akalali
Het tribunaal van Akalali, profeet van de godheid Na Ogii (Het Gevaar) en leider van de grootste anti-hekserijbeweging die het Surinaamse binnenland ooit gekend heeft. Akalali (met hoed) is gezeten naast zijn favoriete vrouw. Naast hem (met alpino) aan de andere kant de boekhouder die met een krijtje op een plank het aantal tot heks verklaarden bijhoudt. De rest van het tribunaal heeft een adviesfunctie. Foto dateert van januari 1974.

Hekserijgeloof

door H.U.E. Thoden van Velzen

Lezing gehouden tijdens het derde jaarcongres van Skepsis in 1990. Oorspronkelijk verschenen in Geloven in het Paranormale, Skeptische Notitie nr. 5, p. 1-13.

1 Inleiding tot de magie

Als antropoloog heb ik tweeënhalf jaar onderzoek gedaan in het zuiden van Tanzania. Verder heb ik onderzoek verricht in het Surinaamse binnenland, sinds het begin van de jaren 1960 tot vorig jaar, in perioden uiteenlopend van bijna twee jaar tot een maand. De plaats van onderzoek was Oost-Suriname, het gebied waar nu al vier jaar strijd wordt geleverd tegen de centrale regering. Daar wonen de Ndyuka Bosnegers, zoals ze zichzelf noemen (in de literatuur heten ze ook Marrons).

Laat ik u, om de sfeer te tekenen, wat van mijn ervaringen daar vertellen. Mijn buren en mijn dorpsgenoten in Suriname dachten dat sommige mensen zich af en toe ’s nachts door de lucht bewogen met de bedoeling lieden aan wie zij een hekel hadden bloed af te nemen. Dit geloof in vampiers is ook bekend uit delen van Europa. Ook in Tanzania kwam een soortgelijk geloof voor, namelijk dat mensen zich met hoge snelheid door de lucht konden verplaatsen, in de gedaante van een vuurbol. Zo zou men in een uur van het zuiden van Tanzania naar Johannesburg kunnen gaan (afstand gelijk aan die van Amsterdam tot Istanbul). Daar haalde men dan kwade ‘medicijnen,’ die werden gebruikt om de dorpsgenoten te schaden.

In het dorpje van Suriname waar ik onderzoek deed, waren nogal wat volwassenen die de mening koesterden dat zij bezeten waren door een geest of godheid. Dit verschijnsel is kwantitatief belangrijk. Na veel getel ben ik tot de conclusie gekomen dat circa 40%, meest vrouwen, van een bevolking van enige duizenden, meende medium te zijn van een bovennatuurlijk wezen.

Anderen weer dansten blootsvoets minuten lang in een flink opgestookt houtvuur (niet alleen ‘vuurlopen,’ dat wil zeggen een paar stappen doen over gloeiende houtskool). Ook gebeurde het dat men met blote voeten flessen aan diggelen trapte. De flessen stonden in een bak nabij een heiligdommetje in het dorp. U moet zich voorstellen dat op een bepaald ogenblik een paar oude heren plotseling in die bak sprongen en die flessen met blote voeten kapot stampten.

Medici die ik vroeg hoe dit mogelijk was, zeiden dat de plaatselijke bevolking dikke eeltlagen had onder de voeten. Als ik dan vermeldde dat genoemde oude heren tot hun knieën in die glasbak gingen, en dat niettemin er maar één zich verwondde, namelijk dat hij een sneetje net onder de knie opliep, verdween de behoefte van mijn medische zegslieden om het verschijnsel nader te analyseren. Van de oude man met dat sneetje onder zijn knie werd achteraf gezegd dat hij gewaarschuwd was omdat hij zich niet voldoende voorbereid had.

Ik geloof niet in vliegen door de lucht, laat staan in vuurbolvorm, het dansen in vuur en glas heb ik zelf gezien, maar ik kan er niets verstandigs over zeggen. Niettemin is er over het geloof in hekserij heel wat te zeggen. Ik heb in zowel Tanzania als Suriname kennis gemaakt met het hekserijgeloof en hekserijvervolgingen. Als antropoloog ben ik geïnteresseerd in vragen zoals: welke vorm krijgt het hekserijgeloof en welke activiteiten zijn ermee verbonden? En vooral, wat leert ons dat over de samenleving waarin het zich afspeelt? Wat leert het ons vooral over de verborgen spanningen in een maatschappij?

Eerst neem ik u mee naar het Europa van de 17de eeuw. Ik wil u voorstellen aan iemand die eigenlijk postuum erevoorzitter van de Stichting Skepsis zou moeten zijn, namelijk Balthasar Bekker.

