Uri Geller

Uri Geller

en andere kunstenmakers

(hoofdstuk uit het boek Parariteiten)

door Rob Nanninga

Uri Geller gaf in de jaren zeventig een nieuwe impuls aan het onderzoek naar psychokinetische (PK) verschijnselen. Hij boog lepels, schijnbaar zonder er enige kracht op uit te oefenen, bracht kapotte horloges weer aan het lopen en liet kompasnaalden uitwijken. Dit alles demonstreerde hij voor het oog van tientallen wetenschappers en honderden journalisten. Ook trad hij op in talloze tv-shows over de gehele wereld, die een stroom van reacties opleverden van mensen die thuis eveneens allerlei PK-verschijnselen meenden te hebben waargenomen. In Engeland meldden zich zelfs verscheidene kinderen die Geller konden imiteren. Gellers faam werd vooral gevestigd door wetenschappers die beweerden dat hij hun parapsychologische tests glansrijk had doorstaan.

De voornaamste tegenstander van Uri Geller was de Amerikaanse goochelaar James Randi. Randi maakte duidelijk dat Gellers prestaties niet opmerkelijker waren dan die van een handige goochelaar. Bovendien toonde hij aan dat sommige parapsychologische experimenten zo onzorgvuldig waren opgezet, dat de proefpersoon betrekkelijk eenvoudig bedrog kan plegen. Randi’s activiteiten droegen ertoe bij dat velen zich gingen realiseren dat het onderzoek naar wondermensen speciale voorzorgsmaatregelen vereist.

Gellers carrière

Uri Geller werd op 20 december 1946 in Tel Aviv geboren. Volgens eigen zeggen ontdekte hij al jong zijn bijzondere gaven. Hij kon de horloges van zijn klasgenoten op onverklaarbare wijze vooruitzetten en buitenzintuiglijke waarneming stelde hem in staat hun proefwerkantwoorden te lezen. Na zijn schooltijd moest Uri in militaire dienst en werd hij opgeleid tot parachutist. In 1967 raakte hij gewond tijdens Israëls zesdaagse oorlog met Egypte. Hij verliet het leger en werkte korte tijd als groepsleider in een jeugdkamp. Daar leerde hij de zeven jaar jongere Shipi Shtrang kennen, die zijn onafscheidelijke kameraad en compagnon werd. Shipi moedigde Geller aan om voorstellingen te geven. Samen ontwikkelden zij een paranormale show, waarmee ze vanaf 1970 overal in het land succes boekten.

De zus van Shipi, Hanna, vertelde aan een journalist dat zij had gezien hoe Geller intensief met haar broer oefende in het geven van geheime tekens. Door middel van deze afgesproken tekens (bepaalde handbewegingen) kon Shipi vanuit het publiek aan Geller doorgeven wat er buiten diens gezichtsveld op een schoolbord werd geschreven. Verscheidene kritische onderzoekers hebben met eigen ogen waargenomen dat Geller inderdaad signalen van zijn medewerkers ontving.

Geller en PuharichHet was voor een belangrijk deel aan de Amerikaanse medicus Andrija Puharich te danken dat Geller internationale faam verwierf. Puharich was al lange tijd geïnteresseerd in parapsychologische verschijnselen. Vooral ‘wondermannen’ die door de gevestigde parapsychologen niet serieus werden genomen, hadden zijn belangstelling. In de jaren vijftig werkte hij samen met de Nederlandse paragnost Peter Hurkos, en later raakte hij eveneens overtuigd van de bijzondere gaven van de Braziliaanse wonderchirurg Arigo, die naar verluidt met een roestig keukenmes pijnloos operaties uitvoerde. Ook zag hij regelmatig UFO’s en via een medium in Poona had hij zelfs contact gekregen met de sturende krachten van het universum, de zogenaamde Nine (Negen). Nadat Arigo in 1971 bij een auto-ongeluk om het leven was gekomen, spoedde Puharich zich naar Israël om een nieuwe wonderman te kunnen aanschouwen. Hij had al het een en ander over Geller gehoord en raakte snel overtuigd van diens mysterieuze krachten. In zijn boek Uri (1974) beschreef hij de talloze wonderen die hij van nabij meemaakte.

Dank zij Geller kreeg Puharich nieuwe openbaringen van buitenaardse intelligenties. Nadat hij Uri onder hypnose had gebracht, hoorde hij een metalen stem die hem vertelde dat de aarde onder toezicht stond van een soort gecomputeriseerde wezens, waaronder een zekere Rhombus 4D. De computers bleken Uri Geller te hebben uitgekozen om de mensheid te redden en in het bijzonder om een nieuwe oorlog tussen Israël en Egypte te voorkomen. Puharich kreeg de opdracht hem onvoorwaardelijk te steunen in zijn belangrijke missie.

De Stem: ‘Onze computers bestudeerden iedereen op aarde. U werd opgemerkt door uw kundigheid, u was de ideale man voor deze opdracht.

Andrija: ‘Wat voor opdracht is dit?’

De Stem: ‘Vraag dit niet. Het zal u bekendgemaakt worden. Uri, wees bereid, wees wijs. Wees kalm. Er rust voor de komende vijftig jaar een zeer, zeer zware taak op je schouders. Er is veel te doen om het heelal te helpen. Het kosmisch brein zal je gezonden worden. Andrija, ik zend Uri nu naar u terug. Doe alles wat hij zegt. Zorg voor hem.’

