Antidoping

Geldverslindende strijd tegen placebo’s

door Peter Vermij

Honderden miljoenen euro’s worden jaarlijks uitgegeven aan het opsporen en bestraffen van sporters die doping gebruiken. Maar van maar heel weinig van de groeiende lijst met ‘verboden middelen’ is aangetoond dat ze de prestatie van sporters verbeteren. Sterker nog, deskundigen vermoeden dat de meeste verboden middelen evenveel voordeel geven als een suikerplacebo — maar ze brengen de gezondheid van sporters wel schade toe.

wielrenner

In de ochtend van 20 juli 1997 stond wielrenner Richard Virenque voor de belangrijkste Tour de France-etappe van zijn leven. Op het programma stond een tijdrit van 148 kilometer door de Alpen. Voor een plek op het podium in Parijs zou de Franse klimmer hier moeten schitteren. Kort voor de start gaf hij Willie Voet, de verzorger van zijn Festina-ploeg, een buisje. Het bevatte een middel dat de prestatie enorm kon vergroten, zei hij — hij had het onder de tafel van een Spaanse verzorger gekregen.

Voet deed wat Virenque van hem verlangde en gaf de klimmer een injectie. En inderdaad: de renner vlóóg over de bergen en won de etappe met glans. Voortaan, zei hij na afloop tegen Voet, wilde hij voor élke tijdrit een injectie met dit wondermiddel.

Wat Virenque niet wist, en door Voet pas jaren later in zijn boek Prikken en slikken werd onthuld, was dat hij proefpersoon was geweest in een n=1-experiment. Zijn verzorger had het mysterieuze middel niet vertrouwd en dus zijn renner stiekem een onwerkzame placebo ingespoten.

In de geschiedenis van de sportdoping was het ook een zeldzaam experiment, want dopingonderzoek met placebo’s wordt amper gedaan.

Placebo’s

’Placebo’s werken in sport,’ zegt Bram Brouwer, oud-wielrenner, oudschaatscoach en gepromoveerd sportpsycholoog. ’Een wielrenner die gelooft dat iedereen doping gebruikt behalve hij, denkt dat hij niet kan winnen en rijdt minder scherp. Als hij iets neemt, denkt hij: ik kan ook meekomen en gaat oplettender rijden.’

Jules Heuberger, promovendus aan de Leidse universiteit, leidt deze zomer een placebo-gecontroleerd onderzoek naar het prestatieverhogende effect van epo bij getrainde wielrenners. Hij is het met Brouwer eens. ’Ik weet bijna zeker dat placebo’s sportprestaties behoorlijk verbeteren, want wilskracht is in sport een enorme factor.’

Ook Herman Ram, directeur van de Nederlandse Dopingautoriteit, de antidopingorganisatie voor de overheid en de landelijke sportkoepel NOC*NSF, gelooft in een belangrijk placebo-effect voor sporters die doping gebruiken. ’Er is helaas heel weinig onderzoek naar gedaan, maar het weinige dat we hebben wijst op een prestatieverhogend placebo-effect van één tot drie procent. In topsport is dat het verschil tussen een podiumplaats en de finale mislopen.’

Wondermiddel

De wetenschappelijke dopingliteratuur bevat niet alleen weinig placeboonderzoek, er is überhaupt opmerkelijk weinig onderzoek dat bewijst dat doping werkt. In de jaren veertig is wel aannemelijk gemaakt dat amfetamine de prestaties verbetert, en in de jaren daarna dat anabole steroïden schelen bij krachtsporten, maar voor het overige is veelal slechts op basis van farmacologische analogieën geëxtrapoleerd — waarbij bovendien werd aangenomen dat wat voor de ene sport geldt, ook wel voor de andere zal gelden.

Een van de modernere middelen waarnaar althans enig wetenschappelijk onderzoek is gedaan, is het al genoemde epo, erytropoëtine, een eiwit dat in patiënten zorgt voor meer rode bloedlichaampjes. Duursporters, sportjournalisten en fans lijken er algemeen van overtuigd dat atleten die epo nemen een groot voordeel hebben ten opzichte van concurrenten. Wetenschappers zijn daar echter niet zo zeker van. De ongeveer twintig epoonderzoeken die tot nu toe zijn gedaan, geven in hun ogen niet voldoende onderbouwing.

Brouwer, die voor zijn proefschrift al dat epo-onderzoek bekeek, noemt het ‘zeer onaannemelijk’ dat epo duursporters zoals wielrenners significant voordeel geeft. Als er al voordeel is, verbleekt dat bij de technische en psychologische aspecten van de sport, meent hij.

