Een mythomane acupuncturist

door Jan Willem Nienhuys

De acupunctuur werd in het Westen pas populair na 1972. De voedingsbodem voor deze belangstelling was echter al rond 1930 gelegd door de fantast George Soulié de Morant.

Over Soulié is in 2011 een kritisch artikel verschenen van Hanjo Lehmann (1), maar een veel uitvoeriger werk (2), de vrucht van vele jaren onderzoek in archieven en bibliotheken, is van de Franse arts-acupuncturist Johan Nguyen, zoon van een vooraanstaand Frans-Vietnamese arts-acupuncturist genaamd Nguyen Van Nghi. (3) Dit uiterst grondige, gedetailleerde en bewonderenswaardige boek toont aan dat Soulié niet alleen als eerste een eigen versie van Japanse acupunctuur populariseerde, maar dat hij ook een mythomaan was die vooral over zijn eigen grootheid fabeltjes verspreidde.

In 1863 had de ervaren Franse diplomaat en sinoloog Claude-Philibert Dabry de Thiersant een dik boek gepubliceerd over de Chinese geneeskunde, met een hoofdstuk getiteld De l’acuponcture. (4) Alles bij elkaar zijn er tot 1929 wel 200 Europese publicaties te vinden over acupunctuur, maar die hadden niet tot gevolg dat er ook acupunctuur in Europa bedreven werd. In 1929 schreven een Franse arts Paul Ferreyrolles en een gewezen diplomatieke tolk genaamd Soulié echter een artikel over acupunctuur in een Frans homeopatenblad. Ferreyrolles behoorde tot een groepje zogeheten neo-hippocraten, beoefenaars van homeopathie, psychoanalyse, iriscopie en nog veel meer onzin. Zij meenden dat er veel wijsheid verborgen was in oude en onconventionele praktijken. Ferreyrolles had belangstelling voor acupunctuur, beschikte waarschijnlijk over het boek van Dabry, maar vroeg Soulié om hulp bij de vertaling van bepaalde Chinese teksten, met name de Huangdi Neijing, een medische tekst van kort voor het begin van onze jaartelling, maar toegeschreven aan een mythische heerser uit de Steentijd, Huangdi ofwel de Gele Keizer.

Eretitel

Georges Soulié werd geboren op 2 december 1878. Op jeugdige leeftijd was hij kind aan huis bij de schrijfster Judith Gautier, die net als haar vader veel contact had met Chinese geleerden. Soulié moet een talenknobbel hebben gehad, want hij pikte behoorlijk wat Chinees op van de diverse Chinezen die langdurig bij de Gautiers logeerden en waarschijnlijk ook van Judith zelf, en leerde het ook schrijven en lezen. Tussen 1897 en 1901 had hij diverse secretarisbaantjes in Afrika, en vanaf december 1901 was hij gedurende ruim een half jaar tolk-secretaris bij een Franse spoorwegmaatschappij in China. Tussen 1902 en september 1903 was hij weer terug in Frankrijk, waar hij wellicht als toehoorder college volgde aan de School voor Oosterse Talen in Parijs. Daarop werd hij leerling-tolk bij het Franse consulaat in Shanghai. Daar functioneerde hij onder meer in een rechtbank van de Franse concessie die geschillen tussen Fransen en Chinezen behandelde. In maart 1906 was hij zo ziek dat hij weer terug naar Frankrijk ging, maar begin 1907 begon hij als tolk derde klas aan het consulaat te Kunming. In die tijd kregen tolken de eretitel vice-consul. Van 1902 tot 1909 functioneerde hij als tolk in China, hoewel hij door ziekte regelmatig terugkeerde naar Frankrijk en in feite maar vijf jaar in China was. Daarna kreeg hij een baan in Parijs bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, maar dat was in 1917 afgelopen. Bij zijn ontslag uit actieve dienst kreeg hij de eretitel consul. Vanaf dat ogenblik ging hij zich George Soulié de Morant noemen.

