Gert Postel

Een postbode wordt gerechtspsychiater

Autobiografie van een vakkundige oplichter

door Harald Merckelbach

‘Wie het psychiatrische vocabulaire beheerst, kan eindeloos doorgaan met het debiteren van onzin en daarmee gestudeerde lieden inpakken’ – aldus de voormalige postbode Gert Postel, die het in praktijk bracht.

In de nazomer van 1995 liep de toen 37-jarige Gert Postel te slenteren door de universiteitbibliotheek van Münster. De voormalige postbode had net een vervelende ervaring achter de rug. Jarenlang had hij theologie aan de Universiteit van Münster gestudeerd, totdat het inschrijvingsbureau ontdekte dat hij niet in het bezit was van de vereiste schooldiploma’s. Dat was het einde van zijn inschrijving als student. Hij was neerslachtig, want hij wilde graag academicus worden.

Het was in die toestand dat Postel naar de bibliotheek ging om verstrooiing te zoeken. Hij bladerde wat door het Deutsches Ärzteblatt. Zijn oog viel op een advertentie: een inrichting in het Saksische Zschadrass zocht een psychiater. Postel belde vanuit zijn studentenkamer naar de chef van de inrichting en stelde zich voor als prof. dr. von Berg, hoofd van de psychiatrische Universiteitsklinieken te Münster. Hij zei: ‘Collega, ik heb in mijn kliniek een uitmuntende arts. Hij heet dr. Postel. Ik zou hem graag in mijn kliniek houden, maar vanwege de bezuinigingen kan dat niet. Zou het zin hebben als hij reageert op de vacature bij u in de inrichting?’ De reactie was zeer enthousiast. Aldus meldde de sollicitant Gert Postel zich na enige dagen bij de psychiatrische inrichting in Zschadrass.

Summa cum laude

Postel kwam daar goed voorbereid aan. Hij had allerlei vervalste documenten op zak, waaronder een juichende, door de fictieve prof. dr. von Berg geschreven aanbevelingsbrief (‘voor de zorg aan zijn patiënten heeft hij zich altijd grenzeloos ingezet’). Maar ook had hij een vervalst artsendiploma en een nagemaakte promotiebul – ‘summa cum laude’ – bij zich. De stempels onder de documenten waren bedrieglijk echt. Die had Postel op geheel eigen kracht verworven door een Berlijnse stempelfirma op te bellen en zich uit te geven als dr. von Berg, advocaat-generaal bij het Hoger Gerechtshof. Dit keer was het verhaal dat het Hoger Gerechtshof de stempelfirma waarmee het doorgaans zaken deed, te duur vond worden. Het Gerechtshof was op zoek naar alternatieven. Of de Berlijnse firma geïnteresseerd was in een grote opdracht en in dat kader een reeks proefstempels zou kunnen vervaardigen? Wel graag binnen 24 uur. Zo gebeurde het.

Gewapend met zijn valse documenten verscheen dr. Gert Postel op het sollicitatiegesprek in Zschadrass. Maar daar wilde men helemaal geen documenten zien. Er werd over de behandeling van psychiatrische patiënten gepraat. Dr. Postel maakte duidelijk dat hij voorstander was van een zeer terughoudende ‘farmacotherapie’. Dat maakte indruk, want hij werd voor de tweede en definitieve ronde van het sollicitatiegesprek uitgenodigd. Die vond plaats in het Ministerie van Sociale Zaken van de deelstaat Saksen.

Moeder Teresa

Bij het tweede gesprek had dr. Postel een aantal hoge beleidsambtenaren tegenover zich zitten. De pseudo-dokter pakte nu helemaal uit. Hij had, zo fantaseerde hij, na zijn studie medicijnen een aantal maanden bij Moeder Teresa stage gelopen. Ook loog hij dat hij ten tijde van de DDR innige contacten had onderhouden met de protestzanger Wolf Biermann. De beleidsmedewerkers vroegen Postel hoe hij op hiërarchische arbeidsverhoudingen reageerde. Postel gaf het sociaal wenselijke antwoord: ‘Ik ben niet zo in hiërarchieën geïnteresseerd. Mij gaat het erom in teamverband mensen te helpen.’

