Voor God en Ulster

Rituelen van de Oranje Orde

door Rob Nanninga

oranjeTussen maart en oktober houden broeders van de Oranje Orde en andere Noord-Ierse loyalisten ruim tweeduizend openbare parades. Hun held is ‘King Billy’, stadhouder-koning Willem III, die wordt vereerd als een door God gezonden verdediger van het protestantse geloof. Het territorium van de oranjemannen staat echter onder toenemende druk.

Willem III van Oranje verjoeg in 1688 op verzoek van het Engelse parlement zijn oom en schoonvader Jacobus (James) II van de troon. Het parlement wilde van Jacobus af omdat hij te veel macht opeiste en te nadrukkelijk katholiek was. Willem en zijn vrouw Mary namen als duo het koningschap over, maar de verdreven vorst liet het er niet bij zitten. Hij landde met een klein Frans leger in Zuid-Ierland, waar hij als wettige monarch werd begroet. De noordelijke provincie Ulster leverde meer problemen op. Maandenlang belegerden troepen van Jacobus de havenstad Londonderry, waar dertigduizend uitgehongerde protestanten zich achter de stadsmuren hadden verschanst. Ze werden uiteindelijk bevrijd door de vloot van Willem, die in 1690 zelf naar Ierland kwam om tegen zijn rivaal in het strijdperk te treden. Zijn overwinning bij de rivier de Boyne wordt nog jaarlijks op 12 juli gevierd. Veel Noord-Ierse protestanten geloven dat ‘Billy’ het Britse rijk en in het bijzonder de provincie Ulster heeft behoed voor een Roomse dictatuur.

De voorbereidingen op de ‘Twelfth’ beginnen al eind juni. Dan worden in protestantse wijken en dorpen erebogen met oranjesymbolen opgericht. Tussen de huizen worden rood-wit-blauwe wimpels gespannen en overal wappert de Union Jack en de vlag van Ulster. Soms worden zelfs lantarenpalen en stoepranden rood-wit-blauw geschilderd. Begin juli houden de oranjeloges een parade door hun eigen buurt en ook een gezamenlijke kerkgang staat op het programma. De jeugd is ondertussen druk bezig met het inzamelen van afvalhout en oude autobanden, waarvan torenhoge brandstapels worden gebouwd. Bij het aanbreken van de grote dag wordt om middernacht het vreugdevuur ontstoken. Op de top van de brandstapel prijkt gewoonlijk de driekleur van de Ierse Republiek. Er gaat gejuich op wanneer dit symbool van paapse onderdrukking door de vlammen wordt verzwolgen.

De grote parade

Op de ochtend van de Twaalfde verzamelen de oranjeloges van Belfast zich bij hun lokale oranjehal. Van daaruit marcheren ze naar het centrum van de stad, waar ze zich verenigen met loges die uit andere districten zijn gekomen. Alle leden dragen een lange kraagband of sjerp met daarop het nummer van hun loge en hun staat van dienst. Bolhoeden en witte handschoenen zijn in Belfast niet zo gangbaar en veel oranjemannen zien er nogal sjofel uit. De kleurrijke en kostbare vaandels die worden meegevoerd, vergoeden echter veel. Op ongeveer een kwart van de afbeeldingen staat King Billy op zijn witte paard. Er zijn ook veel vaandels met een kroon die op een opengeslagen bijbel rust. Daarmee wordt uitgedrukt dat men trouw is aan de Britse vorst, mits deze protestants blijft.

