezonde persoon het op tegen door ziekte gemuteerde, vampierachtige mensen. Romero wilde echter geen vampiers met al hun knoflookgetut, maar rauwe vleeseters. Zijn producent dacht waarschijnlijk dat een mystiek tintje beter zou verkopen en noemde Romero’s vleeseters ghouls, naar een oeroude Arabische demon, die de gedaante van zijn laatste maaltijd kan aannemen. De Italiaanse filmproducent Claudio Argento die de rechten van Dawn of the Dead voor de Europese markt opkocht vond zombie een betere naam om de aandacht te trekken. Zonder er stil bij te staan, had Romero echter een oermonster laten herleven, dat door Bram Stokers, roman Dracula (1897) een geromantiseerd, maar verkeerd beeld had gekregen: de ware vampier. [7]

Tien jaar later zorgde Romero opnieuw voor een doorbraak. Eerdere zombieplagen beperkten zich tot afgelegen locaties, maar met Dawn of the Dead introduceerde hij de apocalyptische zombie-invasie. Door een ramp verandert het wereldtoneel in een podium vol met levende kadavers die moorden en besmetten. Een kleine groep mensen probeert te overleven door zich te verschuilen en soms te verweren. De filmindustrie begrijpt uiteraard dat zelfs met technologische hoogstandjes de saaie voorspelbare zombie gedoemd is te sterven. Sommige regisseurs lieten de zombie daarom evalueren tot een schlemielige clown die kan praten of zelfs verliefd wordt. De meer ‘serieuze’ verhalen zoals The Walking Dead en Resident Evil gebruiken de apocalyps als decor en laten het werkelijke verhaal gaan over het overleven in een zombiewereld.

Valse doem

Het meest waarschijnlijke scenario voor een zombieapocalyps is een virale pandemie. De laatste jaren wordt via de media regelmatig angst gekweekt voor wereldwijde epidemieën. De vogelgriep en de Mexicaanse griep liggen nog vers in het geheugen. Soms kan een besmettelijke ziekte de oorzaak van afwijkend gedrag zijn. Besmetting door het rabiësvirus veroorzaakt een infectie van de hersenen in zoogdieren. Sommige dieren worden agressief, andere juist heel tam. Bij mensen lijken de symptomen in eerste instantie op griep. Hondsdolle patiënten vertonen zelden schuimbekkend agressief gedrag, maar kwijlen wel en hebben in de laatste fase van de ziekte last van ernstige krampen. Patiënten kunnen in principe andere mensen met hun beet besmetten. Het rabiësvirus staat model voor de vele zombievirussen die in boeken en films het menselijk ras ten onder laten gaan.

Ook op internet doen angstaanjagende verhalen over gevaarlijke virussen de ronde. Het mortosisvirus zou begin 2006 voor het eerst in Haïti zijn gerapporteerd en zich langzaam tot een pandemie ontwikkelen. Het virus wordt net als HIV verspreid door uitwisseling van lichaamsvochten, zoals bloed, zaad en speeksel. Geïnfecteerde personen lijden aan huidnecrose en krijgen vreselijke wonden. Het meest bijzondere is echter dat zij na hun dood herrijzen. De ‘World Health Authority’ waarschuwt ervoor, op de site van zombieworldnews.com. [18,19]

Rudy Eugene staat wereldwijd bekend als de ‘Miami kannibaal’. [14] Hij werd door de politie doodgeschoten terwijl hij met zijn tanden het gezicht van de dakloze Ronald Poppo wegscheurde. Volgens officiële instanties was Eugene onder invloed geweest van drugs, maar volgens anonieme bronnen was Eugene besmet met het LQP-79 virus. [15] Dit voor virologen onbekende virus zou vernoemd zijn naar de 79ste poging om via virale binding van een ‘ultrageheim’ eiwit – het lysergic quinine proteine – de hersenen van mensen te controleren. Het virus zou zo veelbelovend zijn geweest dat de Amerikaanse overheid haar goedkeuring gaf voor clinical trials in Zuid-Afrika. Ergens op de weg daarheen zouden fouten gemaakt zijn, zodat het virus in de verkeerde handen belandde. Om het ingewikkelder te maken circuleren ook berichten over een voor bacteriologen onbekende LQP-79 bacterie. [16] De Lacer Quaero Pestis strain 79 zou specifiek ingrijpen op het hongercentrum in de hersenen van muizen, die vervolgens een onverzadigbare trek in vlees krijgen. Onvermeld is of de bacterie al menselijke slachtoffers zou hebben gemaakt. Zoeken op internet kan goede informatie opleveren. Het medium wordt door sommige fantasten echter misbruikt om hun frustraties en waanideeën te verspreiden. Daar is ook een woord voor: hoax.