De stem sprak verscheidene malen via Puharichs cassetterecorder, die telkens door een onzichtbare hand in werking werd gezet. Helaas verdwenen alle cassettes op raadselachtige wijze. Talloze wonderbaarlijke gebeurtenissen overtuigden Puharich ervan dat de hogere intelligenties zich werkelijk manifesteerden. Voorwerpen waren plotseling verdwenen en werden op andere plaatsen teruggevonden, Uri kreeg een massagetoestel dat niemand had besteld, Puharich zag vreemde lichtverschijnselen, hij werd gevolgd door een geheimzinnige havik, onbekenden belden hem op, en zijn horloge bleef voortdurend stilstaan. Het werd steeds moeilijker om nog onderscheid te maken tussen verbeelding en werkelijkheid. Zo liet Geller op een avond zijn revolver zien, maar de volgende dag kon hij zich daar niets van herinneren. Hij beweerde dat zijn wapen al twee maanden bij Shipi lag, die dat kon bevestigen. Uiteindelijk reisde Puharich in overspannen toestand terug naar de Verenigde Staten ‘om de boodschap van Uri aan de wereld uit te dragen.’

Puharich besefte dat zijn collega’s hem alleen serieus zouden nemen wanneer Uri’s wonderkrachten wetenschappelijk konden worden aangetoond. Hij nam contact op met de ex-astronaut Edgar Mitchell, die zeer geïnteresseerd was geraakt in het paranormale. Mitchell was bereid om geld bijeen te brengen voor een officieel onderzoek. De parapsychologen Russell Targ en Harold Puthoff van het Stanford Research Institute (SRI) wilden zo’n onderzoek wel uitvoeren. Op 6 november 1972 reisde Geller samen met de onafscheidelijke Shipi naar Amerika, waar hij logeerde in het huis van Puharich. Deze nam snel weer contact op met de hogere intelligenties om te vragen of Uri’s krachten wetenschappelijk onderzocht mochten worden. Het antwoord stelde hem hevig teleur:

Uri mag zich niet in een wetenschappelijk onderzoek begeven. Wij zullen u spoedig zeggen waarom. Hij mag vriendschappelijk omgang hebben met geleerden, meer niet. Uri zelf is het dikwijls niet met ons eens, maar wij moeten het op deze manier doen. Gisteren, toen u aan tafel zat, hebben wij uw hond laten verdwijnen – dat hebt u met eigen ogen gezien. Ook dat had een reden.

De volgende dag probeerde Puharich Geller ertoe te bewegen om opnieuw toestemming te vragen voor een onderzoek, maar Uri gooide woedend een suikerpot naar zijn hoofd. Hij wenste zich niet aan de wetenschap uit te leveren, omdat hij de vraag of zijn vermogens echt waren het liefst onbeantwoord liet. Wel was hij bereid om Targ en Puthoff informeel te ontmoeten. Deze ontmoeting verliep beter dan hij had verwacht. De parapsychologen waren zeer onder de indruk van Uri’s verrichtingen. Zij probeerden hem over te halen om naar hun laboratorium te komen. Puthoff (die een hoge OT-status had bereikt binnen de Scientology Kerk) verklaarde: ‘De omstandigheden voor een experiment zijn nergens zo gunstig als in het SRI.’ En Targ voegde daar aan toe: ‘We gaan Uri immers niet vragen in het laboratorium dingen te doen die hij hier vanavond niet heeft gedaan.’ In de loop van de avond ontstond er volgens Puharich ‘een bijzondere sfeer van saamhorigheid en kameraadschap’, die ertoe leidde dat Geller zijn mening herzag. Targ en Puthoff mochten hun onderzoek uitvoeren, dat zij later publiceerden in het gezaghebbende wetenschappelijke tijdschrift Nature.

Geller toont met professionele smile een gebogen sleutel aan Prof. TaylorPuharich nam Geller ook mee naar Engeland, waar hij contacten had met dr. Ted Bastin van de Universiteit van Cambridge. Eind 1973 kreeg Geller grote bekendheid door een optreden voor de BBC, waarbij John Taylor aanwezig was, een professor in de toegepaste wiskunde, die wel vaker aan tv-uitzendingen meewerkte. Twee vorken en een lepel bogen krom. Taylor was verbijsterd en had het gevoel dat zijn hele wereldbeeld in één klap onderuit was gehaald. Hij stortte zich meteen op het onderzoek naar de talloze kinderen die zich als navolgers van Geller aanmeldden.

Professor David Bohm en professor John Hasted, twee holistisch georiënteerde deskundigen op het gebied van de kwantummechanica, raakten eveneens geïnteresseerd en nodigden Geller uit voor een aantal informele experimenten aan het Birkbeck College in Londen. En opnieuw deed hij iedereen versteld staan door onder andere een geigerteller in beroering te brengen. Ook Hasted raakte na deze ervaring in de ban van lepelbuigende kinderen, waarover hij in 1981 het boek The Metal-Benders publiceerde.

Het onderzoek naar Geller werd vooral ter hand genomen door fysici die zich nog niet eerder op het terrein van de parapsychologie hadden begeven. Zij voorzagen Geller van een wetenschappelijk keurmerk, waarvan hij grif gebruik maakte door er voortdurend op te wijzen dat zijn wonderdaden objectief vastgesteld waren door geleerden van formaat. Een groot aantal van deze semi-wetenschappelijke experimenten en observaties werd gebundeld onder de titel The Geller Papers (Panati 1976).