Het gesprek met de beleidsmedewerkers verliep vlotjes, maar toch was Postel nog niet helemaal gerust. Wat zou er gebeuren als iemand op het idee kwam om de justitiële archieven te raadplegen? Daarin kwam zijn naam immers prominent voor in verband met eerdere veroordelingen wegens oplichterij. Postel besloot op te bellen naar de afdeling personeelszaken van het ministerie. Hij gaf zich dit keer uit als dr. von Berg, officier van justitie, die net met een moeilijk geval bezig was. Hij wilde graag een algemene vraag beantwoord zien: trok de afdeling personeelszaken bij nieuwe benoemingen het strafblad van kandidaten na? Nee, daarvan was geen sprake, liet men hem weten.

Op 15 november 1995 kon de ex-postbode de champagne ontkurken. Hij had zijn aanstellingsbrief als psychiater van het gekkenhuis in Zschadrass op zak. Anderhalf jaar lang zou hij daar in dienst blijven. In die tijd streek hij 200.000 mark aan salaris op plus nog eens 44.000 mark honorarium voor rapporten die hij voor justitie schreef.

Ontmaskerd

In zijn autobiografisch boekje Doktorspiele – met een voorwoord van de immer presente prof. dr. von Berg – zegt Postel niets over hoe hij werd ontmaskerd. Te oordelen naar een krantenartikel moet het stom toeval zijn geweest. (1) In de jaren 1980 had Postel zich ook al eens maandenlang als arts bij de gezondheidsdienst van het provinciestadje Flensburg verdienstelijk gemaakt. Hij gaf zich toen uit als dr. dr. Clemens Bartholdy. Op een dag had hij zijn pas op naam van Gert Postel én een identiteitsbewijs op naam van dr. dr. Clemens Bartholdy verloren. De eerlijke vinder was het opgevallen dat boven beide documenten dezelfde portretfoto prijkte. Dat leidde de val van dr. dr. Bartholdy in. Een van de verpleegsters in Zschadrass had familie in Flensburg wonen. Toen zij haar familieleden over dr. Postel vertelde, hadden die een aha-erlebnis. Op deze wijze kwam het balletje aan het rollen.

Zodra Postel als oplichter was ontmaskerd, beweerden de beleidsmedewerkers van het Saksische ministerie dat hij in de kliniek alleen maar administratief werk had verricht. Zijn directe collega’s in de kliniek haastten zich op te merken dat het hen meteen al was opgevallen dat de pseudo-dokter slechts een rudimentaire kennis van de psychiatrie bezat. De waarheid was pijnlijker. Postel had in de kliniek zo’n goede indruk op zijn superieuren gemaakt dat zij hem voor een bevordering hadden aanbevolen. Een van de dingen die de pseudo-dokter heel goed scheen te beheersen was het ten behoeve van justitie vervaardigen van rapporten over criminele patiënten. De beleidsmedewerkers van het ministerie vatten zelfs op enig moment het plan op om Postel baas van een forensische kliniek te maken en, daaraan gekoppeld, bijzonder hoogleraar in de forensische psychiatrie aan de universiteit van Leipzig. Maar zo ver kwam het net niet.