Ook Heuberger, die deze zomer voor het eerst de effecten en neveneffecten van epo bekijkt in een dubbelblind, placebo-gecontroleerd onderzoek onder goed getrainde wielrenners in de Franse Alpen, vermoedt dat het potentiële effect door veel mensen wordt overschat. ’Voor patiënten met ernstige bloedarmoede, die de trap niet op komen, kan epo de conditie flink verbeteren. Maar dat kun je niet vertalen naar sportprestaties van gezonde mensen die jaren dagelijks uren hebben getraind. Om van heel goede prestaties naar nog betere te gaan, dat zou heel bijzonder zijn, een wondermiddel, dat zien we eigenlijk bijna nooit.’

Criteria

De lijst met verboden middelen wordt bijgehouden door de WADA, de World Anti-Doping Agency, samengesteld en gefinancierd door regeringen en sportfederaties wereldwijd. Een commissie van deskundigen beslist in geheime vergaderingen welke middelen op de lijst komen te staan. Voor die beslissing moet aan twee van drie criteria worden voldaan: het middel verhoogt mogelijk de prestaties, het is mogelijk schadelijk voor de gezondheid, en gebruik van het middel is ‘strijdig met de geest van de sport.’

’Voor geen van de drie criteria is wetenschappelijk bewijs een vereiste,’ zegt Ram. Voor honderden middelen overtuigend bewijs vragen zou te duur worden, denkt hij. Bovendien zouden nieuwe middelen vrij gebruikt kunnen worden totdat zulk bewijs is geleverd.

’In de praktijk gebruikt de commissie voor de toetsing van de criteria vrijwel nooit klinisch onderzoek,’ bevestigt Don Catlin, een Amerikaanse dopingexpert die vanuit de Universiteit van Californië het Olympische analyselaboratorium opzette voor de Amerikaanse Spelen in 1984, het eerste en grootste dopingtest-lab van de wereld. Na zijn pensionering stichtte hij een non-profit privélaboratorium in Los Angeles, Anti-Doping Research, Inc, waar hij nieuwe analysemethoden ontwikkelt.

’De meeste middelen op de lijst kwamen erop omdat ze lijken op middelen waarvan lang geleden is besloten dat ze prestaties verbeteren, zoals die anabole steroïden en amfetamine. Maar veel middelen, zoals DHEA, horen waarschijnlijk niet op de lijst, want er is geen of nauwelijks bewijs voor hun werkzaamheid.’

De lijst kent nu ruim 250 middelen, en hij groeit nog voortdurend. Sommige namen erop klinken logisch, zoals epo en cocaïne; andere klinken een stuk minder logisch, zoals morfine en strychnine, een dodelijk gif. En sommige stoffen zijn er waarschijnlijk om zuiver politieke redenen op gezet, zoals cannabis — stellig omdat het strijdig is met ‘de geest van de sport’. Wat die geest is, is ook voor de WADA een lastig te operationaliseren begrip: men spreekt bloemig van ‘de essentie van Olympisme’, de ‘viering van de menselijke geest en het menselijk lichaam’, en ‘ethiek, fair play en eerlijkheid’, maar concreter wordt het niet.

’Toen ik jaren geleden zelf in de lijstcommissie van WADA zat, heb ik eens voorgesteld om tegenover elk nieuw middel op de lijst een ander te schrappen,’ zegt Catlin. ’Dat leverde heel veel weerstand op.’

Verboden vruchten

Een lang dopingregister lijkt goed om het zekere voor het onzekere te nemen, maar het kan ook heel andere effecten hebben. Het kan bijvoorbeeld dat atleten geloven dat een middel goed werkt juist omdát het op de verboden lijst staat. Zodra onwerkzame maar riskante stoffen op de lijst staan, beginnen sporters het te gebruiken.

Hoe vaak dat gebeurt, is niet gemakkelijk te controleren, want ondanks geruststellende woorden voor de buitenwereld slaan sportbonden in de praktijk testen op veel verboden stoffen over. ’Dopingtesten zijn voor een sportbond heel lastig: ze kosten veel geld en, als er positieve uitslagen zijn, nog meer geld en advocaten,’ zegt Catlin. Hoe langer de lijst wordt, hoe hoger de kosten, zegt hij, vooral als een nieuw middel nieuwe detectiemethoden vergt. Op den duur wordt die situatie onhoudbaar.