De gevestigde parapsychologen waren niet gelukkig met deze situatie en stelden zich terughoudend op. Zij waren er niet van overtuigd dat iedere wetenschapper zonder meer in staat moet worden geacht om parapsychologisch onderzoek uit te voeren. Bovendien maakten Gellers voortdurende successen hen wantrouwig. Zijn wonderen leken verdacht veel op die van de talloze frauderende mediums uit de beginjaren van de parapsychologie. De parapsychologen wilden niet het risico lopen opnieuw geassocieerd te worden met dergelijke praktijken, want dat zou hun wetenschappelijke pretenties ernstig kunnen schaden. Ze volgden het gebeuren daarom op afstand en hoopten er het beste van.

De zogenaamde ‘parafysici’ waren nog niet door schade en schande wijs geworden en verkondigden aan iedereen die het horen wilde dat Geller superkrachten bezat. John Taylor liet via de Guardian weten: ‘Het kernprobleem is nu niet langer de vraag of het fenomeen (het Geller-effect) zich voortdoet, maar hóé het zich voordoet. Het is een zeer belangrijk fenomeen dat ons nieuwe dingen over de mens zal leren.’

De skeptici kwamen al spoedig tegen Geller en zijn aanhang in het geweer. In de New Scientist en in Time verschenen kritische artikelen waarin Uri werd beticht van list en bedrog. Beide tijdschriften hadden hem uitgenodigd voor een demonstratie, maar bij de New Scientist kwam hij niet opdagen, terwijl hij bij Time geen succes boekte. Dat laatste was waarschijnlijk te danken aan de aanwezigheid van de goochelaar James Randi. Toen Randi later aan de Amerikaanse tv-show van Johnny Carson meewerkte, boekte Geller evenmin succes. Randi betoogde in zijn boek The Magic of Uri Geller (1975) dat Geller slechts goocheltrucs liet zien. Het sterkste bewijs dat hij daarvoor leverde, waren zijn eigen demonstraties, waarmee hij Geller evenaarde of zelfs overtrof. Zo wist hij een aantal gelovigen te ontnuchteren, terwijl hij bij anderen twijfel zaaide.

Eind 1977 voerde Randi een gesprek met Gellers ex-manager, Yasha Katz, die bekende dat hij zijn werkgever verscheidene malen had geholpen bij het plegen van bedrog. Zo was hij de kamer van een producer binnengeslopen om er achter te komen welke tekening Uri tijdens een tv-uitzending moest raden. Ook zag hij verscheidene malen hoe Geller van achter zijn rug voorwerpen omhoog gooide, zodat het leek alsof ze uit het niets te voorschijn kwamen. Hoewel Katz verklaarde dat Geller naar zijn mening niet uitsluitend trucs gebruikte, kon hij daarmee diens reputatie niet redden. Al snel werd overal bekend dat GelIer definitief was ontmaskerd, en vele jaren hoorde men niets meer van hem.

boek van Geller & PlayfairIn 1986 maakte hij een sterke come-back met het boek The Geller Effect. Het werd geschreven door Guy Lyon Playfair, een lid van de Society for Psychical Research. Hij nam Geller in bescherming tegen de critici, die hij consequent heksenjagers en lasteraars noemde. Volgens Playfair had niemand ooit bewezen dat Geller een bedrieger was. Degenen die beweerden dat ze hem bedrog zagen plegen, konden zich best vergist hebben en bovendien spraken zij wellicht niet altijd de waarheid. Dat laatste gold onder andere voor Yasha Katz, die op aandrang van Geller bereid was om onder ede te verklaren dat hij zijn voormalige werkgever nooit had geholpen bij het plegen van bedrog. Volgens Katz waren zijn eerdere uitspraken te wijten aan een financieel meningsverschil tussen hem en Geller, dat kennelijk inmiddels was opgelost. Ook van Hanna Shtrang had Geller niets meer te duchten, want zij was met hem getrouwd.

Het grootste deel van het boek werd in beslag genomen door de verhalen die Playfair uit Gellers mond had opgetekend. Uri beschreef onder meer zijn contacten met de Mexicaanse president, de CIA en een aantal rijke zakenlui, en hij beweerde veel geld te verdienen met het opsporen van goud en olie. In opdracht van een zekere heer D., ‘de president van een multinationaal bedrijf’, reisde hij naar Brazilië om goud te zoeken. Als we Geller mogen geloven, kreeg hij al voor zijn vertrek een miljoen dollar uitbetaald! Over de resultaten van zijn goudjacht had hij echter niets concreets te melden.

Geller had zijn aanpak duidelijk aangepast aan de eisen van de jaren tachtig. Hij richtte zijn destructieve krachten bij voorkeur op computerschijven en distantieerde zich van Puharichs UFO-religie: ‘Ik moet toegeven dat ik het ook een beetje gênant vond. U mag niet vergeten dat al dat fantasiemateriaal naar boven werd gehaald terwijl ik onder hypnose was, en ik kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor wat mijn verbeelding onder dergelijke omstandigheden voortbrengt.’

Als bewijs van zijn grote rijkdom liet Geller zijn kapitale villa aan de Theems van alle zijden fotograferen voor het tijdschrift Esotera (maart 1987). Hierin werden ook foto’s afgedrukt van zijn Mercedes, zijn zwembad, zijn jacht, zijn helikopter en zijn twee kinderen. Op de vraag of hij inmiddels bereid was een overtuigend wetenschappelijk bewijs te leveren voor zijn paranormale gaven antwoordde Geller: ‘Op het moment is er mij weinig aan gelegen het bewijs te leveren. Wat mij betreft verloopt alles uitstekend.’

