De Hemelse Hype

door Erik Hoogcarspel

New Age, is dat een nieuw tijdperk, een nieuwe religie? Een levenswijze dan? Filosoof Erik Hoogcarspel houdt haar tegen het licht, en ziet slechts een hypocriete grafrede bij de dood van God.

De term New Age, letterlijk ‘nieuwe tijd’, kwam voor het eerst in zwang in het begin van deze eeuw in theosofische kringen. De theosofen meenden dat sinds de boodschap van oprichtster Helena Blavatski en de komst van een nieuwe spirituele wereldleraar, een rol die was toebedacht aan de Indiër Krishnamurti, een nieuw tijdperk voor de mensheid was aangebroken. Maar Krishnamurti bedankte voor de eer en het hele project viel in het water.

In de jaren ’60 kwam de gedachte aan een nieuwe tijd weer tot leven in de VS, vooral onder invloed van de Flower-Powerbeweging en astrologische berekeningen die aantoonden dat de baan van de zon de afgelopen tweeduizend jaar de hemelequator kruiste in het sterrenbeeld Vissen, maar dat dit voortaan in het sterrenbeeld Waterman zou gebeuren. Men hoopte dat er hiermee een nieuwe beschavingsperiode voor de gehele mensheid zou aanbreken en meende in de Flower-Powerbeweging een voorbode te zien.

Men geloofde dus:

a: in een geschiedenis van de gehele mensheid als samenhangend geheel,
b: dat deze geschiedenis een voorspelbaar verloop heeft,
c: dat dit verloop samenhangt met sterrenbeeldperioden,
d: dat deze perioden samenhangen met een collectieve mentaliteitsverandering, en
e: dat de collectieve mentaliteit van bepalende invloed is op alle levensomstandigheden.

Een aantal van deze veronderstellingen klinkt bekend. Het New-Agegeloof kwam ook niet uit de lucht kwam vallen. Velen waren al geneigd te geloven wat in de New-Agedoctrine uitdrukkelijk werd verwoord. Hebben niet alle missionarissen en zendelingen gedacht dat de wereld een paradijs zou worden als iedereen zich tot hun favoriete religie zou bekeren? Wachten christenen, joden, hindoes en sommige boeddhisten niet allemaal op een of ander duizendjarig rijk waarin alles koek en ei is? Menen vele christenen niet dat de geschiedenis van de mensheid volgens Gods plan verloopt, een veronderstelling die in academische terminologie terug te vinden is in de filosofie van Hegel, maar ook in de theosofie en de antroposofie?

Vandaag de dag is deze gerichtheid op een toekomstig aards paradijs wat op de achtergrond geraakt. De New-Agebeweging is zakelijker geworden. Niettemin blijft de New Age door en door christelijk van ondertoon: er is een sterke neiging te denken dat door geloof, hoop en liefde een blijde boodschap (welke doet er niet veel toe) in vervulling zal gaan, en de mens weer toegang krijgt tot een Hof van Eden.

Kenmerkend voor de New-Agebeweging is de netwerkstructuur. Ze kent niet één specifiek geloof, één gemeenschappelijke doctrine, het is een familie van heterogene, maar naar elkaar verwijzende praktijken en rituelen. Een dergelijk netwerk is erg taai en flexibel: het past zich gemakkelijk aan en neemt gemakkelijk nieuwe invloeden in zich op. Omdat het geen centrum heeft en zich steeds maar weer vertakt, is het moeilijk integraal te bekritiseren, af te wijzen, maar ook onmogelijk integraal te aanvaarden.

We leven in een tijd waarin gecentraliseerde machtsstructuren door netwerken worden vervangen; waarschijnlijk omdat de oude hiërarchische machtsstructuren inefficiënt zijn geworden, vanwege de grotere mobiliteit en de ontwikkeling van de media. Er is geen sprake van één waarheid die men moet onderschrijven of één stel principes die men moet navolgen. De postmoderne mens wil niet meer kiezen, hij wil niet meer willen; hij wil verleid worden. Hij is bang voor de eenzaamheid van de beslissing en te moe om een standpunt vol te houden. Liever laat hij zich in de boot nemen en meevoeren op de stroom van een nieuwe therapie of geleide fantasie. De eisen van waarheid en integriteit gelden alleen als het zo uitkomt, ad hoc en voorlopig. De hoofdzaak is dat men voortdrijft, onderhouden wordt en de verveling en de vermoeidheid even achter de horizon verdwijnen.