bandparadeIedere loge laat zich begeleiden door een muziekcorps, vaak een zogenoemde ‘blood-and-thunder’ band, die bestaat uit fluitspelers en luidruchtige trommelaars. De bands zijn vanaf de jaren ’70 populair geworden onder laag geschoolde jongemannen en bepalen tegenwoordig voor een belangrijk deel het aanzien van de oranjeparades in stedelijke gebieden. De jonge musici houden ook regelmatig eigen parades en voeren evenals de loges vlaggen en vaandels mee. De band van Sandy Row, een beruchte volkswijk in Belfast, wordt (in juli ’98) aangevoerd door vier stoere knapen in camouflagepakken. Ze dragen dichtgevouwen vlaggen van de verboden Ulster Defence Association en op hun grote trom staan de letters UFF (Ulster Freedom Fighters), de paramilitaire terreurgroep van de UDA. De hoogste autoriteiten van de Oranje Orde hebben richtlijnen uitgevaardigd om dit soort uitingen tegen te gaan, maar ze schijnen er in de praktijk weinig aan te kunnen doen.

Vanuit het centrum van Belfast zet de bonte stoet van twintigduizend protestantse broeders en bandleden koers naar de ‘Field’, een voettocht van bijna tien kilometer. Langs de kant staan veel gezinnen met kinderen en voor opa en oma heeft men een klapstoeltje meegenomen. Kraampjes met vlaggen en tamboerstokjes doen goede zaken. Maar een echt feest wordt het niet. De rolluiken blijven zoals gebruikelijk gesloten en een uur nadat de parade is gepasseerd, zijn de straten weer uitgestorven. Zelfs een kop koffie is moeilijk te krijgen.

Op het veld buiten Belfast hoeft geen slag te worden geleverd. Er staat een podium waar preken en toespraken worden gehouden. Dominee Smyth, voormalig Grootmeester van de Orde en parlementslid voor de Unionisten, getuigt van zijn trouw aan God en het Verenigd Koninkrijk. Vanaf kwart over vier marcheren de mannen weer huiswaarts. Daar wacht hen een warm onthaal door de opnieuw toegestroomde sympathisanten. Dames in rood-wit-blauwe kleding omhelzen passerende oranjemannen. Sommige zien er nogal verhit uit omdat ze op het veld iets te veel gedronken hebben.

Rome Rule

De oranjeparades onderstrepen de eigen identiteit en cultuur van de Noord-Ierse protestanten, nazaten van Schotse en Engelse kolonisten. De Oranje Orde werd gesticht in het noordoostelijke graafschap Armagh, waar protestantse en katholieke pachters verwikkeld waren in een geweldadige concurrentiestrijd. Om hun belangen te verdedigen hadden veel katholieken zich verenigd in een geheim genootschap, de Defenders. In september 1795 voerden enkele honderden Defenders een aanval uit op een herberg die bekend stond als uitvalsbasis voor zogenaamde Peep-o-Day Boys. Deze Boys dankten hun naam aan de overvallen die ze bij het krieken van de dag op katholieke boeren uitvoerden. Er volgde een veldslag waarbij één protestant en een stuk of veertig katholieken het leven lieten. Een groepje protestanten vierde de overwinning in de herberg van de vrijmetselaar James Sloan, waar zij de eerste oranjeloge oprichtten en Sloan tot grootmeester kozen.

Een paar jaar later waren er al duizenden oranjemannen, waaronder velen die toetraden tot de vrijwillige landmilitie. Samen met het leger streden zij tegen de United Irishmen, die in 1798 naar Frans voorbeeld de revolutie uitriepen. Maar nadat dit gevaar was bezworen, raakte de Oranje Orde uit de gratie bij de autoriteiten. Hun parades werden zelfs geruime tijd verboden omdat ze voortdurend aanleiding gaven tot rellen en gevechten. Onder de katholieken kwam een emancipatiebeweging op gang en in 1886 verklaarde de liberale premier Gladstone dat het tijd werd om de Ierse afgevaardigden in het Britse Lagerhuis een eigen parlement in Dublin te gunnen, zodat ze hun interne zaken zelf konden regelen.