Hoe Geller zijn trucs kon uitvoeren

Er bestaan verschillende manieren om sleutels en lepels schijnbaar psychokinetisch te verbuigen. De methode die Geller meestal gebruikte, was volgens waarnemers erg simpel. Hij wachtte op een moment waarop de toeschouwers even waren afgeleid. Dat gaf hem de gelegenheid het voorwerp bliksemsnel te buigen door er druk op uit te oefenen. Zo kun je een sleutel buigen door hem tegen de zijkant van je stoel te drukken of hem door een opening in een andere sleutel steken, zodat je een bruikbare hefboomwerking krijgt. Geller had alle tijd om een gunstige gelegenheid af te wachten, want hij hoefde zijn trucs niet snel uit te voeren, zoals dat van een goochelaar wordt verwacht. Alle mislukkingen kon hij bovendien toeschrijven aan onvoorspelbare storende factoren, zoals vermoeidheid en slechte vibraties.

Geller gebruikte allerlei methoden om de aandacht van zijn toeschouwers in de verkeerde richting te sturen. Hij was veel in beweging, praatte onophoudelijk, gaf voortdurend aanwijzingen en switchte steeds van het ene experiment naar het andere. Meestal lagen er verschillende testvoorwerpen in zijn buurt. Hij schiep zodoende een maximum aan chaos om zich heen, waardoor anderen het spoor bijster raakten. Vaak beweerde Geller dat water of metaal zijn krachten konden versterken om vervolgens naar een wasbak of centrale verwarming te kunnen lopen. Zo onttrok hij zich even aan de blik van de toeschouwers, wat hem de gelegenheid gaf bedrog te plegen.

De psycholoog David Marks maakte deze manoeuvre mee tijdens een persconferentie in Nieuw-Zeeland. Hij probeerde daar te filmen hoe Uri een sleutel boog. Toen het buigen niet erg wou lukken, vroeg Geller aan Marks of het verwarmingsrooster naast hem van metaal was. Volgens Marks kon daarover nauwelijks twijfel bestaan en hij klopte met zijn linkerhand even op het rooster, terwijl hij ondertussen bleef doorfilmen. Geller nam daar geen genoegen mee en hij kreeg Marks zover dat deze zijn camera weglegde om hard op het metaal te kunnen kloppen. Precies op dat moment liep Uri snel naar hem toe en bracht de sleutel in de buurt van het rooster. Marks begon meteen weer te filmen. Een nauwkeurige analyse van zijn filmbeelden wees uit dat de sleutel al gebogen was voordat Geller zijn bezweringsformule (‘Buig, buig, buig’) uitsprak. Kennelijk had hij de sleutel gebogen, terwijl hij naar het rooster toeliep (Marks en Kammann 1980).

Wanneer Geller er in slaagde een sleutel ongemerkt te buigen, hield hij dat eerst nog enige tijd voor zijn publiek verborgen. Hij legde de sleutel weg om zijn krachten op een andere te beproeven of hij hield de sleutel zodanig vast dat de buiging niet zichtbaar was. Pas wanneer de toeschouwers weer de indruk hadden dat zij precies konden zien wat er gebeurde, begon Geller zachtjes over het metaal te wrijven. Hij vertelde met toenemend enthousiasme dat hij het week voelde worden. Soms liet hij iemand het uiteinde van een sleutel vasthouden en vroeg hem of de sleutel naar zijn oordeel warmer werd. De meeste mensen beaamden dat en inderdaad worden sleutels warmer als je ze in de hand houdt. Vervolgens bracht Geller de buiging langzaam in beeld (bijvoorbeeld door het voorwerp te draaien), terwijl hij uitriep: ‘Kijk hij buigt!’ Veel toeschouwers ondergingen zo de suggestie dat zij het voorwerp spontaan hadden zien buigen, want dat was wat zij verwachtten te zien.

Geller maakte waarschijnlijk ook gebruik van voorgebogen lepels. Wanneer je een lepel in beide handen neemt en enige malen snel heen en weer buigt, wordt de lepel zo slap dat hij al buigt wanneer je hem bij het uiteinde van de steel vasthoudt. Geller pakte dergelijke lepels met duim en wijsvinger bij het buigpunt op. Met zijn linkerhand hield hij het uiteinde van de lepel vast, terwijl hij langzaam en ongemerkt de steun die hij met zijn rechterhand gaf verminderde, zodat de lepel spontaan vooroverboog. Er zijn nog meer manieren om deze truc uit te voeren, maar goochelaars zoals James Randi zijn helaas niet bereid ál hun beroepsgeheimen prijs te geven. [inmiddels zijn bijna alle geheimen op dvd verkrijgbaar – zie naschrift]

Sommigen beweerden dat zij Geller een voorwerp hadden zien buigen zonder het aan te raken. In werkelijkheid hadden ze dan slechts gezien dat hij het voorwerp niet hanteerde op het moment dat de buiging volgens hen spontaan had plaatsgevonden. Ze realiseerden zich niet dat hij het voorwerp al in een eerder stadium had kunnen buigen. Vaak ontdekten journalisten allerlei verbogen voorwerpen pas nadat hij met zijn medewerkers weer was vertrokken. Geller beweerde dat hij moeite had om zijn krachten te richten. Daardoor was het voor de toeschouwers, die van tevoren niet wisten wat er ging gebeuren, onmogelijk om hun aandacht op de juiste plaats te richten.

