Stonehenge in Amerika

door Gert Jan van ’t Land en Rob Nanninga

Heeft een hoogontwikkelde, uit Europa afkomstige beschaving meer dan 2000 jaar geleden een ingewikkeld astronomisch en religieus monument opgericht aan de oostkust van de Verenigde Staten?

America's Stonehenge (foto: NikiSublime | Flickr)
America’s Stonehenge (foto: NikiSublime | Flickr)

Voordat Columbus naar Amerika voer, was het continent natuurlijk allang ontdekt en bewoond door mensen. De Azteken, Maya’s en Inca’s hadden indrukwekkende beschavingen opgebouwd in Midden-en Zuid-Amerika. Ook in het noordelijke deel, het gebied waar nu de VS en Canada liggen, was een grote verscheidenheid aan culturen te vinden die hun sporen hebben nagelaten. Deze kwamen naar men aanneemt voort uit jagers die ruim 12.000 jaar geleden via de Beringlandbrug van oostelijk Siberië naar Alaska overstaken. Archeologen hebben geen overblijfselen gevonden die ouder lijken te zijn, al zijn er een paar mogelijke uitzonderingen die erop kunnen duiden dat er ook al veel eerder mensen in Amerika leefden. Sommige archeologen veronderstellen dat de vroegste immigranten zich niet alleen te voet maar ook met bootjes langs de kust verplaatsten.

Vermoedelijk waren er rond het jaar 1000 voor het eerst mensen die vanuit Europa naar Amerika voeren. Dit wordt ondersteund door Vikingsagen, een geaccepteerde, maar niet al te nauwkeurige bron van geschiedschrijving. Volgens deze sagen voer een zekere Erik Thorvaldsson, ook bekend als Erik de Rode, in 980 naar het westen, nadat hij wegens moord was verbannen uit de Vikingnederzetting op IJsland. Hij ontdekte een nieuw land en stichtte er met enkele getrouwen een nederzetting. In de hoop op meer volgelingen gaf hij het gebied uit propagandistische overwegingen de naam ‘Groenland’. Volgens de oude sagen verdwaalde er in die tijd een Vikingschip dat van IJsland naar Groenland onderweg was. Het schip hervond zijn koers door vanaf een vreemde kust oostwaarts (!) te varen. De zoon van Erik de Rode, Leif Eriksson, zou later naar die vreemde kust, vermoedelijk het huidige Newfoundland, terugvaren om er een nederzetting te stichten. Concrete aanwijzingen lijken dit te bevestigen. In Newfoundland, aan de noordoostkust van Amerika, zijn resten gevonden van een Vikingdorp, inclusief Vikingoverblijfselen, die volgens C-14 datering afkomstig zijn uit 920 (+/- 30 jaar). De Vikingen zijn er waarschijnlijk maar enkele jaren geweest en hebben geen blijvende invloed gehad.

Niet iedereen is tevreden met deze versie van de Amerikaanse geschiedenis. Er wordt beweerd dat er al oude Romeinen, Israëlieten, Kelten, Egyptenaren en Feniciërs waren die Amerika bereikten. Om dit te staven, stak de Noorse avonturier Thor Heyerdahl in 1969 de Atlantische Oceaan over in een biezen schip naar oud-Egyptisch ontwerp. Timothy Severin zeilde in 1977 van Ierland naar Newfoundland in een primitief schip van latten die met dierenhuiden waren bespannen. Hij putte zijn inspiratie uit een legende over de Ierse abt Sint Brandaan, die in de zesde eeuw naar het beloofde land zou zijn gevaren. De overtocht was dus niet onmogelijk, al bewijst dit niet dat Heyerdahl en Severin vroege voorgangers hadden.