De oranjebeweging kreeg een enorme impuls door Gladstones Home Rule Bill. Deze wet zou betekenen dat het welvarende protestantse Noorden zich moest onderwerpen aan een meerderheid van katholieke parlementsleden uit het achtergebleven Zuiden. Dat zou geen Home Rule zijn, maar Rome Rule! De wet werd uiteindelijk in 1914 een feit. Inmiddels hadden de Unionisten, die met het overzeese moederland verenigd wilden blijven, een krachtige politieke partij (UUP) opgericht, waarin leden van de Oranje Orde ruim vertegenwoordigd waren. Er waren ook veel oranjemannen die toetraden tot de Ulster Volunteer Force, een paramilitair vrijwilligersleger van wel honderdduizend man dat bereid was de vrijheid van Ulster met alle beschikbare middelen te verdedigen. Ondertussen ontstond er in het Zuiden een grote republikeinse partij (Sinn Féin) en een bevrijdingsleger (IRA) dat de Britse militairen met aanslagen bestookte. Een burgeroorlog kon alleen worden bezworen door Ierland in 1921 in tweeën te delen.

Troubles

Een halve eeuw lang mochten de protestantse Unionisten in Noord-Ierland de lakens uitdelen. De rooms-katholieken, die meer dan eenderde van de bevolking vormden, werden op diverse terreinen achtergesteld en gediscrimineerd. Omdat ze de nieuwe staat niet van harte ondersteunden en zich Ieren in plaats van Britse onderdanen voelden, behoorden zij in de ogen van de protestanten tot het vijandelijke kamp. Ze werden zoveel mogelijk geweerd uit invloedrijke posities, waar oranjemannen meestal twee streepjes voor hadden. Alle premiers van Noord-Ierland behoorden tot de Oranje Orde en dat gold eveneens voor vrijwel alle ministers. Het orangisme werd een soort staatsgodsdienst, die nationale mythen, helden, symbolen en rituelen verschafte. De parades onderstrepen dat Ulster Brits is en geen deel van Ierland. Het zijn openbare rituelen die de eigen etnische identiteit versterken. Ze tonen de collectieve kracht en onderlinge solidariteit van de protestantse gemeenschap, vastberaden om de speciale status van Noord-Ierland en hun dominante positie niet op te geven.

derryHoewel de protestanten in Noord-Ierland een meerderheid vormden, voelden zij zich omringd door vijanden en verraders die naar een verenigd Ierland streefden. Ze konden zich goed identificeren met de protestanten die in 1689 Londonderry verdedigden onder het motto ‘No Surrender!’. De belegering van Derry werd een symbool voor de positie van Ulster. Ieder jaar maakten de Apprentice Boys van Derry, een zusterorganisatie van de Oranje Orde, een rondgang over de muren van de stad om het ontzet te vieren. Maar op 12 augustus 1969 eindigde deze triomftocht in ernstige ongeregeldheden nadat bewoners van de aangrenzende katholieke ‘Bogside’ stenen en lege flessen hadden gegooid. Voor hen was de parade een symbool van onderdrukking, want hoewel in Derry tweederde van de bevolking katholiek was, was het stadsbestuur nog altijd in protestantse handen.

De Bogsidebewoners wierpen barricades op en gooiden benzinebommen naar politiemannen die hun wijk wilden binnendringen. De strijd sloeg over naar Belfast en de B-Specials werden ingezet om de oproerkraaiers mores te leren. Deze reserve-politiemacht, die geheel uit oranjemannen en andere loyalisten bestond, ging behoorlijk over de schreef en werd een jaar later opgeheven. Britse troepen kwamen de orde herstellen, maar in 1972 waren de zogenoemde ‘Troubles’ zodanig geëscaleerd dat de Britse regering het Noord-Ierse parlement naar huis stuurde en het bestuur overnam.

Pas in 1998 kwam een oplossing in zicht toen de meeste partijen het eens werden over de opzet van een nieuw Noord-Iers parlement waarin ook katholieke nationalisten en republikeinen wat te zeggen krijgen. De Oranje Orde en de politieke partij van dominee Paisley (DUP) waren tegen, maar 71 procent van de bevolking ondersteunde het akkoord. Het zal echter niet eenvoudig zijn om de kloof tussen protestanten en katholieken te overbruggen.

