Twijfelachtige praktijken

Boekbespreking

door Marie Prins

abramsTwee boeken over kwakzalverij; beide behandelen het onderwerp met de nodige humor en gebruiken een minimum aan medische begrippen. Het resultaat: dodelijke eenvoud.

In maart 2001 overleed John Diamond, een in het VK bekende journalist, aan keelkanker (zie Skepter, juni 2001). Het eerste deel van zijn boek Snake oil and other preoccupations is geschreven toen hij al wist dat hij aan ongeneeslijke kanker leed. Het omvat de eerste zes hoofdstukken bestemd voor een boek getiteld ‘Uncomplimentary View of Complementary Medicine’. Ze vormen een felle aanval op de alternatieve behandelingen, speciaal bij kanker. Een sterk punt is dat hij begint met het beantwoorden van het soort kritiek op de reguliere geneeskunst dat in de alternatieve kringen zo geliefd is. Hij geeft zonder meer toe dat niet alle reguliere artsen liefdadige engelen zijn of voorbeelden van tact en wijsheid. Net als alle andere mensen hebben zij hun normale tekortkomingen en die kunnen voor de patiënt soms dodelijk zijn. Hetzelfde geldt voor de ziekenhuizen. Maar ze hebben wel behandelingen die heel vaak genezen of anders het leven dragelijk maken en verlengen, ook bij kankerpatiënten. En ze hebben betrouwbare methoden om een diagnose te stellen.

Bij de alternatieven is dat wel even anders. Iedere behandelaar heeft zijn of haar eigen soort onderzoek met de daarbij behorende diagnoses en maar al te vaak gebruikt één behandelaar meerdere soorten behandelingen die elkaar drastisch tegenspreken, zoals homeopathie (extreme verdunningen) en orthomoleculaire geneeskunde (extreem hoge doses vitamines en ‘voedingssupplementen’). John Diamond geeft een simpele verklaring waarom ‘alternatieve geneeskunde’ steeds vaker ‘complementaire geneeskunde’ wordt genoemd. Nadat onderzoek het ene na het andere alternatief als onwerkzaam onderuit haalde ging een deel van de alternatieven ertoe over te zeggen: ‘We genezen misschien niet best, maar we voegen iets aan de behandeling toe. We zijn complementair.’ Wat niet wegneemt dat een veel groter deel nog altijd grofweg beweert dat ze wel degelijk genezen, of anders tenminste ‘helen’, wat weer iets anders heet te zijn.

In het begin ging John Diamond nog wel eens na of de mensen die beweerden door de alternatieven van kanker te zijn genezen, dat ook werkelijk waren. Zonder uitzondering vond hij dat die beweringen niet klopten. In de gevallen die hij controleerde waren de zieken door de reguliere behandeling genezen, maar ze schreven de genezing niettemin toe aan de ‘complementaire’ behandeling. Diamond schrijft dat volgens andere onderzoekers het nog veel vaker voorkomt dat ‘genezen patiënten’ helemaal niet genezen zijn, maar overleden of nog steeds met kanker.

Als journalist registreert hij dat de alternatieven niet alleen veel betere bedside manners hebben, maar bovendien ook betere verhalen. De regulieren halen geen krantenkoppen wanneer blijkt dat ze de helft van de kankerpatiënten kunnen genezen terwijl dat nog niet zo lang geleden maar eenderde was; dat is een veel te saai verhaal. Maar één enkel ‘wonder’, of alleen maar de hoop erop, krijgt grote krantenkoppen, zeker in de sensatiepers die in het VK een veel grotere rol speelt dan bij ons.