Archeologen kunnen aan de hand van achtergelaten artefacten (door mensen gemaakte voorwerpen) vaststellen of er ergens mensen hebben gewoond. Het omgekeerde geldt ook: als er niks wordt gevonden, was er waarschijnlijk niemand aanwezig, want uit opgravingen blijkt dat mensen altijd dingen achterlaten op de plek waar ze verbleven. Gevonden voorwerpen kunnen in de regel nauwkeurig worden gedateerd. Ook de geografische herkomst kan goed worden bepaald. Ontwerp en materiaalgebruik zijn vaak voldoende om vast te stellen wanneer en door wie ze werden gemaakt. Materiaalanalyse kan nog meer zekerheid bieden over de herkomst. Zo kan een pijlpunt of een potscherf van Europese makelij zonder twijfel worden onderscheiden van een Amerikaans product. Naast de artefacten zijn er nog drie andere bronnen die de wetenschap kan gebruiken: weergaven van de oorspronkelijke bewoners (rotstekeningen, beelden, eventueel teksten), linguïstische aanwijzingen (bijvoorbeeld in plaatsnamen) en stilistische aanwijzingen (onder meer in bouwmethoden).

Tot nu toe heeft men in Amerika geen overtuigende sporen gevonden van bezoekers uit de Oude Wereld die aan de Vikingen vooraf zouden zijn gegaan. Ook het wiel was daar nog niet uitgevonden toen Columbus arriveerde. We kunnen echter niet uitsluiten dat de eventuele bezoekers weinig invloed hebben gehad en dat hun aanwezigheid ooit bewezen kan worden. Maar omdat er al veel is opgegraven, lijkt het steeds minder waarschijnlijk dat de geschiedenis herschreven zal moeten worden.

De Bat Creek steen (foto: Scott Wolter | Wikimedia Commons)
De Bat Creek steen (foto: Scott Wolter | Wikimedia Commons)

Er zijn wel verscheidene spectaculaire vondsten gedaan waarvan werd beweerd dat ze het bewijs leverden, maar dat bleken vaak vervalsingen te zijn. Zo werd er in 1889 in Tennessee een steen gevonden waarin acht vreemde letters waren gekerfd. Cyrus Gordon, een autoriteit op het gebied van semitische talen, kwam in de jaren 1960 tot de conclusie dat het een Hebreeuws dialect was uit de eerste eeuw na Christus. De vertaling van het fragment luidde volgens hem: ‘voor Judea’. De zogenoemde Bat Creek steen kwam uit een Indiaanse grafheuvel en C-14 onderzoek toonde later aan dat de lichamen meer dan 1500 jaar geleden begraven waren. De overige artefacten leken echter van Indiaanse oorsprong, zodat er weinig reden was om aan te nemen dat er destijds al Joden in Tennessee verbleven. Twee archeologen van de Universiteit van Arkansas rapporteerden onlangs dat de tekst lijkt te zijn gekopieerd uit een boek dat in 1870 door vrijmetselaars was uitgegeven (Mainfort & Kwas, 2004). Anderen hebben deze verklaring echter in twijfel getrokken omdat niet alle letters overeenkomen.

Een andere omstreden vondst werd gedaan in de Guanabara Baai bij Rio de Janeiro. Daar haalde een duiker in 1976 twee grote amfora’s naar boven. De bekende schatduiker Robert Marx viste in 1982 nog meer resten op. Volgens een expert, dr. Elizabeth Lyding Will, leken het Romeinse amfora’s die in de derde eeuw in het huidige Marokko waren geproduceerd. Waren er destijds al Romeinen naar Brazilië gevaren of was er een Romeins schip over de oceaan geblazen? Er bleek nog een andere mogelijke verklaring te zijn. De Italiaanse duiker Américo Santarelli, die in Rio woonde, bekende dat hij een stuk of twintig amfora’s had laten laten namaken. Hij wilde ze als decoratie gebruiken, maar omdat ze er nog te nieuw uitzagen, had hij ze in 1961 onder water verstopt in de Guanabara Baai. Ook over deze kwestie lopen de meningen nog steeds uiteen, zoals gebruikelijk is voor alle vermeende sporen van precolumbiaanse bezoekers.