‘Vrijheid of slavernij’

De oranjemannen claimen iedere zomer het recht om gezamenlijk langs hun traditionele routes over de openbare weg te lopen. Een gezegde luidt: waar oranjemannen niet kunnen paraderen, daar kunnen protestanten niet leven. Zulke gebieden zijn in handen van de vijand. De machtsverhoudingen worden van oudsher uitgedrukt in de omvang van het territorium waarbinnen men ongehinderd kan marcheren. Met hulp van de politie slaagde de oranjebeweging er lange tijd in haar traditionele marsroutes in stand te houden, ook wanneer die voerden door buurten waar inmiddels overwegend katholieken woonden.

De Unionist Party ondersteunde de opvatting dat men religieuze tradities niets in de weg mag leggen, in tegenstelling tot politieke protestmarsen. In de afgelopen jaren werden er echter verscheidene bewonerscomités opgericht die de oranjeparades uit katholieke buurten willen weren. Zij betogen dat oranjemannen geen recht hebben om hun roem uit te dragen op plaatsen waar ze niet welkom zijn en onrust veroorzaken. Hun tradities stammen uit een tijd waarin ze katholieken nog als tweederangsburgers konden behandelen. Die tijd moet nu maar eens voorbij zijn, aldus de buurtcomités.

Op zondag 9 juli 1995 blokkeerden demonstranten de Garvaghy Road in Portadown om een oranjeparade de doorgang te beletten. De 32 plaatselijke oranjeloges hadden traditiegetrouw een herdenkingsdienst in de Drumcree Kerk bijgewoond. Na afloop wilden ze evenals in voorgaande jaren via de kortste weg teruglopen naar hun oranjehal in het centrum van de stad. Deze route voerde echter door de hoofdstraat van de katholieke wijk in Portadown. De politie plaatste zich tussen beide partijen en adviseerde de oranjemannen via een omweg terug te keren. Zij besloten daarentegen net zo lang te blijven tot de weg vrij zou zijn.

Oranjeman David Trimble, de huidige premier van Noord-Ierland, onderhandelde namens de Orde met de politie, maar bereikte geen overeenstemming. Ook de reactionaire dominee Ian Paisley verscheen op het toneel. ‘Als we deze slag niet winnen, is alles verloren’, sprak hij. ‘Het is een zaak van leven of dood, van Ulster of de Ierse Republiek, van vrijheid of slavernij.’ De volgende dag stroomden tienduizend loyalisten naar Drumcree om hun steun te verlenen. Onder druk van deze omstandigheden kregen 500 plaatselijke oranjemannen op dinsdagmorgen toestemming zonder begeleidende muziekcorpsen door de Garvaghy Road te lopen.

wallpaintingEen jaar later werd het spektakel herhaald nadat de politie had aangekondigd dat de parade zou worden omgeleid. Dominee Paisley sprak de menigte opnieuw toe. ‘We zijn hier om Ulster te redden. Als de parade niet door de Garvaghy Road gaat, zullen er rellen uitbreken op een schaal die de overheid niet meer in de hand kan houden.’ Het waren profetische woorden. Op honderden plaatsen werden wegen geblokkeerd en vernielingen aangericht. In Belfast kwam het openbare leven geheel stil te liggen. Na vier chaotische dagen besloot de politie 1200 kerkgangers doorgang te verschaffen.

