Leugendetector

De neus van Pinocchio

Hoe betrouwbaar is de leugendetector?

door Rob Nanninga

De neus van Pinocchio werd steeds een stukje langer als hij een leugen vertelde. Bij normale neuzen is dat (helaas en gelukkig) niet het geval, zodat men op zoek is gegaan naar andere indicaties. Die zijn echter lang niet waterdicht. Met een zogenoemde leugendetector worden veel mensen ten onrechte als bedriegers aangemerkt. Bovendien bestaan er methoden om het apparaat om de tuin te leiden. Desondanks kan een leugendetector bruikbaar zijn indien men de juiste vragen stelt.

De Amerikaanse politieman en psycholoog John Larson construeerde omstreeks 1920 de eerste polygraaf die gelijktijdig iemands bloeddruk, hartslag en ademhalingsfrequentie kon registreren. Zijn collega Leonarde Keeler ontwikkelde tien jaar later een draagbare versie die tevens de veranderingen in huidweerstand vastlegde. Zijn apparaat werd algemeen bekend als leugendetector en hij richtte het Keeler Polygraphic Institute op. Inmiddels zijn er in de VS tientallen van zulke instituten waar men zich binnen een paar maanden tot polygrafist kan laten opleiden.

Polygrafisten nemen aan dat liegen vrijwel altijd fysiologische reacties opwekt, die niet of nauwelijks kunnen worden onderdrukt. Ook wanneer leugenaars over een pokerface beschikken, blijven ze emotioneel niet onberoerd. Zo blijkt hun adem vaak even te stokken als ze een leugen hebben verteld, terwijl hun huidweerstand vermindert omdat de zweetproductie toeneemt. De polygraaf registreert al deze veranderingen, die meestal voortkomen uit angst om betrapt te worden.

Tijdens een polygraaftest worden er aan de proefpersoon twee soorten vragen gesteld die met ja of nee kunnen worden beantwoord. De zogenaamde relevante vragen hebben betrekking op de feiten die men aan het licht wil brengen, terwijl de resterende controlevragen als vergelijkingsmateriaal dienen. Zo zou men een verdachte bijvoorbeeld eerst kunnen vragen: ‘Bent u in augustus geboren?’ – en vervolgens: ‘Heeft u het geld uit de kas gepakt?’ Als hij op de tweede vraag veel sterker reageert dan op de eerste, kunnen we vermoeden dat hij iets op zijn kerfstok heeft. Een probleem is echter, dat de eerste vraag zo irrelevant is dat hij ook bij veel onschuldigen minder spanning opwekt dan de relevante vraag, waarbij er veel meer op het spel staat.

Om dit probleem op te lossen gebruikt men zogenaamde relevante controlevragen, zoals: ‘Heeft u ooit wel eens iets gestolen?’ Naar men aanneemt, kan vrijwel niemand een dergelijke vraag ontkennend beantwoorden zonder ernstig te gaan twijfelen aan de eigen oprechtheid. Relevante controlevragen worden geacht bij onschuldigen meer stress op te roepen dan de relevante vragen over daden die ze naar waarheid kunnen ontkennen. Bij de schuldigen is dat precies omgekeerd.

Belastende ‘feiten’

Gewoonlijk laat men de proefpersoon drie keer dezelfde reeks vragen beantwoorden, die van te voren met hem wordt doorgesproken. Hij wordt ook uitvoerig geïnformeerd over de werking van de polygraaf en krijgt te horen dat hij zich geen zorgen hoeft te maken zolang hij de waarheid spreekt. De trefzekerheid van het apparaat kan worden gedemonstreerd door feilloos vast te stellen welke speelkaart hij uit een stapeltje kaarten heeft gekozen. Sommige polygrafisten schijnen goocheltrucs te gebruiken om er zeker van te zijn dat de demonstratie altijd slaagt.

Deze overtuigingstactieken zijn niet overbodig, want de leugendetector werkt vermoedelijk het best wanneer de schuldigen vrezen dat hun leugens niet onopgemerkt zullen blijven. Volgens de psycholoog Leonard Saxe (1991) kan men uit de fysiologische metingen weinig meer afleiden indien de proefpersoon gelooft dat de apparatuur onbetrouwbaar is. De meeste verdachten hebben echter een heilig ontzag voor de polygraaf. Zo komt het regelmatig voor dat zij al bekennen voordat men het apparaat in werking heeft gesteld. Polygrafisten slagen er ook vaak in om na afloop een bekentenis los te krijgen door erop te wijzen dat ontkennen geen zin meer heeft gezien de belastende ‘feiten’ die zij hebben verzameld.