Doemdenkers verkondigen dat door de intensieve veeteelt, het overmatig en verkeerd gebruik van geneesmiddelen, en de toegenomen mobiliteit er ooit een desastreuze uitbraak zal komen. Gezondheidsinstellingen en overheden hebben hiervoor scenario’s gereed. Geen enkel draaiboek zal echter voldoen bij een zombieapocalyps, waar patiënten niet sterven – en zich zo aan de infectie onttrekken – maar juist gezonde personen besmetten. Een Canadese onderzoeksgroep ontwierp een mathematisch model dat hier wel rekening mee houdt. [10] Hun berekeningen zijn zorgwekkend; alleen door bliksemsnel en extreem gewelddadig ingrijpen kan een zombieapocalyps worden tegengehouden. Geen enkele andere oplossing, zoals het in quarantaine plaatsen van zombies of het vinden van een geneesmiddel kan de samenleving redden.

Op dit moment is er geen enkele potentiële zombieverwekker bekend. Zou er in de toekomst wel een virus of micro-organisme kunnen verschijnen dat tot een apocalyps kan leiden? In zijn boek The Zombie Survival Guide doet Max Brooks een poging met het verzonnen solanum (nachtschade) virus. [2] Dit virus zou de lichaamscellen zo muteren dat andere, zuurstofonafhankelijke organen ontstaan. Tijdens de transmutatie komen de hersenen in een comateuze slaap en stopt het hart met kloppen. Het proces zou slechts een dag in beslag nemen; logisch want anders zou het ‘dode’ vlees bederven. De nieuw gevormde organen reanimeren het lichaam en een nieuw schepsel komt tot ‘leven’: een zombie.

Brooks, zoon van de komiek Mel Brooks, zet kennelijk de familietraditie van dolle fantasie voort. Waarschijnlijk had hij de gedaantewisseling van larve tot imago in gedachten. Metamorfose kan inderdaad resulteren in nieuwe organen – bijvoorbeeld vleugels – of juist het ontbreken ervan. Het kan ook leiden tot een ander leefmilieu. Een dergelijk ingewikkeld proces neemt zelfs bij de fruitvlieg – het insect met de snelste levenscyclus – meer dan een dag in beslag. Bovendien blijft de cellulaire stofwisseling gelijk en zijn er geen anaerobe hogere organismen bekend. Brooks gaat ook voorbij aan de vraag hoe een dergelijk complex, onvergelijkbaar virus, zomaar ineens ten tonele kan verschijnen. Iedere parasitaire infectie, hoe desastreus ook, blijkt uiteindelijk af te zwakken, omdat de parasiet zich niet kan voortplanten als er geen gastheren over zijn. Omgekeerd zal evolutionaire druk resulteren in individuen met een adequate afweer.

De Hollywoodzombie is een onmogelijk verschijnsel. Zonder zenuwimpulsen of bloeddoorstroming is geen enkele spieractiviteit mogelijk. Het ontbreekt de filmheld sowieso aan spier- en bindweefsel dat stevig genoeg is om zijn lichaam te kunnen dragen, aan ogen om te kijken en aan specifiek neusepitheel dat iets anders dan zichzelf kan ruiken.

Herprogrammering

Dood is dood; over een zombieapocalyps hoeft niemand zich zorgen te maken. Toch zijn er mensen die dat wel doen. Zij stellen zich dan geen opstand uit de dood voor, maar een vorm van ‘hersenherprogrammering’ tot zombie. Dit verschijnsel is bekend in de dierenwereld. Sommige parasieten veranderen het gedrag van hun gastheer. Zo produceren de larven van sommige spinnendoderwespen (Pompilidae) stoffen die van wielwebspinnen niets minder dan willoze pleegmoeders maken. In de Braziliaanse regenwouden infecteert een schimmel mieren die vervolgens als ‘levende doden’ van hun pad afwijken naar een bestemming die uiterst gunstig is voor de schimmel om nieuwe sporen vrij te laten komen. Mieren zijn vaker het slachtoffer; een wormpje (Dicrocoelium dendriticum) dirigeert geïnfecteerde mieren naar grastoppen om gegeten te worden door de schapen waarin het zich kan reproduceren. Muizen en ratten die besmet zijn met toxoplasmose zijn niet meer bang voor katten(geur) en vergroten zo kans op verspreiding van deze parasiet die zich in katachtigen voortplant.

