Het draagveldparadigma

De wereld volgens Stefan Denaerde

door Bert van Gelder

Begin maart 1990 stond er een merkwaardige advertentie in de landelijke ochtendkranten: er was een boek verschenen waarin de grote levensvragen beantwoord werden. De advertentie beloofde dat wij te weten zouden komen wie wij zijn, waar wij vandaan komen en waar wij heen gaan, en er zou een aanzet tot het natuurkundig bewijs van het bestaan van de Schepper geleverd worden. U begrijpt dat ik nieuwsgierig werd. Daarnaast was ik blij verrast omdat de auteur een oude bekende bleek te zijn, een man die ik al heel lang wilde interviewen: Stefan Denaerde.

In 1969 verscheen bij Ankh Hermes Buitenaardse Beschaving – De Planeet Iarga. In dit boek beschrijft Denaerde zijn ontmoeting tijdens een boottochtje in Zeeland met buitenaardsen, die hem vervolgens aan boord van hun ruimteschip laten zien hoe zij het leven op hun planeet georganiseerd hebben. Indertijd liet de uitgeverij weten dat Denaerde een pseudoniem was van een van de ‘captains of industry’ van ons land.

Op 24 maart 1990 sprak ik de vijfenzestigjarige schrijver. Hij is commissaris van een grote technische handelsonderneming die zijn naam draagt en die hij decennia lang leidde. Daarnaast is hij actief in de toonaangevende organisaties van zijn branche, bestuurslid van VNO en lid van het geregeld overleg tussen zijn branche en diverse ministeries. Zijn naam mag hier niet genoemd worden, niet omdat hij zich zou schamen voor zijn boeken, maar om aan te geven dat het niet zijn kennis is die wordt weergegeven, maar kennis afkomstig van de krachten die het universum besturen en die zich manifesteren als een emotieloos kennisbesef.

Zijn eerste boek beschouwt hij als een mislukking, hoewel de uitgever daar anders over zal denken: er zijn tot op dit moment ruim veertigduizend exemplaren van verkocht en het is vertaald in het Engels, Italiaans en Duits.

De Universele Schepping is van een totaal andere orde: hij heeft het zes of zeven keer van voor tot achter herschreven, omdat het de kern van de boodschap bevat. Op de omslag beweert de uitgever dat het Denaerde is gedicteerd door een intelligent ras van buiten ons zonnestelsel, maar de auteur noemt dat een misverstand. Hij wil elk verband met buitenaardse beschavingen en vliegende schotels vermijden, omdat dat de boodschap van het boek in de weg staat.

Mediteermodel

Het boek bestaat uit drie delen:
1. Een aantal hoofdstukken die de periode vóór de Big Bang/de Schepping behandelen, de aanzet tot de Big Bang en de redenen daarvoor.
2. Een deel waarin de geschiedenis van het heelal vanaf de Big Bang behandeld wordt, waarin verklaard wordt hoe de mens in elkaar zit en met welke vermogens hij moet werken om de scheppingsopdracht te vervullen.
3. Een natuurkundig model van een nieuwe ‘unified field theory’, het draagveldparadigma.

In het eerste deel verklaart Denaerde hoe ‘iets’ kan ontstaan uit ‘niets’. Er was, ook voor de Big Bang, evenveel materie als antimaterie aanwezig en er is niet één maar een grote hoeveelheid heelallen, waarvan er evenveel positief als negatief geladen zijn. Tevens verklaart hij waarom dat ‘niets’ veranderd werd in ‘iets’, namelijk om de mogelijkheid tot liefde te creëren. Het doel van de schepping en daarmee de kern van ons bestaan is Liefde. Volgens Denaerde sluit zijn scheppingsverhaal merkwaardig goed aan bij de huidige stand van de wetenschap.

Het tweede deel is sterk religieus getint. Hierin wordt uitgelegd dat altruïsme en egoïsme twee kanten van hetzelfde scheppingsdoel zijn, door Denaerde gepersonifieerd in ‘de Zoon’ en ‘de Duivel’. Wij zullen spoedig de heerschappij van de laatstgenoemde meemaken, een noodzakelijke stap in het evolutieproces van de mensheid naar onsterfelijkheid.

Het godsdienstig creationisme en de wetenschappelijke evolutietheorie worden gecombineerd, daarnaast wordt de apocalyps beschreven (die we rond het jaar 2000 mogen verwachten) en daarna het twijfelachtige genoegen individueel de onsterfelijkheid te verwerven zodat iedereen eeuwig deel zal kunnen nemen aan het tijdloos zingen van het almachtig koor. Zijn streng katholieke opvoeding verklaart waarom de schrijver zwaar leunt op het evangelie van Johannes en het thema ‘God is Liefde’ tot de kern van zijn boek maakt.

De schrijver zélf vindt het derde deel, met het daarin gepresenteerde model, wezenlijk voor het boek, omdat hij het ziet als een natuurwetenschappelijk godsbewijs. Tijdens mijn interview bleek dat hij het vooral bedoelt als een driedimensionaal uit te voeren voorwerp waarop tijdens meditatie de aandacht gericht kan worden.