Duistere stijl

Wat betekent het als een postbode tientallen gerechtspsychiatrische rapporten kan fabriceren, die op experts een authentieke indruk maken? Postel zelf zegt er dit over: ‘Men kan in de psychiatrie alles, maar dan ook alles op een plausibele manier verklaren: als psychiater kun je het tegendeel, maar ook het tegendeel van het tegendeel beweren. Wie het psychiatrische vocabulaire beheerst, kan eindeloos doorgaan met het debiteren van onzin en daarmee gestudeerde lieden inpakken.’ (2) Feit is dat Postel niet op grond van zijn incompetentie, maar vanwege een toevallige samenloop van omstandigheden werd ontmaskerd. Feit is ook dat Postel bij zijn sollicitatiegesprekken, maar ook tijdens refereeravonden in de kliniek rondstrooide met zelfbedachte syndromen, zonder dat dit argwaan wekte. Zo had Postel het over ‘de bipolaire stoornis van de derde graad’ en over ‘cognitief geïnduceerde distorties in de stereotypische formatie van de oordeelsvorming.’ Zijn collega’s vonden het machtig interessant. Postel: ‘Het is een kwestie van psychiatrische spraakacrobatiek en een beetje enscenering.’ En nog eens Postel : ‘Ik dacht bij mezelf: wie is hier nou eigenlijk de oplichter: zij of ik?’ (3)

Postels psychiatrische spraakacrobatiek doet denken aan het geval van de Amerikaanse natuurkundige Alan Sokal. Hij is de auteur van ‘Transgressing the boundaries: Towards a transformative hermeneutics of quantumgravity’ (Overschrijding van de grenzen. Naar een transformatieve hermeneutiek van de kwantumgravitatie). Het verscheen in 1996 in het lente/zomernummer van het onder postmodernistische filosofen gezaghebbende vakblad Social Text. Sokal kopieerde in zijn artikel de duistere stijl van de Franse filosofen Jacques Lacan, Bruno Latour en anderen. Het artikel was een lange aaneenrijging van vage en onbegrijpelijke uitspraken. Neem deze: ‘Net zoals liberale feministen regelmatig tevreden zijn met een minimale agenda voor juridische en sociale gelijkheid voor vrouwen en met vrijheid van keuze voor abortus, zo zijn ook veel linkse en zelfs enkele socialistische wiskundigen tevreden met werken binnen het heersende Zermelo-Fraenkelraamwerk (dat het gelijksheidsaxioma bevat, daarmee zijn negentiende-eeuwse, liberale oorsprong weerspiegelend), slechts aangevuld met het keuze-axioma.’ (4) De redactie van Social Text was verrukt en publiceerde het artikel zonder slag of stoot. Pas veel later drong het tot de postmodernistische redacteuren door dat Sokals artikel een giller was. (5)

En weer prof. dr. von Berg

Er is natuurlijk een belangrijk verschil tussen de namaakfilosoof Sokal en de pseudo-dokter Postel. Sokal is een idealist, die met een parodie probeert aan te tonen hoe nietszeggend postmodernistische teksten zijn. Postel is een oplichter met veel gevoel voor humor. Het schrijven van gerechtspsychiatrische rapporten bleek toevallig deel uit te maken van zijn job. In zijn autobiografie probeert Postel wel een ideëel tintje aan zijn oplichtingspraktijken te geven, maar erg overtuigend is dat niet. Had Postel makkelijk geld kunnen verdienen door voor dermatoloog te spelen, dan had hij dat óók gedaan. En inderdaad, in een van de hoofdstukken van zijn autobiografie beschrijft Postel hoe hij op een dag als dermatoloog solliciteerde bij een in haarimplantaten gespecialiseerde kliniek. Hij stelde zich voor als dr. Postel en beweerde een proefschrift te hebben geschreven over trichotillomanie, de dwangmatige neiging om haren uit trekken. (6) Postel kon, zoals gebruikelijk, weer een lovende aanbevelingsbrief van de hoogleraar dermatologie prof. dr. von Berg overleggen. De namaakdermatoloog werd aangenomen. Zijn 500 euro per dag verdiende hij onder andere door in de hoofdhuid van de patiënten verdovingsinjecties te zetten.