Ondertussen had hij zich op een literaire carrière gestort en schreef veel over China in het literaire tijdschrift Mercure de France. Hij schreef ook boeken, zowel romans als vertalingen uit het Chinees als geleerde artikelen, maar de echte sinologen moesten er een beetje om lachen. Zo produceerde hij een geromantiseerde biografie van de keizerin-weduwe Cixi met een nogal hoog gehalte aan bouquetreekserotiek, en bijzonder denigrerende recensies van standaardwerken van echte sinologen. Eigenlijk is het enige artikel dat genade in de ogen van sinologen kon vinden er een over de grammatica van het Mongools uit 1903, gebaseerd op wat hij van het Mongools had geleerd van een missiebisschop. Tot 1929 was er niets in zijn oeuvre (circa 30 boeken!) dat enige belangstelling voor geneeskunde verried, of het zou een foto moeten zijn die hij gemaakt had van een bezweringsprocessie in Peking tijdens de cholera-epidemie in 1902.

Hoe goed Soulié Chinees kende is onduidelijk. Zelf kan ik die taal een beetje spreken, woorden opzoeken in een woordenboek is ook niet zo’n kunst, maar ik snap niet hoe Soulié gespecialiseerde medische teksten in het bijzonder compacte klassieke Chinees goed begrepen zou kunnen hebben. In China is het lezen van klassiek Chinees een zwaar onderdeel van het toelatingsexamen tot de universiteit. Het is dan ook niet zo vreemd dat Ferreyrolles helemaal niets begreep van Soulié de Morants vertaling. Het manuscript van die vertaling is nooit publiek geworden.

Twaalf polsen

In 1930 maakte Soulié kennis met de Japanner Yukikazu Sakurazawa, die in de periode 1929-1934 in Parijs woonde, niet ver bij hem vandaan. Sakurazawa is beter bekend onder de naam George Oshawa, namelijk als stichter van de macrobiotiek. De macrobiotiek gaat wellicht terug op Chinese ideeën over levensverlenging. Ze kwamen via vertaling terecht bij Christoph Wilhelm Hufeland, die er in 1796 een boek over schreef. Dit boek kwam via vertalingen door Nederlanders in Japan terecht in het midden van de negentiende eeuw. Sakurazawa/Oshawa verspreidde het weer opnieuw in de westerse wereld.

Japan was zich in de negentiende eeuw gaan moderniseren en in 1883 werd de westerse geneeskunde verplichte kennis voor medici. De beoefening van acupunctuur werd in 1911 aan vergunningen gebonden. In deze situatie van confrontatie tussen de oude en nieuwe geneeskunde ontwikkelde de jonge acupuncturist Yanagiya Sorei in 1927 een nieuw type acupunctuur, de keyraku chiryo (meridiaantherapie). Volgens deze leer was het doel van de acupunctuurbehandeling onder meer gebaseerd op het idee dat de twaalf (of veertien) polsen in balans gebracht moeten worden. Een boek daarover van de hand van Tadanao Nakayama werd in 1934 door Sakurazawa en Soulié vertaald in het Frans. Soulié kende helemaal geen Japans en het ligt voor de hand dat hij slechts het Frans van Sakurazawa wat bijschaafde. Sakurazawa was een francofiel en had zelfs Franse gedichten in het Japans vertaald, maar zelf vloeiend idiomatisch Frans schrijven is nog een graadje moeilijker. Voor Sakurazawa was het slechts een middel om aan geld te komen voor de terugreis naar Japan, maar voor Soulié was de informatie van Sakurazawa een primaire bron van kennis over acupunctuur. Hij schreef ook zelf een boekje getiteld Précis de la vraie acuponcture (1934). Bovendien begon hij aan een zesdelig werk getiteld L’acuponcture chinoise. In 1939 verscheen deel I, deel II in 1941, en de rest pas na zijn dood samen met deel I en II in één band in 1957. De acupunctuur die hij beschrijft is de Japanse keyraku chiryo, en zijn Chinese literatuurverwijzingen zijn grotendeels overgeschreven uit het boek van Nakayama.

