Nessie, waar ben je?

De geschiedenis van een monster

door Rob Nanninga

Mismaakten worden tegenwoordig alleen nog door Freek de Jonge bespot, maar bultige monsters zoals Nessie uit Loch Ness zijn wat dit betreft vogelvrij. Tegen wil en dank groeide de Schotse meerbewoner uit tot een dankbaar object voor cartoonisten, een wereldberoemd cliché, dat de lachlust gemakkelijk weet op te wekken. Zelfs de schrijver van dit artikel slaagt er niet in een ironische ondertoon te onderdrukken.

Nessie

Toch mogen we Nessie niet onderschatten. Haar aanhangers schreven meer dan dertig boeken, die soms van redelijke kwaliteit waren (bv. Costello 1974, Mackal 1976 en Witchell 1975). Twee skeptici (Binns 1983 en Campbell 1986) hadden heel wat pagina’s nodig om Nessie weer in de modder weg te duwen. Henry H. Bauer (1986) herstelde het onrecht door Nessie te verkiezen als onderwerp voor een wetenschapssociologische studie. Naar zijn oordeel kan het beest ons nog veel leren over randgebieden van de wetenschap, die vaak tot langdurige controverses aanleiding geven.

De geboorte van een monster

Op 2 mei 1933 publiceerde de Inverness Courier een artikel dat melding maakte van de ervaringen van een anoniem echtpaar dat op ruim een kilometer afstand een gigantisch beest had waargenomen in Loch Ness. De auteur was de plaatselijke journalist Alex Campbell, die als ‘waterschout’ ook verantwoordelijk was voor de visstand in het meer. Campbell sprak van een monster, en legde een verband met oude sagen en legenden. Later werd duidelijk dat alleen de vrouw, Mrs. MacKay, het beest had gezien. Het spektakel deed haar in eerste instantie denken aan twee vechtende eenden op een afstand van ongeveer 100 meter. Skeptici wezen er bovendien op dat de heer en mevrouw MacKay een hotel runden in de buurt van Loch Ness. De publiciteit rond het monster legde hun geen windeieren.

Een week later publiceerde de Inverness Courier een commentaar van Captain John Macdonald, die gedurende vijftig jaar zo’n 20.000 keer door Loch Ness was gevaren, maar nog nooit een monster was tegengekomen. Daarna bleef het twee maanden stil rond Nessie (de roepnaam van het monster), maar op 4 augustus kwam zij opnieuw prominent in het nieuws toen de Courier een brief publiceerde van een zekere Mr. Spicer uit London, die tijdens zijn vakantie een prehistorisch dier in de richting van Loch Ness had zien lopen. Deze brief lokte verscheidene nieuwe meldingen uit en het dagblad The Scotsman stuurde de journalist Philip Stalker op onderzoek uit. Deze verzamelde enkele ooggetuigenissen, waaronder die van Alex Campbell en diens buurman, en zijn artikelen alarmeerden de Engelse pers.

Stalker liet via de BBC weten dat het onbekende dier wellicht een plesiosaurus was die via de rivier de Ness in het meer was gezwommen. Hij wees daarbij op de theorie van Commander Rupert Gould, een nationale bekendheid, die drie jaar eerder een boek had geschreven waarin hij het bestaan van zeeslangen beargumenteerde. Commander Gould was snel ter plaatse en verzamelde meer dan veertig ooggetuigenissen, die volgens hem redelijk met elkaar overeenstemden. Hij publiceerde zijn bevindingen op 9 december in de Times en een half jaar later verscheen er een nieuw boek van zijn hand, The Loch Ness Monster and Others. Daarin vergeleek hij Nessie met een soort reuzensalamander van 15 meter lengte!

lochness-monster-surgeons-photo

 

Ook medewerkers van de Daily Mail waren actief: zij vonden een pootafdruk van het monster en publiceerden een foto waarop Nessie haar lange hals en platte kop boven het water uitstak. De pootafdruk deed Nessie’s reputatie geen goed, want deskundigen van het British Museum stelden vast dat de afdruk af komstig was van de linkerachterpoot van een nijlpaard, vermoedelijk een opgezette. (Na deze afgang is Nessie nog maar zelden op de vaste wal waargenomen.) Het tamelijk vage kiekje, dat afkomstig was van een Londense gynaecoloog, scheen daarentegen authentiek te zijn, al werd het op 1 april genomen en zou het gefotografeerde water evengoed het Paterswoldsemeer kunnen zijn. De foto werd over de gehele wereld verspreid en gaf Nessie een publiek gezicht.