Oeroude offertafel

Veel Amerikanen geloven dat er in de VS duizenden jaren oude megalitische bouwsels te vinden zijn die door Europeanen werden gemaakt. Vooral in New England, waar op verscheidene plaatsen oude steenconstructies te vinden zijn, is dit geloof populair. Het bekendste voorbeeld is Mystery Hill, dat tegenwoordig wordt aanprezen als America’s Stonehenge. De locatie bevindt zich in New Hampshire, dichtbij de stad North Salem, 60 km ten noorden van Boston. Het is in newagekringen een populaire toeristische attractie. Zelf bracht ik (gjvtl) er onlangs ook een bezoek.

Bij de ingang stuit men op een bord met de tekst: ‘Mystery Hill is een complex van vreemde stenen structuren die gelijkenissen vertonen met vroege Europese stenen bouwwerken. Zij suggereren dat hier meer dan 2000 jaar geleden een oude cultuur kan hebben bestaan. Deze raadselachtige kamers die soms “America’s Stonehenge” worden genoemd, bewaren een fascinerend verhaal en zouden overblijfselen kunnen zijn van een beschaving uit de pre-vikingtijd of zelfs van een Fenicische beschaving.’ Het bord is geplaatst door de staat New Hampshire, die de tekst blijkbaar onderschrijft. Sinds 1970 heeft de locatie de status van historisch monument. Er is een bezoekerscentrum en wie daar de toegangsprijs betaalt, ontvangt een brochure en kan een diaklankbeeld zien. Er is ook een winkel met boeken over mystieke onderwerpen en magische objecten zoals gezondheidskristallen.

America’s Stonehenge
America’s Stonehenge (foto: GJ van ’t Land)

America’s Stonehenge bevindt zich op een beboste heuvel en lijkt in het geheel niet op het echte Stonehenge. De naam is duidelijk bedoeld om toeristen te lokken. Er bevinden zich verscheidene ondergrondse ruimtes, muurtjes en andere structuren die zijn gemaakt van grote stenen, waarvan enkele meer dan tien ton wegen. De stenen zijn uit het gebied zelf afkomstig. Het geheel maakt een rommelige indruk. Het pronkstuk is een liggende, platte steen, bijna drie meter lang, ruim anderhalve meter breed en met een gewicht van 4,5 ton. Dit wordt de Offertafel genoemd. In de steen zit een goot die naar men zegt bedoeld was om het bloed af te voeren. Onder de steen bevindt zich de Spreekbuis, een smalle tunnel die uitkomt in een onderaardse kamer, de Orakelkamer. In de brochure van het bezoekerscentrum staat hierover: ‘Woorden die door deze met stenen afgezette buis worden gesproken komen uit onder de Offertafel en geven daardoor de indruk dat de Offertafel spreekt.’ Zo kon een priester de gelovigen voor het lapje houden.

Er wordt beweerd dat America’s Stonehenge al 4000 jaar oud is en wellicht door Kelten is gemaakt. Het zou dus ongeveer even oud zijn als het Engelse Stonehenge (dat overigens niet door Kelten werd gemaakt). Dit monument heeft naar algemeen geaccepteerde inzichten een astronomische betekenis. De verbindingslijnen tussen sommige stenen geven de richting weer van de zonsopkomst op de langste dag van het jaar. Minder geaccepteerd zijn vermoedens dat sommige lijnen verwijzen naar de stand van de maan en de zonnestand op andere dagen van het jaar. Onderzoek naar Stonehenge en de vele andere steencirkels in Engeland heeft tot de conclusie geleid dat bijna alle lijnen die men tussen de stenen kan trekken slechts toevallig bestaan en geen bedoeling hadden.