In het belang van de openbare orde werden de oranjemannen ook in 1997 onder zware politiebegeleiding door de Garvaghy Road geleid. Inmiddels waren er al op meer dan twintig plaatsen bewonersgroepen actief die oranjeparades uit hun buurt probeerden te weren. De autoriteiten besloten een onafhankelijke commissie in te stellen die in de toekomst zou mogen beslissen welke marsroutes toelaatbaar waren. De oranjeloges van Portadown probeerden de paradecommissie ervan te overtuigen dat hun tocht door de Garvaghy Road opnieuw doorgang moest vinden. Zij betoogden onder meer dat het bewonerscomité was opgezet door Sinn Féin, de politieke tak van de IRA, die de buurt in een republikeins getto wilde veranderen. Hun argumenten konden de commissie echter niet overtuigen. De parade werd in 1998 verboden.

De oranjemannen legden zich niet bij de beslissing neer. Leger en politie moesten uitrukken om een legioen van strijdbare loyalisten met zware middelen tegen te houden. Drumcree werd een week lang voorpaginanieuws en zoals gebruikelijk brak ook op talloze andere plaatsen geweld uit. De climax werd bereikt op zondag 12 juli, toen drie jonge kinderen om het leven kwamen bij een sektarische brandaanslag in Ballymoney. De oranjemannen werden nu van alle kanten opgeroepen de spanningen niet verder op te voeren en de aftocht te blazen. Enkele vooraanstaande predikanten en geestelijken lieten weten dat ze uit de Orde zouden treden als hun broeders niet tot inkeer kwamen. De belegeraars zagen in dat de overwinning niet meer binnen handbereik lag. Een wisselende groep oranjemannen bleef echter als symbolisch protest in Drumcree achter en wacht daar nog steeds op toegang tot de Garvaghy Road, terwijl drumbands en oranjeloges regelmatig zonder toestemming in de omgeving paraderen. De Belfast Telegraph berichtte afgelopen februari dat de aanhoudende overheidskosten van het Drumcree-conflict gemiddeld 10.000 pond per dag bedragen.

Achtbare Meester

De Oranje Orde wekt graag de indruk dat zij strijdt voor religieuze vrijheid. In werkelijkheid gaat het niet alleen om het handhaven van een religieuze traditie; er wordt een politieke strijd gevoerd. Veel oranjemannen hebben zich vermoedelijk vanuit een politieke motivatie aangesloten. De Orde is niettemin ook een religieuze organisatie, die zich presenteert als een besloten genootschap dat de protestantse godsdienst en de leer van de Reformatie wil ondersteunen en beschermen. De meest opvallende kwalificatie van een oranjeman luidt: ‘…hij dient zich met kracht te verzetten tegen de rampzalige dwalingen en doctrines van de Kerk van Rome, en zich verre te houden van alle vormen van paapse aanbidding; hij behoort met alle wettige middelen weerstand te bieden aan de invloed van deze Kerk…’ Oranjemannen mogen niet met een katholieke vrouw trouwen en zelfs hun ouders worden geacht protestants te zijn.

De organisatorische structuur van de oranjeloges is vergelijkbaar met vrijmetselaarsloges. Aan het hoofd staat de Worshipful Master (Achtbare Meester). Hij wordt bijgestaan door de Deputy Master (een soort vice-voorzitter) en de Past Master, die behulpzaam is bij inwijdingsrituelen. De religieuze ceremonies worden geleid door de Chaplain, bij voorkeur een geestelijke. De Tyler (Dekker) en Sentinel (Wachter) moeten erop toezien dat er geen buitenstaanders binnendringen. Daarbij worden geheime wachtwoorden gebruikt. De Oranje Orde kent twee graden van inwijding: Orange en Purple. De rituelen zijn vrij sober. Nieuwe kandidaten krijgen een bijbel en een boek waarin de regels van de Orde staan. De Chaplain stelt hen een aantal voorgeschreven vragen en ze krijgen te horen aan welke verplichtingen ze moeten voldoen. Bij de inwijding in de purperen graad ging het er in de vorige eeuw soms wat ruw aan toe, maar zulke beproevingen schijnen niet meer te bestaan.

