Een valse broer van Jezus

Kritiek op een knekelkist

door Walter Heijder

bottenkistEen ossuarium van Jacobus, de broer van Jezus! Dat is wereldnieuws! Dus trok een artikel in het tijdschrift Biblical Archaeology Review en bijbehorende persconferentie van de Franse paleograaf André Lemaire van de Sorbonne-universiteit (Parijs) in de herfst van 2002 de aandacht.

Lemaire maakte bekend een ossuarium te hebben gevonden met daarop in het Aramees de inscriptie: ‘Jacobus, zoon van Jozef, broer van Jezus’. Om te beoordelen of het hier gaat om wat het lijkt, moeten twee vragen worden beantwoord: zijn ossuarium en inscriptie echt? En: betreft het hier het mannelijke trio uit het Nieuwe Testament?

‘Ik wist niet dat Jezus een broer had,’ zei Oded Golan (eigenaar van het ossuarium) tegen Time. In het evangelie van Mattheüs (hoofdstuk 13:53-58) wordt echter zelfs van verscheidene broers (en zussen) gesproken: ‘En het geschiedde, toen Jezus het uitspreken van deze gelijkenissen voleindigd had, dat hij vertrok en in zijn vaderstad kwam en daar in de synagoge leerde. Zijn lering was zo, dat de mensen buiten zichzelf geraakten en zeiden: “Van waar heeft hij deze wijsheid en die krachten? Is hij niet de zoon van de timmerman? Heet zijn moeder niet Maria? En zijn Jacobus, Jozef, Simon en Judas niet zijn broeders? En zijn zusters, wonen zij niet allen onder ons? Van waar heeft hij dit alles?” En zij namen aanstoot aan hem.’

Verzamelaar Oded Golan kocht in de jaren 1970 (volgens Golan zelf) voor een paar honderd dollar een ossuarium van zandkleurig kalksteen (van 25 × 50 × 30 cm). Golan was op de hoogte dat er inscripties op het ossuarium zaten, maar had nooit de moeite genomen het Aramees te ontcijferen. Zo’n kwarteeuw later liet Golan zijn collectie van archeologisch materiaal aan Lemaire zien. In Time beschreef Lemaire wat er gebeurde toen hij de desbetreffende inscriptie (eerst op een foto) zag: ‘Suddenly, your brain goes: “tick!”‘; en wat zijn indruk was toen hij het ossuarium zelf bestudeerde: ‘My impression was that it was genuine.’ Lemaire nam vervolgens contact op met Hershel Shanks, redacteur van de Biblical Archaeology Review. Shanks stuurde het ossuarium naar de Geological Survey of Israel. Die concludeerde dat de kalksteen uit de buurt van de bijbelse Olijfberg kwam en dat de bloemkoolachtige structuur van het patina (een minerale glans die in de loop van de tijd ontstaat) erop wijst dat het ossuarium eeuwen in een grot had gelegen. Moderne toevoegingen konden ze niet vinden, noch chemisch, noch mechanisch (in verband met de inscriptie). Hoe oud was het ossuarium? De Geological Survey of Israel hield het op de eerste of tweede eeuw n.C.

Lemaire wilde uiteraard de datum exacter bepaald hebben. Volgens hem werden ossuaria door de joden in Jeruzalem gebruikt tussen ongeveer 20 v.C. en 70 n.C. (het jaar waarin de Romeinen de tempel in Jeruzalem verwoestten). En uit de spelling van de inscriptie zelf meende Lemaire te kunnen afleiden dat de inscriptie na 25 n.C. moet zijn gemaakt. Dat komt aardig in de buurt van 62 n.C., het jaar waarin Jacobus zou zijn gestorven. De eerste vraag leek daarmee te zijn beantwoord: ossuarium en inscriptie zijn echt.

De tweede vraag is dan of we met de juiste drie mannen te maken hebben. Lemaire nam zijn toevlucht tot kansrekening. Volgens alle bekende inscripties uit de eerste eeuw n.C. in het desbetreffende gebied heette 14% van de mannen Jozef, 9% Jezus en 2% Jacobus. Dat lijkt behoorlijk wat, bij elkaar is het een kwart van de mannelijke populatie. Maar de kans op een combinatie van die drie is echter heel klein: 0,14 × 0,09 × 0,02 = 0,000252

Hoe groot was de mannelijke populatie eigenlijk? Lemaire schatte die op 80.000 (twee generaties). Dat wordt dan 80.000 × 0,000252 = 20. Van die 20 trio’s konden alleen de rijkere families zich een ossuarium met inscriptie veroorloven. De kans dat we dus met het juiste trio te maken hebben, wordt dan volgens Lemaire ‘very probably’.