Denaerde heeft katholieke normen, bepaalde protestantse ideeën, angst voor de
finale vernietiging, milieurampen en de atoombom tot één wereldbeschouwing gevormd. Zoals bij alle vormen van geloof is deze niet rationeel. Zijn visie is een
gesloten denksysteem dat onmogelijk gefalsificeerd kan worden. Zijn visioenen, zijn profetieën hebben slechts betekenis binnen een fundamentalistische christelijke context. Desondanks ziet Denaerde zijn boek als pure kennisoverdracht waarin morele waarden en religies geen rol spelen. Hij vindt dat hij nergens vertelt hoe wij
ons zouden moeten gedragen, maar slechts de structuur ontvouwt van het goed en kwaad dat zich op aarde manifesteert. Het is, zegt hij, ook geenszins de
bedoeling een schare volgelingen te verzamelen of een nieuwe religie te stichten. Hij ziet zichzelf uitsluitend als iemand die kennis overbrengt, die een troostrijke boodschap heeft doorgegeven, zodat wij nu weten dat de eeuwigheid voor ons
klaar ligt.

Hemelse benzine

De stijl van het boek is bedroevend. De auteur heeft ongetwijfeld ten koste van grote inspanningen alle aspecten van zijn betoog samengesmeed tot één geheel, maar daardoor eist het boek dat de lezer zich voegt naar zijn redeneertrant. De tekst is buitengewoon lapidair, zoals blijkt uit de volgende representatieve stijlbloempjes:

  • ‘De oneindige wil is het onbegrensde oneindige, dat voortkomt uit het onbegrensde zijn’ (blz. 4);
  • ‘De oneindigheidsprincipes van het woord heffen de onmacht van de oorzakelijke liefdeskarakters in onze wereld op’ (blz. 78);
  • ‘Het emotionele ervaringsvermogen van een bewustzijn is reflectie in de massagebonden geest of in de lichaamsmaterie en bestaat als een functie van de tijd’ (blz. 98).

Soms had ik de indruk dat de schrijver zichzelf niet helemaal serieus neemt, maar op grond van mijn interview moet ik constateren dat enige relativering, zoals uit de volgende zinnen spreekt, volstrekt onbedoeld is binnengeslopen:

  • ‘Pas nu realiseer ik me waar ik mee bezig ben’ (blz. 282);
  • ‘Mijn advies aan de lezers is de vorige alinea te negeren. Tijdloze beschouwingen kunnen tot heilloze misverstanden leiden’ (blz. 32);
  • ‘Die laatste toevoeging … slaat eigenlijk nergens op’ (blz. 37);
  • ‘Voor de beschrijving van dit geniale mechanisme wordt verwezen naar het magnetische analogon dat geen mens kan bedenken’ (blz. 42/43).

Even humoristisch werkt zijn stijlfiguur om tussen haakjes een als verklaring bedoelde kreet aan een zin toe te voegen:

  • ‘Een reeks kan niet onbegrensd worden (want een begin) (blz. 19);
  • ‘Dat geldt… voor het liefdesvermogen, de oneindige emotie van de Vader (want materiereflectie)’ (blz. 100);
  • ‘Niet Satans karakter is veranderd (want oneindig) maar zijn geest’ (blz. 165).

De auteur is buitengewoon behoudend: de man is het toppunt van de schepping, de vrouw is ondergeschikt en gestraft met barensweeën voor haar sensualiteit; lagere standen moeten hun plaats weten; kinderen moeten hun ouders eren; hoogmoed komt voor de val en intellectuelen zijn amoreel, hoogmoedig en Satans discipelen. Gehoorzaamheid is God welgevallig en een kritische instelling uit den boze. Het boek heeft weinig van ‘Roomse blijheid’, maar leunt zeer zwaar op protestantse ideeën over zondigheid, predestinatie en de schuld die op onze schouders rust. Tegenover ieder prettig moment in mijn leven staat een beroerd moment voor iemand anders. Iemand die zó tegen het leven aankijkt, moet een zwaarmoedige tobber zijn.

Naïef-kinderlijk is zijn neiging om citaten uit de bijbel letterlijk op te vatten en harde feiten te verstrekken op onstoffelijk gebied. Zo weet hij dat Satan mens wordt in twaalf maal twaalf maal duizend sadistische psychopaten; dat de aarde tweeënveertig maanden na de komst van de Antichrist zal kantelen om zijn as; dat een armada van buitenaardse ruimteschepen de rechtzinnigen zal redden; dat de mens na zijn dood in een in zachte pasteltinten geverfd landschap terechtkomt (‘overwegend wit’) en dat in het hiernamaals soms iemand ‘om benzine voor zijn brommer vraagt’.

U vraagt zich waarschijnlijk af waarom ik dit boek besproken heb, als ik er zo weinig in waardeer. Het antwoord is dat de schrijver zich doet kennen als een sympathiek mens met een in wezen simpele boodschap, die oprecht probeert de vraag naar de zin van ons bestaan te beantwoorden. In zijn slotbeschouwing is hij een stuk menselijker als hij vermeldt dat hij een ‘wetende’ godsbeleving in de geest van de mensen wil doen ontstaan. Volgens hem moeten wij topprioriteit geven aan het onderzoek naar de mogelijkheden om een algemeen geaccepteerd inzicht in het scheppingsproces te bereiken. En dat is een van de weinige uitspraken waarin ik wél met Denaerde kan meegaan.

Uit: Skepter 3.3 (1990)

Bert van Gelder