Henry H. Bauer (1986) wierp nog een nieuw licht op de verdachte omstandigheden waaronder Nessie voor het eerst opdook. Hij publiceerde een onthullende brief van D.G. Gerahty, die als romanschrijver bekend stond onder de pseudoniemen Stephen Lister en Robert Standish. Gerahty schreef Bauer dat hij in het begin van de jaren dertig samen met twee partners een klein reclamebureau runde. Op een dag kwam een van zijn partners terug van een vakantie in de buurt van Loch Ness en vertelde dat enkele hotels in deze omgeving bereid waren om 50 pond te betalen voor een goeie publiciteitsstunt. Een verhaal van een makelaar uit Brits Columbia, die naar eigen zeggen een monstermanie ontketende rond Lake Okanagan, bracht de drie mannen op een idee, en zo werd Nessie geboren in hun Londense stamkroeg. Nadat ze de eerste monsterwaarneming hadden laten plaatsvinden, volgden er automatisch nieuwe, en in korte tijd waren de hotels rond Loch Ness goed gevuld met nieuwsgierige toeristen. Bauer is geneigd om deze informatie serieus te nemen, wat hem evenwel niet belet om in Nessie te geloven. Naar zijn mening is het niet ondenkbaar dat een valse melding echte meldingen kan uitlokken.

Op zoek naar Nessie

Sir Edward Mountain huurde in 1934 een groep werklozen om met behulp van camera’s Loch Ness onder toezicht te houden. Voor twee pond per dag wilden Sir Edwards mannen best wat moeite doen, maar het mocht niet baten. De publieke belangstelling voor het monster nam snel af. Dat gold eveneens voor het aantal geregistreerde monstermeldingen. Uit de lijst die Bauer (1986) publiceerde blijkt dat Nessie in de eerste twee jaren van haar bestaan even vaak werd waargenomen als in de vijfentwintig jaren die daarop volgden.

Pas aan het eind van de jaren vijftig bracht Constance Whyte de monstermanie weer op gang met haar boek More than a Legend (1957), waarin diverse nieuwe foto’s en getuigenissen te vinden waren (o.a. een verhaal van de Nederlandse graaf Bentinck, die stoom uit de bek van het monster had zien komen). Mrs. Whyte veronderstelde dat Nessie niet eenzaam in haar Loch ronddoolde, maar dan een kleine kolonie Nessies het meer bevolkte. De huidige Nessie-aanhangers hebben deze veronderstelling algemeen overgenomen. Zij wijzen erop dat enkele fjorden op het noordelijk halfrond na de laatste ijstijd meren zijn geworden toen de landmassa langzaam steeg. In deze nieuw gevormde meren bleef soms misschien een grote diersoort achter, die zich geleidelijk aan het zoeter wordende water aanpaste. Loch Ness is volgens hen een van de meren waarin zo’n grote, nog onbekende diersoort zich heeft gehandhaafd. Het Loch bevat namelijk voldoende voedsel (met name zalm) om een groep Nessies in leven te houden.