2 Niet alleen bij primitieven

Driehonderd jaar geleden, in 1680 om precies te zijn, kwam het in Zweden tot een uitbarsting van geweld tegen personen die ervan verdacht werden met de duivel te heulen, de zogeheten heksen van Mora (een klein plaatsje in Zweden). De duivel stelde men zich voor als een grote bok die kon vliegen. Samen met andere beesten transporteerde hij Zweedse vrouwen, maar ook mannen, naar Blåkulla, de duivelswei genaamd. Daar vermaakte eenieder zich kostelijk. Bij deze orgie behoorde in de verbeelding van de Zweden van die dagen ook een feestmaal, waar spek en een soort brinta werd gegeten (wij kunnen ons heden ten dage nog wel wufter vermaak voorstellen). Er werd obsceen gedanst waarna seksuele omgang met de duivel (in een apart kamertje, want de duivel was toch nog wel een beetje keurig) het werk bekroonde.

Na afloop van dit nachtelijk feest werden de niet zo brave burgers en burgeressen weer teruggevlogen. De feestgangers waren dan een gevaar geworden voor de gewone mensen. Ze zorgden ervoor dat het vee geen melk gaf en dat mensen, vooral kinderen, ziek werden of dood gingen. Deze fantastische verhaaltjes bleven niet zonder gevolgen. Mensen die van nachtelijke luchtreizen werden verdacht, kregen een aframmeling of werden gemarteld of zelfs ter dood gebracht. Vele tientallen werden door de autoriteiten gearresteerd. In totaal kwamen zo’n 80 mensen op de brandstapel terecht of werden opgehangen. Na een paar jaar keerde de rust weer terug in dit deel van Zweden.

In Nederland schreef Balthasar Bekker in 1691 het boek De Betoverde Weereld waarin hij dit volksgeloof belachelijk maakte. Zo stelde hij in dat boek de vraag waarom de duivel zo’n duidelijke voorkeur toonde voor oude vrouwtjes, want veel van de luchtreizigers behoorden namelijk tot die leeftijdsgroep en sekse. Bekker vond dit een merkwaardige voorkeur. De duivelswei met zijn orgie beeldde hij ook af als een ridicuul gebeuren. Balthasar Bekker behoorde tot een skeptische minderheid in het Europa van zijn tijd. Nog een eeuw later werden er in Zwitserland van hekserij verdachte personen op de brandstapel gebracht.

De luchtreizigers, waar hier sprake van was, noemen antropologen ‘heksen’. Onder ‘hekserij’ verstaan antropologen meestal de ziekelijke behoefte, die aan sommige medemensen wordt toegedicht, om anderen te doden of te kwetsen of hun bezit te vernielen. Dit moet worden onderscheiden van ‘toverij’. Bij toverij denken we eerder aan kwaadaardige en bovennatuurlijke acties die als iets incidenteels worden beschouwd, bijvoorbeeld een wraakneming. Bij toverij wordt ook vaak gedacht dat de magische daad uitgevoerd wordt door een specialist, de tovenaar dus, die dan in opdracht van iemand anders werkt.

Het geloof in hekserij bestaat of bestond vrijwel overal ter wereld. Europa tussen ruwweg 1500 en 1700 was ervan vergeven. Sommige gebieden in Europa werden wel in het bijzonder getroffen: een streek ten noorden van Londen (1550-1600), Schotland, Baskenland maar ook grote delen van Duitsland, waar de heksenwaan lang gebleven is. Van het zuidwesten van Duitsland is bekend dat in sommige stadjes enkele duizenden personen in een tijdsverloop van slechts enkele jaren hun weg naar de brandstapel vonden. Vaak waren oude vrouwen de slachtoffers. Eigenlijk gaan onze gedachten bij het woord heks uit naar een vrouw, maar elders is dat niet zo.

Niet de fantastische vertellingen zijn interessant voor antropologen maar vragen naar het waarom van hekserijvervolging: waarom op de ene plaats wél en op de andere niet; waarom niet in de Middeleeuwen maar vooral in het begin van de moderne tijd, dus tussen 1500 en 1700? Waarom oude vrouwen en andere zwakke groepen in de samenleving? Wat leren ons die hekserijvervolgingen over een samenleving?

De beantwoording van deze vragen kunnen we niet alleen aan historici overlaten, denken antropologen. Historici moeten vaak, bijna altijd, gebruik maken van documenten die opgesteld zijn door rechtbanken. De verklaringen in die documenten zijn vaak door afpersing verkregen. Zelden kan een historicus de mensen zelf vragen wat zij ervan dachten. Antropologen doen meestal hun werk in bestaande, eigentijdse samenlevingen. Antropologen zijn dan niet langer afhankelijk van de nauwkeurigheid van klerken en de uitgebreidheid van archieven. Ze hebben het voordeel – soms blijkt dit een illusie te zijn – dat je de mensen zelf kunt ondervragen. Antropologen kunnen het hekserijgeloof optekenen uit de mond van mensen die erin geloven. Ze kunnen hekserijvervolgingen meemaken, de slachtoffers tellen en op die wijze vaststellen om welke personen en welke sekse het gaat. Zo blijkt bijvoorbeeld dat er nogal wat maatschappijen zijn waar mannen eerder dan vrouwen worden beschuldigd; waar de typische heks een rijke man is, vaak een ondernemer of handelaar die begint met een nieuw initiatief.