New Age zou je dus kunnen zien als de postmoderne vorm van religie in het algemeen en christendom in het bijzonder. Er is niet meer één enkele autoriteit, één hoogste macht of één eenduidig geloof, al deze elementen zijn verbrokkeld en vormen een netwerk van begrippen en namen. Het is niet onwaarschijnlijk dat op den duur het gehele orthodoxe christendom in de New-Agebeweging zal opgaan en dat de andere grote religies zullen volgen. In vrijzinnige christelijke kringen is de New-Agebeweging al niet meer weg te denken.

De New Age is niet principieel maar pragmatisch. Alleen zo kan ze met haar gespletenheid leven. De New-Ageleiders maken nogal eens een potsierlijke en onbetrouwbare indruk, omdat ze zich deze structurele omslag niet bewust zijn en nog steeds de oude waarden van waarheid en integriteit in het vaandel dragen, terwijl ze de pretenties niet waar kunnen maken. Zo vormen ze een heel concrete illustratie bij de conclusies van de postmoderne filosofen: er zijn geen alomvattende theorieën en verhalen meer mogelijk en er is geen norm voor wat waar is en wat goed.

Friedrich Nietzsche kondigde dit al in 1881 aan. Hij omschreef het als ‘de dood van God’. Met ‘God’ bedoelde hij niet alleen dat christelijke beeld van ‘de baas van alles,’ maar ook een begrip dat sinds Plato bij filosofen en (vooral) intellectuelen populair is geweest: de eenheid van het goede, het ware en het mooie. Alhoewel men zelden zo dom was te menen precies te weten wat absolute waarheid is, wat onder alle omstandigheden voor iedereen een bindende norm is en absoluut mooi is, had men toch het gevoel dat daar wel achter te komen was. Dit metafysische anker zijn we kwijt. Elke kerk is nu een zerk.

De metafoor van de dood van God laat zich goed uitwerken in verband met de New Age. Kenmerkend voor iemand die dood is, is dat hij of zij niets meer te zeggen heeft. Men luistert niet meer naar de doden, maar spreekt alleen nog over hen. Van de doden resten alleen herinneringen. In de New Age is God definitief overleden. Het is opvallend dat men voortdurend praat over God – in de zin van het absoluut goede en ware – maar niet meer naar Hem luistert. God heeft in de New Age niets meer te zeggen, Hij wordt aangepast aan de behoefte van het moment. Toen Hij nog leefde was Hij mysterieus, streng, jaloers en transcendent, maar kon ook vergeven. Hij had de mensheid toegesproken in de Bijbel. Welnu, deze Bijbel is gemarginaliseerd. Gods woord wordt gecombineerd met andere geschriften, zoals gnostieke en oosterse teksten, net zoals het uitkomt.

De New Age is de grafrede bij de teraardebestelling van God. God, de bron en voltooiing van de metafysica, gaat weer op in de aarde, in de concrete alledaagse werkelijkheid. En zoals gebruikelijk zegt men ook in de New Age van de doden niets dan goeds. Men herinnert zich de hoogtepunten uit de tijd waarin de overledene nog leefde. Tal van lang vergeten ideeën worden weer van stal gehaald. De heksenbewegingen, tarot, het pendelen, de astrologie en de beroemde christelijke mystici: het zijn pogingen om de vergane glorie van de metafysica te reconstrueren. Maar zoals het gaat met herinneringen: ze moeten het afleggen tegen de werkelijkheid. Het is nostalgie, heimwee naar wat nooit geweest is.

Ongeveer de helft van alle New-Agetherapieën en -theorieën die vandaag de dag worden aangeboden, komt uit het oosten. Blijkbaar moet het oosten deel uitmaken van New Age, maar wat we aantreffen is een karikatuur. Ik heb verschillende keren cursussen gegeven in oosterse filosofie en religie, maar als je begint te vertellen hoe de mensen in het oosten écht dachten en denken, als je intensieve meditatie- en yoga-oefeningen geeft, dan schrikt men en wil niets meer horen.