Bij zijn oplichtingspraktijken werd Postel erg geholpen door zijn acteurstalenten. Typerend is de manier waarop hij een jonge vrouw, die hij in de sauna ontmoet, voor zich in probeert te nemen:

Ik zei: ‘Het is fijn om weer in Duitsland terug te zijn. Ik kom net uit Mexico.’ ‘Mexico?’ zei ze, ‘Wat doet u in Mexico?’ Ik vertelde haar dat ik als kinderarts in Chiapas bij de Chiapisten – dat zijn revolutionairen – had gewerkt. Ik was in Münster gepromoveerd en zou binnenkort in Tübingen hoogleraar kindergeneeskunde worden. Nog geen twee dagen geleden, zei ik, had ik samen met de commandant Marcos het middagmaal genuttigd. De vrouw hing aan mijn lippen. Met een revolutionair kennis te maken, een revolutionair die ook nog echt iets goeds deed, dat was precies wat ze zocht. (7)

Psychopaat?

Het was de Zwitserse psychiater Anton Delbrück die in zijn in 1891 verschenen artikel ‘Die pathologische Lüge und die psychisch abnormen Schwindler’ het begrip pseudologia fantastica introduceerde en het ook in verband bracht met oplichting en flessentrekkerij. Delbrück meende dat bij dit ziektebeeld de Lust zu fabulieren op de voorgrond staat. Kenmerkend is ook, aldus Delbrück, dat de patiënt zijn eigen leugens voor waar gaat houden. (8)

Het lijdt geen twijfel dat Postel steeds profijt had van zijn goed ontwikkelde fantasie. Maar is hij zo fantasy prone dat hij in zijn eigen verhalen ging geloven? Postel in een interview: ‘kom op zeg; als dat zo is, dan zou ik pas echt gek zijn.’ (9) Toch vond Gisela Friedrichsen, de rechtbankverslaggeefster van Der Spiegel, dat Postel een echt psychiatrisch geval was. Zij sprak met zijn ex-vriendinnen. Die vertelden dat de aanvankelijk charmante Postel zich later steeds had ontpopt als een echte stalker. (10)

Van psychopaten is bekend dat zij uiterst innemend kunnen zijn. Ook zijn het ware virtuozen in spelen van rollen waaraan een zekere status kleeft. De Canadese psycholoog Robert Hare (2003) noemt in zijn boek het geval van een psychopaat die nooit had gestudeerd, maar evenzogoed als orthopedisch chirurg complexe operaties uitvoerde. Omdat hij seksuele contacten aanknoopte met zijn patiënten raakte hij in de problemen. De man reisde af naar Engeland waar hij een carrière als psychiater begon. Andermaal werd hij ontmaskerd en tijdens het proces dat daarop volgde vertelde de man aan de rechtbank dat hij in de loop van de tijd een groot aantal rollen met verve had gespeeld, waaronder ook die van psycholoog en relatietherapeut. Hare (2003) schrijft over psychopaten: ‘in de meeste gevallen kiezen ze beroepen waar de vereiste vaardigheden gemakkelijk te fingeren zijn, het jargon gemakkelijk te leren en waar de diploma’s waarschijnlijk niet grondig zullen worden gecontroleerd.’ Die beschrijving lijkt aardig bij Postel te passen. Aan de andere kant: Psychopaten mogen dan vaak anderen bedriegen met kwalificaties die zij helemaal niet bezitten, maar niet iedereen die zoiets doet is ook een psychopaat. Zeker in Duitsland bestaat er een traditie van goedaardige oplichters die het als een uitdaging zien om een met standen en rangen gepreoccupeerde samenleving te kakken te zetten. Wilhelm Voigt, beter bekend als de hoofdfiguur in Carl Zuckmayers (1931) toneelstuk Der Hauptmann von Köpenick, maar ook Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull van Thomas Mann (1954), en journalist Günter Wallraff staan in die traditie. (11) Misschien past dr. Postel beter in dat rijtje.