De schattingen over de maatschappelijke kosten van doping nu lopen uiteen. Herman Ram, van de Dopingautoriteit, kwam ooit met een berekening op een sigarendoosje uit op 250 tot 300 miljoen euro per jaar wereldwijd. Analyse en detectie van middelen op de lijst zijn zeker goed voor tientallen miljoenen euro’s per jaar. En dan hebben we het nog niet over overheidsapparaten die politie en justitie inzetten.

Supplementen

Een risico van de lijst is ook dat atleten kunnen denken dat middelen die er níet op staan ongevaarlijk zijn. Zo is het gebruik van allerhande voedingssupplementen met vitaminen, mineralen en aminozuren bijzonder populair. ’Op grond van onze ervaringen schat ik dat 50 procent, misschien wel 80 procent van de atleten supplementen gebruikt,’ zegt Catlin.

Supplementen die niet op de lijst staan kunnen niettemin gezondheidsschade geven, bijvoorbeeld omdat er middelen aan zijn toegevoegd of omdat ze in zeer hoge doses worden gebruikt. Schaatser Sven Kramer moest jaren geleden een schaatsseizoen afbreken omdat, zo werd later door artsen vastgesteld, zijn ‘orthomoleculair therapeut’ hem met zeer hoge doses een vitamine-B6-vergiftiging had berokkend.

Probleem van de te lange lijst is ook dat wetenschappelijk onderzoek naar schadelijke bijwerkingen bij de vele atleten die ondanks het verbod toch verboden middelen gebruiken, feitelijk onmogelijk wordt: zodra het middel op de verboden lijst staat, kunnen atleten immers niet meer meedoen aan onderzoek waarin het wordt toegediend. Daardoor ontbreekt kennis over bijwerkingen bij gezonde sporters, en kunnen atleten niet grondig en volledig worden voorgelicht over de voordelen (voor zover aanwezig) én de mogelijke risico’s van dopinggebruik.

Als ze zouden weten dat een stof als epo in de wedstrijd weinig helpt maar wel gezondheidsrisico’s met zich mee brengt, zouden atleten misschien vaker van doping afzien, denkt Brouwer. ’Laat beroepsrenners thuis maar eens uitleggen dat zij een middel gebruiken waar ze niet beter van presteren maar dat wel schadelijk kan zijn voor hun gezondheid.’

Klare wijn

Het epo-onderzoek dat Jules Heuberger deze zomer bij het Centre for Human Drug Research in Leiden uitvoert zou het begin kunnen zijn van een beweging in meer wetenschappelijk verantwoorde richting. ’Onze aanpak is denk ik de meest logische, dus het zou een voorbeeld kunnen worden van goed gecontroleerd, goed doordacht wetenschappelijk onderzoek, ook voor andere middelen dan epo,’ zegt Heuberger.

De Nederlandse Dopingautoriteit werkt op de achtergrond mee aan het Leidse onderzoek en is zeker benieuwd naar de uitkomsten, zegt Ram. ’Klare wijn is altijd prettig, en hoe meer harde wetenschappelijke data we hebben, hoe fijner het voor ons is.’

Zelfs al zou echter wetenschappelijk overtuigend worden bewezen dat epo of andere middelen voor atleten géén prestatieverbeterende werking hebben, dan nog voorziet Ram geen inkorting van de dopinglijst. ’Zolang er kans op gezondheidsschade bestaat, en gebruik wordt gezien als strijdig met de geest van de sport, zolang zal een stof niet van de lijst verdwijnen,’ denkt hij.

Waarom zou een sportsector jaarlijks honderden miljoenen euro’s blijven spenderen aan opsporing en bestraffing van atleten die onwerkzame middelen gebruiken? Juist vanwege die grote financiële belangen wordt oppositie niet geaccepteerd, denkt Brouwer, die na zijn promotie door veel mensen is bekritiseerd. ’Kennelijk gelooft men in de sportwereld zo heilig in de werking van doping, dat iedereen de situatie accepteert en mensen die iets anders zeggen liever buiten sluit.’

Deel van het probleem is ook dat WADA, de beheerder van de lijst, inmiddels een grote, complexe, politieke, internationale organisatie is, waar het niet gemakkelijk is een benadering fundamenteel te veranderen. ’Wanneer je zegt: laten we de helft van de stoffen weer van de lijst gooien, dan merk je dat mensen dat niet graag willen veranderen,’ zegt Catlin. ’Ze hebben immers jaren heel hard gewerkt om stoffen óp de lijst te krijgen!’

Foto:  rcaucino | 123RF

Uit: Skepter 29.2 (2016)

Peter Vermij is communicatieadviseur en oud-wetenschapsjournalist.