3 Heksenjagers in Tanzania

Grote delen van Centraal-Afrika kennen de heksenjager en zijn team. Het is een op de heksenjacht gespecialiseerde eenheid. Ze trekken als een schoonmaakploeg door het land, overal hun diensten aanbiedend. Hele dorpen worden dan uitgekamd. De gang van zaken is de volgende: als de onrust over het hekserijgevaar flink gestegen is, zoekt een comité van ouderen contact met zo’n magische schoonmaakploeg. Die reist dan naar het uitnodigende dorp, meestal betekent dat een flinke wandeling van 30 km of meer, en na een goede nachtrust en een flink maal gaan ze de volgende dag aan de slag.

In het dorp in Tanzania waar ik twee jaar gewoond heb, leek in het begin alles anders. Als ik probeerde het onderwerp hekserij aan de orde te stellen werd er beleefd gelachen: ‘Nee, onze voorouders geloofden zulk soort dingen. Wij niet meer.’ Maar nauwelijks was de piek in het landbouwseizoen voorbij, toen de mensen dus wat meer tijd kregen, of daar kwamen de eerste verdenkingen los. Een van mijn buren, een man, werd verdacht van nachtelijke vluchten naar Johannesburg in Zuid-Afrika, en van pogingen om met daar gekochte medicijnen anderen ziek te maken.

Na allerlei geruchten en verdachtmakingen, volgde een tweetal dorpsvergaderingen. De eerste was betrekkelijk onschuldig. Velen kregen de gelegenheid een toespraak te houden waarbij de heksen veroordeeld werden, maar alles in zeer algemene termen. Namen werden niet genoemd. Bij de tweede vergadering zag het er allemaal minder onschuldig uit. Al vrij snel werd een aantal personen genoemd. Een man in het bijzonder werd verketterd. Hij bleek niet op de dorpsvergadering aanwezig, dus stuurden de leiders een boodschapper die de arme man kwam vertellen dat hij zich moest verantwoorden. Bedremmeld verscheen de ongelukkige. Nadat iedereen hem eens flink had uitgescholden, spraken de leiders van de vergadering (oude mannen) de banvloek over hem uit: ‘Ga met de zon.’ En inderdaad, tegen het eind van de middag zag ik de man met vrouw en kinderen, belast en bepakt met hun schamele bezittingen, op weg naar een neef die 30 km verder woonde. Dat familielid zal met deze onwelkome gasten, die diep in de nacht bij hem arriveerden, ook niet zo blij zijn geweest.

Deze verbanning loste echter niets op. Een paar dagen later gonsde het dorp weer van allerlei geruchten. Toen werd besloten een heksenjager het dorp eens een goede beurt te laten geven. Er werd een schoonmaakgroep afgehuurd: tien of vijftien vrouwen, het voetvolk, liever gezegd de mediums die, eenmaal in trance geraakt, de wapens van de heksen zouden moeten opsporen. De leiding lag in handen van een vijftal mannen, waarvan een in het bijzonder veel te vertellen had. Ik zal hem de ‘commandant’ noemen. De vier anderen waren zijn assistenten. Een van hen zou je de ‘dominee’ kunnen noemen. De commandant van de groep gaf op een gegeven ogenblik het sein. Daarna begon het zingen en bidden, de mediums brachten zichzelf in trance en vervolgens schoten ze dan weg. De bevolking met de commandant er achteraan. Hele boerderijen werden dan uitgekamd. De mediums klommen tegen de strooien daken op en zochten tussen het gras naar gevaarlijke bovennatuurlijke wapens, vaak koeiehoorns of kleine onooglijke flesjes. De slachtoffers kregen een openbare berisping en daar bleef het bij. Het bestuur zat tenslotte dichtbij.

In het dorp in Tanzania pakten de heksenjagers mensen op die zich onpopulair hadden gemaakt in de ogen van de gemeenschap. De rijke boeren bleven buiten schot, maar werden wel verdacht gemaakt. Het liefst zou men die ontmaskerd hebben, maar die beschikten over teveel kennissen in het bestuursapparaat. Het bestuur was toch al niet dol op die vliegende teams van heksenjagers. Men zou zeker in actie gekomen zijn als hun contacten, hun zakenvrienden onder de boerenbevolking, zouden worden aangepakt.