Moeilijk vak

Postel zette de gerechtspsychiatrie te kakken door haar obscure vocabulaire en onnavolgbare redeneringen met groot succes te imiteren. Het is jammer dat hij zich nergens afvraagt waarom dit vak is zoals het is. Naar mijn mening heeft dat te maken met de neiging van gerechtspsychiaters om antwoord te geven op onbeantwoordbare vragen. Net als alle andere dokters gaat de psychiater over de vraag of iemand nú ziek of gezond is. Juristen willen van de gerechtspsychiater weten of de dader tóén (ten tijde van het misdrijf) wel of niet toerekeningsvatbaar was. Gerechtspsychiaters denken dat die twee vraagstellingen sterk op elkaar lijken. Dat uitgangspunt leidt voortdurend tot verwarring (zie ook Merckelbach & Jelicic, 2004; Van Koppen, 2004). Neem het geval van de Franse boswachter Michel Fourniret, die op dit moment in voorarrest zit omdat hij ten minste negen vrouwen heeft verkracht en vermoord. De gerechtspsychiaters die Fourniret onderzochten vonden hem geestelijk gezond, geen gevaar voor zichzelf en volledig toerekeningsvatbaar. De experts bedoelden hiermee waarschijnlijk te zeggen dat Fourniret op een gewone manier terecht kon staan. Maar de juristen en het publiek snapten er geen jota van want de psychiaters noemden Fourniret ook een psychopaat. Hoe kan iemand die negen vrouwen heeft vermoord én een psychopaat én geestelijk gezond én volledig toerekeningsvatbaar zijn?

In het in de pers breed uitgemeten geval van Fourniret trad de verwarring die de psychiatrische rapportages creëerden duidelijk aan het daglicht. Maar vaak is dat niet zo. Heel regelmatig stappen psychiaters in de tijdmachine en reizen mentaal terug naar het moment van het delict om zo de vraag te beantwoorden of de verdachte toen toerekeningsvatbaar was. De hypothetische bespiegelingen die dat oplevert worden door rechters in 95 percent van de gevallen geaccepteerd. De Maastrichtse hoogleraar Peter van Koppen (2004) schreef er nog niet zo lang geleden dit over: ‘Nu is toerekeningvatbaarheid een juridisch begrip dat geen equivalent heeft in de psychologie of psychiatrie. Het veronderstelt dat mensen die toerekeningsvatbaar zijn uit vrije wil hun misdrijf pleegden. En dat veronderstelt weer dat er een vrije wil bestaat en dat die onderzoekbaar is. Nu kunnen we wel denken dat wij van alles uit vrije wil doen, zoals op dit moment dit artikel lezen, maar dat betekent nog niet dat dit begrip wetenschappelijk gezien iets voorstelt, dat wil zeggen of het begrip zinvol onderzoekbaar is. Als wij willen vaststellen of de vrije wil bestaat, moeten we op z’n minst van een handeling van een enkele persoon vaststellen dat die niet teweeg is gebracht door een externe oorzaak (..). En dat is een onuitvoerbaar onderzoek.’ De problemen die Van Koppen hier schetst zijn verantwoordelijk voor het obscure taalgebruik van gerechtspsychiaters. Dat die problemen Duitse gerechtspsychiaters niet bespaard blijven blijkt uit het feit dat ook daar gelijkluidende diagnoses tot geheel andere conclusies over toerekeningsvatbaarheid kunnen leiden. Niettemin geldt ook voor Duitsland dat de rechtbanken in 95% van de gevallen gerechtspsychiatrische rapportages zonder discussie accepteren (Helbing, 2004).

Grootste straf

Zou de klucht rondom Postel voor gerechtspsychiaters aanleiding zijn tot een algehele bezinning? Daarvoor bestaat geen enkele aanwijzing. Postel zelf kreeg een koekje van eigen deeg. Toen hij in voorarrest zat, werd hij drie dagen lang onderzocht door de forensisch psychiater prof. dr. Leygraf en zijn assistente Nowara. Meteen bij binnenkomst in de cel zeiden ze: ‘Wat u geschreven heeft, zijn geen psychiatrische rapporten.’ De experts stelden vast dat Postel aan een narcistische stoornis leed, maar weer wel helemaal toerekeningsvatbaar was. Postel in zijn autobiografie: ‘Ik kreeg sterk het gevoel dat ze me haatten omdat ik hun geliefde vak, dat zij voor een Wetenschap hielden, belachelijk had gemaakt.’ Postel werd tot 4 jaar gevangenisstraf veroordeeld. Uit zijn autobiografie valt af te leiden dat het bezoek van het duo Leygraf-Nowara zijn grootste straf was (zie ook het interview met Postel verderop).