Gellers grootste wonderen vonden altijd onverwachts plaats. Zo meldden verscheidene journalisten dat er tijdens hun gesprek met Geller plotseling een voorwerp uit de lucht was komen vallen. Michael Brown beschrijft in zijn boek Psycho Kinese (1976) hoe hij getuige was van een dergelijk voorval toen hij Geller bezocht in diens New-Yorkse flat. Tijdens het gesprek klonk opeens een luide knal vanuit een hoek van de kamer. Brown zag een houten schaakbord bewegen, liep er naar toe en constateerde dat er een grote steen op was gevallen. Onder excuses voor zijn scepsis liep hij naar een kast orn te kijken of zich daarin misschien een medeplichtige verborgen hield, die de steen had kunnen gooien. Ook controleerde hij of de deur van de flat nog steeds afgesloten was. Brown vond echter niets dat op bedrog wees. Wel schreef hij: ‘Nu was Uri’s secretaresse naar ons toe gekomen van haar bureau, dat in een uitbouw van de kamer stond en vroeg wat er aan de hand was.’ Aan de mogelijkheid dat deze medewerkster van Geller de steen had geworpen, besteedde Brown merkwaardig genoeg geen aandacht.

Geller bleef niet recht voor de lens staanDe meeste journalisten zouden in hun verslag de secretaresse niet eens hebben genoemd. Zij lieten schijnbaar irrelevante details achterwege en maakten een ordelijk verhaal van de chaotische stroom van gebeurtenissen waarvan ze getuige waren geweest. De lezers kregen daardoor de indruk dat bedrog uitgesloten was. Fotografen deden hetzelfde door middel van fotoreeksen. De foto’s toonden Geller in verschillende stadia van het buigproces en gaven de indruk dat hij de hele tijd recht voor de lens was blijven staan. Dat was in werkelijkheid niet het geval. Zelfs Geller liet weten dat het hem zeer frustreerde, dat de meest overtuigende wonderen altijd plaatsvonden als de camera verkeerd stond gericht of de filmrol vervangen moest worden.

Ooggetuigenverslagen van mensen die een goochelact hebben gezien, zijn doorgaans verre van accuraat, omdat de details waarin het geheim van een truc verscholen ligt, over het hoofd worden gezien. Een aardig voorbeeld daarvan vormde het optreden van een pseudo-paragnost in een tv-show van Ruud ter Weyden. De paragnost liet het aanwezige publiek korte boodschappen op uitgedeelde velletjes papier schrijven. De briefjes werden dichtgevouwen in een doos verzameld. Na een muzikaal intermezzo pakte de paragnost met een bovenmaatse pincet een briefje uit de doos en hield het tegen zijn voorhoofd. Vervolgens vertelde hij wat er op het ongeopende briefje stond en we zagen het verbaasde gezicht van de dame van wie de boodschap afkomstig was. Dit herhaalde zich enige malen, waarbij Ruud ter Weyden telkens controleerde of de tekst op de briefjes inderdaad overeenkwam met de uitspraken van de paragnost. Dat bleek steeds het geval. De presentator verzekerde de kijkers ervan dat de paragnost de briefjes beslist niet van tevoren had kunnen inzien, omdat hij tijdens het muzikale intermezzo naar achteren was gelopen.

Was hier een wonder gebeurd? Neen, het volgende scenario geeft een simpele verklaring voor deze stokoude truc. De paragnost nam een van de briefjes stiekem mee naar achteren en las wat erop stond. (Wellicht kreeg hij het briefje achter de schermen van een medewerker die tijdens de inzameling in het publiek zat.) De aldus verkregen informatie onthulde hij nadat hij met zijn pincet het eerste nog dichtgevouwen briefje uit de doos had gepakt. Schijnbaar om zichzelf te controleren, vouwde hij dit briefje open en verkreeg zo de informatie die hij in zijn volgende poging kon onthullen. Het briefje dat Ruud ter Weyden mocht voorlezen, was niet het briefje dat de paragnost zojuist uit de doos had gepakt. Dat briefje overhandigde hij pas bij de volgende poging, zodat hij steeds een briefje voorlag op de toeschouwers.

Ik sprak verschillende mensen die dit tv-programma hadden gezien. Geen van hen had opgemerkt dat de paragnost de briefjes zelf openvouwde. Wel herinnerden ze zich goed dat hij ze met een groot pincet had vastgehouden. Dat gaf hun de suggestie dat hij ze in het geheel niet had aangeraakt. Bovendien werd het openvouwen van de briefjes nauwelijks in beeld gebracht. Dit voorbeeld illustreert hoe een goochelaar de toeschouwers voor de gek kan houden wanneer die niet weten waarop ze moeten letten.

Wanneer iemand zijn wonderbaarlijke ervaringen met Uri GelIer beschrijft, kunnen we er meestal niet achter komen wat er werkelijk is gebeurd, omdat bepaalde essentiële details in het verhaal ontbreken. Soms is het echter mogelijk om tussen de regels door te lezen hoe Geller het ‘m lapte. Dat is bijvoorbeeld het geval in het verslag van de Israëlische parapsycholoog H. C. Berendt (1986). Berendt had een klein doosje meegenomen dat hij met sellotape stevig had dichtgeplakt. Hij gaf het aan Geller, die probeerde te raden wat erin zat. Het grootste deel van het experiment werd met een cassetterecorder opgenomen, zodat we weten wat er werd gezegd.