Dasspelden

Ondertussen waren Paul Ferreyrolles en enkele andere neo-hippocratische artsen, onder meer Thérèse Martiny, begonnen de acupunctuur te beoefenen. Soulié fungeerde aanvankelijk als adviseur. Hij was immers de enige die iets snapte van alle Chinese teksten. Hij wilde echter al spoedig zelf prikken. Ferreyrolles gaf hem vriendelijk te verstaan dat hij dan maar eerst geneeskunde moest studeren. Maar dat deed hij niet.

Aanvankelijk werkte hij onder toezicht van Thérèse Martiny. Later (1935) begon hij een eigen praktijk waar hij veel bekende kunstenaars ontving en zo extra roem vergaarde. Souliés prikjes schenen zelfs mensen helderziend te kunnen maken.

Soulié liet zijn acupunctuurnaalden vervaardigen door een Parijse in dasspelden gespecialiseerde juwelier. Ze weken sterk af van wat in Japan gebruikelijk was. Daar gebruikte men naalden die zo dun waren (0,1-0,2 mm) dat ze met een geleidebuisje moesten worden ingebracht, speciaal als ze niet van staal waren. De stalen naalden werden vervaardigd met dezelfde technieken als voor samoeraizwaarden werden gebezigd. Soulié de Morants naalden waren echter maar 2,5 cm lang en tamelijk dik (orde 1 mm) en allemaal van 16-karaats goud of van een zilverlegering (aan wegwerpnaalden deed men toen niet). Dat had hij waarschijnlijk overgenomen van het boek van Dabry, die meteen begint uit leggen dat men in China bij voorkeur die twee metalen gebruikt. Johan Nguyen zegt dat die in het moderne China ongebruikelijk zijn. Soulié schreef trouwens in zijn Précis dat acupuncturisten in China gewone naainaalden gebruiken, wat onzin is. Goud was volgens hem opwekkend en zilver kalmerend, dat had hij helemaal zelf bedacht. De koppen van Souliés naalden waren versierd met edelsteentjes. Voor, tijdens en na de behandeling voelde hij voortdurend de pols om na te gaan of de acupunctuur wel het juiste effect had op de twaalf polsen (zes punten op beide armen waar de pols gevoeld wordt).

Zijden diploma

Ongeveer in de periode dat hij zijn boeken schreef, schiep hij een nieuw verleden. Zo zou hij wel twintig jaar in China gewerkt hebben als consul en rechter. Een foto waarop hij pal in het midden staat als ‘consul’ is echter kennelijk een uitsnede uit een grotere foto: onder aan de zijkant staan de onderkoning van de provincie Yunnan en de echte consul, herkenbaar aan de goudbrokaten bies op zijn uniform. Soulié beweerde dat hij in China van diverse Chinese artsen acupunctuur geleerd had en tijdens de cholera-epidemie in Peking met een geleende acupunctuurnaald wondergenezingen had verricht. Hij zou een officieel Chinees artsdiploma hebben gekregen in de vorm van een beschreven lap zijde van een bij drie meter. In de hagiografieën die na de dood van Soulié verschenen wordt nog meer overdreven.

Soulié had er ook een handje van om de successen en wederwaardigheden van anderen aan zichzelf toe te schrijven. Nguyen beschrijft nog veel meer van deze aantoonbaar onjuiste claims, onder meer de bewering dat Soulié in 1950 de enige Fransman was die genomineerd was voor de Nobelprijs. In werkelijkheid stelden Franse wetenschappers serieuze kandidaten voor en was Soulié slechts genomineerd door een dankbare patiënt, die hem aanduidde als ‘Frans consul te Peking’. Soulié was erg teleurgesteld toen hij de Nobelprijs niet kreeg.

