Geesten vaarwel

De stille verdwijning van het spiritisme

door Herman Beukers (pseudoniem van Marcel Hulspas)

spiritismeSpreken met de doden. Volgens velen was het de religieuze revolutie van de 19de eeuw. Maar de bewijzen bleven uit, en de tijdgeest waaide verder.

Sir Arthur Conan Doyle, de geestelijke vader van Sherlock Holmes, was een zeer vaardig spreker in het openbaar. Hij had die vaardigheid ook al vele malen ingezet in zijn niet aflatende strijd tegen allerlei vormen van maatschappelijk onrecht. Maar toen hij die dag het spreekgestoelte in de British Artists’ Gallery besteeg, was hij weer bijna net zo zenuwachtig als de eerste keer. Conan Doyle wist dat hij een stap ging zetten die het verloop van zijn leven diepgaand zou beïnvloeden. Hij zou partij kiezen voor het spiritisme. De zaal was afgeladen met leden van de London Spiritualist Alliance.

Hij had er lang over nagedacht, zo vertelde hij, en hij legde omstandig uit welke stadia van ongeloof en half geloof hij allemaal had afgelegd. Maar, zo vervolgde hij in de net iets te pompeuze stijl die hem in dit soort zaken eigen was: ‘Wanneer een onderzoeker zich heeft vergewist van de realiteit van de verschijnselen, heeft het geen zin daar verder over na te denken. Het ware onderwerp van onderzoek is ons vertrouwen geven in de toekomst en geestelijke kracht nu, een helder inzicht in de vergankelijke aard van de materie en de onthulling van de eeuwige waarden voorbij alle schijn van tijd en zintuiglijke ervaring de dingen die werkelijk eeuwig zijn, die glorieus en majestueus voortgaan in de eeuwen.’

Dat was op 25 oktober 1917. De Eerste Wereldoorlog sleepte zich al ruim drie jaar voort en had miljoenen de dood ingejaagd. De gestage stroom telegrammen met ‘tot onze grote spijt…’ hield onverminderd aan. Moeders en vaders zagen hun zonen nooit meer terug. Alleen het spiritisme beloofde dat het de gevallenen terug kon brengen, als schimmen weliswaar, schuifelend in het schemerduister tijdens een zogenoemde seance, maar toch.

Drie jaar bloedige oorlog had de belangstelling voor het spiritisme tot ongekende hoogte aangewakkerd. De beweging was in de jaren daarvoor verguisd, belachelijk gemaakt, overleden verklaard, maar de barre oorlogsjaren hadden laten zien dat de behoefte aan een leven na dit leven allesbehalve dood was. En nu was daar de beroemde Arthur Conan Doyle, een alom gerespecteerde Brit, beroemd auteur en energiek verdediger van de grondrechten van de Britse burger. Hij had een nieuw doel gevonden: de overwinning van het spiritisme op het platte materialisme.

Kort daarop omschreef hij zijn nieuwe geloof in het elitaire weekblad Strand Magazine als ‘the great gift that has been granted in our time’. De redactie keek vreemd op van zijn bekering (die in tegenstelling tot wat Conan Doyle beweerd had, voor zijn vrienden als een donderslag bij heldere hemel kwam) maar men wist dat ieder artikel met daarboven ‘Conan Doyle’ een forse stimulans betekende voor de verkoop. Ook deze keer, zo bleek. Maar in de daaropvolgende jaren bleef hun sterauteur zeuren over zijn nieuwe geloof en zou dat effect volkomen verdwijnen.

Spirituele whisky

Conan Doyles bekering werd waarschijnlijk veroorzaakt door een van de boodschappen die Lily Loder-Symonds, een vriendin van zijn vrouw Jean Leckie, door middel van automatisch schrijven ‘doorkreeg’. Dat was in mei 1915, kort na de torpedering van het Amerikaanse passagiersschip Lusitania, waarbij 1200 mensen verdronken. ‘Vreselijk, vreselijk,’ schreef de hand van Lily, ‘en het zal grote invloed hebben op de Oorlog.’ Ze kreeg gelijk. In 1917 verklaarden de vs de oorlog aan Duitsland en een van de redenen daarvoor was de onbeperkte duikbootoorlog (het zonder waarschuwing torpederen van schepen) waarvan de Lusitania het eerste grote slachtoffer was geweest.

Later zou Lily, die zelf drie broers had verloren in de oorlog, boodschappen doorgeven van Malcolm, Jeans omgekomen broer. Opmerkelijke boodschappen, vond Conan Doyle, en aangezien hij zich niet kon voorstellen dat een zo zwaar getroffen bekende hem zou bedriegen (andere verklaringen kon hij blijkbaar niet bedenken), viel hij voor ‘de realiteit van de verschijnselen’.