Voordat Geller iets over de inhoud van het doosje had verteld, zei hij: ‘Chaim, ik zal je vertellen wat ik te weten kom. Mag ik het doosje na afloop openmaken?’ De parapsycholoog willigde dit verzoek onmiddellijk in. Geller gaf hem vervolgens de opdracht een rechthoek te tekenen en zich daarin het verborgen voorwerp voor te stellen. Nadat Berendt dit had gedaan, vertelde Geller dat hij iets voelde wat zacht en wit was (dat waren de watten waarin het voorwerp lag). Veel meer informatie kon hij nog niet geven. Daarom gaf hij Berendt de opdracht een driedimensionale tekening van het doosje te maken. Ten slotte vroeg hij om het notitieblok en maakte na enkele minder geslaagde aanzetten een accurate tekening van het verborgen voorwerp. Hij vermoedde dat het een fossiel zou kunnen zijn en dat was inderdaad het geval.

‘Mag ik het nu openmaken?’ vroeg Geller enthousiast. Berendt knikte en Geller begon meteen verwoed aan het sellotape te trekken. Berendt vergeleek hem met een klein kind dat zijn kerstcadeau niet open kan krijgen. De laatste strook sellotape trok Uri met zoveel geweld los dat het kartonnen doosje kapotscheurde. Bij het zien van de inhoud gaf hij een vreugdeschreeuw en na afloop verklaarde hij vol trots een dergelijk kunststukje nog niet eerder te hebben uitgehaald.

Tijdens het experiment had Berendt het gevoel alsof hij naar het ongecompliceerde en emotionele gedrag van een kind zat te kijken. Dat gaf hem de indruk dat hij de situatie geheel in de hand had. Vermoedelijk waren de rollen in werkelijkheid omgedraaid. Niet Geller, maar Berendt was degene die zich naïef gedroeg. Gellers gedrag was zonder twijfel veel geraffineerder dan hij deed voorkomen. Niet voor niets vroeg hij tweemaal of hij het doosje mocht openmaken om het ten slotte kapot te scheuren. We mogen aannemen dat hij er een gat in maakte op het moment dat Berendts aandacht even was afgeleid. In eerste instantie voelde hij alleen watten en daarom gaf hij Berendt een tweede tekenopdracht. Terwijl de parapsycholoog een kubus tekende en zich daarin het fossiel voorstelde, had Geller alle gelegenheid met zijn vinger de inhoud van het doosje te verkennen.

Het ware meesterschap van Geller was erin gelegen dat hij een situatie wist te creëren waarin Berendt er niet toe kwam om het doosje te inspecteren voordat het werd opengemaakt. Toen Geller vroeg ‘Mag ik het nu openmaken?’ zag Berendt hem popelen van ongeduld en gunde hem de beloning die hij reeds eerder had toegezegd. Geller speelde met overtuiging de rol van het gretige kind. Dat bood hem de kans alle sporen van braak uit te wissen door het doosje kapot te maken. Deze interpretatie bewijst niet dat Geller werkelijk bedrog heeft gepleegd. Wel is het de meest eenvoudige verklaring voor zijn opmerkelijke succes.

Soms demonstreerde Geller zijn helderziende gaven door tekeningen te reproduceren die in gesloten enveloppen zaten. In dat geval was het meestal niet nodig om de enveloppen stiekem te openen. Maak maar eens een tekening op een vel papier, vouw het papier tweemaal doormidden en stop het in een envelop. Als je de envelop nu stevig tegen het papier aandrukt en zorgt voor een gunstige lichtval, kun je de lijnen van de tekening vaag onderscheiden. (Dat lukt nog beter door er een penlight achter te houden of door de envelop met alcohol te bevochtigen.) Geller had eveneens deze mogelijkheid, want hij hanteerde de enveloppen meestal langdurig. David Marks en Richard Kammann (1977) stopten drie tekeningen die eerder aan Geller waren voorgelegd opnieuw in enveloppen, die een aantal studenten korte tijd mochten inspecteren. Sommige studenten wisten de tekeningen even nauwkeurig te reproduceren als Geller had gedaan. Zij slaagden er bovendien evenmin als Geller in de derde afbeelding na te tekenen. Dat kwam omdat de omtrek deze tekening geheel onherkenbaar werd wanneer het papier was gevouwen. Uri Geller tekende precies de vorm die door de envelop heen zichtbaar was.

Een sterk staaltje van psychokinese, dat Geller in de meeste tv-shows liet zien, was het weer in gang zetten van oude horloges. Hij riep de kijkers op horloges die waren blijven stilstaan in hand te houden en velen belden de studio om te melden dat hun horloge weer was gaan lopen. Volgens Guy Lyon Playfair (Geller & Playfair 1986) spreekt dit ‘bewijsmateriaal van het publiek op overtuigende wijze in Gellers voordeel’. Kennelijk wist hij niet dat de goochelaar Milbourne Christopher hetzelfde presteerde tijdens een aantal radio- en tv-shows die in 1975 plaatsvonden. Meer dan duizend mensen belden op om een wonder te rapporteren (Booth 1986).

Marks en Kammann (1977) ontdekten een doodsimpele verklaring voor het mirakel. De meeste horloges blijven niet stilstaan vanwege een mechanisch defect, maar omdat de olie zich heeft vastgezet of omdat er stof in het horloge zit. Wanneer je een dergelijk horloge opwindt en enige tijd in je gesloten hand houdt, die je wat heen en weer beweegt, dan heb je een goede kans dat het gaat lopen. Door de warmte van je hand wordt de olie vloeibaar, terwijl de bewegingen die je maakt het mechaniek tijdelijk weer in gang kunnen zetten. [Uiteraard werkt dit niet met de hedendaagse digitale horloges.]