Hoewel in zeldzame gevallen parasieten in de menselijke hersenen voorkomen en tot neurologische klachten kunnen lijden, zijn er geen specifieke herprogrammeringen bekend. Wel kunnen hersenschade, ziekte of neurologische afwijkingen resulteren in een zombieachtig voorkomen, zoals apathisch gedrag en ongecoördineerde bewegingen. De meest extreme vorm van hersenzombificatie komt voor bij mensen die lijden aan het syndroom van Cotard. Zij verbeelden zich dat zij dood zijn, hun lichaam niet bestaat of dat organen of bloed ontbreken. Het zal niemand verbazen dat deze patiënten ook erg depressief kunnen zijn.

Ondood

De Canadese antropoloog en botanicus Wade Davis (1953) bedacht dat er misschien wel een heel logische verklaring voor de Haïtiaanse zombie was. [3] Davis twijfelde er geen moment aan dat zombies bestaan, maar had zijn bedenkingen over de magische krachten van de bokors. Al aan het begin van de 20ste eeuw waren er rapporten dat deze voodoopriesters gif zouden gebruiken om mensen in zombies te veranderen. Mede door het sociaal-politieke beeld van die tijd had niemand veel aandacht voor Haïtianen en hun bijgeloof. De hypothese kreeg meer bekendheid toen in 1938 de bekende antropologe Zora Neale Hurston (1891-1960) opperde dat er een materiële basis voor zombievoorvallen moest zijn. Zij veronderstelde dat de slachtoffers niet stierven, maar door een geheime drug schijndood gemaakt werden. Het recept van de drug zou uit Afrika komen en van generatie op generatie aan priesters zijn doorgegeven. De drug zou de hersenen beschadigen, zodat een zombie houterig bewoog en het vermogen verloor om gedachten te formuleren.

Davis had het geluk dat er rond 1980 een drietal interessante gevallen werden beschreven. Het interessantste verhaal was van Clairvius Narcisse (Davis noemde hem Louis Ozias) die begin 1962 naar een Amerikaans ziekenhuis werd gebracht. Hij was ziek en ellendig, had koorts en overal pijn, en begon bloed op te geven. Zijn toestand verslechterde snel en na een paar uur werd hij door twee verschillende artsen dood verklaard. In zijn dossier werden spijsverteringsstoornissen, longoedeem, hypothermie, ademhalingsmoeilijkheden en hypotensie genoemd. Het lichaam van Narcisse werd in een koelcel gelegd en de volgende dag begraven. Achttien jaar later verscheen Narcisse op een lokale markt, waar hij zijn zuster begroette en zulke intieme details vertelde dat onmiddellijk duidelijk was dat hij geen bedrieger was. Analyse van Scotland Yard met vingerafdrukken op zijn doodcertificaat vormden een sluitend bewijs.

Narcisse vertelde dat hij tijdens zijn begrafenis bij bewustzijn was en zijn zusters hoorde huilen. Hij liet een litteken zien veroorzaakt toen een kromme spijker van de doodkist zijn gezicht doorboorde. Na een tijdje werd de kist geopend door een bokor en werd hij geslagen en gemarteld. Twee jaar lang werkte hij op een suikerplantage waar hij slechts eenmaal per dag te eten kreeg. Al die tijd drogeerde men hem, totdat zijn meester werd gedood door een opstandige zombie en alle lotgenoten konden ontsnappen. Narcisse beschuldigde zijn broer als opdrachtgever tot zijn zombificatie. De broers hadden ruzie over een stuk land. [13]

Davis hechtte veel waarde aan het merkwaardige relaas van Narcisse. Na zijn ‘ontsnapping’ zwierf Narcisse nog 16 jaar over het eiland en schreef regelmatig brieven naar zijn familie. Pas toen hij hoorde dat zijn slechte broer was gestorven, zocht hij zijn familie op en werd hij herkend. Een suikerplantage met hard werkende zombies is nog niet gevonden.