Noten

1. Zie Psychotherapie: Zeitschrift zur Psychotherapie, Psychoanalyse & Verhaltenstherapie, 10 september 2001.

2. We citeren hier een uitspraak die Postel op zijn website doet. Zie: www.gert-postel.de.

3. Postel in de tv-talkshow ‘Unter Uns’ van de zender MDR, 27 oktober 2001.

4. We ontlenen het citaat aan het interview dat wetenschapsjournalist Marcel Hulspas in Intermediair van 8 oktober 1998 met Alan Sokal had, zie ook Skepter, december 1998. Bij die gelegenheid merkte Sokal op dat het hem heel veel moeite had gekost om een onbegrijpelijk artikel te schrijven. Sokal wijdde samen met de Leuvense hoogleraar Jean Bricmont een heel boek aan de neiging van Franse filosofen om hun obscure teksten op te smukken met verwijzingen naar de natuurwetenschappen (Bricmont & Sokal, 1999).

5. Wie zelf een postmodernistische essay wil schrijven, kan een heel eind komen met de post-modernism generator, die te vinden is op www.csse.monash.edu.au/community/postmodern.html.

6. Naar mijn indruk is het in de esthetische geneeskunde de gewoonste zaak van de wereld als artsen zich om markttechnische redenen valselijk uitgeven voor gepromoveerde academici.

7. Er zijn in Postels openhartige boek wel meer fraaie voorbeelden te vinden van zijn talent om à l’improviste vrouwen met een volkomen uit de duim gezogen verhaal te imponeren. Tegenover een andere vrouw opent Postel bijvoorbeeld met ‘Hallo, ik ben Klaus uit Nicaragua.’

8. Een uitvoerige beschrijving van het werk van Delbrück is te vinden in Zeegers (1959). Zeegers verwijst ook naar allerlei Duitse studies van rond de eerste wereldoorlog naar het geheugen van patiënten met pseudologia fantastica. Dat werk doet verrassend modern aan.

9. Der Spiegel, 15 juni 1998.

10. Als noot 3.

11. De schoenmaker Wilhelm Voigt trok in 1906 een officiersuniform aan en commandeerde een peloton soldaten naar het stadhuis van Köpenick, waar hij vervolgens de burgemeester liet arresteren en er met de gemeentekas vandoor ging. Carl Zuckmayer schreef er later een vaak verfilmd toneelstuk over. De roman van Thomas Mann over kelner Felix Krull die zich voordoet als de markies van Venosta is, voorzover ik weet, geheel en al fictief. De kritische journalist Günter Wallraff werkte onder een schuilnaam bij het Duitse blad Bild en schreef later over de daar heersende cultuur een vernietigend boek.

 

Een kort interview met Gert Postel

door Harald Merckelbach

Meneer Postel, niet om te psychologiseren, maar moet men uw optreden in Zschadrass als een soort wraakoefening zien?

Postel: Er is inderdaad een oorzakelijk verband tussen de zelfmoord van mijn moeder en mijn latere carrière als psychiater. Mijn moeder leed aan endogene depressies. Een zenuwarts gaf haar weliswaar opmonterende, maar niet anti-depressieve medicijnen. Dat leidde tot haar zelfmoord. Ik had toen de behoefte om de psychiatrie belachelijk te maken. Ik wilde laten zien dat werkelijk elke postbode het met wat woordenacrobatiek in deze wetenschap ver kan schoppen. Aan de andere kant had ik de behoefte om mensen te helpen die in de handen van psychiaters vielen.

