De zoektocht naar vrije energie

Boekbespreking

door Marcel Hulspas

search-for-free-energy-tuttGeen vervuiling, zonder gebruik te hoeven maken van kostbare grondstoffen, geen rekening aan het eind van de maand. Het is waar honderden uitvinders van dromen. Maar bestaat het ook: vrije energie?

De toekomst van de firma Blacklight Power in de Amerikaanse staat New Hampshire ziet er rooskleurig uit. Twee grote Amerikaanse stroombedrijven en verscheidene investeringsbanken hebben al enkele miljoenen in het bedrijf geïnvesteerd, en het is de bedoeling dat het dit jaar aan de beurs zal worden genoteerd. David Blake, vice-president van Connectiv, een stroomgigant aan de Amerikaanse oostkust, heeft meegedeeld dat het stadium van wetenschappelijke tests wat hem betreft achter de rug is en dat er nu gewerkt zal worden aan commerciële toepassingen, op de markt ‘waarschijnlijk binnen zeven jaar’.
Als het zover komt is dat een historische doorbraak. De machines van Blacklight produceren namen energie uit niets – of beter: op een manier die volgens natuurkundigen helemaal niet kan. Uitvinder en oprichter Randell Mills heeft het over ‘hydrokatalytische waterstofkracht’, een proces ver voorbij de inzichten van Einstein en de wetten van de kwantummechanica. Mills heeft een pil van duizend pagina’s geschreven, The Grand Unified Theory of Classical Quantum Mechanics, waarin hij een en ander uitlegt. In zijn brandstofcellen wordt waterstof verbrand, net zoals dat in een gewone brandstofcel gebeurt. Maar dankzij speciale katalysatoren, gebaseerd op kalium (meer kan hij voorlopig niet onthullen), krijgt hij honderden zo niet duizenden keren meer energie uit dit proces. Hij heeft namelijk ontdekt dat het waterstofatoom beneden de door natuurkundigen gedefinieerde grondtoestand nog veel meer en veel lagere energieniveaus kent. De door Bohr in 1913 berekende kleinste baan van het elektron om de waterstofkern (een proton) is de kleinste niet: het elektron kan volgens Mills ook in een halve, een derde, een kwart van die baan om de kern cirkelen. En al die kleinere banen vergen minder energie. Dankzij zijn katalysator kan Mills het atoom ertoe verleiden zo’n lagere toestand aan te nemen en het energieoverschot is voor hem – en straks voor al zijn klanten.

Mills noemt die extra-energiearme waterstofatomen hydrino’s, en volgens hem gedragen ze zich op een heel bijzondere manier. Ze zijn niet giftig en kunnen heel gemakkelijk de kosmische ruimte in ontsnappen, maar ze kunnen zich ook aan andere stoffen binden en zo zeer nuttige materialen vormen. Maar zijn sterkste troef is en blijft voorlopig zijn energie producerende ‘vapor phase cell’.

Charles Haldeman, staflid van het Lincoln Laboratory van het MIT onderzocht een prototype en was stomverbaasd: hij kreeg er inderdaad meer energie uit dan hij erin hoefde te stoppen. Voor iedere watt die erin ging kwamen er 4 watt uit. Andere serieuze onderzoekers uit binnen- en buitenland bouwden of kregen andere prototypen en gingen er grondig mee aan de slag, en een voor een vonden ze hetzelfde: een onmogelijk energieoverschot.

Mills’ apparaat maakt energie uit niets, zo lijkt het. En volgens Mills dankzij een proces dat iedere natuurkundige (afgezien van degenen die met zijn apparatuur hebben mogen werken) als volstrekt krankjorum zal beschouwen. Het deert Mills niet. Hij bouwt rustig verder. Om Faraday te parafraseren: nu roepen de autoriteiten dat het onmogelijk is, straks zullen ze de burger dwingen er belasting voor te betalen.

Het verhaal van Blacklight is een van de weinige succesverhalen in The Search for Free Energy. Gratis energie, overal milieuvriendelijk te winnen, is toch vooral een droom die maar geen werkelijkheid wil worden. Dromers genoeg, dat wel. De auteur, tv-producent Keith Tutt, heeft er heel wat verzameld, en alhoewel Tutts sympathie heel duidelijk naar hen uitgaat (een noodzakelijke voorwaarde voor een dergelijke inzet, vrees ik) maken de meesten toch geen erg betrouwbare indruk. De historische voorbeelden zijn met name intrigerend omdat de technieken veel eenvoudiger en de claims tegelijkertijd een stuk opmerkelijker waren. Ook toen waren er natuurkundigen die de gelegenheid kregen om deze apparaten van alle kanten te onderzoeken en uiteindelijk moesten concluderen dat hier iets zeer opmerkelijks aan de hand was.

Tutts eerste kandidaat, T. Henry Moray (1894-1974; opmerkelijk genoeg ontbreekt de beroemde John Keely, zie Skepter december 1999) bouwde een Radiant Energy Device dat op voor velen overtuigende wijze kosmische energie opving en er een forse batterij lampen op kon laten branden. Dagen achtereen stond de machine te draaien, volledig op z’n eentje, op volle sterkte, en er was in dat ding echt geen batterij te vinden (wat gezien de prestaties ook een revolutionaire batterij geweest had moeten zijn).