Geller kon ook de stand van een kompasnaald beïnvloeden. Playfair gaf de volgende beschrijving van deze truc:

Hij knielde op de betonnen vloer, met beide handen op de vloerbedekking steunend, concentreerde zich even krachtig en knikte toen met zijn hoofd afgemeten naar het kompas, alsof hij een hond was die erin wilde bijten. Terwijl hij dat deed stootte hij een duidelijk gekreun uit. Ik keek vanaf een paar centimeter naar de naald.

‘Ja,’ zei ik. ‘Hij heeft heel even bewogen.’ Dat had hij niet, maar ik dacht dat zo’n reactie, ook al was ze onwaar, hem zou aanmoedigen, en dat was ook zo. Hij probeerde het opnieuw en dit keer draaide de naald minstens vijftien graden zonder te vibreren. Vanaf het punt waar ik toekeek kon ik zien dat hij de tafel niet aanraakte …

Ik kan alleen maar zeggen dat Uri zonder enige twijfel een kompasnaald kan laten bewegen door zijn hoofd er dichtbij te brengen. Hij kan diezelfde beweging ook maken zonder de naald te bewegen, en dat zou dan de mogelijkheid uitschakelen van een ‘verborgen magneet’ in zijn haar, zijn hals of zijn mond. (Geller & Playfair 1986, p. 256-257)

We mogen aannemen dat de naald inderdaad niet op de beweging van Uri’s hoofd reageerde, want een goede goochelaar zorgt ervoor dat de toeschouwers hun aandacht op de verkeerde plaats richten. Wie Playfairs beschrijving nauwkeurig leest, zal opmerken dat Geller zijn tweede poging niet op de vloer uitvoerde, maar aan een tafel. Dat gaf hem de mogelijkheid om ongemerkt zijn voet in de buurt van het tafelblad te brengen. In zijn schoen bevond zich wellicht een kleine magneet of een stuk metaal. Playfair keek van dichtbij toe, zodat hij beslist niet kon zien wat er onder de tafel gebeurde.

Al deze voorbeelden mogen duidelijk maken dat Geller zijn effecten doorgaans met simpele middelen kon bereiken. Wie zelf wil ervaren hoe eenvoudig het is om anderen te verbazen, vindt achter in dit boek een drietal zeer effectieve goocheltrucs.

Experimenten met Geller

In 1972 en 1973 bezocht Geller gedurende enkele weken het Stanford Research Institute, waar hij meewerkte aan een groot aantal experimenten van Russell Targ en Harold Puthoff. In een film van het SRI was onder meer te zien hoe hij een voorwerp opspoorde dat in een afgesloten blikje zat. Tien blikjes stonden in een open doos en geen van de aanwezigen wist welk blikje gevuld was. Geller wees steeds een leeg blikje aan, dat door een assistent uit de doos werd verwijderd, totdat uiteindelijk het volle blikje overbleef. Dit is een aardige truc, maar beslist geen wetenschappelijk experiment. Door de lege blikjes te laten verwijderen, worden ook de overige enigszins in beweging gebracht, en volle blikjes trillen anders dan lege. Het verschil is na enige oefening duidelijk waarneembaar. Targ en Puthoff schenen zich niet te hebben afgevraagd waarom Geller zo’n omslachtige methode gebruikte om zijn doel te bepalen.

De film van het SRI toonde ook een experiment waarin Geller raadde hoeveel ogen een dobbelsteen aangaf die zich in een gesloten archiefdoos bevond. Volgens Targ en Puthoff werd de doos eerst goed geschud en schreef Uri de uitkomst van de worp op voordat de doos werd geopend. In totaal zouden slechts tien pogingen zijn ondernomen. Acht daarvan waren succesvol, terwijl Geller tweemaal geen keuze maakte. De toevalskans op zo’n resultaat is kleiner dan één op een miljoen. Met deze demonstratie had Geller zelfs de grootste skepticus binnen een half uur kunnen overtuigen, maar om de een of andere reden prolongeerde hij zijn voorstelling niet.

James Randi wees erop dat Geller van een truc gebruik had kunnen maken wanneer de onderzoekers hem de kans hadden geboden de doos vast te pakken. Targ en Puthoff beweerden dat hun video-opnames aantoonden dat daarvan geen sprake was geweest, maar ze lieten slechts één van de tien experimenten zien. Dat was (toevallig?) een experiment waarin Geller geen definitieve keuze maakte. Martin Gardner (1982) informeerde bij Puthoff naar de filmbeelden van de overige pogingen, maar kreeg te horen dat daarvan geen opnames waren gemaakt.

De enige serie experimenten die de beide parapsychologen uitvoeriger hebben beschreven, vond in augustus 1973 plaats. Om Geller beter te kunnen controleren, werd hij opgesloten in een kamer met dubbele stalen wanden. Pas nadat hij veilig in zijn hok zat, kozen de onderzoekers een willekeurig woord uit het woordenboek en maakten daar een tekening van. Geller maakte ook een of meerdere tekeningen, die vergeleken werden met het origineel. De overeenkomsten waren dikwijls frappant. Inmiddels zijn echter verscheidene details bekend geworden die de betrouwbaarheid van dit onderzoek op losse schroeven zetten.