Misschien was medelijden met alle nabestaanden in Groot-Brittannië wel zijn voornaamste drijfveer. Zo ook met Oliver Lodge, beroemd fysicus en voorzitter van de Society for Psychical Research (SPR). Die had in 1915 zijn zoon Raymond verloren in de loopgraven van Ieper. Lodge en zijn vrouw, beiden spiritisten, zochten contact met hun zoon via een medium. Raymond, zo vertelde het medium (of beter: de geleidegeest die via haar mond het woord deed), woonde nu in Summerland, waar het de overgegane zielen aan niets ontbrak zelfs niet aan whisky en sigaren. Lodges boek over zijn spiritistische ervaringen, Raymond (1916), werd door de recensenten met hoongelach ontvangen. Voor Conan Doyle was zoiets beneden alle peil. In een sympathiek briefje feliciteerde hij de auteur en zijn zoon.

conan_doyleAls Conan Doyle ergens voor ging, dan was dat ook voor de volle honderd procent. Hij reisde stad en land af, gaf honderden lezingen, bezocht tientallen seances (en toonde zich na afloop steevast onder de indruk van de gaven van het medium) en schreef brief na brief aan autoriteiten en kranten. Lodge was altijd een voorstander geweest van de zachte, intellectuele aanpak. Hij werkte zorgvuldig aan zijn netwerk en probeerde de massa van maar al te goedgelovigen een beetje in het gareel te houden. Doyle koos voor een totaal andere aanpak: het uitdagen van die zogenaamde autoriteiten staande voor een zaal vol enthousiaste gelovigen. ‘Ik hoef niets te bewijzen’, zei hij dan. ‘Ik wéét dat het waar is.’ Hij werd de Paulus van het spiritisme genoemd.

Zijn eerste geloofsbelijdenis werd door de ongelovige buitenwacht met verbazing maar ook met respect ontvangen; anders werd dat na de oorlog toen werken als The New Revelation (1918) en The Vital Message (1919) duidelijk maakten dat het hier geen tijdelijke, door oorlogslijden veroorzaakte bevlieging betrof maar een hardnekkige levensvervulling. Zijn bijdragen werden met steeds grotere wrevel gelezen. Volgens de anglicaanse kerkleiders, bijeen in oktober 1919, bedreigden Doyle en zijn medestanders ‘de morele, mentale en spirituele grondslag van het land’. Zijn antwoord: ‘Als deze mensen niet zo blind waren geweest, dan hadden ze ons gezegd: Kom en help ons het materialisme in deze wereld te bestrijden!’

‘Geboren uit bedrog’

Een paar maanden later werd hij uitgedaagd tot een openbaar debat door de belangrijkste Britse scepticus van die dagen, Joseph McCabe, van de Rationalist Press Organisation. McCabe omschreef het spiritisme op die elfde maart 1920, in de Londense Queen’s Hall, als ‘geboren uit bedrog, gevoed op bedrog, en tot op de dag van vandaag overal ter wereld voor een angstwekkend groot deel gebaseerd op bedrog’. Hij besloot zijn betoog met een uitdaging aan het adres van zijn tegenstander: ‘Geef mij in uw eerste toespraak vanavond de namen, niet van vijftig, maar van tien professoren van enige naam die in de laatste dertig jaar het spiritisme erkend of verdedigd hebben.’

Conan Doyle nam het woord, benadrukte de overeenkomsten tussen hem en McCabe (wilden beide geen harde bewijzen zien?) en ging ten slotte in op de uitdaging. Hij haalde een klein notitieboekje tevoorschijn. ‘Hierin staan de namen van 160 zeer gerespecteerde personen, sommigen van hoge komaf, waaronder veertig professoren. Ik weet niet waarom hij me vroeg me te beperken tot tien; ik heb er hier veertig. En ik verzoek u dringend om niet te vergeten dat deze 160 waarvan ik u hier de namen voorleg, mensen zijn die tot hun grote schade bekend hebben spiritist te zijn. We hebben onder ons vele martelaren gekend.’