Moray bouwde voort op een idee van de grootste uitvinder aller tijden. Nikola Tesla, de man die meer dan wie ook verantwoordelijk is voor het feit dat elektriciteit een overal verkrijgbare en betrouwbare energiebron is geworden. Tesla (Tutts biografische schets is helaas niet bijzonder) lanceerde ook een idee dat sindsdien voor veel uitvinders onweerstaanbaar is geweest: de kosmos zit boordevol energie, klaar voor wie haar weet te temmen. Tesla droomde ervan, Moray beweerde dat hij die energiebron door middel van harmonisch afstemmen op kosmische frequenties kon aanboren. Hij nam zijn geheim mee het graf in. Nabestaanden en een paar onderzoekers doen nu vertwijfelde pogingen om zijn papieren te doorgronden.

De kosmische vrije energie is nog springlevend. Kwantum-mechanische speculaties over de spontane vorming van deeltjesparen in het vacuüm (dat kan, mits de ladingen tegengesteld zijn en ze maar héél kort bestaan) hebben de experimentatoren zelfs nieuwe hoop gegeven. Zou het niet mogelijk zijn om die spontaan ontstane deeltje-antideeltjeparen door middel van een elektrisch veld uit elkaar te trekken voordat ze elkaar weer aantrekken en vernietigen? Het is maar een idee waar een mens zijn leven aan kan wijden…

Tutts overzicht is veelomvattend en de tekst is actueel. Wie een vlot leesbaar naslagwerk wil hebben van alle belangrijke experimenten en ontwikkelingen op dit terrein zal zijn boek zeker kunnen waarderen. Jammer is alleen dat zijn natuurkundige kennis tekort schiet. Zijn uitleg van apparaten en de achterliggende theorieën is veelal zwak en te vaak gebaseerd op half begrepen mededelingen van bouwers en critici. Hier en daar wordt een energie in ‘volts’ aangeduid, en helemaal bevreemdend is dat het OKW (het Oberkommando der Wehrmacht, de generale staf ten tijde van het nazi-bewind) omschreven wordt als de researchafdeling van de marine!

Die onkunde heeft echter het voordeel dat hij geen oordelen vooraf velt, iets waar veel natuurkundigen last van hebben (en die dus jammer genoeg nooit een dergelijk boek zouden kunnen schrijven). Hun finest hour was natuurlijk de smadelijke ondergang van Martin Fleischmann en Stanley Pons, de ontdekkers van de koude kernfusie in 1989. Het was onmogelijk, en het is ook niks geworden. Tutt wijdt twee hoofdstukken aan deze affaire, slaagt er in dat korte bestek uiteraard niet in om de fysica en de keiharde competentiestrijd achter de schermen helder over te brengen (daarvoor kan men het beste terecht bij Bad Science van Gary Taubes), maar juist omdat hij geen boodschap heeft aan een wetenschappelijk ‘onmogelijk!’ geeft hij een eerlijk overzicht van de vele nog steeds lopende pogingen om koude kernfusie nieuw leven in te blazen.

Machtsmisbruik

Het probleem met sommige critici is dat ze niet alleen vanuit de verte hun banvloek uitspreken maar ook nog pogingen doen om hun tegenstander monddood te maken. Robert Park bijvoorbeeld, een man die nu alom geprezen wordt voor zijn boek Voodoo Science, heeft zijn uiterste best gedaan om een conferentie over alternatieve energiebronnen de grond in te boren, enkel en alleen omdat er ook een spreker over koude kernfusie op het programma stond.

Begin 1999 hoorde hij dat het State Department (het ministerie van Binnenlandse Zaken) bereid was daar geld in te steken. De minister had speciaal voor dat soort ‘alternatieve’ bijeenkomsten op milieugebied een bescheiden potje ingesteld. Desondanks schakelde Park wat militaire vriendjes binnen het ministerie in om de beslissing teruggedraaid te krijgen. De organisatie zocht daarop de steun van andere ministeries en ook die wilden daar op hun beurt best wat geld voor geven – maar opnieuw zette Park alles op alles om te voorkomen dat de conferentie door zou gaan.

Ze ging uiteindelijk toch door, ver van Washington, en het moge duidelijk zijn dat een ander onderwerp inmiddels hoog op de agenda was komen te staan, zij het informeel: het geloof in de Grote Samenzwering van de federale regering, de wapenindustrie en wetenschap gericht tegen alles wat hun oppermacht aan zou kunnen tasten.

Park is er nog trots op ook, en tijdens een bijeenkomst van de American Physical Society werd hij uitbundig geprezen voor zijn inzet ‘ten bate van de wetenschap’. Het was ongetwijfeld deels een onwetenschappelijke conferentie, ook al speelde koude fusie nauwelijks een rol en gingen de meeste lezingen over zonne- en windenergie. Maar dat geeft Park, of welke invloedrijke wetenschapper dan ook, nog niet het recht om de deelnemers monddood te maken.

Reguliere natuurkundigen reageren wel vaker uiterst emotioneel als het om dwarse inzichten gaat. Tutt vroeg Princetonhoogleraar en Nobelprijswinnaar Philip Anderson om zijn mening over het werk van Mills, waarop deze in woede uitbarstte: ‘If you could fuck around with the hydrogen atom, you could fuck around with the energy process in the sun. You could fuck around with life itself… everything we know about everything would be a bunch of nonsense. That’s why I am so sure that it’s a fraud.’

Het moge duidelijk zijn dat Anderson geen zin heeft om de brandstofcel van Mills met eigen ogen te onderzoeken.

Keith Tutt (2001). The Search for Free Energy. A scientific tale of jealousy, genius and electricity. Simon & Schuster. 35,- euro.

Uit: Skepter 14.4 (2001)

Marcel Hulspas is wetenschapsjournalist en was hoofdredacteur van Skepter van 1988 tot en met 2002