Mrs. Whyte’s romantische voorstelling van Loch Ness deed velen naar het hoge noorden trekken. De monsterjagers verzamelden zich. Een van hen was de luchtvaartkundig ingenieur Tim Dinsdale, die in april 1960 een week bij het Loch doorbracht. Kort voor zijn vertrek had hij het geluk aan zijn zijde. Met zijn 16 mm camera maakte hij een zwart-wit opname van een donkere vlek die zich op anderhalve kilometer afstand door het Loch verplaatste. Waar de vlek naartoe ging kon Dinsdale helaas niet vertellen, omdat hij deze uit het oog had verloren nadat hij in zijn wagen was gestapt om snel dichterbij te rijden.
Dinsdale’s film werd door de BBC vertoond en bracht velen tot bekering. De film kreeg nog meer waarde toen enkele foto-experts van de R.A.F. in 1966 concludeerden dat Dinsdale vermoedelijk een levend wezen had gefilmd dat met een snelheid van circa 15 km p/u door Loch Ness zwom. De aannemelijke hypothese dat de vage plek een motorboot was lieten zij vallen, omdat deze niet strookte met de waarnemingen van Dinsdale, die daarbij als extra hulpmiddel een verrekijker had gebruikt. Zo was de gerapporteerde rood-bruine kleur a-typisch voor motorboten (doch ook voor Nessies).

Observatiepost van het Loch Ness Investigation Bureau
Observatiepost van het Loch Ness Investigation Bureau

Na zijn eerste succes bleef Dinsdale tot op de huidige dag op zoek naar Nessie, waarover hij vier boeken schreef. Het schuwe beest vertoonde zich echter nooit meer voor zijn camera. Ook de activiteiten van het Loch Ness Investigation Bureau (LNIB, een vrijwilligersorganisatie die van 1962 tot 1971 verscheidene maanden per jaar observatieposten rond het meer bemande, leverden weinig op. Hoewel men over uitstekende camera’s beschikte waren de sporadische opnamen nog vager dan die van Dinsdale, omdat Nessie zich uitsluitend op zeer grote afstand liet zien. Het hoofdkwartier van de LNIB trok in 1971 nog 54.000 bezoekers, maar door gebrek aan geld en tegenwerking van de plaatselijke autoriteiten moest het een jaar later worden gesloten. Een van de LNIB-leden startte in 1974 de tweemaandelijkse Nessletter, sindsdien de belangrijkste bron van actuele informatie over het Loch Ness gebeuren.

Frank Searle, een ex-militair die van 1969 tot 1983 bij Loch Ness bivakkeerde, had aanvankelijk meer succes. Zijn eerste foto werd in 1972 enthousiast ontvangen en de autoriteiten gaven hem toestemming om een klein informatiecentrum op te richten aan de rand van Loch Ness. Toen Searle echter aan de lopende band nieuwe foto’s produceerde die er dikwijls erg ongeloofwaardig uitzagen (maar gretig aftrek vonden bij toeristen), verloor hij de sympathie van zijn collega’s. Toch duurde het nog geruime tijd voordat zijn malafide praktijken algemeen bekend werden. Volgens Henry Bauer brachten de ingewijden hun kritiek niet naar buiten, omdat ze bang waren dat de geloofwaardigheid van Nessie daardoor nog verder zou worden aangetast (het dier had al veel te lijden gehad van practical jokers). Dubieuze figuren zoals Frank Searle vormen een groot probleem voor onderzoekers die zich buiten het officieel erkende onderzoeksterrein wagen. Daar gelden geen wetenschappelijke spelregels, zodat iedere charlatan of pseudo-wetenschapper er carrière kan maken.

High Tech in diep water

De serieuze monsterjagers beseffen dat er overtuigend bewijsmateriaal nodig is om Nessie een wetenschappelijke status te geven. Ooggetuigenissen zijn onvoldoende, want iedereen weet dat die erg onbetrouwbaar kunnen zijn. Een watervogel, een otter, een grote vis, een staande golf, of een drijvende boomstronk kunnen onder bepaalde omstandigheden voor een Nessie worden aangezien (al zien de aanhangers van Nessie geen reden om aan te nemen dat dit meestal het geval was). Er moeten hardere bewijzen worden gevonden, maar het probleem is dat niemand weet welke onderzoeksmethode de grootste kans van slagen heeft.