Ook America’s Stonehenge wordt voorgesteld als een stenen kalender, al zie je dat er niet meteen aan af. In de omgeving van de Offertafel zijn in een gebied van enkele hectares meer dan honderd forse stenen te vinden. Ze hebben verschillende afmetingen en zijn maximaal bijna manshoog. Wanneer je vanuit een centraal punt naar een hoekige steen in het zuidwesten kijkt, dan kijk je in de richting van de zonsondergang op 21 december, de kortste dag van het jaar. Om het zicht te verbeteren, zijn er stroken bomen gekapt. Ook andere stenen worden in verband gebracht met de positie van de opkomende of ondergaande zon op dagen die astronomische betekenis hebben.

Helaas klopt de richting niet wanneer je vanaf het altaar naar de stenen kijkt. Daarom koos men als centrum een punt dat er een meter of tien vandaan ligt. Dan klopt het nog niet precies, omdat de scheefstand van de aardas 4000 geleden een halve graad minder was. In 1998 werd America’s Stonehenge onderzocht door de astronoom Louis Winkler, auteur van het boek Popular Archaeo-astronomy. Hij meende nog veel meer astronomische verbanden te zien, maar zijn resultaten zijn niet erkend door de gevestigde wetenschap. Zelf kreeg ik de indruk dat de stenen die onderdeel waren van de als betekenisvol aangeduide lijnen tamelijk willekeurig waren gekozen. Sommige opvallende en grote stenen werden genegeerd terwijl minder in het oog springende exemplaren wel een belangrijke functie bleken te hebben.

Uitgebreid archeologisch onderzoek heeft geen overzeese artefacten opgeleverd die ouder waren dan de 17de eeuw. Wel werden meer dan duizend jaar oude Indiaanse overblijfselen gevonden. Een van de muren stond er misschien al voor de 18de eeuw. Dit kon in 1967 worden vastgesteld door een boomwortel die door de muur heen was gegroeid met de C-14 methode te dateren, waarbij men uitkwam op 1690 (plus of min een halve eeuw). Maar volgens de archeoloog Kenneth Feder is het ook mogelijk dat men de muur om de wortel heen heeft gebouwd.

In de buurt van de fundering werden later nog twee stukjes houtskool gevonden die ouder waren dan drieduizend jaar. Misschien waren het restanten van een bosbrand, die al millennia eerder plaatsvond dan de bouw van de muur. De oude resten worden in het bezoekerscentrum gepresenteerd als sleutelbewijzen, maar naar wetenschappelijk inzicht hebben ze weinig waarde. We weten niet waar de resten vandaan kwamen, mede doordat de site eerder door allerlei werkzaamheden ernstig is verstoord.

Ierse monniken

Vanaf 1734 tot 1863 was Mystery Hill het eigendom van de familie Pattee. Er stond vermoedelijk een boerderij met stenen gebouwen waarin de huidige stenen structuren geïntegreerd waren. Het lijkt aannemelijk dat de familie op z’n minst grotendeels zelf verantwoordelijk was voor de vreemde bouwsels. Er zijn geruchten dat Jonathan Pattee, die er in de eerste helft van de negentiende eeuw woonde, een illegale whiskystokerij had en de kelders gebruikte om zijn waren op te slaan. Naar men zegt was hij ook betrokken bij de ‘Underground Railroad’, een netwerk van geheime vluchtroutes naar het noorden, die tienduizenden zwarten volgden om te ontsnappen aan de slavernij. De ondergrondse kamers boden hen misschien een tijdelijke schuilplaats.

Links de zogenaamde Offertafel en rechts een oude loogsteen. Het verschil is moeilijk te zien.
Links de zogenaamde Offertafel en rechts een oude loogsteen. Het verschil is moeilijk te zien. (foto’s uit Feder, 2005)

De familie Pattee gebruikte de vermeende offertafel hoogstwaarschijnlijk om loog te bereiden uit as, de eerste stap in de productie van zeep. Er zijn in New England meer van zulke loogstenen gevonden, die door boeren werden gebruikt. Mensenoffers zullen er wel niet hebben plaatsgevonden, want men heeft nog geen menselijke resten aangetroffen. In de negentiende eeuw werden er veel stenen verkocht en weggehaald. Vanaf 1900 fungeerde Mystery Hill als picknickplaats. Het stond destijds bekend als Pattee’s Caves (de Grotten van Pattee).