De televisiemaatschappij CBS organiseerde in 1986 samen met Saxe een experiment waarbij vier polygrafisten werden ingehuurd om elk een viertal medewerkers van een fotoblad te ondervragen. De manager vertelde hun dat hij er zeker van was dat één van de vier kostbare fotoapparatuur had ontvreemd. De polygraaftest werd heimelijk met een verborgen camera gefilmd. De ondervraagden waren in werkelijkheid handlangers die vijftig dollar kregen als ze de polygrafist van hun onschuld wisten te overtuigen. Hoewel er dus geen diefstal had plaatsgevonden, identificeerden alle polygrafisten een verschillende dader, namelijk de persoon die de manager hun van te voren als vermoedelijke dief had aangewezen. Blijkbaar misbruikten zij hun apparatuur om de gewekte vooroordelen te bevestigen en ze deden ook veel moeite om het onschuldige slachtoffer tot een bekentenis te dwingen.

Beat the machine

De Amerikaanse politie maakt regelmatig gebruik van de leugendetector om een onderzoek te bespoedigen. De gegevens worden echter zelden bij rechtzittingen naar voren gebracht. In de meeste staten is dat ook niet meer toegestaan omdat men vreest dat de jury er te veel waarde aan zal hechten. Een berucht voorbeeld van een verdachte die het slachtoffer werd van de polygraaf was Floyd Fay (Kleinmuntz & Szucko, 1984a). Hij werd in 1978 in Toledo gearresteerd voor een roofmoord op Fred Ery, die vlak voor zijn dood beweerde dat hij de gemaskerde Fay had herkend. Omdat er verder geen bewijzen waren, stelde de aanklager voor de zaak te laten rusten indien Fay bereid was zijn onschuld aan te tonen door middel van een polygraaftest. Hij stemde daarin grif toe, maar werd bij twee achtereenvolgende tests als leugenaar aangewezen. Dat was voor de rechtbank voldoende om hem tot levenslang te veroordelen. Fay zat al ruim twee jaar vast toen de politie bij toeval de echte dader ontmaskerde.

Gedurende zijn verblijf in de gevangenis begon Fay zich uit begrijpelijke motieven te verdiepen in de werking van de polygraaf. Hij kwam erachter dat zowel schuldigen als onschuldigen de machine kunnen verslaan door de juiste tegenmaatregelen te nemen. Zo kan de ondervraagde bijvoorbeeld hard op zijn tong bijten als hem een controlevraag wordt gesteld. Op die manier zorgt hij ervoor dat de relevante vragen relatief gezien niet meer stress opleveren. De gevangenis bleek een ideaal werkterrein om deze methode uit te proberen, want de polygraaf werd daar geregeld uit de kast gehaald om te onderzoeken of gevangenen de regels hadden overtreden. De betrapten, die meestal drugs hadden gebruikt, werden naar een strengere afdeling overgeplaatst. Fay leerde 27 schuldigen hoe ze de polygrafist om de tuin konden leiden en 23 van hen slaagden daar met glans in.

Ook uit experimenteel onderzoek is gebleken dat tegenmaatregelen zo effectief zijn dat de meeste schuldigen niet meer kunnen worden betrapt. In één onderzoek viel er zelfs helemaal niemand door de mand. Volgens Honts en Perry (1992) is dit probleem niet zo groot omdat slechts zeer weinig mensen precies weten welke trucs ze moeten gebruiken. Dat kan echter snel veranderen als een ondernemende uitgever het boek ‘How to beat the polygraph’ op de markt zou brengen. Honts en Perry betogen dat de betrouwbaarheid van een polygraaftest niet minder groot is dan die van andere soorten bewijsmateriaal die wel door de rechter worden accepteerd. Wat dit laatste betreft hebben ze waarschijnlijk gelijk.

Een lekkende neus

In de jaren ’70 is de polygraaf in Amerika zeer populair geworden. Veel bedrijven waaronder de McDonald-keten huurden polygrafisten in om sollicitanten door te lichten. Daarbij werd doorgaans alleen de irrelevantevragen-techniek gebruikt, ofschoon deze door alle deskundigen als uiterst onbetrouwbaar wordt beschouwd. Afgewezen sollicitanten kunnen echter nergens gaan klagen, zodat de polygrafisten weinig kritiek te verduren hadden. Naar schatting werden er in 1980 meer dan een miljoen Amerikanen aan een polygraaftest onderworpen.