Alle bijeenkomsten van de loges worden geopend met een gebed waarin men God om bescherming vraagt tegen de vijanden van het ware geloof. Ook wordt er een bijbeltekst gelezen, een hymne gezongen en soms een moraliserende preek gehouden. Wanneer er geen nieuwe inwijdelingen zijn, wordt de rest van de bijeenkomst besteed aan organisatorische zaken. Naast het organiseren van parades en kerkdiensten houden loges zich bezig met liefdadigheidswerk, sociaal-culturele activiteiten en politieke discussies of campagnes. Het hoogste orgaan van de Oranje Orde is de Grootloge van Ierland, die bestaat uit afgevaardigden en gekozen functionarissen. Hoewel deze Grootloge over enig moreel gezag beschikt, kan zij vaak weinig invloed uitoefenen op besluiten die op lokaal niveau door een Districtsloge worden genomen.

Gods uitverkoren volk

Oranjemannen die belangstelling hebben voor uitgebreide religieuze rituelen, kunnen zich laten inwijden in hogere graden. Deze worden verleend door de Royal Arch Purple Chapter en de Royal Black Institution, twee autonome organisaties die nauwe banden onderhouden met de Oranje Orde, uitsluitend oranjemannen toelaten en in oranjehallen samenkomen. De Royal Arch Purple biedt slechts één inwijdingsgraad en fungeert gewoonlijk als opstapje naar de Royal Black Institution, die elf graden kent. Dit Zwarte Genootschap vertoont verwantschap met de Orde van Ridders van de Tempel en de leden spreken elkaar aan met ‘Sir Knight’. Op hun kraagband prijken emblemen die we ook bij vrijmetselaars aantreffen, waaronder een doodshoofd met gekruiste knekels, een jakobsladder en een passer en winkelhaak. Leden die de hoogste graad hebben bereikt, dragen een rood kruis. De Blacks houden hun eigen openbare parades, waarbij vaandels met overwegend bijbelse taferelen worden meegevoerd. De leden zien er wat netter en plechtiger uit dan de gemiddelde oranjeman en ook de begeleidende muziekcorpsen zijn van betere kwaliteit.

De rituelen van de Blacks zijn strikt geheim, evenals vrijmetselaarsrituelen. De vrijmetselaars hadden nogal eens te maken met verraders die uit de school klapten. Uitvoerige beschrijvingen van hun eerste drie graden zijn op Internet te vinden (www.stelling.nl/vrijmetselarij/). Deze inwijdingsrituelen zijn een soort rollenspelen, met veel rituele vragen en antwoorden, die min of meer verband houden met bepaalde bijbelpassages. Alle handelingen, gebaren en voorwerpen hebben een symbolische of metaforische betekenis. Voor zover ik weet, zijn er nog geen afvallige Blackmen die hun geheimen aan de openbaarheid hebben prijsgegeven. Het is echter wel bekend welke bijbelverhalen zij gebruiken, en hun rituelen sluiten daarbij aan.

Een voorbeeld is de negende graad (Crimson Arrow) die vertelt over de daden van Jehu, die door Jahweh was aangewezen om koning van Israël te worden. Hij schoot een pijl door het hart van zijn rivaal koning Joram, de zoon en opvolger van Achab, die bij God in ongenade was gevallen omdat hij een tempel voor de weergod Baäl had laten bouwen. Jehu gaf opdracht ook alle broers en halfbroers van Joram te doden, waaronder de koning van Juda. Daarna lokte hij de Baälpriesters naar de tempel en slachtte hen af (2 Koningen 9-10).

Andere krijgshaftige helden die een rol spelen in de rituelen van de Blacks zijn Jozua, David en Elia. Jozua liet de muren van Jericho instorten door onder begeleiding van hoorngeschal zeven maal rond de stad te lopen; David doodde de Filistijnse kampvechter Goliath met een steen uit zijn slinger; en Elia liet honderden valse profeten afslachten nadat hij het volk had gedemonstreerd dat hun offers geen invloed op het weer hadden. De bijbehorende emblemen zijn twee gekruiste hoorns, een slinger met vijf stenen en een hand. De bijbelse gebeurtenissen staan ook afgebeeld op de vaandels van de Blacks. Zo zijn er veel vaandels die verwijzen naar Davids strijd tegen Goliath, soms met het onderschrift ‘Hij die vrij wil zijn, moet de eerste klap uitdelen’.