Het was een-nul voor Doyle. Vanaf dat moment was de zaal op zijn hand. McCabe had beter moeten weten. Ten eerste dat Doyle dol was op lijstjes met illustere medestanders, ten tweede dat dergelijke lijstjes lang en indrukwekkend waren. Het spiritisme was in wetenschappelijk opzicht natuurlijk zeer controversieel maar rond 1920 beslist nog niet afgeschreven. Vele grote namen hadden zich uitgesproken ten gunste van het spiritisme; nog veel meer waren geïnteresseerd maar hielden hun kruit droog. Oliver Lodge, de voorzitter van de SPR, was een alom gerespecteerd natuurkundige. Twee minstens even beroemde collega’s (en Nobelprijswinnaars), Lord Rayleigh en J.J. Thomson, waren jarenlang lid geweest van de SPR.

In Duitsland werd het onderzoek gedragen door Albert Freiherr von Schrenck-Notzing. Zijn monumentale werk Materialisationsphänomene (1913), hoofdzakelijk gewijd aan onderzoek met het beroemde medium Eva Carrière, vormde de aanleiding voor felle discussies. In Frankrijk was het de medicus Charles Richet die zich met grote kracht inzette voor de spiritistische zaak. Richet, die in 1913 de Nobelprijs voor medicijnen had gekregen voor zijn immunologisch onderzoek, had er vele decennia van spiritistisch onderzoek op zitten. Zo had hij in 1892 het Italiaanse medium Eusapia Palladino onderzocht en in 1906 Eva Carrière. Aanvankelijk een scepticus (hij weigerde het verslag van de seances met Palladino te ondertekenen omdat hij bedrog niet uitgesloten achtte), raakte hij uiteindelijk overtuigd van de realiteit van de spiritistische verschijnselen.

Die jaren rond de eeuwwisseling waren de hoogtijdagen van het spiritistisch onderzoek. Veel onderzoekers waren ervan overtuigd dat ze de verschijnselen zouden kunnen vangen door steeds strengere eisen te bedenken voor mediums. Daarmee konden ze de pure fraudeurs ontmaskeren en de echte mediums dwingen om bij het uitblijven van de ‘echte’ verschijnselen terug te vallen op trucjes.

Strenge eisen

Mediums waren, daar waren de meeste onderzoekers het wel over eens, stuk voor stuk kinderlijke, hysterische, oversekste of op z’n minst onbetrouwbare types. Wie weet was een dergelijke ‘primitieve’ geestesgesteldheid wel nodig om medium te worden; ze hadden er in ieder geval geen moeite mee om klanten en onderzoekers door middel van bedrog tevreden te stellen.

William Crookes, een van de eerste echt grote wetenschappers die voor het spiritisme viel, liet de omstandigheden waaronder een seance plaatsvond volledig aan het medium over. Als het om het detecteren van fraude ging, vertrouwde hij volkomen op zijn eigen zintuigen. Een dergelijke naïeve aanpak was rond 1900 onmogelijk geworden. Onderzoekers bouwden langzaam maar zeker een uitgebreid repertoire aan controlemaatregelen op. Rond 1870 mochten mediums simpelweg in hun kabinet (dat wilde meestal zeggen: achter een gordijn) gaan zitten en werd het licht daarna gedoofd; rond 1900 werden ze na een uitgebreid en intiem lichamelijk onderzoek in een naadloze zak gestopt, vastgesnoerd, klemgezet en met elektrische bewegingsverklikkers behangen.

De mediums protesteerden fel tegen deze mensonwaardige aanpak en het spiritistisch onderzoek viel kort daarna in twee kampen uiteen. Aan de ene kant de onderzoekers die meenden dat er sprake was van zóveel verschillende en zúlke sluwe vormen van bedrog dat het onderzoek onder nóg strenger gecontroleerde omstandigheden plaats moest vinden. Een voorbeeld daarvan is von Schrenck-Notzing. Kort na het verschijnen van zijn boek werd duidelijk dat hij door Eva Carrière bedrogen was en in daaropvolgende seances, met de broers Willi en Rudy Schneider, legde hij werkelijk onwaarschijnlijk strenge eisen aan. (De verslagen van de seances met de Schneiders zijn ook in wezen niet te verklaren.)