4 Suriname

In de samenleving van de Bosnegers van Oost-Suriname leek het hekserijgeloof verbluffend veel op het Europese, dat wil dus zeggen dat vooral de zwakkeren in de samenleving de zondebok zijn, en dat vooral oude vrouwen worden beschuldigd. Het laatste is een controleerbaar empirisch feit.

De angst voor hekserij is groot in de samenleving van Bosnegers. Hoe weten we dat? In de eerste plaats behoort hekserij behoort tot de dagelijkse gespreksstof. Als mensen voor gezelligheid of om andere redenen bijeen zijn raakt het gesprek al gauw op wat heksen allemaal niet voor lelijks kunnen doen. Verder worden veel mensen van hekserij beschuldigd. Ten slotte, Bosnegers hebben zelfs speciale organisaties ontwikkeld om hekserij goed te kunnen aanpakken. Ik heb er twee in actie gezien en over beide zal ik hier iets vertellen.

4.1 Kanttekeningen vooraf

Voor ik hier dieper op inga wil ik bij wijze van waarschuwing het common sense karakter van deze samenleving benadrukken. Deze mensen zijn weliswaar de hele tijd met die hekserij bezig, maar niettemin gaan landbouw, visserij en jacht gewoon door. De vrouwen vergeten niet om hun grondjes op tijd te beplanten, te wieden als het nodig is, en te oogsten.

Een tweede belangrijk punt is dat de Bosnegers geen naïeve oerwoudbewoners zijn. Er is bijna geen volwassen man die niet minstens enkele jaren in een stedelijke omgeving heeft doorgebracht, in Paramaribo of zelfs in Nederland, en hetzelfde geldt voor veel vrouwen. Men kent dus een andere samenleving met andere normen uit eigen ervaring en weet daar ook zijn weg te vinden. Wie hiervan niet op de hoogte is, kan deze bevolking gemakkelijk voor ‘exotisch’ houden. Het zijn echter trekarbeiders, en hun vaders en grootvaders waren dat ook. Rond 1900 werkten praktisch alle Bosnegers in de goudindustrie in Frans Guyana en waren kosmopolitischer dan de gemiddelde Nederlander van die dagen.

Een derde waarschuwing luidt dat het geestelijk klimaat vaak ook heel kritisch en nuchter kan zijn. Mijn buurman placht regelmatig mijn vragen naar verschijnselen die zich hadden voorgedaan te becommentariëren met de wedervraag: ‘En jij gelooft daarin?’ En daarna kwam er dan een uiteenzetting waaruit bleek dat hij het flauwekul vond. Hij stak zijn mening niet onder stoelen of banken en zo waren er meer in het dorp. Bij gesprekken kon de conversatie snel omslaan van griezelige verdachtmakingen naar kritisch en nuchter commentaar op dagelijkse gebeurtenissen.

4.2 Twee aspecten: wanneer en wie?

Een eerste interessant aspect van hekserijgeloof is: wanneer doet het zich voor? Wanneer bereiken hekserijvervolgingen hun climax? In bepaalde tijden is de vrees veel sterker, en er zijn pieken te zien. In het Surinaamse binnenland was dat rond de eeuwwisseling, tussen 1890 en 1900, en opnieuw tussen 1972 en 1978. De laatste heb ik zelf meegemaakt. Beide perioden kenden grote sociaal-economische veranderingen, met name drastische welvaartsstijging van althans een bepaald deel van de bevolking. Omstreeks de eeuwwisseling vond er ook zo’n hausse plaats, toen onder invloed van de goudindustrie in Frans Guyana. Men denkt misschien dat het binnenland van Suriname heel primitief was en dat het geen geldeconomie kende, maar dat is onjuist. De Bosnegers waren werkzaam als transporteurs, ze hadden feitelijk het monopolie op het vervoer van vracht en personen naar het binnenland, per korjaal over rivieren met stroomversnellingen. Ze hadden daarmee een jaarinkomen van enige duizenden guldens, aanzienlijk meer dan de toenmalige elite van de Nederlandse arbeiders, de diamantarbeiders. Daglonen van zeven tot tien gulden waren geen uitzondering. Het effect was dat hierdoor de verschillen in welvaart eerder groter dan kleiner werden. Vroeger, in de 19de eeuw, bestond hekserij ook, maar bleef dit verschijnsel beperkt tot enkele notoire gevallen.

Juist deze tijd, tussen 1890 en 1900, is de tijd dat de historici onder de Bosnegers zeggen dat de heksen toen werkelijk begonnen op te staan. Overal doken ze op. In Europa deed zich iets vergelijkbaars voor. Heksenvervolgingen in ons werelddeel kunnen vaak gekoppeld worden aan belangrijke sociaal-economische verschuivingen. Een Brits historicus heeft erop gewezen dat het gebied ten noorden van Londen tussen 1550 en 1600 ook een economische hausse kende (Macfarlane, 1970). Het was een landbouwgebied en het leverde, tegen profijtelijke prijzen, voedsel voor Londen dat toen zeer snel groeide. In dit graafschap ontwikkelde zich in die jaren een nieuwe elite van agrarische ondernemers.