In de loop van de jaren werd er van alles geprobeerd om overtuigend bewijsmateriaal te verzamelen. Het meer werd vanuit de lucht, vanaf het water en vanaf de kant met camera’s geobserveerd; men trachtte Nessie te lokken met nachtelijke zoeklichten en diverse heerlijke geuren en hapjes; er werd een soort harpoen ontworpen om weefselmonsters te nemen; er werden onderzeeërs ingezet; er werd met infraroodapparatuur en onderwatermicrofoons gewerkt; er werd gezocht naar resten van overleden Nessies; er werden sterke geluidsgolven naar de diepte gezonden om Nessie uit haar schuilplaats te drijven – maar al deze pogingen leverden bitter weinig op.

De observaties aan de oppervlakte bleken vrij onvruchtbaar, omdat Nessies maar sporadisch boven schijnen te komen. Bovendien is Loch Ness erg groot (35 bij ruim 1,5 kilometer), zodat er veel waarnemers nodig zijn om alles in de gaten te houden. Het lijkt verstandiger om onder water te kijken, maar jammer genoeg is het water erg ondoorzichtig. Zelfs met de sterkste lampen blijft het blikveld beperkt tot een meter of tien. Ook is het Loch zeer diep (100 tot 300 meter). De expedities met kleine onderzeeërs hebben dan ook geen beeldmateriaal opgeleverd. De vaartuigen waren überhaupt te langzaam om een Nessie te kunnen volgen. Dolfijnen zouden daarvoor beter geschikt zijn, maar de dolfijn die men voor dit doel had opgeleid overleed helaas voordat hij bij de jacht kon worden ingezet.

Sonarkaart met onderaan twee grote objecten, 1972.
Sonarkaart met onderaan twee grote objecten, 1972.

Het gebruik van sonarapparatuur leek meer perspectief te bieden. De New Scientist (19 december 1968) publiceerde een rapport van professor D.G. Tucker van de Universiteit van Birmingham, die gedurende veertien dagen een sonar signaal dwars door het Loch stuurde. Tijdens een periode die dertien minuten duurde registreerde hij een object met een lengte van enkele meters dat zeer snel naar beneden dook, terwijl een groepje objecten schuin omhoog kwam om vervolgens eveneens naar de diepte af te dalen.
Ook Adrian Shine, de leider van het zogenaamde Loch Ness en Morar Project, registreerde enkele interessante sonarcontacten waarover hij in de New Scientist berichtte (17 februari 1983). De deskundigen waren het er echter niet over eens hoe de sonarcontacten moesten worden geïnterpreteerd. Bovendien waren niet alle ‘sonar-searches’ succesvol. Zo leverde een nieuw onderzoek van professor Tucker niets op, en ook Shine boekte in oktober 1987 weinig succes toen hij 20 schepen met sonaruitrusting in formatie door het Loch liet varen. Wel meende hij enkele zeer grote vissen te hebben ontdekt (misschien bovenmaatse palingen).

picture-taken-by-dr-rines-showing-a-flipper
De beroemde flipper-foto van Rines

De meest opmerkelijke plaatjes werden gemaakt door de Academy of Applied Science, die onderwatercamera’s aan sonarapparatuur had gekoppeld. Op twee foto’s uit 1972, die door NASA-computers werden uitvergroot, bleek een soort vin of zwempoot te staan, die wellicht aan een Nessie toebehoorde. En in twee foto’s uit 1975 kon met enige moeite de kop en de lange nek van Nessie worden herkend. De onderzoeksleider van de AAS, de Amerikaanse advocaat dr. Robert Rines, publiceerde zijn bevindingen in het tijdschrift Technology Review (maart 1976).

Zijn onderzoeksverslag was echter niet erg gedetailleerd, zodat het veel vragen en twijfels opriep. Voor een technische discussie tussen Rines en zijn critici verwijs ik de lezer naar de Skeptical Inquirer (jaargang 9, zomer 1985, p. 382-389). Ook dient nog te worden vermeld dat Adrian Shine in 1987 een gezonken boom ontdekte, waarvan het rottende uiteinde naar zijn mening identiek was met de monsterkop die Rines in 1975 had gefotografeerd. Laatstgenoemde publiceerde in juni 1979 nog een tweede artikel in Technology Review. Het droeg de veelzeggende titel ‘Lock Ness: The Big One Got Away –Again.’