Het oosten wordt slechts gebruikt om de herinnering te reconstrueren aan een universele god die nooit heeft bestaan. De natuur vervult dezelfde functie. God had, toen hij nog leefde in het christendom, niets met de natuur te maken. Nadat Hij haar had gemaakt, droeg Hij haar over aan de mens. Maar in de New Age wordt de natuur een Gods alter ego. Vandaar de populariteit van alles wat met ‘oer’ te maken heeft. Vandaar dat de natuurvolkeren dienen als fetisj, als relikwie. En zoals we hebben geleerd van onder andere de Turijnse lijkwade en de huilende madonna’s: elke relikwie is een tot ding gestolde mythe. De opvattingen van en over het oosten, de natuur en het verleden, leren ons derhalve niets over de wereld waarin we leven, het zijn slechts illustraties bij de ideologie van de New Age.

De New Age kent geen toeval. Al het onheil dat de mens overkomt roept hij over zichzelf af. Karma heet dat. Wil de mens gelukkig worden dan moet hij daar zelf voor zorgen. Geluk is verplicht. Wie ongelukkig is, doet iets fout, volgt niet de juiste therapie. En wie geen fouten maakt, moet wel gelukkig zijn.

Deze naïeve levenshouding is een vlucht voor het tragische levensbesef. Vroeger beklaagde men zich bij God over het ongeluk en liet het aan Hem over om gelukkiger tijden te brengen. Maar je kunt van een overledene weinig actie verwachten, daarom moeten we het nu zelf doen. Maar hoe?

Een enorme hoeveelheid trucjes en slimmigheidjes vormt het antwoord. Het geld dat men vroeger uitgaf aan kathedralen, kerkelijke kunst, kloosters en kerkbureaucratie gaat nu op aan therapieën, cursussen en apparaatjes. Dat is veel, want niets verkoopt zo goed als iets dat we niet nodig hebben. Alleen daarvan kun je altijd meer hebben.

De New Age is de droom van het wegvallen van de verschillen, het streven naar spiritueel communisme. Het probleem van de New Age is dat men van het dualisme af wil komen door het te ontkennen – en het daarmee opnieuw introduceert.

Dualisme betekent onderscheid, beperking, beslissing, dit wel en dat niet. Dualisme betekent de afscheiding tussen het ik en de ander en de transcendente God. Het dualisme was het hart van het oude christendom, en sinds het wegvallen van het monotheïsme nemen de verschillen alleen maar toe. Het antwoord van de New Age is het cultiveren van de illusie van eenheid en het ontkennen van verschil. De eenheid van de waarheid, de gelijkheid van elk mens, een statisch en éénduidig bepaald mens- en wereldbeeld, dit zijn allemaal idealen die niet meer gelden, maar waarvan de New-Agebeweging nog droomt en waarmee ze te koop loopt.

Opnieuw zien we dat de New Age een geheime agenda, een dubbel gezicht en een gespleten of dubbele tong nodig heeft (onduidelijk praten wordt verheven tot kunst) om te kunnen voortbestaan. De doctrine van de eenheid resulteert in een feitelijke verbrokkeling en diversiteit binnen de New-Agebeweging zelf. Oppervlakkig gezien doet men of men allemaal bepaalde grondbeginselen onderschrijft, maar als je even doorvraagt of onderzoek pleegt, blijft er van deze eensgezindheid weinig over. Psychotherapieën cultiveren het ego, dat in het zenboeddhisme voor pure illusie geldt. Yoga is volgens antroposofen nutteloos en zelfs gevaarlijk voor de westerse mens, maar is bij anderen de ultieme weg naar het heil.

Het enige waar men het over eens is, is dat verschillen er niet toe doen en dat wie vraagt naar verschillen ‘te veel in zijn hoofd zit’ en dus ‘verkeerd bezig is’. Het verschil is het principe van het kwaad en het kwaad zit in het verstand. De weg naar het heil gaat via het gevoel.

Natuurlijk worden er geen verschillen tussen soorten gevoelens erkend. Jaloersheid, sentimentaliteit, venijn, wanhoop, elk gevoel is even echt en waardevol en in de therapie een bron van vermaak en drama. Men heeft alleen moeite met gevoelens van trots en moed, want net zoals het christendom is de New Age een slavenreligie. Je wordt verondersteld gehoorzaam te zijn aan de therapeut en wie dat niet is, wordt geëxcommuniceerd. Wie echter gehoorzaamt, krijgt zijn vrijheid terug. Hij of zij kan zijn of haar eigen meesters uitkiezen. Het is het recht van de consument.