De andere partij meende dat deze aanpak het verschijnsel alleen maar geweld aandeed; dat de nadruk veel te veel was komen te liggen op het detecteren van bedrog en (mocht er toch iets ‘onverklaarbaars’ gebeurd zijn) het met alle macht verzinnen van een verklaring. Volgens hen werd het hoog tijd dat de mediums weer meer vrijheid kregen en dat de onderzoekers accepteerden dat er tijdens seances onverklaarbare fenomenen optraden en nu eens de verschijnselen gingen onderzoeken. Een vertegenwoordiger van deze tweede stroming was Richet, die in zijn Traité de Métapsychique (1922) als volgt afstand nam van zijn oude scepticisme ten opzichte van de aanpak van Crookes: ‘De verering van modieuze ideeën [het materialisme, hb] was zo overweldigend dat er geen moeite werd gedaan Crookes’ beweringen te bevestigen of te weerleggen. Je maakte ze gewoon belachelijk, en ik schaam me te moeten bekennen dat ik tot deze welbewust blinden behoorde. In plaats van de moed van een erkende wetenschapper te bewonderen die toen, in 1872, durfde te zeggen dat geesten gefotografeerd konden en dat hun hartslag gehoord kon worden, lachte ik.’ Ook Conan Doyle meende dat het onderzoek zijn beste tijd wel had gehad en dat het nu hoog tijd werd naar de mediums te luisteren in plaats van ze vast te binden. Maar een paar maanden later beging hij een dermate grote blunder dat vanaf dat moment vrijwel niemand nog naar hem wilde luisteren.

Wolkje soldaten

De lezers van Strand Magazine waren inmiddels wel wat van hem gewend, maar wat hij toen in het kerstnummer schreef was werkelijk ongehoord. ‘Fairies photographed’, luidde de kop. Conan Doyle geloofde in elfjes.

elfjesDrie jaar daarvoor hadden twee meisjes, Elsie Wright en Frances Griffiths, foto’s gemaakt met daarop een stel vrolijk dansende elfjes. Voorjaar 1920 waren ze in handen gekomen van Conan Doyle en hij (heel ongebruikelijk) aarzelde. Conan Doyle was zelf geen onverdienstelijk amateurfotograaf en goed op de hoogte van fotografische trucjes en wellicht dacht hij juist daarom wel dat hij in dit geval, net als bij mediums, uitstekend in staat was om bedrog te herkennen. En dat zag hij dus niet. Wellicht speelde zijn naïeve kijk op de mens ook een rol: jonge, ‘onschuldige’ meisjes konden toch niet zulke ingewikkelde grappen uithalen. (De inmiddels hoogbejaarde Elsie legde in 1983 een bekentenis af in de Yorkshire Evening Post.)

Mogelijk zag hij ook overeenkomsten met geestenfoto’s gemaakt door gespecialiseerde fotografen die hij tijdens zijn lezingen graag liet zien. Zijn favoriet was een foto gemaakt kort na de Eerste Wereldoorlog, tijdens de herdenking van de wapenstilstand, bij het monument voor de gevallen. De foto toont (naast het monument en de levende aanwezigen) een wolk met daarin gezichten van omgekomen soldaten, zei Conan Doyle dan. Hij meende er zelfs bekenden tussen te zien. Anderen herkenden de koppen van een bekend (en springlevend) voetbalteam.

Hoe dan ook, Oliver Lodge liet weten dat hij niets zag in die foto’s van elfjes. Experts van Kodak zeiden dat ze dergelijke opnamen na konden maken, maar voor een spiritist als Doyle had zoiets dezelfde waarde als een goochelaar die beweert dat hij een medium na kan doen. Een andere foto-expert was weer enthousiast. Hij zag geen enkele aanwijzing voor het gebruik van plaatjes en dergelijke. Hij kon bijvoorbeeld duidelijk zien dat de elfjes tijdens de opname bewogen hadden. In september, Conan Doyle gaf lezingen in Australië, bereikte hem het heuglijke nieuws dat de meisjes drie nieuwe opnamen hadden gemaakt.

Die drie stonden niet bij het artikel in Strand Magazine, om de ongelovigen op hun nummer te kunnen zetten. ‘We zullen ze uitdagen met de eerste twee,’ voorspelde hij Lodge, ‘en dan de andere drie tevoorschijn halen. Een daarvan toont een elfje … waarin je ze ziet slapen in een cocon. Het is het begin van een nieuw tijdperk!’ De vijf verschenen in maart 1922 in The Coming of the Fairies.

De reacties in de pers waren vernietigend. Het was de definitieve doodsteek voor zijn reputatie als nuchter logisch denker en ook het grootste deel van zijn spiritistische vrienden liet hem in de steek. Desondanks bleef Conan Doyle zijn leven lang hopen dat de Cottingley fairies (‘een ontdekking groter dan die van Columbus’) het begin vormden van een speurtocht naar ‘subhuman forms of life’ in de natuur, en de wereld meer ontvankelijk zou maken voor het spiritisme.