Het terrein werd in 1937 aangekocht door William Goodwin, die zijn geld in het verzekeringswezen had verdiend. Hij zag de vreemde bouwsels toen hij in de buurt op vakantie was. Goodwin had veel belangstelling voor de Vikingen en was een enthousiaste amateurarcheoloog. Hij veronderstelde dat hij te maken had met de resten van een klooster dat duizend jaar eerder was gebouwd door Ierse monniken die door de Vikingen waren verdreven. Hij liet graafwerk verrichten om bevestiging te vinden voor zijn theorie. Er werd veel puin afgevoerd en er werden ook stenen verplaatst en kamers herbouwd in een poging de oorspronkelijke toestand te herstellen. Daarbij ging Goodwin met weinig kennis en overleg te werk, wat grote problemen opleverde voor latere onderzoekers.

Goodwins ideeën wekten de belangstelling van journalisten, die er artikelen over schreven met titels als: ‘Irish in America long before Columbus?’ en ‘Irish Stone Temples, 1000 Years Old, Found Here’. De journalist Clay Perry publiceerde er in 1939 een boek over. Zelf schreef Goodwin in dat jaar een artikel voor de New England Quarterly. Zijn ideeën werden echter in twee latere nummers van dit tijdschrift afgekraakt door de archeoloog Hugh Hencken, die eerder een bezoek aan de ruïnes had gebracht. Goodwin bleef geloven dat er monniken waren geweest, maar vond daar geen spoor van terug. Hij had op z’n minst een christelijke begraafplaats moeten vinden, maar in plaats daarvan kwamen er alleen enkele voorwerpen uit het koloniale tijdperk naar boven, waaronder een tinnen lepel en een slijpsteen.

In 1945 deed de antropoloog Junius Bird een week lang opgravingen. Hij had veel ervaring met archeologisch onderzoek naar oude culturen en was verbonden aan het American Museum of Natural History. Bird vond geen aanwijzingen dat er voor de zeventiende eeuw al mensen verbleven. Tien jaar later voerde hij samen met Gary Vescelius, een archeologiestudent van de Yale-universiteit, een vervolgonderzoek uit dat zes weken in beslag nam. Ook dat leverde niets belangwekkends op. Vescelius wees de familie Pattee aan als belangrijkste architecten van de stenen structuren. Deze vertoonden veel gelijkenis met soortgelijke bouwsels in de regio, die uit de late achttiende en vroege negentiende eeuw dateren. De amateur-archeoloog Frank Glynn, die ook had meegeholpen bij het onderzoek, was het daar echter niet mee eens. Hij zag overeenkomsten met Europese bouwsels uit de bronstijd en bleef nog verscheidene jaren opgravingen doen.

Glynn had veel interesse voor mogelijke precolumbiaanse bezoekers. Vanaf 1954 deed hij ook onderzoek naar een grote kei in de stad Westford in Massachusetts, waarvan Goodwin eerder een foto had afgedrukt in zijn boek The Ruins of Greater Ireland in New England (1945). Glynn geloofde dat er in de steen een afbeelding van een veertiende-eeuwse ridder was gegraveerd, al is er veel fantasie voor nodig om dat te zien. Het vermeende gedenkteken staat bekend als de Westford Knight. America’s Stonehenge beschikt sinds kort over een replica van fiberglas. Men meent precies te weten wie de ridder was: een zekere James Gunn die in 1398 onder leiding van de Schotse graaf Henry Sinclair naar Amerika zou zijn gevaren. In wetenschappelijke kringen wordt dit verhaal echter niet serieus genomen.