Davis ondernam drie verschillende expedities en leerde van de bokors de beginselen van het voodoogeloof. Volgens de bokors is de mens samengesteld uit vijf verschijningsvormen. De z’étoile (‘ster’) is een spirituele component ergens in de lucht en wijst naar het levenslot. De gros bon ange is de levenskracht en vormt een deel van de kosmische energie. De ti bon ange is het aura dat ieder mens omringt en dat zijn persoonlijkheid, karakter en wil toont. De n’ame is de geest van het vlees en laat iedere cel functioneren. Ten slotte is er de corps cadawe, de verschijningsvorm die we het best kennen: het materiële deel van de mens. Om een zombie te creëren richt de bokor zijn kwade krachten op de ti bon ange en probeert de wil van het slachtoffer over te brengen op een voorwerp, zoals een speciaal gedecoreerde fles en als hij echt kwaad wil: een dier. Het is voor een Haïtiaan soms niet makkelijk om naar een gillende geit of varken te luisteren: er kan immers een gevangen mensenziel in opgesloten zitten, schreeuwend om hulp.

Ieder dorp heeft zijn eigen gifmengsel van planten, dieren en zo vers mogelijke menselijke resten. De bokor bereidt het gif uiterst voorzichtig om niet zijn eigen slachtoffer te worden. Hij smeert zijn armen in met olie en draagt een doek voor zijn neus en mond. Pas daarna roostert hij de gedroogde dieren samen met het menselijk materiaal en de planten. Vervolgens braadt en kookt hij het mengsel totdat een olieachtig prutje ontstaat, dat hij droogt en en tot een fijn poeder vermaalt in een mortier. De bokor dient het gif niet heimelijk oraal toe, maar stopt het in de schoenen van het slachtoffer of spreidt het – meestal in een kruisvorm – uit voor de deur van zijn huis. Via kleine wondjes in de huid komt het gif in de bloedbaan om in enkele uren zijn net niet dodelijke effect uit te oefenen. Met een ceremonie, geweld en een psychose veroorzakend opwekbrouwsel kan de bokor het bijgelovige slachtoffer doen geloven dat hij dood is. Een zombie is geboren.

Volgens Davis is het menselijke materiaal er slechts voor de show. Verbrande botten en vlees dragen niet bij aan een toxisch effect. Zombiekomkommers (doornappels) worden veelvuldig door de bokors gebruikt, niet alleen in het zombiegif, maar ook als antidotum. De plant bevat het hallucinogene scopalamine en atropine dat tot geheugenverlies kan leiden. De bokors gebruiken verder boomkikkers met een gif waar men tijdelijk blind van kan worden, wormen met een verlammend gif en padden die wel 26 toxines bevatten. Maar het voornaamste bestanddeel komt uit de kogelvis: tetrodoxotoxine (TTX).

TTX is een zenuwgif dat de natriumkanalen van zenuwcellen blokkeert zodat de zenuwen geen signaal meer kunnen doorsturen. Het gif komt nauwelijks door de bloed-hersenbarrière en heeft vooral effect op het perifere zenuwstelsel. Vergiftiging kent vier gradaties: van een lichte sensatie rond de mond en misselijkheid, tot verlamming en uitval van organen waardoor ademhalings- en hartproblemen ontstaan. Een dosis van 20 mg kan al voldoende zijn om een volwassene te doden. Een antidotum is er niet.

De meeste kogelvissen bevatten voldoende gif om 30 mensen te doden. De hoeveelheid gif varieert van soort tot soort en van seizoen tot seizoen. De kogelvis produceert het TTX niet zelf. Bacteriën in bodembezinksels synthetiseren TTX en de kogelvis die een echte slakkeneter is, krijgt het gif via deze sediment afgrazende roofdieren binnen. Het gif stapelt zich op in de lever en bij vrouwtjesvissen ook in de ovaria. In Japan wordt de kogelvis tot de hoogste lekkernijen gerekend. Men noemt de vis en het gerecht fugu. Hoewel de kogelvis tegenwoordig ook TTX-vrij gekweekt kan worden, geven rijke Japanners de voorkeur aan de giftigste soort.