Zijn ‘artsdiploma’ is een voorbeeld van hoe hij de feiten overdreef. Soulié werkte tussen 1907 en 1909 onder meer in de kliniek van het Franse consulaat. Daar kwamen veel Chinezen profiteren van de westerse geneeskunde en Soulié moest dan Chinese gebruiksaanwijzingen voor de verstrekte middelen schrijven. Aan de kliniek werden ook medische cursussen gegeven, maar Soulié kon die teksten niet vertalen, want hij kende de medische termen niet. In 1908 kreeg de kliniek een plaquette van de Chinese autoriteiten waarop de kliniek geprezen werd.

In het China van toen hadden artsen een lage status en acupunctuur was al in 1822 afgeschaft voor hofartsen. Er was dan ook helemaal geen officiële artsopleiding en geen diploma. De plaquette werd in de fantasie van Soulié eerst een privé-erkenning voor hemzelf, daarna een artsdiploma, daarna een zijden lap van een bij drie meter, en tegen het eind van zijn leven zelfs een van drie bij vijf meter. Het is niet uitgesloten dat hij al die prachtige dingen over hemzelf ook geloofde, en ook niet dat hij in zijn literaire carrière nog veel meer van anderen heeft bijeengesprokkeld dan uit het boek van Nguyen blijkt.

Soulié moest natuurlijk uitleggen waarom hij pas twintig jaar na zijn terugkeer in Frankrijk iets over Chinese geneeskunde geschreven had. Hij beweerde dat hij bang was uitgelachen te worden. Maar, zoals gezegd, er was en werd toch tamelijk veel over Chinese geneeskunde geschreven en bovendien liet hij zich helemaal niet uit het veld slaan door de neerbuigende manier waarop echte sinologen hem bejegenden.

In een biografische schets door zijn kleindochter is wat eerbewijzen betreft zelfs sprake van de ‘globule de cristal ciselé’ die hem het recht verleende de geneeskunde in China te beoefenen. In China waren er in de keizertijd van de laatste dynastie negen ambtenarenrangen, onderscheiden door de kleur van de hoedenknop en de vierkante geborduurde decoratie op de voorzijde van het officiële gewaad. De op een na laagste rang was die met matte rode knop (gegraveerd koraal voor staatsiekleding), en die werd zelfs aan sommige heel belangrijke buitenlanders verleend, natuurlijk zonder dat zij de uiterst zware ambtenarenexamens hadden afgelegd. In het boek van 1957, met correcties van de auteur, is deze onderscheiding aan het cv van Soulié toegevoegd. Zoals gezegd was arts helemaal geen ambtenarentitel, maar een dergelijke onderscheiding zou niettemin op zijn conduitestaat van het ministerie van Buitenlandse Zaken zijn aangetekend. Daar is die niet te vinden.

Judas

De arts Roger Allote de La Fuÿe (een neef van Jules Verne) maakte in 1933 kennis met de acupunctuur in de kliniek Léopold-Bellan waar Thérèse Martiny praktiseerde. Hij ging vrijwel meteen zijn eigen weg en begon in 1935 over acupunctuur te schrijven. Hij bedacht een mengvorm van homeopathie en acupunctuur die hij homéosinâtrie noemde. Kort na de Tweede Wereldoorlog richtten Soulié en de La Fuÿe elk hun eigen acupuncturistenvereniging op. Die van de La Fuÿe groeide als kool en werd een echte artsenberoepsvereniging met een opleiding en internationale congressen met wel acht keer zoveel leden als de club van Soulié. In feite is het dus Roger de La Fuÿe die de acupunctuur in de Franse geneeskunde integreerde. Hij kreeg ook Duitse leerlingen die het evangelie verder brachten. In 1947 publiceerde Roger de La Fuÿe Traité d’acupuncture: L’acupuncture chinoise sans mystère.