De psychologen David Marks en Richard Kammann (1980) ontdekten een gat van bijna 10 cm in doorsnede waarlangs de kabel van een intercom de stalen kamer werd binnengeleid. Ook zagen zij dat er een raampje in de kamer zat. Volgens Targ en Puthoff kon Geller desondanks niet naar buiten kijken, omdat zij het gat volgestopt hadden met katoen en het raampje was afgedekt met een prikbord. Toch kunnen we er niet zeker van zijn dat Geller werkelijk niet in de kamer van de onderzoekers heeft gekeken, want hij zat alleen in de stalen kamer, zodat niemand hem in de gaten kon houden. Het is bovendien mogelijk dat hij hulp kreeg van Shipi, die zich steeds in de buurt bevond. Er zijn verschillende manieren denkbaar waarop hij Geller informatie had kunnen verschaffen, bijvoorbeeld door middel van klopsignalen.

Charles Rebert, als psycholoog verbonden aan het SRI, kreeg de kans om Geller opnieuw te onderzoeken. Hij zorgde ervoor dat tijdens het onderzoek geen van de aanwezigen wist welke tekeningen er geraden moesten worden. Die bevonden zich in afgesloten enveloppen, die Geller niet ter hand werden gesteld. Dat maakte uitgebreide veiligheidsmaatregelen overbodig. Onder deze omstandigheden boekte Geller geen enkel resultaat. Rebert deed later een boekje open over het onderzoek van zijn collega’s. Hij vertelde een zeer grote hoeveelheid tekeningen te hebben zien liggen, terwijl Targ en Puthoff het deden voorkomen alsof de tekeningen die zij publiceerden de enige waren (Randi 1982b).

Het onderzoek aan het SRI was in eerste instantie gericht op Gellers vermogen om metaal te buigen, maar zijn krachten lieten het steeds afweten zodra de omstandigheden beter werden gecontroleerd. Dat was de reden waarom de twee parapsychologen hun heil zochten bij Uri’s vermogen tot buitenzintuiglijke waarneming. Over hun PK-experimenten publiceerden zij vrijwel geen gegevens.

Gellers psychokinetische krachten werden volgens Charles Panati, de samensteller van The Geller Papers, wel overtuigend aangetoond door Eldon Byrd, een laboratoriummedewerker van het Naval Surface Weapons Center. Panati beweerde dat hij Byrds onderzoeksverslag met toestemming van het Departement van Defensie mocht publiceren. Later bleek evenwel dat Byrd het onderzoek op eigen houtje had uitgevoerd in een plaatselijk occult centrum. Hij maakte gebruik van nitinol, een legering van nikkel en titanium, die een ‘geheugen’ heeft. Een verbogen draad nitinol trekt bij verhitting vanzelf weer recht. Met de draden die Byrd Geller ter hand stelde, gebeurde juist het omgekeerde: ze trokken in kokend water krom. Volgens Byrd kon dit effect alleen worden bereikt door het metaal met een bunsenbrander te verhitten en het daarna met een tang te verbuigen.

Martin Gardner (1977) ontdekte een eenvoudiger methode. Hij boog de nitinoldraad bij kamertemperatuur onder een scherpe hoek en boog hem vervolgens weer recht. Toen hij de draad daarna in kokend water hield, trok deze vanzelf krom. Byrd beweerde dat verscheidene metallurgen van het Naval Surface Weapons Center vruchteloos hadden geprobeerd om de door Uri verbogen draad weer recht te krijgen. Zij hadden de draad in een luchtledige ruimte verhit tot een zeer hoge temperatuur, maar de knik keerde op onverklaarbare wijze terug nadat het metaal was afgekoeld. Het marinelaboratorium ontkende in een openbaar memorandum een dergelijke proef te hebben uitgevoerd. Byrd riep daarom de hulp in van de parafysicus Ronald Hawke. Die had echter geen moeite om de draad weer recht te krijgen en hielp daarmee het wonder de wereld uit.

Al met al waren de experimenten met Uri Geller niet erg overtuigend. Hij paste er steeds goed voor op zich niet door al te kritische wetenschappers te laten onderzoeken, die een valstrik voor hem hadden kunnen spannen. In 1978 liet hij zelfs weten in het geheel niet meer te willen meewerken aan wetenschappelijk onderzoek.

James Randi betoogde dat wetenschappers in het vervolg ervaren goochelaars zouden moeten raadplegen bij het opzetten van experimenten met wondermensen. Juist goochelaars zijn vaak het beste in staat maatregelen te nemen die bedrog kunnen voorkomen, want zij kennen de vele subtiele praktijken waarmee men anderen om de tuin kan leiden. Volgens Randi waren de onderzoekers van Uri Geller zich nauwelijks bewust van mogelijke trucs. Om hem niet te ontstemmen, kwamen ze tegemoet aan veel van zijn wensen en gaven hem zo de mogelijkheid voor een deel zijn eigen werkomstandigheden te bepalen. Hasted en Bohm (1976) merkten bijvoorbeeld dat hun experimenten veel beter verliepen wanneer Geller zich goed kon vinden in de opzet daarvan. Ook constateerden zij dat de vermeende paranormale verschijnselen vaak onverwachts optraden en uitbleven wanneer zij hun aandacht te sterk op het onderzoek richtten. Een informele sfeer bleek tot de beste resultaten te leiden. Dat is precies wat een goochelaar nodig heeft. Wanneer je hem de vrije hand geeft, kun je verwachten dat er de meest onbegrijpelijke dingen gebeuren.

Gellers pleitbezorgers

De pleitbezorgers van Uri Geller erkenden dat ook goochelaars tot verbazingwekkende prestaties in staat zijn. De bekende publicist Colin Wilson gaf in zijn boek The Geller Phenomenon het volgende commentaar op een demonstratie van James Randi:

Wanneer Randi zou hebben beweerd dat hij de truc met behulp van bovennatuurlijke krachten tot stand had gebracht, dan zou ik geneigd zi