De New-Ageconsument heeft het druk en tobt heel wat af. Hij of zij wordt achtervolgd door een ongelukkig bewustzijn, want de ‘heelheid’ die de therapeut simuleert is een verplicht, doch onbereikbaar ideaal. Men kan niet zomaar een strandwandeling maken, nee, dat moet in groepsverband onder leiding van een sjamaan. Net zoals het christendom in de afgelopen tweeduizend jaar weinig vrolijkheid heeft gebracht, maakt de New Age het leven er ook niet gemakkelijker op. Vrolijkheid en optimisme worden verplicht en daarom gesimuleerd. Maar van lachtherapie wordt men niet vrolijk. Er is geen plaats voor humor, want humor is gebaseerd op relativering van de verschillen en deze mogen in de New Age überhaupt niet bestaan.

Critici kijken vaak met een jaloerse blik naar de grote winsten die met New-Agecursussen zouden worden gemaakt. Over het algemeen vallen de prijzen wel mee – ongeveer twee keer het tarief van een volksuniversiteit – maar met name bij de westerse psychotherapieën en sommige oosterse rondreizende leraren kunnen de prijzen aardig uitschieten. De TM-beweging is bijvoorbeeld een zeer rijk consortium en er zijn heel wat schlemielen in de welzijnsindustrie rijk geworden. De grootste uitschieter was wel de heer Rajniesj (‘Baggevan’). Massagecursussen als Reiki zijn ook zeer profijtelijk.

De hoge prijzen kunnen verklaard worden uit het feit dat er geen productconcurrentie is, maar ideologische concurrentie. Men trekt de mensen met een mooi verhaal en niet met een goed product. Het verhaal moet het product goed maken en niet omgekeerd. Bovendien hebben de cursussen niet als doel kennis of vaardigheid aan te leren, maar status te geven. Hoge prijzen suggereren iets bijzonders en waardevols. Een bijkomend voordeel is dat iemand die veel betaalt, niet gauw lastig of kritisch zal worden. Je kunt dan bovendien een pretentieuze en kostbare entourage bekostigen en dat filtert ook de lastposten uit.

Daarmee wordt ook de doelgroep bereikt, want die wordt gevormd door de welgestelde en verveelde burgerij, die gekweld wordt door louter luxeproblemen. Arme klanten zijn niet gewenst en mensen met echte problemen kunnen niet door een New-Agetherapie geholpen worden. Bovendien zijn ze onhandelbaar, verwachten ze concrete resultaten en schrikken medecursisten af.

De New Age gelooft enerzijds aan de vooruitgang en kan dus moeilijk tegen de wetenschap zijn, maar anderzijds schuwt zij redeneringen en het maken van onderscheid als Dracula het zonlicht. Dus is zij weer genoodzaakt met een dubbele tong te praten. Enerzijds moet men de waarheid van theorieën voelen, ervaren in het hart – met andere woorden, net zoals in het christendom, domweg geloven -, anderzijds doet men het voorkomen of dit ook het meest rationele en verstandig is dat een mens kan doen.

Wetenschap en religie gaan niet samen. Wetenschap en New Age dus ook niet. Het is natuurlijk prima als ideeën van de New Age (of welke andere ideeën ook) inspirerend werken bij wetenschappelijk werk. Soms moet er een appel op je hoofd vallen voordat je de zwaartekracht ontdekt, misschien moet er eerst iemand eens een sjamanistisch weekend meemaken voordat hij of zij een nieuw middel tegen aids ontdekt. Binnen de context van ontdekking zijn er geen taboes. Ideeën kunnen echter niet meer waard zijn omdat ze passen in een New-Age-ideologie. De bewijsvoering en het onderzoek moet aan de wetenschap zélf worden overgelaten.

Religie heeft niets met waarheid te maken, alleen met overtuiging, wetenschap is verplicht op zoek naar de waarheid – ook al bestaat deze niet. De morfogenetische velden van Rupert Sheldrake en de opvattingen van Fritjof Capra moeten beoordeeld worden op hun wetenschappelijke waarde en niet op hun populariteit binnen het consumentenpubliek van de New Age.

De New Age drijft op boeken en op lichtgelovige lezers. In de jaren ’60 droomde men weg bij het lezen van de magische avonturen van de Tibetaanse lama Lobsang Rampa, geschreven door een auteur die zijn rustige dorpje op het Engelse platteland nooit had verlaten. In de jaren ’70 kwamen de sjamanen. Iedereen verslond de boeken van Carlos Castaneda, waarin werd verteld hoe men door middel van hallucinogene kruiden de staat van verlichting en magische almacht kon bereiken. Ook deze boeken bleken uit de duim gezogen (iets dat vele New-Ageaanhangers nog steeds niet willen geloven). Een minder geslaagde poging van recenter datum is Mutant Message Down Under van Marlo Morgan, een verslag van een reis met een stam Australische aboriginals, compleet met inwijdingen en esoterische inzichten. Ook dit boek bleek pure fictie.