Volgens Davis zijn de symptomen van TTX precies dezelfde als de verschijnselen die bij de zieke in zombie veranderende personen worden waargenomen. Ook beschrijft hij een anekdote van een Japanner die na zijn minder perfect bereide fugu verlamd, maar wel bij bewustzijn zijn begrafenisceremonie meemaakte, en gelukkig net bij zinnen kwam toen de lijkwagen richting crematorium reed. Om zeker van zijn zaak te zijn stuurde Davis monsters van het voodoobrouwsel naar verschillende laboratoria.

Bokor bluf

Het verhaal van Davis klonk aannemelijk en trok veel publiciteit. Davis schreef er twee boeken over en hielp mee aan de film The serpent and the rainbow (1988), waarin zijn eigen avonturen vrijelijk werden vastgelegd. Als hij gelijk had, dan moeten we de bokors als de absolute grootmeesters van de farmacie beschouwen. Hoe kan een bokor precies weten hoeveel gif hij via wondjes in de voetzool moet toedienen? Hoe kan hij het moment voorspellen waarop het verlamde, in doodstrijd verkerende slachtoffer in zijn verstikkende grafkist zal ontwaken? Het antwoord ligt voor de hand: dat kan hij niet.

Een Zwitsers laboratorium kon een derivaat van TTX vinden in een van de monsters die het van Davis toegezonden kreeg. Het lab schatte de hoeveelheid TTX tussen de 5 en 20 µg/g poeder. [1] Volgens een officieus rapport dat het New York State Psychiatrisch Instituut naar Davis stuurde, bevatte het poeder voldoende gif om in ratten de symptomen van kogelvisvergiftiging te veroorzaken. Dit experiment kon Davis zelf overigens niet reproduceren. Uit niet gepubliceerde resultaten van een Frans laboratorium zou de concentratie TTX 0,06 µg/g poeder zijn. Een Japans laboratorium kon geen TTX aantonen en meldde tevens dat het zombiepoeder zo basisch was, dat TTX onmiddellijk zou worden afgebroken. [12] Het Zwitserse lab mat juist een licht zure oplossing als het poeder in water werd opgelost. Als subcutaan toegediend TTX net zo giftig is voor proefdieren als voor mensen, dan zou een halve milligram TTX voldoende zijn om met 50% zekerheid een persoon van 70 kg te doden. Zelfs als het Zwitserse lab gelijk heeft, zijn toch al gauw ettelijke eetlepels zombiepoeder nodig om het slachtoffer te vergiftigen. Het lijkt onmogelijk dat zoveel materiaal in korte tijd door kleine wondjes in de voetzolen kan worden opgenomen. Ook stiekem een schepje door het eten mengen is zinloos; het maagzuur maakt TTX viermaal minder actief.

Davis heeft zich zo vastgebeten op het vinden van een zombiegif, dat hij de bovennatuurlijke macht die bokors zichzelf toekennen uit het oog verloor. Davis stelde dat hij met TTX het geheim van zombificatie ontdekte. Maar als de bokor dat ook wist, waarom zou hij dan nog zoveel andere gifstoffen toevoegen? En waarom zouden verschillende bokors hun recept wel met Davis willen delen, maar er niet bij vertellen dat de kogelvis het sleutelelement tot hun succes is? Het ligt meer voor de hand dat de bokor maar wat doet en alle giftige planten en dieren die hij kent samenvoegt om publiekelijk een supergif te brouwen. Aangevuld met vers mensenvlees, ceremoniële en gewelddadige procedures wordt de bijgelovige Haïtiaan zo de stuipen op het lijf gejaagd dat aan het gezag van de bokor niet meer wordt getwijfeld.

Onverwerkt verdriet

De psychiater Louis P. Mars die van 1958 tot 1959 ook minister van Buitenlandse Zaken van Haïti was, bestudeerde in zijn begincarrière voodoo en het zombiefenomeen. Hij hoorde verhalen van toeristen die teleurgesteld waren omdat zij de hordes zombies die door de straten van afgelegen dorpjes zouden lopen niet konden vinden. [9] Mars schatte op grond van alle verhalen die de ronde deden, dat er jaarlijks wel 1000 nieuwe zombies moesten bijkomen. [8] Natuurlijk kent het land veel afgelegen plantages, maar er is niemand die ooit suikerrietvelden vol met zombies kon vinden.