Blind als een vleermuis

Op dit staaltje kansrekening was wel kritiek. Een collega wees erop dat de van inscripties afgeleide percentages niet op de hele populatie hoeven te slaan. Zoals er ook kritiek was op het feit dat onbekend is waar het ossuarium precies vandaan komt. Archeologisch gesproken is een object zonder zo’n context maar een fractie waard van zo’n object met context. En verder was het heel ongebruikelijk om de naam van een broer op een ossuarium te zetten: er is maar één dergelijk geval bekend. Maar het zou natuurlijk kunnen dat het in dit geval is gebeurd omdat bij het overlijden van Jacobus, zijn broer al een zeer bekend persoon was.

Als ossuarium en inscriptie echt zijn, valt nog altijd moeilijk te achterhalen of we met de bijbelse Jacobus en Jezus te maken hebben. Dus concentreerde de volgende discussie zich op de vraag of we met een vervalsing te maken hebben of niet. Een collega van Lemaire, Rochelle Altman (gespecialiseerd in oude teksten), kwam met harde kritiek. Zij twijfelde niet aan de echtheid van het ossuarium. Ook hield ze het eerste gedeelte van de inscriptie (‘Jacobus, zoon van Jozef’) voor echt. Maar voor het tweede gedeelte (‘broer van Jezus’) had ze geen goed woord over. Volgens haar moet dat gedeelte (eeuwen) later zijn toegevoegd. Het is volgens haar niet eens duidelijk of de toevoeging Aramees of Hebreeuws is. Is het Hebreeuws, dan is dat dus een andere taal dan de taal waarin het eerste gedeelte is geschreven. Maar is het Aramees, dan staat er niet ‘broer van’, maar ‘mijn broer’. Volgens Altman heeft de vervalser zijn werk dus slecht gedaan. Maar niet alleen de vervalser krijgt ervan langs van Altman. Ze schrijft: ‘You have to be blind as a bat not to see that the second part is a fraud.’ Lemaire, de redactie van Biblical Archaeology Review en de medewerkers van het Geological Survey of Israel kunnen het ermee doen!

Verse inscriptie

nickellJoe Nickell, van Skeptical Inquirer, wees erop dat de geleerden van het Geological Survey of Israel stelden dat het patina zich niet in alle letters bevond. Dit zou komen omdat de inscriptie was schoongemaakt. Nickell vroeg zich af in welk deel van de inscriptie er letters zonder patina waren. Gezien de kritiek van Altman een interessante vraag. En verder kan patina zelf ook worden vervalst en is vervalst patina gemakkelijker te verwijderen dan echt. Met andere woorden: volgens Nickell laat het Geological Survey of Israel nog vragen over het patina open.

Verder wijst Nickell erop dat Golan zich verdacht gedraagt. Om te beginnen wilde hij niet dat zijn naam en adres bekend zouden worden. Aan de ene kant begrijpelijk, maar aan de andere kant niet. Zijn naam verscheen niet in het artikel in Time omdat hij zijn appartement niet in een kerk veranderd wilde zien. Het is begrijpelijk dat iemand niet wil dat zijn appartement een pelgrimsoord wordt, zeker niet als het ossuarium al lang elders is. Maar bezoek van de Israëlische autoriteiten wegens bezit van gestolen oudheidkundige objecten is natuurlijk ook niet welkom. Die hadden overigens weinig moeite om naam en adres van deze man te achterhalen en zij vereerden hem met bezoekjes en een onderzoek naar de gang van zaken.

En die gang van zaken is ook opmerkelijk. Ossuarium gekocht in Jeruzalem in de jaren 1970 voor een paar honderd dollar, dat kan. Maar daarmee is het wel een ossuarium zonder context. Voor iemand die het Hebreeuws machtig is, is het Aramees van de inscriptie niet moeilijk om te lezen. En toch zei de inscriptie Golan niets. En dan was het ossuarium leeg. Golan heeft de botten die erin zaten apart bewaard. In deze zaak zou er weinig interessanter zijn dan die botten grondig te onderzoeken. Maar Golan wil ze niet vrijgeven.

Het ossuarium werd in Toronto tentoongesteld en Nickell reed er met een paar vrienden heen. Wat viel Nickell en vrienden op? Ten eerste waren op de achterkant (waarbij de kant met de inscripties de voorkant is) cirkelvormige versieringen te zien. Waarom zou je de achterkant versieren? Daar kijkt immers niemand meer naar als het ossuarium is weggezet. Een inscriptie zou je dan op dezelfde kant verwachten als de versieringen. En bij het ossuarium waarom het hier gaat, was daarvoor ruimte genoeg.