Het eerste deel van het boek zou de indruk kunnen wekken dat Diamond een levenslange fanatieke bestrijder van kwakzalverij is geweest, maar het tweede deel maakt duidelijk dat dit beslist niet het geval was. Kwakzalverij bestrijden kwam in zijn columns oorspronkelijk helemaal niet voor. Daardoor begint het tweede deel op het eerste gezicht teleurstellend: we krijgen een aantal korte stukjes over het leven van de schrijver vanaf 1988 in Londen. Sarcastische afstandelijkheid was hem in die tijd niet vreemd. Maar de stukjes gaan door tot een week voor zijn overlijden en de rol die zijn ziekte speelt in zijn leven wordt geleidelijk aan steeds groter. Eerst leek zijn kanker behandelbaar, maar hij kwam steeds weer terug. Tegen het einde kon hij niet meer praten. Hij moest door middel van briefjes of zijn laptop duidelijk maken wat hij wilde.Tegen die tijd beheerste zijn ziekte zijn leven totaal, en vormde ze het enige onderwerp van zijn stukjes. En dan sluit het naadloos aan bij het eerste deel dat op de avond voor zijn overlijden eindigt, met op zijn computerscherm: Let me explain why.

Snake Oil had gemakkelijk een droevig boek kunnen worden maar dat is het allerminst. Vechtlustig is het juiste woord. Vechtlustig is ook Bob McCoy, de beheerder van het Museum of Questionable Medical Devices in Minneapolis, Minnesota, in de VS (zie Skepter, december 1996). Hij heeft een boek over zijn museum geschreven waarvan de volledige titel is Quack! Tales of Medical Fraud from the Museum of Questionable Medical Devices. ‘Rijk geïllustreerd’, staat er ook nog op de omslag en dat is niets te veel gezegd. Voor minder dan één illustratie per pagina doet Bob het niet. Heel veel van die oude advertenties doen ons nogal komisch aan, maar denkt u nu niet dat het alleen maar een lollig prentenboek is. Tekst en illustraties bieden een geschiedenis van de kwakzalverij en dan met name de praktijken waarbij instrumenten werden gebruikt. Wat daarbij vooral opvalt, is hoeveel van die verouderde instrumenten in steeds weer nieuwe gedaanten opduiken.

Het geschiedkundige aspect wordt nog benadrukt door de typografische uitvoering: in de stijl van omstreeks 1900. Dit is heel terecht omdat toch een groot deel van de illustraties uit die tijd dateert; in ieder geval van vóór 1938 toen de Food and Drug Administration (FDA) eindelijk zeggenschap over apparaten kreeg. Maar sommige apparaten van vóór 1938 zijn nog steeds in omloop.

Een erg belangrijke technische ontwikkeling in die tijd was de opkomst van de elektriciteit, röntgenfoto’s, radio en de telefoon. Geen wonder dat veel van de kwakapparatuur gebaseerd was op elektriciteit en magnetisme. Er is een apart hoofdstuk over radionics, een kwakzalverstechniek bedacht door de Amerikaanse arts (en voormalig hoogleraar) Albert Abrams. Een druppeltje bloed, een haar of zelfs maar een stukje handschrift op papier was genoeg om de ‘vibraties’ te meten waarmee je kon bepalen wat iemand mankeerde. Zijn opvolgers lieten die vibraties zelfs per ‘radio’ overkomen. De gebruikte apparatuur staat in het museum en bestaat vaak uit indrukwekkende grote kasten met een groot aantal knoppen. De bedrading aan de achterkant was echter onzinnig en sommige van deze apparaten waren op geen enkele spanningsbron aangesloten.

Het is nauwelijks te geloven, maar in 1995 werden er in Chicago nog radionicsapparaten verkocht. Nog in 1999 werd ene mevrouw Shelvie Rettmann in Minnesota veroordeeld voor het gebruik van zo’n apparaat. Een kankerpatiënte die ze er zogenaamd mee genezen had, stierf een maand na de ‘behandeling’. Rettmann kon de boetes en schadevergoedingen aan bedrogen patiënten niet betalen en liet zich failliet verklaren. Veel van die apparaten hebben weliswaar een US patent, maar bij één van deze patenten sloeg dat alleen maar op het kistje waarin dit fraais was verpakt! In British Columbia (Canada) zit behandeling met radionics zelfs in het ziekenfonds. Dat betaalt namelijk jaarlijks 6 bezoeken aan natuurgenezers, en die gebruiken op grote schaal de natuurkracht van radionicsapparaten met extra lampjes die kennelijk wel op een spanningsbron zijn aangesloten.