Nabij Londen waren het boeren, in Suriname rond de eeuwwisseling waren het booteigenaren. Ik denk dat als men de tijden van de hekserijvervolgingen in Europa nagaat, men zal vinden dat die niet komen als iedereen het beroerd heeft, maar juist in tijden van plotselinge abrupte welvaart. Welvaart is meer verstorend dan armoede. Armoede brengt de mensen bijeen, welvaart rukt een maatschappij uit elkaar. De welvaart komt de maatschappij via bepaalde sectoren binnen. Die sectoren weten zich in te kapselen, banden worden verbroken en er ontstaan spanningen. Ik meen dat we een verklaring van de samenhang tussen welvaartsstijging en hekserij in die richting moeten zoeken. Hekserijgeloof kan interessante inzichten bieden in transformaties van een maatschappij.

Een tweede vraag over hekserij is: wie zijn de slachtoffers? Wie beschuldigt wie van hekserij? Zulke beschuldigingen zijn altijd selectief. In sommige maatschappijen zijn vooral de rijken het slachtoffer van beschuldigingen en vervolgingen, vaak mannen, kleine ondernemertjes, personen met enig politiek gezag. In andere samenlevingen zijn het juist de armen. In Europa, bijvoorbeeld bij de grote hekserijvervolgingen van 1600, waren meer dan 80% van de slachtoffers die op de brandstapel terechtkwamen, oude vrouwen. Bij de Bosnegers is het niet veel anders. Bestudering van wie beschuldigt en wie de beschuldigingen incasseert, kan ons iets leren over de machtsverhoudingen in een maatschappij.

4.3 De organisatie van de heksenvervolging voor 1972

Een volgend punt van studie is de organisatie van de heksenvervolgingen. In Suriname zal ik twee organisaties bespreken van Bosnegers. Beide heb ik persoonlijk meegemaakt.

De eerste anti-hekserijorganisatie was eigenlijk een soort van inheemse kerk, dus niet verbonden met missie of zending, maar eerder een concurrent van christelijke kerkgenootschappen. De organisatie was in 1890 gesticht in een tijd dat de verhoudingen in het binnenland op hun kop gezet werden door de vondst van belangrijke goudvelden. Deze organisatie werd in 1972 door een religieuze revolutie weggevaagd, daarover later meer.

Ik bofte want het dorp waar ik in 1961 mijn intrek nam, was tevens het hoofdkwartier van deze organisatie voor de bestrijding van heksen. Een soort Vaticaan dus maar dan nogal gespecialiseerd. Het uitroeien van heksen lieten zij aan hun godheid over, de Grote Vader geheten (Thoden en Van de Wetering, 1988). Het was niet de zaak van de gewone burger om uit te maken of buurman een heks was, nee die moest dat overlaten aan de godheid. Op zichzelf was dit geen gek idee. Het voorkwam dus allerlei wilde beschuldigingen of erger. Maar na de dood kwam men in actie.

Er moest een rapport opgesteld worden over de morele kwaliteiten van de overledene. Het stoffelijk overschot werd op een brancard gelegd, en deze werd door twee dragers het dorp rond gedragen. Tegelijkertijd trok een comité van ouderen mee en stelde vragen. Het idee was dat de geest van de overledene via bewegingen van de brancard antwoord gaf. Op deze wijze stelde men de morele statuur van de dode vast. De belangrijkste vraag was of het een heks was, want dat was het allerergste. Mogelijk was het slechts een zondaar geweest, iemand met vergeeflijke fouten. En ten slotte, het laatste dat men zich afvroeg, was of het misschien dan toch een respectabel burger was geweest. De sfeer tijdens dit vragenstellen riep bij mij associaties op met derdegraads politieverhoren, voorzover ik die uit films ken. De geest van de overledene werd op onvriendelijke en barse wijze toegesproken.

Tijdens mijn eerste veldwerk, dat 18 maanden duurde, was ik aanwezig bij 30 van dit type onderzoekingen. Er waren toen 24 heksen, 3 zondaars en 3 fatsoenlijke mensen. In de jaren die volgden kon ik nog vele malen dit dorp bezoeken en gegevens over heksen verzamelen, waarbij bleek dat die eerste periode nogal atypisch was geweest. Het bleek ten slotte dat ‘slechts’ 49 van de paar honderd overledenen als heks kon worden gekenmerkt. Dat geeft toch een aardige indicatie van de angst voor heksen.