Ten tweede zijn de cirkelvormige versieringen behoorlijk versleten, maar de inscriptie zelf ziet er vers uit en met name de randen van de letters zijn scherp; heel knap voor een inscriptie van zo’n tweeduizend jaar oud. Over het ossuarium lopen krassen, dat kan haast niet anders met zo’n oud object. De inscriptie zou (letterlijk) onder de krassen moeten zitten, maar het meeste van de inscriptie gaat over de krassen heen; wat erop duidt dat de inscriptie van latere datum is dan de krassen.

Deze en enkele andere punten wezen er volgens Nickell op dat een vervalser een echt ossuarium van een inscriptie heeft voorzien en daarna mogelijk nog een vals patina heeft aangebracht.

Sjablonen

De Israel Antiquities Authority onderzocht het ossuarium en de inscriptie en kwam op 18 juni 2003 met een persconferentie. De IAA stelde onder andere dat het ossuarium zelf echt is, dat de inscriptie door het vernis heen gaat en dat het patina over de inscriptie is gemaakt van een oplossing van heet water en kalk. Conclusie: de inscriptie is in haar geheel een vervalsing, dat wil zeggen een toevoeging van eeuwen later. Omdat het neppatina is toegevoegd, is duidelijk dat iemand de inscriptie ouder wilde doen lijken dan zij is.

De opmerkingen van Joe Nickell bleken dus heel erg raak. André Lemaire, de redactie van Biblical Archaeology Review en de Geological Survey of Israel zaten er dus volledig naast. Maar wat te denken van de mening van Rochelle Altman, die het eerste deel van de inscriptie voor echt hield, maar het tweede deel voor een duidelijke vervalsing. Het lijkt er in ieder geval op dat de twee delen door verschillende personen zijn aangebracht. Maar dat is toch merkwaardig: waarom zouden twee personen aan de inscriptie werken, om die vervolgens met één soort neppatina te bedekken, als ze de inscriptie als echt willen doen lijken. Ligt dan het handschrift van één persoon niet meer voor de hand? Jazeker! Op de website van Archeology verscheen een interessante theorie hierover. De vervalser (of vervalster) heeft een catalogus met ossuaria en inscripties daarop gebruikt. Het is met moderne computertechnieken een koud kunstje om via een scanner en bepaalde computerprogrammatuur foto’s van inscripties in een catalogus om te zetten in sjablonen. Wat dus een verschil in handschrift lijkt, is in feite dezelfde hand, die sjablonen gebruikt die afkomstig zijn van verschillende foto’s. Eén hand heeft dus verschillende handschriften gekopieerd. De relatief kleine fouten in de letters zouden dan zijn ontstaan doordat een scanner niet exact een bepaald lijnenpatroon op een foto kan scannen (door de belichting op de foto bijvoorbeeld) en omdat bij het gebruik van een sjabloon voor een inscriptie je gemakkelijk kunt uitschieten (of het sjabloon verschuift tijdens het maken van de inscriptie). Het is overigens niet uitgesloten dat de vervalser dezelfde catalogus heeft gebruikt als de catalogus die Lemaire gebruikte om de woorden van de inscriptie met bekende inscripties op ossuaria te vergelijken.

Of deze theorie juist is of niet, doet niets af aan het feit dat voor iedereen duidelijk is dat de inscriptie een vervalsing is. Iedereen? Nee, één man bleef moedig weerstand bieden aan de IAA. Golan liet weten er zeker van te zijn dat het ossuarium echt is (daar twijfelde echter niemand aan) en wist zeker dat de IAA er met zijn conclusies naast zit. De IAA zou bevooroordeeld zijn, aldus Golan. Ook vanuit de hoek van de Biblical Archaeology Review kwam nog wat gesputter. Maar aangezien de bal al buiten bereik was, werd alleen nog maar de man (de IAA in dit geval) gespeeld.

Het onderzoek van de IAA was zuiver wetenschappelijk van aard. Dat onderzoek is afgerond. Maar justitie zal zich nog verder voor Golan interesseren. Want de vraag blijft hoe en wanneer hij aan het ossuarium is gekomen en of hij zelf de vervalser van de inscriptie is.

Bronnen

Biema, D. van, The Brother of Jesus? Time, 4 november 2002 (p. 60-62).
Nickell, J., Bone (Box) of Contention: The James Ossuary. Skeptical Inquirer, maart/april 2003 (p. 19-22).
Altman, R., The ossuary was genuine, but the inscription was faked, www.aish.com en www.sullivan-county.com.
Gold dust and James Bond, www.archeology.org.

Uit: Skepter 16.3 (2003)

Walter Heijder