Hebben de Duitse gerechtspsychiaters zich naar aanleiding van uw geval achter de oren gekrabd?

Postel: Met een simpele imitatie van hun methoden kun je bij de Duitse rechtbanken wegkomen, maar bij de gerechtspsychiaters heeft dat niet tot bezinning geleid. Ze hadden wel de behoefte om zich van mij te distantiëren en te doen alsof ik niet werkelijk bij hen hoorde. Een hele beroepsgroep leek in haar narcisme gekrenkt. Ik denk ook dat deze groep het als een bedreiging zag van hun veronderstelde expertise, hun beroepseer, hun mooie ‘Wetenschap’ en hun almachtsfantasieën.

In uw boek benadrukt u dat voor de gerechtspsychiatrie enkel een duister vocabulaire vereist is. Gelooft u dat zoiets ook voor de psychologie geldt? Heeft u bijvoorbeeld patiënten aan tests onderworpen en daarover rapporten geschreven?

Postel: Mij interesseerde de psychologie met haar testmethoden niet zo omdat de speculatieve speling daar aanmerkelijk kleiner is dan in de psychiatrie. In de psychiatrie is een wind van woorden genoeg om indruk te maken. Ik heb tijdens nascholingscursussen over niet bestaande syndromen (‘bipolaire depressie van de derde graad zoals door Bucher beschreven’) gepraat. Uit angst een incompetente indruk te maken op anderen durfde niemand een vraag te stellen.

U bent een Schopenhauer- en Nietzschespecialist. Sommige van uw hoofdstuktitels lijken ook naar Nietzsche te verwijzen (‘Hoe ik de deelstaat Saksen voor een grote misstap behoedde’). Wat vindt u zo indrukwekkend aan deze, toch ook tamelijk duistere, filosofen?

Postel: Tegenwoordig discussiëren allerlei Duitse professoren over wilsvrijheid en ze doen alsof het werk van Schopenhauer ontoegankelijk is. Maar leest u het essay van hem over wilsvrijheid maar eens en ook het tweede deel van Welt als Wille und Vorstellung en dan begrijpt u waarom ik zo verknocht ben aan Schopenhauer. Op dit moment lees ik Das Kritikon van Gracian. De lectuur daarvan raad ik dringend aan. Het is voor mij zoiets als een staaroperatie voor een blinde.

Toen ik uw boek las, had ik soms last van een Kretenzerparadox-gevoel. De oplichter vertelt een verhaal… Kunt u me zeggen hoe ik dat gevoel kwijt kan raken?

Postel: Het spijt me verschrikkelijk als dat gevoel u bekroop. Mij ging het niet zo zeer om de waarheid maar om de schoonheid van het verhaal.

Literatuur

Bricmont, J. & Sokal, A. (1999). Intellectueel bedrog: Postmodernisme, wetenschap en antiwetenschap. De Geus, Breda.

Hare, R.D. (2003). Gewetenloos: De wereld van de psychopaat. Elmar, Rijswijk.

Helbing, B. (2004). Forensische Gutachten auf dem Prüfstand. Zeitschrift für Rechtspolitik, vol. 37, p. 55-56.

Merckelbach, H. & Jelicic, M. (2004). Hoe een CIA-agent zijn geheugen hervond en andere waargebeurde verhalen. Contact, Amsterdam.

Postel, G. (2001). Doktorspiele: Geständnisse eines Hochstaplers. Eichborn, Frankfurt am Main.

Van Koppen, P.J. (2004). Weg van de toerekeningsvatbaarheid: Over rapportages over de verdachte. Trema, vol. 27, p. 221-228.

Zeegers, M. (1959). De oplichter. Bijleveld, Utrecht.

Website van Gert Postel: www.gert-postel.de

Uit: Skepter 17.3 (2004)

Harald Merckelbach is hoogleraar psychologie aan de Universiteit van Maastricht en lid van het Comité van Aanbeveling van Skepsis