Al deze boeken werden voornamelijk gelezen in New-Agekringen. Ze drongen zelden door de top van de meest verkochte boeken. En toen was daar De Celestijnse belofte. Een boek dat slechter geschreven is dan zijn voorgangers – zó slecht dat het aanvankelijk door geen uitgever serieus werd genomen. Met een verhaal dat zonder meer zou kunnen worden overgenomen door Bassie en Adriaan. Het werd in de VS razend populair en inmiddels heeft half Nederland het gelezen.

Wat is er hier aan de hand?

Laten we om te beginnen vaststellen we hier met een religieus boek te maken hebben, een boek met een boodschap. En als het om een boodschap gaat, dan kijkt men niet zo nauw, dan wil de wereld wel bedrogen worden. Vroeger leefde en stierf men in en voor het geloof. Men vocht ervoor, richtte kerken op. Het geloof in de Celestijnse belofte is echter een heel ander soort geloof. Men leeft er niet in, sterft er niet voor. Men gelooft het wél, men gelóóft het wel.

Als je iemand zou vragen of hij of zij nu echt in de boodschap gelooft, krijg je steevast een ontwijkend antwoord, dit bleek onder andere in een twee uur durend radioprogramma op Veronica Nieuwsradio dat aan het boek was gewijd. Geen enkele van de ondervraagde Celestijnse therapeuten durfde openlijk van geloof te getuigen. De uitvlucht luidde ‘als het voor jou waar is, dan is het waar’. Maar wat is dan de betekenis van deze ‘waarheid’? Zouden deze aalgladde gevoelsknutselaars hetzelfde hebben geantwoord als niet de Celestijnse, maar de belofte van Hitler het gespreksonderwerp was geweest? (‘De joden vormen het grote kwaad en moeten van de aardbodem verdwijnen’. De therapeut: ‘Wel, als dat voor jou waar is, dan is het waar!’)

We gelóven het wel, dat is de religie van onze tijd. En wat we dan wel geloven moet nieuw en actueel zijn: een hype. Door reclame en infotainment zijn we wantrouwig geworden ten opzichte van alles wat pretendeert méér te zijn dan de waan van alledag, zodat de waan dienst gaat doen als norm voor waarheid. Vandaar dat een boek als De Celestijnse belofte, net zo geloofwaardig als de veronderstelling dat kinderen uit rode kool worden geboren, zo gemakkelijk kon worden aanvaard.

Waarom dít boek? De inhoud is beslist niet te moeilijk. Centraal staat een manuscript waarin negen inzichten worden beschreven. Wie zich deze negen inzichten heeft eigen gemaakt, kan zó de hemel binnenlopen, zoals Jezus ook met huid en haar de hemel inging. Samengevat zeggen deze inzichten dat de evolutie van het bewustzijn het doel is van de wereldgeschiedenis. De geschiedenis is als een stuk muziek waarvan de laatste noot de vervulling en afsluiting is van alle vorige en waarin elke noot zijn eigen plaats en betekenis heeft. De Verlichting was een periode van egoïsme en materialisme en staat nu op het punt over te gaan in een nieuw tijdperk dat in het teken staat van altruïsme en manipulatie van energie. (Weet u het nog: ‘the age of Aquarius’?)

Er bestaat een ‘subtiele energie’, alleen door helderzienden waar te nemen, die planten laat groeien, die de drager is van emoties en de basis van alle materie. Elk emotioneel conflict is in wezen een strijd om deze ‘energie’, want mensen proberen dit voortdurend van elkaar af te pikken. Dat is dom, want als je deze ‘energie’ eenmaal kunt waarnemen, zie je ook dat deze volop overal aanwezig is en dat je door jezelf ervoor open te stellen deze gewoon kunt binnen laten stromen. Zo verhoog je bovendien het ‘trillingsgetal van de atomen in je lichaam’, waardoor je voor gewone stervelingen onzichtbaar wordt en de hemel kunt binnenlopen.