Joodse moeder

Voor Conan Doyle was twijfel onmogelijk geworden. In het voorjaar van 1921 was zijn vrouw Jean begonnen aan automatisch schrift. Alle overleden dierbaren die zo doorkwamen (inclusief zijn moeder die nooit iets in het spiritisme gezien had), riepen hem op om de strijd voort te zetten en het spritisme overal op aarde te verkondigen. Zo ook de geleidegeest Pheneas, een inwoner van Ur anno drieduizend voor Christus die de aanwezigen later ook, via Jean, zou toespreken. In april 1922 vertrok Conan Doyle naar de VS. Zijn eerste lezing, in een overvolle New Yorkse Carnegie Hall, werd een zeer emotionele aangelegenheid. Vooral de beelden van ectoplasma stromend uit de mond van medium Eva Carrière veroorzaakte grote huiver en hier en daar panisch gegil.

De beroemde auteur met de maffe boodschap werd door de Amerikaanse pers respectvol maar ook met veel platte grappen binnengehaald. Dat hij zijn kritische vermogens thuis had gelaten bleek al snel. Tijdens een seance verscheen zijn moeder weer eens. Conan Doyle, na afloop: ‘De kans om mijn moeders hand aan te raken, te voelen, haar kracht te ervaren, was me zeer dierbaar.’ Drie dagen later werden het medium en haar man gearresteerd. Een politieteam bezocht een seance en greep de geest stevig beet. Het bleek het medium zélf te zijn, in lichtgevende stof gehuld.

Een groter succes was zijn lezing op 2 juni voor de Society of American Magicians. Doyle beloofde de aanwezigen ‘geen occulte maar psychische beelden’ te laten zien, psychisch ‘omdat ze ontsproten waren aan de menselijke geest’. Het licht floepte uit, de projector aan en de goochelaars zagen tot hun stomme verbazing een film waarin levensechte dinosauriërs elkaar te lijf gingen. Het waren, zo onthulde hij later, nog niet eerder vertoonde opnamen voor de komende verfilming van zijn avonturenroman The Lost World.

houdiniOp hoogtepunt volgde dieptepunt. Ter afsluiting van zijn uitputtende serie lezingen bracht hij een bezoek aan Atlantic City, aan de familie Houdini. De beroemde ontsnappingskunstenaar Harry Houdini had zich ontwikkeld tot de felste bestrijder van het spiritisme. Desondanks hadden de beide mannen groot respect voor elkaar en voor elkaars vermogens. Conan Doyle geloofde dat Houdini over paranormale vermogens beschikte; Houdini was ervan overtuigd dat de schepper van Sherlock Holmes slim genoeg moest zijn om in te zien dat het spiritisme gebaseerd was op bedrog en valse hoop. Op 17 juni was de beurt aan Conan Doyle: zijn vrouw zou een overtuigende seance geven. Prompt meldde zich de moeder van Houdini, en ze sprak enkele geruststellende woorden tot haar zoon. Conan Doyle dacht dat hij zijn hooggewaardeerde opponent aan het denken had gezet. Houdini kwam een paar maanden later op de seance terug in een krantenartikel: zijn moeder was joods geweest en haar geest had een kruis getekend. Die geest had Engels gesproken, een taal die zijn moeder niet had beheerst en had de gedachten die Houdini welbewust had uitgezonden duidelijk niet opgemerkt. Als klap op de vuurpijl: de 17de juni was haar verjaardag geweest en daar had ze niets over gezegd.

Een jaar later keerde Conan Doyle terug naar de VS. Ze kwamen elkaar weer tegen, bleven beleefd, maar hadden elkaar in feite niets meer te zeggen. De publicatie in 1924 van Houdini’s A Magician among the Spirits, met daarin uitgebreid het verhaal van de seance en een analyse van Conan Doyles goedgelovigheid, betekende de definitieve breuk.

Mistig landschap

In datzelfde jaar verscheen Conan Doyles autobiografie Memories and Adventures, waarin hij duidelijk maakte dat men van hem geen spannende romans en verhalen meer hoefde te verwachten. Al zijn tijd en aandacht zou voortaan gaan naar de spiritistische zaak. Zijn geld ook trouwens. Zelf schatte hij ooit dat hij in deze jaren een kwart miljoen pond uitgaf ten behoeve van de beweging, aan reizen, individuele giften, gelijkgezinde uitgeverijtjes en bladen, aan zijn eigen boeken over spiritisme (die ondanks de bekende naam op de omslag onvoldoende verkochten) en niet te vergeten de volstrekt onrendabele Psychic Bookshop, geopend in 1925 op een peperdure locatie (en vier jaar later weer gesloten).