Het gemeenschappelijke thema van deze verhalen is de strijd van Gods uitverkorenen tegen aanbidders van valse goden en beelden. Andere verhalen gaan over Noach, Jacob, Jozef en Mozes, die te midden van verdorven vreemdelingen moesten leven. Zij waren bereid om alles te doen wat God van hen verlangde, ongeacht de consequenties. Hun trouw werd beloond toen hun nazaten toestemming kregen het Beloofde Land binnen te trekken, waar zij met Gods hulp de Kanaänieten onderwierpen. Het ligt voor de hand om parallellen te trekken tussen het volk Israël en de protestanten in Ulster. Evenals de Israëlieten hebben de Noord-Ierse protestanten een vreemd land in bezit genomen. De rituelen van de Black Institution maken het de leden mogelijk zich te identificeren met Gods uitverkoren volk, voortdurend bedreigd door uitheemse invloeden. De rituelen bieden een bijbelse rechtvaardiging voor de strijd tegen paapse afgoderij, verraders in eigen gelederen en andere booswichten, waarbij harde acties soms noodzakelijk zijn. Alleen door de onderlinge eenheid te bewaren en trouw te blijven aan Gods geboden, kunnen de problemen worden overwonnen.

Ook onder ‘gewone’ oranjemannen zijn er velen die hun voorvaderen beschouwen als door God gezonden vertegenwoordigers van het ware geloof, uitverkoren om Ulster, hun Land van Belofte, te leiden. Aanhangers van de kleine maar invloedrijke British-Israel-beweging gaan nog een stap verder. Zij geloven dat de Britten afstammen van de tien verloren stammen van het volk Israël, die in de 8ste eeuw v.C. door de Assyriërs zouden zijn weggevoerd en nooit terugkeerden (2 Koningen 17:6). Ze beweren ook dat de joodse profeet Jeremia ten tijde van de Babylonische Ballingschap naar Noord-Ierland reisde, samen met de dochters van Zedekia, de verslagen koning van Juda. Een van de dochters trouwde volgens hen met de Ierse koning Eochaidu, die van koning David afstamde.

De protestante historicus Ian Adams presenteerde in de jaren ’70 een wat beter onderbouwde theorie om de Britse invloed in Noord-Ierland te rechtvaardigen. Hij meent dat Ierland oorspronkelijk werd bevolkt door de Cruthlin, een volk dat verwant was aan de Schotse Picten. Zij wisten het langst stand te houden in Ulster, maar werden uiteindelijk in de 7de eeuw naar Schotland verdreven. De komst van de Schotse kolonisten, duizend jaar later, was dus eigenlijk een terugkeer. Zij hebben evenveel recht op het gebied als de Ierse katholieken. Om tot deze conclusie te komen zijn echter geen historische theorieën noodzakelijk. Het is nu eenmaal een feit dat er in Ulster twee etnische groepen wonen en die zullen gezamenlijk een oplossing voor hun conflicten moeten vinden.

Belangrijkste bronnen

Anthony Buckley & Mary Catherine Kenney, Negotiating Identity – rhetoric, metaphor and social drama in Northern Ireland. Washington, 1995.
Anthony D. Buckley (ed.), Symbols in Northern Ireland, Belfast. 1998.
Tony Gray, The Orange Order. Londen, 1972.
Neil Jarman, Material Conflicts – parades and visual displays in Northern Ireland. Oxford, 1997.

Uit: Skepter 12.1 (1999)

Rob Nanninga was hoofdredacteur van Skepter van 2002 tot 2014