Mijn materiaal bood inzicht in de kwestie welke sekse vooral beschuldigd werd en om wat voor soort mensen het ging. De heksen waren in hoofdzaak vrouwen. Beschuldigingen aan het adres van mannen waren zeldzaam en betroffen vaak patiënten. Dus in het algemeen: de zwakkeren in de samenleving werden beschuldigd want vrouwen waren financieel afhankelijk van hun mannen en patiënten van hun familie. Antropologen noemen dit een hiërarchisch hekserijpatroon.

Interessant is ook na te gaan wie de vermeende slachtoffers van heksen waren. Bij het dodenrapport hoorde namelijk ook een verslag van de schade die was toegebracht. Welke personen had de overledene, voor die helft van de gevallen waarbij het om een heks ging, schade willen berokkenen of doden? Dikwijls bleek dat de slachtoffers vooral in de naaste omgeving van deze slechte mens gezocht moeten worden. Een grootmoeder die zowel haar dochter als haar kleinkinderen probeerde te treffen, was een vast schrikbeeld. Kennelijk leven in zulke nauw samenwonende en samenwerkende groepen veel spanningen die niet op normale wijze aan de oppervlakte kunnen komen. Driekwart van de vermeende beheksingen vond plaats tussen naaste verwanten.

Als was vastgesteld dat een overledene heks was geweest, kwam er een hele machinerie in werking. De maatregelen waren vrij drastisch. De bezittingen van de heks werden geconfisqueerd en deze zogeheten ‘gadu lai’ werden naar een sacrale stortplaats in het bos gebracht. Het lijk van de heks werd naar een ‘dodenakker’ gebracht en bleef daar onbegraven achter.

Nogmaals, lang niet iedereen gelooft alles wat daar gebeurt. In deze maatschappij valt regelmatig kritisch commentaar te horen. Mijn vrijdenkende buurman, die ik al eerder noemde, heeft me verteld dat zijn eigen moeder, die al twintig jaar tevoren was overleden, veroordeeld was als heks. Hij geloofde daar helemaal niet in maar werd gewoon gedwongen door de omgeving. Anders zouden ze me beschuldigd hebben als medeplichtige, zei hij. We zien hier dus het verschijnsel dat mensen beschuldigingen uiten, of ermee instemmen, om zichzelf te beschermen.

Zo’n organisatie voor de opsporing van heksen is een politieke organisatie. Ze gaat als elke organisatie haar eigen koers volgen. Naast de zwakkeren worden ook politieke concurrenten beschuldigd, die in het geheel niet tot de zwakkeren behoren. Waarom? Omdat men ze kan uitschakelen met een beschuldiging of op zijn minst schade kan toebrengen. Antropologen zien beschuldigingen van hekserij als indicator voor sociale spanningen, maar door het zojuist geschetste politieke mechanisme wordt het beeld vertekend. Niettemin kan analyse van de groep van vermeende slachtoffers van de heksen de weggedrukte conflictstof weer zichtbaar maken.

4.4 De godsdienstige revolutie van 1972

In 1972 stond er onder de Bosnegers van het binnenland van Suriname een profeet op, Akalali (1924-1983) geheten. Deze zei dat hij een goddelijke missie gekregen had. Het moest allemaal anders, meende hij. De Grote Vader moest met pensioen gestuurd. In veel opzichten had Hij gefaald. Akalali wees met name de postume straffen aan als iets bijzonder schandelijks. Hij vermeldde hoe nog onlangs iemand een bosvarken geschoten had, en in de buik van het beest de ring had gevonden van zijn overleden moeder die van hekserij beschuldigd was en op de dodenakker was achtergelaten. Zijn argumentatie was een soort milieuargument: de dodenakker, met zijn heksenlijken, besmette het water, de grond en zelfs de beesten.

Akalali zei dat de doden gewoon begraven moesten worden, en de erfenissen mochten niet langer geconfisqueerd worden. Algemeen was men het hiermee eens. Goede bezittingen laten wegrotten in het bos zag men niet meer als zinvol. Akalali ging verder. Het hekserijgevaar nam namelijk eerder toe dan dat het afnam. Daar was iedereen het toch over eens? Waarom wachten met een veroordeling tot mensen dood waren? Nu moet gezegd worden dat deze gewoonte waarschijnlijk is ontstaan onder druk van de overheid. In het begin van de 19de eeuw was het wel gebruik dat heksen ter dood werden gebracht. Maar het koloniale gezag ging dit tegen, en met kennelijk succes, iets wat mijns inziens te prijzen valt.