Het pronkstuk van McCoys verzameling is de Psycograph. Die heeft niets met elektriciteit te maken maar alles met frenologie, dus het geloof dat je aan de knobbels in de schedel kon zien wat voor aard en aanleg een mens heeft, iets waar de licht ironische term ‘wiskundeknobbel’ nog aan herinnert. Hoewel de Franse neuroanatoom Paul Broca al in 1861 had aangetoond dat de frenologie onjuist was, werd de Psycograph nog tot in het begin van de jaren 1930 serieus gebruikt, bijvoorbeeld bij sollicitaties. In het Museum kunt u uw hoofd hiermee overigens nog steeds voor een paar dollar laten nakijken. Maar het is niet allemaal lollig. Een griezelig hoofdstuk in dit boek is dat over radium als kwakmiddel. Dat was lange tijd niet verboden want oorspronkelijk werd radium beschouwd als een onschuldig scheikundig element. Gelukkig waren de meeste radiumkwakzalvers zo oneerlijk dat ze uiterst weinig of helemaal geen radium in hun apparaten of pillen stopten. Maar niet allemaal, met uiteraard dodelijke gevolgen.

Er zijn niet alleen grote apparaten, er is ook veel klein grut. De bekende koperen armbanden die oorspronkelijk magnetisch werden genoemd hoewel koper niet te magnetiseren is, maar ook magnetische kammen. Die waren dan weer van aluminium, ook al niet magnetisch. En wat dacht u van de Oxydonor? Een koperen pijp, een centimeter of 25 lang, mooi glimmend gepoetst en met twee koorden eraan. De pijp werd in het water gedompeld en de koorden aan voet of pols (of beide) bevestigd. Deze contraptie bracht dan zuurstof naar uw systeem. Het was een geweldig succes en er was veel namaak in de handel. En dan zijn er natuurlijk kasten vol constructies die uitkomst moesten bieden bij overgewicht of impotentie.

Denk niet dat dit soort apparaten in Nederland niet (meer) voorkomt. Allereerst zijn er de magnetische inlegzolen en de koperen armbanden, die overigens alleen de inhoud van uw portemonnee beschadigen. Ook zijn er rollers die vet, dat wil zeggen cellulitis ‘verwijderen’ en wat denkt u van elektroacupunctuurapparaten? Er zijn in ons land ook toestellen op de markt die Zappers worden genoemd en die de parasieten die kanker veroorzaken (het staat er echt!) binnen zeven minuten doden. Dat schijnt in Nederland te mogen, terwijl een Amerikaanse ‘naturopathische arts’ die het gebruik van dit werktuig propageert, naar Mexico moest uitwijken. Zelfs daar kwam ze in moeilijkheden en werd haar kliniek gesloten. Gelukkig gebruiken verreweg de meeste patiënten antikankermachines naast (‘complementair’!) de reguliere behandeling. Als enige kankerbehandeling is de Zapper uiteraard dodelijk.

Als klap op de vuurpijl: een recente advertentie in de Provinciale Zeeuwse Courant voor een piëzo-elektrisch apparaat, een soort gasaansteker dus, als middel ter bestrijding van pijn, zogenaamd een variant van tens (zie Skepter, maart 2001). Het draagt de veelzeggende naam Paingone. Een Amerikaanse rechtbank heeft in november 2000 beslist dat de verkoper van net zo’n apparaat aan alle kopers hun geld terug moest geven, omdat het apparaat niet werkte.

Het lijkt of Quack luchtiger is dan Snake Oil, maar dat is schijn. Bob McCoy is minstens zo verontwaardigd als John Diamond. Zijn vrouw is kinderarts en houdt hem voortdurend op de hoogte van de nieuwe trends en de menselijke drama’s.

(1) John Diamond (2001). Snake Oil and other preoccupations, Vintage UK, Londen. 15,42 euro.

(2) Bob McCoy (2000) Quack! Tales of Medical Fraud from the Museum of Questionable Medical Devices. Santa Monica Press, Santa Monica, California. 25,50 euro.

Uit: Skepter 14.4 (2001)

Marie Prins is elektrotechnisch ingenieur en oud-bestuurslid van Skepsis.