Niet dat het spiritisme impopulair was, verre van dat. Het probleem was dat Conan Doyle, de elfjesman, binnen die uitzonderlijke kringen zelf een uitzondering was. De herdrukken van oude werken verkochten uitstekend, overal ter wereld, en Conan Doyle bleef een vermogend man. Maar bij zijn spritistische werken moest hij altijd geld toeleggen. In wezen kón hij ook geen populair werk meer schrijven. De Holmesverhalen uit de jaren ’20 zijn stuk voor stuk beneden de maat. In zijn laatste poging tot avonturenroman, The Land of Mist (1925), komt de al in The Lost World optredende scherpzinnige held professor Challenger weer om de hoek kijken, maar het onderwerp van zijn ontdekkingsreis is dit keer… het leven na de dood, en na een paar hoofdstukken is het boek weinig meer dan een ordinair spiritistisch pamflet.

Doyles laatste interesse ging uit naar de onheilsverwachtingen die menig medium (of geleidegeest) produceerde. In de loop der jaren verzamelde Conan Doyle honderden van dergelijke bloedstollende voorspellingen. Begin 1927 meende hij (mede op grond van extra seismische activiteit) dat het einde nabij was en waarschuwde Oliver Lodge. Het zou de doorbraak worden voor de tot nog toe door iedereen belachelijk gemaakte ‘religie van de toekomst’. Hij wist niet of het wel verstandig was deze voorspellingen te verspreiden; ze zouden paniek kunnen veroorzaken. Lodge, die waarschijnlijk meer vreesde voor de geloofwaardigheid van de beweging, was het van harte met hem eens. Het bleef bij een in kleine kring verspreid pamflet: A Warning.

In de winter van 1928/29 bezocht hij Zuid-Afrika, in oktober 1929 Nederland en de Scandinavische landen. Hij arriveerde in Den Haag op 12 oktober, welkom geheten door de toenmalige voorzitter van de Haagse spiritistische vereniging Harmonia, P. Goedhart. Dezelfde Goedhart zou drie dagen later optreden als simultaanvertaler tijdens Conan Doyles lezing (titel: Het leven na den dood, in het licht der moderne psychische kennis) in de grote zaal van de Haagse dierentuin.

Het werd zijn laatste grote reis. In Kopenhagen kreeg Conan Doyle een aanval van angina pectoris. Hij werkte zijn lezingenschema af, maar eenmaal thuis werd al snel duidelijk dat dergelijke reizen voortaan uit den boze waren. Zijn laatste maanden waren gevuld met correspondentie waaronder een bittere briefwisseling met de Society for Psychical Research, een organisatie die wat hem betrof veel te kritisch was geworden. Conan Doyle stierf op 7 juli 1930.

‘Enorme brutaliteit’

Toen Conan Doyle naar voren trad bloeide het spiritisme als nooit tevoren. De miljoenen slachtoffers van de oorlog lieten nog veel meer treurende nabestaanden achter en een groot deel zocht troost bij mediums. Conan Doyle was wel het beroemdste en meest welsprekende voorbeeld. Ook de breuk binnen het wetenschappelijk onderzoek naar het spiritisme deed de beweging goed: het spiritisme kon nu rekenen op een klein, vooraanstaand aantal onderzoekers dat de verschijnselen welwillend benaderde en dat, dankzij de toestroom aan nieuwe donateurs, ook aan de slag kon.

Tot 1923 kende Londen maar één laboratorium voor dit soort onderzoek: dat van de Society for Psychical Research. In dat jaar echter stichtte de journalist/onderzoeker Harry Price het National Laboratory for Psychical Research (NLPR) en weer wat later zette de London Spiritualist Alliance (LSA) een eigen laboratorium op, het London Psychical Laboratory (LPL). Harry Price (1881-1948) was een uiterst kritisch onderzoeker, maar hij wees het spritisme niet categorisch af. Hij was ervan overtuigd dat er echte mediums bestonden maar dat ze héél zeldzaam waren. Hij was uiterst ambitieus en had een uitstekende neus voor publiciteit. Binnen enkele weken na de dood van von Schrenck-Notzing, in februari 1929, onderzocht hij de gebroeders Schneider. Hij was er ook zeer op gebrand beroemde mediums die door andere onderzoekers ‘echt’ waren bevonden, naar zijn eigen laboratorium te lokken. Helen Duncan bijvoorbeeld, een materialiserend medium afkomstig uit Dundee, werd door de LSA uitgenodigd en door het LPL onderzocht. De beoordeling was gunstig maar een analyse van een stukje ectoplasma wees uit dat het om papier ging afkomstig uit de maag en die resultaten werden achtergehouden, waarschijnlijk om de gelovige leden niet voor het hoofd te stoten.