Binnen de Amerikaanse overheid nam het gebruik van de polygraaf ondertussen wat af, met uitzondering van de CIA en de binnenlandse veiligheidsdienst. Maar in 1983 kondigde president Reagan aan dat polygrafisten op grote schaal zouden worden ingezet om de lekken in het overheidsapparaat te dichten (Brooks, 1985). Een hoofdartikel in The Washington Post waarin werd onthuld dat hij zijn defensiebudget ver had overschreden, was voor Reagan de druppel die de emmer deed overlopen. Hij verklaarde dat de lekken hem de neus uitkwamen en liet meteen dertig ambtenaren van het Ministerie van Defensie een polygraaftest ondergaan. Een van hen werd als schuldige aangewezen, maar de journalist die het artikel had geschreven, ontkende ten stelligste dat dit zijn informant was.

Het Amerikaanse congres wist Reagan te stoppen door een wetenschappelijke commissie aan te stellen die op basis van een literatuurstudie tot de conclusie kwam dat de polygraaftest verre van betrouwbaar is. In 1988 werd er een wet aangenomen die het gebruik van de polygraaf bij personeelsselectie aan banden legt. Deze heeft echter geen betrekking op overheidsinstanties en veiligheidsbeambten. Aan het polygrafisch instituut van het Amerikaanse Ministerie van Defensie worden jaarlijks nog zo’n 100 polygrafisten opgeleid. De statistische kennis die hen wordt bijgebracht is minimaal en de scoringsmethoden zijn niet goed gestandaardiseerd. De irrelevantevragen-techniek wordt nog steeds onderwezen, terwijl er geen aandacht wordt besteed aan de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek (Honts & Perry, 1992).

Zo nu en dan komt de leugendetector in het nieuws, zoals vorig jaar toen men in Virginia een ter dood veroordeelde executeerde die op de morgen van zijn terechtstelling nog een polygraaftest had ondergaan. Hij bezwoer zijn onschuld, maar wist de polygrafist daar helaas niet van te overtuigen. Anita Hill gebruikte de uitslag van haar polygraaftest in haar strijd tegen hogerechter Clarence Thomas, die zij van ongewenste intimiteiten beschuldigde. Caspar Weinberger, de voormalige minister van Defensie, liet zich eveneens vrijwillig testen om aan te tonen dat hij nooit had gelogen over het Iran-Contraschandaal.

Angst en bedreiging

Zowel de voor- als tegenstanders van de polygraaf kunnen zich beroepen op een aantal laboratoriumexperimenten. Daarbij krijgt meestal de helft van de proefpersonen de opdracht naar een andere kamer te gaan om daar een klein geldbedrag weg te nemen. De overige proefpersonen krijgen alleen een beschrijving van deze ‘misdaad’. Vervolgens probeert men met behulp van een polygraaftest een onderscheid te maken tussen de ‘schuldigen’ en de onschuldigen. Gemiddeld wordt ongeveer 70 procent van de proefpersonen in de juiste groep geplaatst. Bij 20 procent is de uitslag onbeslist terwijl één op de tien proefpersonen een verkeerde testuitslag krijgt (Kircher et al., 1988).

Als we de afzonderlijke experimenten bekijken, is het beeld niet zo helder meer omdat de resultaten sterk uiteen lopen. Sommige onderzoekers boeken in bijna 90 procent van de gevallen succes terwijl andere maar nauwelijks boven de kansverwachting scoren. Bovendien kunnen we betwijfelen of kunstmatige experimenten relevant zijn voor de dagelijkse praktijk. De meeste onderzoekers probeerden hun proefpersonen te motiveren door hen 10 dollar in het vooruitzicht te stellen indien ze de polygrafist van hun onschuld konden overtuigen. Echte verdachten staan daarentegen aan veel grotere bedreigingen bloot dan het verlies van een zakcentje. Hun angst voor een positieve testuitslag (waarbij ze als leugenaar worden aangemerkt) zal ongetwijfeld veel groter zijn, en dat kan van invloed zijn op hun gedrag.

Patrick en Iacono (1989) hebben geprobeerd dit probleem te ondervangen door een realistischer proefopzet te bedenken. Zij voerden hun experiment uit in een gevangenis in Brits-Columbia. Hun proefpersonen waren 48 gevangenen die elk $12 kregen voor hun medewerking. Dat was voor hen geen gering bedrag, omdat ze slechts één dollar per dag verdienden en de meesten van hen geen andere bronnen van inkomsten hadden. De helft van de gevangenen kreeg de opdracht de kamer van de gevangenisarts binnen te sluipen om daar $20 uit een colbertje te stelen. Daarna werden alle gevangenen aan een polygraaftest onderworpen, die werd uitgevoerd door twee polygrafisten met veel politie-ervaring.