Akalali stampte in korte tijd een anti-hekserijorganisatie uit de grond zoals Suriname die nog niet eerder gekend had. Vóór Akalali was de heersende opvatting dat men niet goed kon zien wie wél en wie niet heks was, althans niet voordat de Grote Vader de heksen uit het leven wegnam. Akalali meende dat hijzelf kundig genoeg was om te zien wie tot de heksen behoorde. Hij onderzocht het grootste deel van de bevolking van het binnenland op hekserij. Dat ging aldus. De profeet nam in een bepaald dorp plaats op een stoel, geflankeerd door een paar van zijn favoriete vrouwen (hij had dertien vrouwen). Hij keek dan met doordringende ogen naar de dorpelingen die een voor een voor zijn troon werden gevoerd. Hij meende dat hij dan als met ‘röntgenogen’ dwars door de mensen heen kon kijken. De suggestie van ‘röntgenvisie’ werd nog versterkt doordat assistenten de armen van de onderzoeksobjecten optilden, net als bij een heus röntgenonderzoek.

Ik stond vlak achter Akalali toe te kijken, en wat ik als antropoloog zag, was interessant genoeg. Wie er enigszins welvarend uitzag, ontsprong de dans. Trekarbeiders die uit Paramaribo teruggekomen waren, verschenen voor de profeet met transistorradio en andere duidelijke tekenen van welvaart. De paar mensen die in Nederland waren geweest, hadden hun geelrode tas van de Tax Free Shop van Schiphol meegenomen, om goed te laten merken dat ze niet van de straat waren. Die lieden werden zonder meer door de profeet goedgekeurd. Hij zwaaide ze al weg voor ze goed en wel voor hem stonden. Na vijf minuten had ik het al in de gaten: wie er welvarend uitzag liep weinig kans beschuldigd te worden. De uitzonderingen waren twee of drie lastpakken met wie de profeet kennelijk een appeltje te schillen had.

Degenen die het minder goed verging waren de oude vrouwen, in het bijzonder zieke oude vrouwen. Die werden eruit gehaald en die moesten ergens apart, binnen een omheining gaan staan wachten, in de zon. Een paar uur in de tropische zon staan is bijzonder onaangenaam, speciaal als iedereen naar je staat te kijken. Twee dagen daarna vond dan de reinigingsplechtigheid plaats. Dit zogeheten ‘roosteren’ was een milde vorm van ‘verbranding’ en verliep als volgt. Er werd een soort vlag boven het hoofd van de slachtoffers gehouden, een stok met een lap eraan die in een mengsel van kerosine en benzine was gedrenkt. Op het cruciale moment van de reiniging trad de profeet naar voren en stak met zijn aansteker de vlag aan die dan met een grote steekvlam ontbrandde. Dan dwarrelden er brandende en verkoolde stukjes doek naar beneden toe. De toegestroomde bevolking keek dan toe hoe die vielen. Als die op de blote rug terecht kwamen van de arme ‘heks’ die eronder zat, dan was dat een extra teken dat het om een zwaar geval ging. Was er daarentegen een licht windje, dat het roet wegvoerde, dan was het een lichter geval, maar toch nog verkeerd natuurlijk.

Het patroon was eigenlijk hetzelfde als bij de voorgaande organisatie. Alleen werden nu levenden beschuldigd en die levenden kregen daarna een aparte positie. Ze mochten daarna niet meer lastig gevallen worden hetgeen overigens toch gebeurde. De algemene richting was weer: rijk beschuldigt arm. De initiatiefnemers van de twee grote hekserijgolven bij de Bosnegers, zowel in 1890 als in de jaren ’70 waren de betrekkelijk rijke mannen van tussen de 20 en 50 jaar oud. Ook het aspect dat men meende dat de naaste verwanten het meest van de heksen te lijden hadden gehad kwam in deze tweede golf weer naar voren. Akalali en zijn staf stelden vast wie ‘slachtoffer’ van de heksen waren geweest op basis van de dorpsroddel.

5 De Duivel in Zweden

Ik heb nu twee punten van de hekserijvervolgingen besproken, namelijk de tijd waarop ze optreden en de sociale positie van de slachtoffers. Antropologen zijn nog in een derde punt geïnteresseerd, namelijk in het beeld dat men zich van de duivel vormt. In de taal van het hekserij-idioom verraden zich vaak de problemen waar de samenleving mee worstelt. Ik zal dit laten zien aan de hand van de Zweedse heksenvervolgingen.