Price wist Helen en haar echtgenoot en begeleider Henry zo ver te krijgen ook een paar seances te geven in zijn laboratorium. Met behulp van flitslicht maakte hij enkele opnamen tijdens de duistere seance, en wat daarop te zien was beviel hem helemaal niet (of juist heel goed). Een met moeite verkregen stukje ectoplasma (de dokter die klaar zat met zijn schaar moest het met geweld uit Helens mond trekken) bleek een klef stukje opgerold papier. De laatste seance voor Price liep uit op een scheld- en vechtpartij waarbij Helen gekleed in een soort dwangbuis de straat op vluchtte. ‘Ik moet zeggen dat ik diep onder de indruk was’, zei Price na afloop. ‘Onder de indruk van de enorme brutaliteit waarmee de Duncans hadden besloten om naar mijn laboratorium te komen. En onder de indruk van de verbazingwekkende goedgelovigheid van de spiritisten die zes maanden achtereen met haar gewerkt hebben.’

Price genoot van dergelijke schandalen en conflicten (als journalist en auteur verdiende hij er ook goed aan). Maar hoe hoog de ruzie met de LSA en haar aanhangers ook op mocht lopen: de beweging leed nauwelijks schade. Het aantal spiritistische kerken bleef stijgen tot zo’n vijfhonderd halverwege de jaren ’30. Daarnaast bestonden er vele grote en kleine onafhankelijke groepen. Het totale aantal Britse spiritisten bedroeg in die dagen naar schatting een kwart miljoen. De enige instantie die de beweging schrik aan kon jagen was het ministerie van justitie, dat in diezelfde jaren ’30 steeds actiever optrad tegen mediums.

Eindelijk een heks!

Het Britse rechtssysteem kende twee wetten die tegen mediums gebruikt konden worden: de Witchcraft Act van 1735 en de Vagrancy Act van 1824. De antihekserijwet was gericht tegen mensen die pretendeerden dat ze geesten konden oproepen; de Vagrancy Act was officieel gericht tegen landlopers en zigeuners, maar ze verbood ook voor dergelijke zwervers typische activiteiten zoals waarzeggerij en handlezen. De antihekserijwet was lastiger toe te passen omdat deze om juryrechtspraak vroeg; de andere wet was een stuk simpeler. Het beroemde medium Henry Slade werd in 1876 op grond van de Vagrancy Act veroordeeld tot drie maanden dwangarbeid. Anderen volgden, er werden vragen gesteld in het House of Commons en gerenommeerde spiritisten begonnen te lobbyen voor afschaffing van deze verouderde wetten. Politiecommissarissen grepen meestal in als ze vonden dat het aantal mediums en waarzeggers in hun gebied te groot geworden was, en maakten dan vaak gebruik van undercoveragenten, agents-provocateurs met andere woorden. Religieuze vervolging door de Britse staat, zo protesteerden de spiritisten.

Maar Harry Price zat ook niet stil. Hij was ervan overtuigd geraakt dat organisaties als de LSA en de landelijke koepel, de Spiritualist National Union (SNU), niet in staat of van zins waren op te treden tegen frauderende mediums, en dat de rechter een stuk effectiever was. Price zat zeer waarschijnlijk achter de ontmaskering van Helen Duncan tijdens een seance in Edinburgh in 1933 (het medium werd naderhand veroordeeld tot een boete van 10 pond) en speelde een belangrijke rol op de achtergrond voorafgaand aan haar tweede veroordeling, in juni 1944. Dit tweede proces, in de donkere dagen van de Tweede Wereldoorlog, was zeer opmerkelijk omdat Helen niet veroordeeld werd op grond van de Vagrancy Act maar de Witchcraft Act.

Opnieuw was er sprake van een van tevoren beraamde verstoring van de seance, dit keer echter in samenspraak met de politie. Waarom de politie hieraan meewerkte is niet duidelijk, maar laat zich wel raden. De autoriteiten in Portsmouth waren zeer huiverig voor mediums omdat ze inspeelden op (zo niet verdienden aan) de angstgevoelens van de inwoners van Portsmouth, de belangrijkste Britse marinehaven. Daar kwam nog bij dat de haven op dat moment bomvol schepen lag, gereed voor de landingen in Normandië. Mediums stonden erom bekend dat ze wel eens namen noemden van schepen die in groot gevaar verkeerden; de kans bestond dat Helen namen zou noemen en dat deze ‘informatie’ via het spiritistische geruchtencircuit in vijandige handen zou vallen.