De proefpersonen kregen te horen dat iedereen een bonus van $20 zou ontvangen als er niet meer dan tien van hen als leugenaars zouden worden aangemerkt. De onderzoekers vertelden bovendien dat ze na afloop een lijst zouden verstrekken waarop alle individuele testresultaten stonden vermeld. Deze laatste mededeling was een gemene truc die veel stress veroorzaakte. Als de gevangenen namelijk hun bonus zouden mislopen, dan zouden ze aan de hand van de lijst precies kunnen vaststellen wie daarvoor verantwoordelijk waren. De mislukkelingen liepen daardoor een grote kans dat ze door hun medegevangenen bestraft zouden worden. (Uiteraard werd de lijst niet uitgedeeld en kreeg iedereen de bonus.)

Onder deze omstandigheden werd bijna 90 procent van de daders geïdentificeerd. Meer dan 40 procent van de onschuldigen werd echter eveneens als dader aangewezen. Blijkbaar waren zij zo bezorgd over de uitkomst van de test dat ze evenals de schuldigen sterker reageerden op de relevante vragen dan op de zogenaamde relevante controlevragen. Ook toen men de onderzoeksgegevens van beide groepen na afloop nog eens nauwkeurig met elkaar vergeleek, kon men ze op geen enkele manier van elkaar onderscheiden.

Veldstudies

Een andere methode van onderzoek maakt gebruik van polygrafische gegevens die in de praktijk door de politie zijn verzameld. Zo werkten Kleinmuntz en Szucko (1984b) met de testresultaten van 50 dieven en 50 onschuldigen. De dieven hadden allemaal bekend, terwijl de onschuldigen buiten verdenking waren gevallen toen de echte daders bekenden. Alle gegevens werden opnieuw beoordeeld door zes professionele polygrafisten. Zij slaagden erin om gemiddeld driekwart van de daders te identificeren. Eén op de drie onschuldigen werd echter eveneens als dader aangewezen. Enkele andere onderzoeken vielen wat gunstiger uit, zodat door de bank genomen ongeveer 90 procent van de daders en driekwart van de onschuldigen correct werd geïdentificeerd (Saxe, 1985).

Het voornaamste bezwaar tegen dit soort veldstudies is, dat men alleen gegevens gebruikt van verdachten waarvan later door middel van een bekentenis is komen vast te staan dat ze al of niet schuldig waren. Dat kan een vertekend beeld van de werkelijkheid geven, omdat daders vaak bekennen als gevolg van een positief uitgevallen polygraaftest. De schuldigen die niet door de mand vallen, hebben uiteraard veel minder reden om te bekennen en worden daartoe ook niet aangespoord. Zij ontspringen meestal de dans en zijn daardoor nauwelijks terug te vinden in de statistieken. Ook de gevallen waarin een andere persoon de daad bekende, geven geen zuiver beeld, want de politie gaat dikwijls niet op zoek naar een andere verdachte wanneer ze de dader al gevonden meent te hebben.

Patrick en Iacono (1991) hebben geprobeerd een beter beeld te krijgen door de gegevens te verzamelen van alle 402 polygraaftests die gedurende een periode van vijf jaar door een Canadees politiekorps waren uitgevoerd. Dat gebeurde meestal wanneer het politieonderzoek was vastgelopen. De polygrafisten bleken vrij mild in hun oordeel, want ze gaven verdachten die op grond van hun testresultaten eigenlijk als schuldig moesten worden aangemerkt, regelmatig het voordeel van de twijfel.

Patrick en Iacono vonden 37 verdachten waarbij met zekerheid kon worden vastgesteld dat zij onschuldig waren. Daarvan werden 9 ten onrechte als schuldig aangemerkt door de polygrafisten die de gegevens later opnieuw beoordeelden. Slechts 11 (30%) leken onschuldig, terwijl de rest van de uitkomsten onbeslist was. De oorspronkelijke polygrafisten deden het beter: zij verklaarden 27 van de verdachten (73%) onschuldig. Waarschijnlijk baseerden zij zich niet uitsluitend op de test, maar lieten ze ook andere factoren meewegen. De verdachten die schuld bekenden, bleken dat vrijwel altijd te hebben gedaan nadat een polygrafist hen had betrapt. Het is echter onbekend hoeveel schuldigen door het oog van de naald zijn gekropen.