Zelf beschouwde Mars de zombie als folklore. Na veel moeite mocht hij zelf een zombievrouw onderzoeken, Felicia Mentor. [16] Haar huid zag er wit, gerimpeld en geschubd als een vis uit en ze strompelde voort. Mars dacht dat ze minstens 60 moest zijn, maar na opname in een ziekenhuis onderging ze een opmerkelijke verjonging. Volgens de familie had Felicia haar linkerbeen gebroken en liep zij mank voordat ze stierf. Een röntgenfoto toonde echter aan dat de zombie-Felicia geen botbreuken had. Mars concludeerde dat er sprake moest zijn van een persoonsverwisseling. De familie had de vrouw herkend aan haar typische loopje. Omdat de vrouw ernstig in de war was, dacht de familie dat ze een zombie was.

Littlewood en Douyon onderzochten drie recente zombievoorvallen. [8] In het eerste voorval konden de onderzoekers slechts een medische diagnose geven: catatonische schizofrenie. Deze neurologische afwijking komt regelmatig op Haïti voor. De laatste casus bleek een persoonsverwisseling. De tweede gebeurtenis beschrijft de zombificatie van de zoon van een agent van de Haïtiaanse geheime dienst. Zijn vader wijst zijn eigen broer aan als de opdrachtgever. De broer wordt hierop tot levenslange opsluiting veroordeeld, maar weet te ontsnappen. Hij beweert erin geluisd te zijn omdat er ruzie was over het familiebezit. Uit DNA-analyse blijkt dat de zombie helemaal geen zoon was van de agent was, maar een jongeman die leed aan hersenschade door zuurstofgebrek bij zijn geboorte.

Zijn alle Haïtiaanse zombieverhalen dan verzinsels? Waarschijnlijk wel. Er is nog nooit een echte zombie opgespoord. De anekdotes zijn te herleiden tot onverwerkt verdriet over een jonge overledene, persoonsverwisselingen, psychiatrische afwijkingen, fraude, bijgeloof en … sterke verhalen.

Literatuur

1. Benedek C, Rivier L, 1989, Evidence for the presence of tetrodotoxin in a powder used in Haiti for zombification. Toxicon, 27, 473-480.
2. Brooks M, 2003, The zombie survival guide: complete protection from the living dead. ISBN-13: 978-1-4000-4962-2
3. Davis EW. 1983, The ethnobiology of the Haitian zombie. J Ethnopharmacol., 9, 85-104.
4. Dendle P, 2001, The zombie movie encyclopedia. ISBN-13: 978-0-7864-0859-7.
5. Hearn L, 1889, The Country of the Comer-Backs. Harper’s Magazine.
6. Goff P, 2012, A priori physicalism, lonely ghosts and cartesian doubt. Conscious Cogn., 21, 742-746.
7. Kreuter PM, 2004, De ware vampier: Volksgeloof in Zuidoost-Europa. Skepter, 17(2), 35-41.
8. Littlewood R, Douyon C, 1997 Clinical findings in three cases of zombification. Lancet, 350, 1094-1096.
9. Mars LP, 1945, The story of the zombie in Haïti. Man. A Record of Anthropological Science, 45, 38-40.
10. Munz P, Hudea I, Imad J, Smith RJ. 2009, When zombies attack!: mathematical modelling of an outbreak of zombie infection. In ‘Infectious Disease Modelling Research Progress’, H4, 133-150.
11. Rhodes GD. 2006 White zombie: anatomy of a horror movie.
12. Yasumoto T, Kao CY. 1986, Tetrodotoxin and the Haitian zombie. Toxicon, 24, 747-749.
13. creepypasta.wikia.com/wiki/The_Case_of_Clairvius_Narcisse
14. en.wikipedia.org/wiki/Miami_cannibal_attack
15. lqp-79.org/
16. en.wikipedia.org/wiki/Wikipedia_talk:Articles_for_creation/LQP-79
17. www.wipo.int/wipolex/en/text.jsp?file_id=200018 artikel 246
18. www.zombieworldnews.com/archives/africa/halman_halfzombie.html
19. www.zombieworldnews.com/archives/science/world_health_authority/
wha_necro_mortosis.htm

 Uit: Skepter 26.1 (2013)

Dirk Koppenaal is redacteur van Skepter