Hoe dan ook, Helen Duncan werd aangeklaagd en van hogerhand werd besloten (opnieuw is niet echt duidelijk waarom) dat dit zou gebeuren op grond van de Witchcraft Act, en wel in Londen, in de beroemde Old Bailey. Of Helen daadwerkelijk bedrog had gepleegd kwam eigenlijk nauwelijks ter sprake. De aanklager deed zijn best om het spiritisme belachelijk te maken; de verdediger dacht dat het verstandig was de realiteit van terugkerende geesten aan te tonen door een ellenlange reeks enthousiaste getuigen op te roepen. De rechter deed weinig moeite zijn verveling te onderdrukken en veroordeelde Helen tot negen maanden gevangenisstraf. De tabloids smulden: Engeland had eindelijk weer eens een echte heks.

Kus des doods

De veroordeling van Helen Duncan was in vele opzichten een keerpunt. Voor de spiritistische beweging was het een zeer harde klap. Men had vele decennia gevochten voor erkenning en de afschaffing van die twee discriminerende wetten, en nu was een van hen hard gestraft op grond van de meest belachelijke van de twee. De strijd leek voor niets geweest; de kracht was er grotendeels af. En toch, het ministerie van justitie kwam na afloop juist tot de conclusie dat Helen, ook al was ze schuldig aan bedrog, veel te hard was veroordeeld op grond van een volstrekt verouderde wet.

Toen in 1945 de socialisten aan de macht kwamen en zij een begin maakten met de modernisering van de Britse wetgeving, was de Witchcraft Act een van de eerste slachtoffers, en ook de Vagrancy Act werd zodanig bijgesteld dat spiritisten weinig meer te vrezen hadden. Eindelijk erkenning. Mediums konden voortaan in alle vrijheid seances geven. Maar het was te laat.

De aanpassing van de wet was niet het gevolg van het gelobby van de spiritisten; de tijdgeest was veranderd. De anglicaanse kerk verloor haar greep op de bevolking. Daarmee verloor de spiritistische beweging haar aantrekkingskracht als spiritueel alternatief. In de oorlogsjaren waren er (naar eigen schatting) nog zo’n miljoen spiritisten geweest; in de jaren ’50 hield de SNU het op enkele tienduizenden. Light, het weekblad van de LSA, werd in 1944 ten gevolge van de papierschaarste een maandblad en bleef dat tot 1955, toen het een kwartaalblad werd, niet langer uitsluitend gewijd aan spiritisme. Psychic News, opgericht begin jaren ’30, maakte in de jaren ’50 eenzelfde dramatische achteruitgang mee. Hoofdredacteur Bill Neech vatte de paradoxale oorzaken in 1961 bondig samen: ‘Doyle stierf, de Tweede Wereldoorlog kwam en ging. Het spiritisme werd door de wet erkend. Het was de kus des doods.’

De mediums gingen gewoon door, Helen Duncan tot haar dood in 1956. Nog steeds zijn er mensen te vinden die haar seances bezochten en gloedvol kunnen vertellen van de geesten die in het schemerduister optraden. Ena Bügg bijvoorbeeld. In januari 1940 trouwde ze. Haar man Ronald moest direct daarna naar zee, en een paar weken later maakte een U-boot een einde aan zijn leven. Ena was wanhopig en zocht troost bij de beste vriend van haar overleden man, Bob Brake. Tegen het eind van dat jaar beloofde ze dat ze met hem zou trouwen, als Ronald het goed zou vinden. In de lente van 1941 bezochten ze een seance van Helen Duncan. Helens geleidegeest kondigde de komst aan van een jonge man die op de bodem van de zee lag. Bob sloeg een arm om Ena’s schouder. Ze smeekte: ‘Kom, lieve Ron, kom en zeg wat tegen me…’. En Ronald verscheen, in uniform, en hij troostte haar en zegende het voorgenomen huwelijk. Ena en Bob zijn nu beide in de tachtig, ze hebben kinderen en kleinkinderen, en zij zijn Helen tot op de dag van vandaag innig dankbaar voor de kans die zij hen gaf opnieuw te beginnen.

Literatuur

Malcolm Gaskill, Hellish Nell. Last of Britain’s witches. Fourth Estate, London, 2001.

Diane Purkiss, Troublesome Things. A history of Fairies and Fairy Stories. Penguin Press, London, 2000.

Martin Booth, The Doctor, the Detective & Arthur Conan Doyle. A Biography of Arthur Conan Doyle. Hodder &Stoughton, London, 1997.

Daniel Stashower, Teller of Tales. The Life of Arthur Conan Doyle. Penguin Press, 1999.

Uit: Skepter 14.3 (2001)

Herman Beukers is een pseudoniem van Marcel Hulspas