Baäl en Bel

Nadat Goodwin in 1950 was overleden, werd het terrein vanaf 1956 gehuurd door Robert Stone, die gefascineerd was door de mysterieuze stenen. Hij noemde het The Mystery Hill Caves en opende in 1958 een bezoekerscentrum. In 1961 werd Stone eigenaar en kocht hij 40 hectare grond. Het woord Caves werd uit de naam geschrapt omdat er bezoekers waren die klaagden dat ze zich bij grotten wat anders voorstelden.

Om het onderzoek naar de prehistorische oorsprong van Mystery Hill te stimuleren, richtte Stone in 1964 de New England Antiquities Research Association op (NEARA), een organisatie van amateurarcheologen die een eigen tijdschrift uitgeeft. Men richt zich ook op het behoud van andere ondergrondse stenen kamers die in New England werden gevonden. Het lijkt aannemelijk dat zulke kelders een paar eeuwen geleden werden aangelegd om wortels, appels en andere producten in op te slaan, want daar zijn ze zeer geschikt voor. De leden van de NEARA kunnen zich echter niet voorstellen dat de boeren vroeger zoveel moeite hebben gedaan en zoeken er veel meer achter.

In 1975 kreeg Stone bezoek van Barry Fell, een zeebioloog aan de Universiteit van Harvard. Fell was een bekende expert op het gebied van zeesterren, maar had zijn belangstelling verlegd naar epigrafie, het ontcijferen van oude inscripties. In 1974 richtte hij de Epigraphic Society op, die nog steeds bestaat en een eigen tijdschrift uitgeeft. Fell geloofde dat er in Amerika talloze inscripties te vinden waren die overzeese volkeren al voor het begin van de jaartelling hadden achtergelaten. Stone liet hem een steen met vreemde krassen zien, die de archeoloog James Whittall in een onderaardse kamer had gevonden. Fell herkende hierin het Punische schrift en meende dat de tekst betrekking had op de Fenicische zonnegod Baäl.

Ierse steen met ogamschrijft
Ierse steen met oghamschrift

Een andere steen die Stone hem aanreikte, bevatte volgens Fell de letters B-B-L in het oude Keltische oghamschrift. In dit schrift werden de letters weergegeven door een of meer parallelle kerven. Fell las er ‘Bi Bel’ in en de vertaling luidde volgens hem ‘gewijd aan Bel’, de zonnegod van de Kelten. Hij vermoedde dat Mystery Hill door de Kelten was gebouwd en later door Fenicische zeelieden als tempel werd gebruikt wanneer ze in de buurt waren.

Critici vonden het aannemelijker dat de krassen een natuurlijke oorzaak hadden of door een ploeg, een schop of een houweel waren veroorzaakt. De meeste academische archeologen beschouwden Fell (die in 1994 overleed) als een dwaas die met zijn fantasieën op de loop was gegaan en elke toevallige kras een historische betekenis wilde geven. Zijn boeken vonden echter gretig aftrek. Hij publiceerde er drie: America B.C. (1976), Saga America (1980) en Bronze Age America (1982).

De NEARA geeft inmiddels toe dat Fells vertalingen lang niet altijd betrouwbaar waren, maar twijfelt niet aan zijn oordeel over Mystery Hill. Veel amateurs zijn in de voetsporen van Fell getreden en speuren naar krabbels in oude talen. Meestal zijn het maar een paar onduidelijke tekens die op kleine stenen worden gevonden. Maar als je er genoeg mogelijke alfabetten naast legt, dan zie je soms opmerkelijke overeenkomsten. De vroege ontdekkingsreizigers lijken overal vandaan te zijn gekomen. Zo zijn er onder meer oude Chinese, Arabische en Scandinavische tekens gevonden.