De plaatsen die genoemd worden bij de eerste ‘hekserijpaniek’ van 1668 tot 1671 liggen in Dalarna, langs het Siljan- en Orsameer of, zoals in het geval van Elfdalen en Oxberg, langs de Österdalalven, een rivier die in de noordpunt van het Siljanmeer uitmondt bij het plaatsje Mora. Het moet in de 17de eeuw in economisch opzicht een marginaal gebied zijn geweest. De rivieren en meren lagen in een gebied dat vrijwel geheel overdekt was met naaldhout. Langs de rivieren trof men wat kleine boerenbedrijven aan. Maar op nog geen 50 kilometer ten zuidwesten van het Siljanmeer ligt de mijnstad Falun, bekend vanwege zijn kopermijn. Zweden was in de 17de eeuw een land dat vrijwel voortdurend oorlog voerde, voornamelijk met Duitsland. Die oorlog werd betaald uit de verkoop van koper. Het koper was trouwens ook nodig voor de vervaardiging van kanonnen. Het meeste koper kwam uit de mijn van Falun. Falun was in die dagen een plaatsje van 5000 inwoners waarvan er ongeveer 1000 in de mijn werkten. Falun was de motor van de Zweedse oorlogsindustrie. Buitenlandse handelshuizen hadden hier hun vertegenwoordigers. Zo hadden Amsterdamse bankiers hier vestigingen die de verzekering en de verhandeling van al dat koper behartigden. Falun moet een merkwaardig Fremdkörper zijn geweest in deze afgelegen streek van Zweden. Een centrum van mijnbouw met internationale contacten in een streek die economisch marginaal was; een arm landbouwgebied, dun bevolkt en met een groot vrouwenoverschot door de voortdurende oorlogen die Zweden voerde. Ik meen dat de onrust in Midden-Zweden, en de hekserijvervolgingen die hieruit voortkwamen, gerelateerd moeten worden aan het contrast tussen Falun en de omliggende streek, een contrast dat de plaatselijke bevolking heel wel als zeer schrijnend ervaren kan hebben.

In de voorstellingswereld die uit Balthasar Bekkers boek naar voren komt, zijn veel traditionele beelden opgenomen die ook al in de 16de eeuw konden worden opgetekend: de duivelswei, de luchtreizen, de inversie van een christelijk ritueel met zijn inwijding en doop. Alleen in Bekkers weergave van het uitstapje naar Blåkulla vinden we een beschrijving van de duivel:

Na te hebben geroepen: Antesser (naam van de duivel), kom voer ons na Bloklula kan de prins der duisternis in vele gedaanten verschijnen ‘maar het wel het meest met enen grauwen rok, roden broek en blauwen koussen; hebben de enen roden baard, hogen hoed, met veel kakelbonte linten rondom en langen linten aan den broek. Die voert hen door de lucht (…).

En ook is het volgende stuk uit de bekentenissen van de heksen interessant. Het is weer Bekkers weergave:

En om te weten wat besonder groot vermaak sy daar genieten dat hen kan bewegen so pleghtelijk God en den Hemel af te staan; sy konnen hier veel beter doen. Want merkt toch eens hoe heerlijk hen de Duivel daar onthaalt. De spyse welke daar gegeten word is koolsop met spek, haver-pap, boter, melk en kaas. Niets anders ja, maar die sal buiten twijfel beter zijn dan sy het zelf in hun huisen hadden. Hoort wat se seggen: dat dit somtijds wel, en somtijd qualik smaakt. ’t Vermaak dat daar op volgt is mogelijk so veel te groter. Ja, want na de maaltijd werd er gedanst, met vrouwelijke vloeken en sweeren (…).

Al dit voedsel wordt aangesleept door speciaal voor dit doel aangewezen beesten, ‘wechdragers’ genoemd, katten of raven worden als voorbeeld genoemd, die op roof uitgaan. Over de tonelen die zich op Blåkulla afspelen schrijft Bekker geamuseerd:

Die van Elfdalen hebben bekend (weten deze menschen wel wat sy bekennen?) dat de Duivel self voor haar op de harp speelt. Daarna gaat hy, met die hem meest gevallen in de kamer (een teken dat er toch enige eerbaarheid op den Duivel is) hebbende met haar al daar vleeschelijke gemeenschap: welk sy ook Alle bekennen met hem gehad te hebben. Dat mist nooit, het is er altyd bij: de Duivel moet te lydig [geil, schr.] op oude besjes (want sodanige waren ’t meest) verslingerd zijn.

Het beeld van de heks is hier getekend als een mengfiguur, een ‘grauwen rok,’ een boerenkiel dus, maar broek en hoed op bonte wijze versierd. Dit was vermoedelijk hoe de boeren het leidinggevend personeel van de kopermijn zagen en de kooplieden die zich daar hadden gevestigd. Een afgunstige toon klinkt door in de beschrijving van het voedsel. Het vermaak dat zich in de huizen van de kooplieden van Falun zou afspelen stelde men zich voor als orgieën. Het lijkt erop dat men aangetrokken en afgestoten wordt door deze plaats van rijkdom.

Literatuur

Alan Macfarlane, 1970, Witchcraft in Tudor and Stuart England. Routledge and Kegan Paul, London.

H.U.E. Thoden van Velzen en W. van Wetering, 1988, The Great Father and the Danger. Foris, Dordrecht; tweede druk verschenen bij Kon. Inst. Taal- en Volkenkunde, Leiden, 1991.

Uit: Skeptische notitie nr. 5 Geloven in het paranormale (1990)

H.U.E. Thoden van Velzen