Deze activiteiten wekten de woede op van Soulié die de La Fuÿe als een judas en plagiator zag. Hij werd nog bozer toen de La Fuÿe in 1951 een aanklacht tegen hem en een andere leken-acupuncteur (Edouard Berladier) indiende wegens onbevoegde uitoefening der geneeskunst. Soulié werd in 1953 ontslagen van rechtsvervolging. Hij was rechts verlamd geraakt door een beroerte in 1952, wat hem niet weerhield om als 74-jarige met zijn linkerhand verder te praktiseren, nog steeds zogenaamd onder toezicht van Thérèse Martiny.

Ruim een half jaar na de aangifte wegens onbevoegde uitoefening van de geneeskunst beschuldigde Soulié op zijn beurt Roger de La Fuÿe van plagiaat. Hij zou grote delen van Précis de la vraie acuponcture hebben overgeschreven in zijn Traité. Maar de Franse letterkundigenvereniging had al gauw haar oordeel gereed: de La Fuÿe had Soulié uitvoerig geciteerd en alles wat de eerste overgeschreven leek te hebben van de tweede, inclusief fouten, kwam in feite uit het boek van Dabry. Zelfs de term ‘acuponcture’ was ontleend aan Dabry. Zo kwam Soulié zelf te kijk te staan als een overschrijver. Soulié beschuldigde de La Fuÿe ook nog van misdadige collaboratie met de bezetter, wat hem op een proces wegens smaad kwam te staan, dat hij in 1953 verloor.

Moderne acupunctuur in China

Soulié stierf op 10 mei 1955 na een tweede beroerte. De acupunctuur verspreidde zich verder in Frankrijk. Toen de Vietnamese arts-acupuncturist Nguyen Van Nghi zich in de jaren 1950 op de acupunctuur begon te richten verwonderde hij zich over de vreemde gewoonten van de Franse acupuncturisten. Ook in China was de acupunctuur al drastisch veranderd, analoog aan wat er in Japan gebeurd was.

Het succes van de westerse geneeskunde was daar zeer duidelijk geworden bij de pestepidemie in Noordoost-China in 1911. De sterfte onder westers opgeleide artsen, met benul van hygiëne, was maar vijf percent, terwijl die bij de traditionele genezers wel 90 percent bedroeg. Een traditionele kliniek in Shenyang moest een week na opening al weer sluiten, omdat 18 van de 19 genezers waren gestorven, voornamelijk omdat ze het niet nodig vonden mondmaskers te dragen.

In 1929 pleitte de arts Yu Yunxiu tijdens een nationale conferentie over openbare gezondheidszorg in Nanking voor afschaffing van de traditionele Chinese geneeskunde. Zijn voorstel werd met unanieme stemmen aanvaard. De traditionele genezers kwamen in opstand en het besluit werd snel weer vernietigd door Chiang Kai-Shek. De Chinese geneeskunde ging zich echter wel aanpassen, precies zoals dat in Japan gebeurd was. De kinderarts Cheng Dan-an (1899-1957) meende dat met acupunctuur zenuwen werden gestimuleerd. Tot dan toe was acupunctuur in essentie een primitieve chirurgische techniek voor aderlaten, abcessen doorprikken en dergelijke, met een vervaarlijk bestek van messen en priemen. Deze werktuigen staan ook afgebeeld in het boek van Dabry, met nauwkeurige omschrijvingen. (5) Cheng stapte begin jaren 1930 over op dunne stalen naalden (maar niet zo dun als de Japanse) en verlegde de acupunctuurpunten weg van de bloedvaten.

Johan Nguyen gaat hier niet op in, behalve dat hij duidelijk maakt dat de Chinese geneeskunde haar eigen weg ging en dat het beslist niet waar is dat de acupunctuur pas weer uit het vergeetboek kwam doordat Mao Zedong haar met bestuurlijk geweld weer tot leven wekte. Lehmann suggereert dat de opleving van de Chinese Traditionele Geneeskunde in China een reactie was op de door Soulié gekweekte belangstelling, en dat in feite de Chinese geneeskunde een exportartikel is, maar Nguyen spreekt dit tegen.