Geloven in het onwaarschijnlijke

Gezicht op kasteel met monster, MacNab 1955.
Gezicht op kasteel met monster, MacNab 1955.

Skeptíci hebben er moeite mee om de jacht op Nessie serieus te nemen. Een goed voorbeeld daarvan is Ronald Binns (1983) die in het laatste hoofdstuk van zijn (overigens zeer lezenswaardige) boek een karikaturaal beeld opbouwt van de speurders van Loch Ness. Volgens Binns leven de eenzame speurders in een fantasiewereld, waarin Loch Ness een magisch meer is, een spiegel voor hun onderbewuste, dat in zijn ondoordringbare diepten een mythisch monster verbergt, een ongrijpbaar wezen uit lang vervlogen tijden. Nessie’s getrouwen zijn ongeneeslijke romantici met een onverwoestbaar optimisme, strijders tegen het ongeloof en de onverschilligheid van de gevestigde wetenschap, excentrieke hobbyisten op zoek naar de sleutel van een groot mysterie. Een ontmoeting met Nessie staat voor hen gelijk aan een soort religieuze ervaring, waarvan zij met behulp van High Tech de wereld deelgenoot trachten te maken. Met het nodige commerciële inzicht hebben zij Loch Ness uitgeroepen tot een internationaal pelgrimsoord met als tempel de Nessie-tentoonstelling in het Drumnadrochit hotel, het voormalige domicilie van John en Donaldina MacKay, de eerste Getuigen van het Beest. Jaarlijkse komen meer dan honderdduizend bezoekers de iconen aanschouwen en in de tentoonstellingsgids worden zij opgeroepen om Nessie’s waarheid uit te dragen. Eens komt de tijd, zo verzekert hun de gids, dat iedereen het monster zal erkennen als het Achtste Wereldwonder.

De bovenstaande typering komt voort uit het idee dat je op z’n minst een beetje dwaas moet zijn om warm te kunnen lopen voor een beest dat naar alle waarschijnlijkheid helemaal niet bestaat. Henry Bauer (1986) is daarentegen van mening dat een overtuiging die niet gebaseerd is op betrouwbare wetenschappelijke kennis, niet noodzakelijk irrationeel hoeft te zijn. Hoewel er geen harde bewijzen zijn voor het bestaan van Nessies, zijn er wel allerlei soorten aanwijzingen. En iedereen mag uiteindelijk zelf bepalen hoeveel waarde en betekenis hij daaraan wil toekennen. Al achten biologen het bestaan van Nessies om verschillende redenen onwaarschijnlijk, daarmee is nog niet aangetoond dat er in Loch Ness geen grote onbekende diersoort kan leven.

We mogen vaststellen dat de Nessieologie niet tot de wetenschap behoort: de feiten zijn verdacht, de onderzoeksmethoden zijn dubieus, en de theorieën schieten te kort. Het bestaan van Nessie is niet overtuigend aangetoond. Er is echter geen reden waarom men niet naar haar zou mogen blijven zoeken. De meeste wetenschappers zullen dat weliswaar niet erg zinvol vinden, maar wie er anders over denkt heeft niet per definitie zijn gezonde verstand verloren.

Literatuur

Bauer, Henry H. (1986) The Enigma of Loch Ness. Urbana and Chicago: University of Illinois Pmss.

Binns, Ronald (1983) The Loch Ness Mystery Solved. Buffalo., Prometheus Books, 1984.

Campbell, Steuart (1986) The Evidence about the Loch Ness monster. Wellingborough: Aquarian Press.

Costello, Peter (1974) In Search of Lake Monsters. London: Garnstone.

Dinsdale, Tim (1961) Loch Ness Monster. London: Routledge and Kegan Paul, 1982.

Mackal, Roy P. (1976) The Monsters of Loch Ness. London: Macdonald and Jane’s.

Witchell, Nicholas (1975) The Loch Ness Story. Harmondsworth: Penguin.

Uit: Skepter 2.1 (1989)

Rob Nanninga was hoofdredacteur van Skepter van 2002 tot 2014