Tot zover de negen inzichten. Wat in deze samenvatting verloren gaat, is de overtuigingskracht van het verhaal. Die zit ‘m niet in een ingenieuze plot, een levendige beschrijving, of treffende overeenkomsten met de werkelijke wereld. Ik vermoed dat deze gebaseerd is op een zekere herkenbaarheid. Thema’s die als losse vaagheden in de herinnering van de lezer rondzwerven worden door het boek opeens op elkaar aangesloten. De lezer krijgt weer dat gevoel van ‘zie je wel dat heb ik altijd al gedacht!’ en bovendien het behaaglijke gevoel dat we een prachtige toekomst tegemoet gaan.

Eind goed al goed. Alsof het leven een goedkope roman is. Er wordt een goedkope verklaring gegeven voor de conflicten van deze tijd met de belofte dat die spoedig voorbij zullen zijn. Je kunt er zelfs persoonlijk al ‘aan werken’ door de negen inzichten te leren begrijpen. En het goeie ouwe christendom kun je gewoon aanhouden. Ja, het is een echt gezellig boek!

Vele lezers schijnen nogal wat te zien in de Celestijnse theorie van de energie. Geen wonder, het woord ‘energie’ heeft in het dagelijkse spraakgebruik verschillende betekenissen, die eigenlijk allemaal metaforen zijn. In de natuurkunde verwijst ‘energie’ niet naar een of andere substantie, maar naar wat wij met bestaande substanties kunnen doen. Energie is geen waarneembaar spul, ook niet voor een helderziende. Een woord als ‘energieveld’ is te vergelijken met ‘hoge-drukgebied’, en hoewel we zoiets als een kringetje zien op de weerkaart, zien we nooit kringetjes als we uit het raam kijken.

Maar al halverwege de 19de eeuw verschenen er pogingen om energie te gebruiken als een soort universele substantie, als drager van alle lichamelijke en geestelijke verschijnselen: ‘psychisch-energetisch monisme’. Op dezelfde manier worden in De Celestijnse belofte verschillende energiemetaforen tot één enkel model verenigd en bovendien ook nog gekoppeld aan de christelijke naastenliefde (het zou net zo logisch zijn te beweren dat een hogedrukgebied meer liefde bevat dan een lagedrukgebied). Zo kan in één moeite door het dogma van de verrijzenis en hemelvaart van Jezus worden gerechtvaardigd: door zijn spreekwoordelijke liefde kreeg hij meer energie uit de kosmos en verhoogde het trillingsgetal van zijn atomen.

Overigens ademt het boek een uitdrukkelijk katholiek sfeertje. De ‘goeden’ zijn allemaal mystiekerige missionarissen en ‘de kwaden’ rechtzinnige kardinalen en bisschoppen. De toon wordt al gezet in het begin van het boek, als blijkt dat het manuscript met de inzichten, dat eens in het bezit van de Maya’s is geweest, in het Aramees is geschreven, de taal van het Nieuwe Testament. Daarmee wordt de Mayacultuur in verband gebracht met het Israél van het jaar een. Misschien is dit tevens een poging om een oud hartzeer van vele Amerikaanse christenen te verlichten: het feit dat het Heilig Land zover af ligt van het heilige land waar men woont.

Maar het is de blijde boodschap die misschien wel het meest aansprekende aspect van het boek vormt. Het is zo leuk om te geloven dat in het volgende millennium eindelijk eens een betere tijd voor de mensheid zal aanbreken, de betere tijd die door het christendom al werd beloofd en waar de New Age nog steeds van droomt. Wie zijn gezonde verstand gebruikt ziet in dat het waarschijnlijker is, dat ons in de toekomst eerder milieurampen te wachten staan. Dat heb je als je ‘te veel in je hoofd zit’, daar word je pessimistisch van, zou de New-Ageconsument zeggen.

De moegeploeterde middenklasser wil, als hij of zij thuiskomt van zijn werk, geen gezeur, geen slecht nieuws, maar iets moois om in te geloven. Daarom leest men De Celestijnse belofte. Daarom doet men in het weekend met een clubje soortgenoten aan de positieve oefeningen van Het Celestijnse werkboek. Dat is nu eenmaal de levenshouding van de calculerende burger van vandaag: met het hoofd in de wolken, met de voeten in het chemische afval en met de handen in de zakken.
Marx zei het al: religie is de opium van het volk.

Uit: Skepter 9.2 (1996)

Erik Hoogcarspel is filosoof