Het is goed mogelijk dat zonder Soulié de acupunctuur niet zo massaal omarmd zou zijn en met de neo-hippocraten na 1945 verdwenen zou zijn. Of Nguyen Van Nghi in zijn praktijk in Marseille min of meer in zijn eentje erin geslaagd zou zijn deze geneeswijze in Parijs en de rest van Europa modieus te maken is betwijfelbaar. En of zonder de voedingsbodem van al die arts-acupuncturisten het Chinese voorbeeld in 1972 veel weerklank gevonden zou hebben eveneens.

Acupunctuur in China en Japan

Nguyen maakt duidelijk dat de meridiaantherapie maar één van de Japanse acupunctuursystemen is. In Japan begint de acupuncturist de pols of de buik af te tasten. De plek waar de naald wordt ingestoken, wordt ook uitgezocht op basis van welke plekken extra gevoelig lijken. Dat komt gedeeltelijk doordat er in Japan al eeuwen veel blinden een praktijk in acupunctuur of massage hadden. In het verlengde daarvan is er trouwens de shiatsu. Ook de geleidebuisjes waren in de zeventiende eeuw bedacht door een blinde Japanse acupuncturist. In Japan worden de naalden maar enkele millimeters ingestoken, en soms wordt daar een klein hamertje bij gebruikt.

Nguyen verschaft weinig details over de meridiaantherapie, behalve dan dat deze zwaar leunt op het idee van de meridiaan als theoretische basis van de hele acupunctuur. Als Soulié dus de keuze van de acupunctuurpunten helemaal baseert op het onderzoek van de pols, zonder rekening te houden met de klachten van de patiënt, dan volgt hij de meridiaantherapie. Ook de keuze van de term meridiaan als vertaling van het Chinese jingluo (kanalennetwerk) gaat terug op de meridiaantherapie. De westerse acupuncturist die de term meridiaan gebruikt, heeft deze dus in essentie van Soulié de Morant en die weer van een Japanse innovator uit de jaren 1920.

In de Chinese geneeskunde zijn ‘medicijnen’ heel belangrijk en speelt het bekijken van de tong een grote rol bij de diagnose. Dat is in elk geval niet bij de meridiaantherapie het geval, evenmin als bij Soulié. De moderne Chinese naalden zijn ongeveer tweemaal zo dik als de Japanse (over het grove bestek van vroeger hebben we het maar niet) en voor de Chinese acupuncturist is het deqi gevoel (spreek uit dù-tsji) essentieel. Dat is een soort prikkelend of verdoofd gevoel dat opgewekt wordt door de naald te roteren. In China wordt een naald vaak een of meerdere centimeters ingestoken. Als de Chinese acupuncturist heeft bedacht waar de naalden moeten worden gezet, worden die er meteen achter elkaar ingeplant, tot verbazing van toekijkende Japanners. Een Amerikaanse auteur die beide stijlen geleerd had, beschreef het verschil als ‘wok’ versus ‘sushi’.

Noten

1. Hanjo Lehmann, Akupunktur im Westen: Am Anfang war ein Scharlatan. Dtsch Arztebl 2010; 107(30) p.1454-1457, vertaald als Acupunctuur in het Westen: het begon met een charlatan, Wonder en is gheen Wonder, 2010/4, p. 22-25. (Origineel en vertaling op internet.)
2. Johan Nguyen, La Réception de l’acupuncture en France: Une biographie revisitée de George Soulié de Morant (1878-1955). L’Harmattan, Parijs, 2012.
3. P. Dabry, La médicine chez les Chinois. Henri Plon, Parijs, 1863. en.wikipedia.org/wiki/Nguyen_Van_Nghi
4. books.google.nl/books?id=JesIAAAAIAAJ
5. Zie ook www.sciencebasedmedicine.org/acupuncture-and-fascial-planes-junk-science-and-wasteful-research/

Uit: Skepter 26.1 (2013)

Jan Willem Nienhuys is redacteur van Skepter en secretaris van Skepsis