Schuldige kennis

De conclusie is, dat onschuldigen er niet verstandig aan doen zich voor een polygraaftest aan te melden. De kans dat zij hun onschuld niet kunnen aantonen, is veel te groot. Als polygrafisten een groep mensen testen waarvan een slechts een kwart schuldig is, dan zullen ze waarschijnlijk meer onschuldigen dan schuldigen als daders aanwijzen. Ook de tegenmaatregelen die men kan nemen om niet betrapt te worden, maken de test onbetrouwbaar.

De problemen worden grotendeels veroorzaakt door de controlevragen, die deze benaming eigenlijk niet verdienen. De psycholoog David Lykken ontwikkelde vijfentwintig jaar geleden al een beter alternatief: de zogenaamde schuldigekennis-techniek. Daarbij stelt men de proefpersoon een aantal meerkeuze vragen. Als hij er bijvoorbeeld van wordt verdacht een videocamera te hebben gestolen, dan kan men hem vragen: ‘Weet u of de gestolen camera een Philips was? Weet u of het een Sony was? Weet u of het een Panasonic was? …’ enzovoort. Zolang onschuldige proefpersonen niet weten of kunnen vermoeden welk alternatief het juiste is, zullen ze daar niet extra sterk op reageren (behalve wanneer ze over paranormale gaven beschikken). Zij lopen daardoor weinig risico ten onrechte als dader te worden aangewezen.

Lykken (1981, 1988) rapporteerde dat zijn techniek in het laboratorium zeer goede resultaten oplevert. Daarbuiten maakt men er echter nog maar zelden gebruik van. Er kleven ook nadelen aan. Ten eerste mag de verdachte niet op de hoogte zijn van de feiten waarover hij wordt ondervraagd. De feiten die al in de media of tijdens het politieverhoor zijn genoemd, moeten dus buiten beschouwing worden gelaten. Daardoor blijven er soms te weinig bruikbare vragen over. Ten tweede weten we niet wat de schuldige zich nog kan herinneren van zijn misdaad. Misschien is hij het merk van de camera al lang weer vergeten.

Onlangs zijn in Israël, waar de politie al regelmatig gebruikmaakt van Lykkens methode, twee veldstudies uitgevoerd (Elaad, 1990 en 1992). Daaruit blijkt dat met deze methode waarschijnlijk niet meer dan de helft van de daders wordt betrapt. Een voordeel was echter dat slechts 5 procent van de onschuldigen ten onrechte een positieve testuitslag kreeg.

Zie ook: Jokken met een rooie kop – de stille opmars van de leugendetector door Harald Merckelbach,  Skepter 15.2 (2002).

Literatuur

Brooks, J. (1985). Polygraph testing. American Psychologist, 40(5), p.348-354.

Elaad, E. (1990). Detection of guilty knowledge in real-life criminal investigations. Journal of Applied Psychology, 75(5), p.521-529.

Elaad, E., et al. (1992). Detection measures in real-life criminal guilty knowledge tests. Journal of Applied Psychology, 77(5), p.757-767.

Honts, C.R., & M.V. Perry (1992). Polygraph admissibility. Law and Human Behavior, 16(3), p.357-379.

Kircher, J.C., et al. (1988). Meta-analysis of mock crime studies of the control question polygraph technique. Law and Human Behavior, 12(1), p.79-90.

Kleinmuntz, B., & J.J. Szucko (1984a). Lie detection in ancient and modern times. American Psychologist, 39(7), p.766-776.

Kleinmuntz, B., & J.J. Szucko (1984b). A field study of the fallibility of polygraphic lie detection. Nature, 308, p.449-450.

Lykken, D.T. (1981). A tremor in the blood: uses and abuses of the lie detector. New York: McGraw-Hill.

Lykken, D.T. (1988). The case against polygraphy. In: A. Gale (ed.), The polygraph test: lies, truth, and science (p.111-125). Minneapolis: University of Minnesota Press.

Patrick, C.J., & W.G. Iacono (1989). Psychopathy, threat, and the polygraph test accuracy. Journal of Applied Psychology, 74(2), p.347-355.

Patrick, C.J., & W.G. Iacono (1991). Validity of the control question polygraph test: the problem of sampling bias. Journal of Applied Psychology, 76(2), p.229-238.

Saxe, L. (1991). Lying. American Psychologist, 46(4), p.409-415.

Saxe, L., et al. (1985). The validity of polygraph testing. American Psychologist, 40(5), p.355-366.

Uit: Skepter 6.3 (1993)

Rob Nanninga was hoofdredacteur van Skepter van 2002 tot 2014