Erkende archeologen en antropologen nemen het onderzoek naar de oude inscripties meestal niet serieus. Maar volgens de aanhangers van de epigrafie komt dat doordat ze zich er niet in willen verdiepen. De archeologen willen harder en minder speculatief bewijsmateriaal zien voordat ze hun huidige opvattingen over de geschiedenis van Amerika bijstellen. Ze willen echte potscherven, werktuigen, sieraden of religieuze voorwerpen naar boven kunnen halen. Zolang het bewijsmateriaal zo mager is, schrijven de archeologen het liever toe aan fraude, vergissingen, toeval of fantasie. Ze wijzen ook op de etnocentrische of religieuze vooroordelen die er aan ten grondslag kunnen liggen. Sommige onderzoekers willen graag geloven dat ook in Amerika de Europese cultuur al vroeg heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van de beschaving, maar daarmee doen ze de inheemse bevolking tekort.

America’s Stonehenge wordt tegenwoordig beheerd door Dennis Stone, de zoon van Robert Stone. Ook hij is ervan overtuigd dat het een neolithisch ceremonieel complex en astronomisch monument is. De aanhangers van deze romantische interpretatie zien op grond van vermeende vormgelijkheid verbanden met vroege culturen uit Europa of Klein-Azië en schrijven religieuze functies toe aan de stenen structuren. Zo veranderde de loogsteen in een offertafel omdat hij daarvoor goed bruikbaar lijkt. Het feit dat er geen bijbehorende artefacten zijn opgegraven, wordt verklaard met de veronderstelling dat de oude priesters zorgvuldig met hun spullen omgingen en niet in de buurt woonden.

De aanhangers van het Mystery Hill blijven zich verzetten zich tegen publicaties en commentaren waarin archeologen betogen dat het mysterie veel beter te verklaren is als een bouwsel van recente Europese immigranten. Daarin zien ze het bewijs dat de wetenschap een gesloten front vormt en niet open staat voor nieuwe interpretaties. De wetenschappers zouden willens en wetens de ogen sluiten voor hun argumenten, omdat ze vast zitten aan hun eigen versie van de werkelijkheid. Daarmee miskennen ze echter het open en door feiten gestuurde karakter van wetenschap en begeven ze zich op het pad van de pseudowetenschap.

Literatuur

Archeological Society of Connecticut (1981). New England Megaliths: Fact and Fancy. (meerdere artikelen) Bulletin of the Archeological Society of Connecticut, nr. 44.

Corliss, William R. (2005). Ancient Structures, Remarkable Pyramids, Forts, Towers, Stone Chambers, Cities, Complexes (A Catalog of Archeological Anomalies). Glen Arm, Md: Sourcebook Project.

Feder, Kenneth L. (2005). Frauds, Myths, and Mysteries : Science and Pseudoscience in Archaeology (5th ed.). New York: McGraw-Hill.

Fritze, Ronald (1994). Eerder dan Columbus: de pseudo-geschiedenis van de ontdekking van Amerika. Skepter, 7(4), 12-18.

Goudsward, David & Robert E. Stone (2003). America’s Stonehenge. Wellesley, Ma: Branden Books.

Labrador, Angela (2000). The persistence of memory: cultural amnesia at the millennium. Senior Thesis, Simon’s Rock College of Bard. (www.simons-rock.edu/~alabra/writing/thesis.html)

Mainfort, Robert C. & Mary L. Kwas (2004). The Bat Creek stone revisited: a fraud exposed. American Antiquity, 69(4), 761-769.

Stengel, Marc K. (2000). The diffusionists have landed. The Atlantic Monthly, January. (www.dushkin.com/text-data/articles/28768/28768.pdf)

Websites: www.stonehengeusa.com, www.neara.org.

Uit: Skepter 19.1 (2006)

Gert Jan van 't Land is bestuurslid van Skepsis.
Rob Nanninga was hoofdredacteur van Skepter van 2002 tot 2014