Sirius en de Dogon

door Rob van Gent

Er zijn veel verhalen over buitenaardse bezoekers die lang geleden hun kennis en beschaving uitgedeeld zouden hebben. Zulke verhalen over de Dogon in Mali zijn het meest interessant. Deze stam zou gedetailleerde astronomische kennis hebben over het Siriusstelsel.

De Zwitserse hotelier Erich von Däniken haalde in 1968 de koppen van de wereldpers met de publicatie van zijn boek Erinnerungen an die Zukunft: Ungelöste Rätsel der Vergangenheit. In dit werk, en in de vele boeken en films die hierop volgden, werden diverse archeologische en geschiedkundige mysteries gepresenteerd die volgens von Däniken alleen verklaard konden worden door aan te nemen dat de Aarde meerdere malen in een ver verleden door buitenaardse wezens bezocht zou zijn. Deze superontwikkelde bezoekers, die door de stomverbaasde aardbewoners tot goden waren verheven en nu nog steeds in onze mythen en legenden voortleven, zouden de scheppers zijn geweest van de vele oudheidkundige puzzels waarvoor de moderne archeologie geen zinnige verklaring kon geven.

Ondanks het feit dat het merendeel van von Dänikens archeologische mysteries betrekkelijk eenvoudig ontzenuwd konden worden, (1) hebben talloze andere auteurs zijn voorbeeld gevolgd – soms om von Dänikens theorieën te ondersteunen maar vaak ook om hun eigen hersenspinsels te ventileren. (2) Daar altijd weer uitgegaan werd van min of meer dezelfde verzameling van oudheidkundige ‘mysteries’, aangevuld met een al langer bekend en door theologen, taalkundigen en folkloristen uitentreuren becommentarieerd corpus van religieuze, mythische en legendarische teksten, konden skeptici hier nauwelijks warm voor lopen.

In dit vaste repertoire van ‘contactlegenden’ springt er echter één tussenuit waarin zelfs skeptici zoals de exobiologen Iosef Shmuelovich Shklovskii en Carl Sagan (3) meenden dat er mogelijk een kern van waarheid in verborgen ligt. Zij doelden op de Oannesmythe, een mogelijk op Soemerische bronnen teruggaande overlevering waarin verhaald werd over amfibische wezens die in een ver verleden uit de wateren van de Perzische Golf opdoken en de Soemeriërs de schriftkunst aanleerden en zo de basis legden voor het ontstaan van de Soemerische cultuur. Alhoewel deze mythe pas omstreeks 280 v.C. werd opgetekend in de Babyloniaca van de Chaldeeuwse historicus Berossus (4), vermeldt deze een aantal zaken (zoals een parallelle versie van het bekende zondvloedverhaal uit het Gilgamesj-epos) die ook in oudere Akkadische bronnen worden vermeld.

Een opmerkelijke bewerking van de Oannesmythe raakte in de jaren ’70 populair toen het Soemerische verhaal gecombineerd werd met nieuwe gegevens waaruit zou blijken dat de Dogon, een volksstam in de Afrikaanse Sahel, astronomische kennis zou bezitten die in een ver verleden door bezoekers van de ster Sirius aan de mensheid zou zijn overgedragen.

Klassieke beschaving

Marcel Griaule
Marcel Griaule

De Dogon is de verzamelnaam voor een gemeenschap van circa 300.000 zielen die in stamverband over enkele honderden dorpen verspreid het district Bandiagara in Centraal-Oost-Mali bewonen. De pittoreske bouw en ligging van hun dorpen, gelegen aan de voet van een steile rotswand (‘falaise’) die in noordoost-zuidwestelijke richting parallel met de rivier de Niger loopt, en hun boeiende systeem van mythen, rituelen en primitieve kunst hebben sinds de jaren ’30 de aandacht van zowel antropologen, etnologen, kunstliefhebbers als nu ook in toenemende mate van toeristen getrokken. (5) Het etnografisch onderzoek van de Dogoncultuur is lange tijd gedomineerd geweest door het werk van de Franse etnoloog Marcel Griaule (1898-1956) en zijn leerlingen. Griaule kwam voor het eerst in contact met de Dogon tijdens de Franse ‘Dakar-Djibouti Expeditie’ van 1931-33. Hij verwierf het vertrouwen van enkele dorpsoudsten (hogon) van de Dogon en kon zo een schat aan gegevens over hun cultuur, mythologie en gebruiken vergaren die hij in 1938 in zijn proefschrift over de dansmaskers van de Dogon publiceerde. (6)

Na een onderbreking door de Tweede Wereldoorlog zette Griaule zijn onderzoek van de Dogon in 1946 voort. Een van zijn belangrijkste informanten, de blinde hogon Ogotemmêli uit het dorp Onder-Ogol, beschreef hem toen een gedetailleerd uitgewerkt scheppingsverhaal van de Dogon dat qua complexiteit zijn weerga in de antropologie niet kende en de Dogoncultuur op hetzelfde niveau scheen te plaatsen als die van de oude klassieke beschavingen uit het Middellandse-Zeegebied. Griaules publicatie van dit onderzoek in 1948 maakte zijn naam zelfs buiten de kringen van etnologen wijd en zijd bekend. (7)

Siguifestival

Tot dusver was er in Griaules werk nog geen sprake geweest van buitenaardse mysteries, maar dit veranderde met een artikel dat hij een paar jaar later met zijn naaste medewerker Germaine Dieterlen publiceerde waarin zij verslag deden van gesprekken die zij in de periode 1946-50 gevoerd hadden met een viertal informanten (Ogotemmêli was in 1947 overleden) onder de Dogon en de naburige stammen van de Bambara, de Bozo en de Minianka. (8) Met name Ongnonlou Dolo, de dorpsoudste van het dorpje Go en omschreven als een bewaarder van ‘uiterst geheime kennis’, gaf een gedetailleerde beschrijving van een van de meest belangrijke evenementen in de Dogonsamenleving, het Siguifestival en de rol van de ster Sirius hierin.

De Dogon op weg naar het Sigui-festival
De Dogon op weg naar het Sigui-festival

Het Siguifestival dat elke 60 jaar gevierd wordt symboliseert de (her)schepping van de wereld. (9) Het startsein voor het Siguifestival zou bepaald worden door de uiterst kleine en zware ster po tolo (‘Digitaria ster’) (10) die in 50 jaar tijd een ovale baan beschrijft om de heldere ster sigi tolo (‘Sigui ster’ = Sirius). In deze kleine en onzichtbare ster (het ‘ei van de wereld’) zou de kiem en de oorsprong van alles besloten liggen. Het zou tegelijk de meest zware ster (480 ezelsvrachten!) alsmede de allerkleinste ster (niet groter dan een ossenhuid!) in het universum zijn. Ondanks haar baanbeweging om Sirius zou zij tevens de spil van het universum zijn waaromheen alles draait. Naast de ster Digitaria zou er nog een derde ster in het spel zijn: de ster emme ya tolo (‘Sorghum Vrouw ster’) die ook in 50 jaar en op 90 graden afstand van Digitaria een wat grotere ovale baan om Sirius beschrijft. (11) Deze ster, vier maal zo licht als Digitaria en groter in omvang, heeft zelf ook weer een begeleider nyân tolo (‘Ster der Vrouwen’).

Het opmerkelijke van deze traditie is dat ze allerhande details over het Siriusstelsel vermeldt die tot op zekere hoogte aardig kloppen met wat modern sterrenkundig onderzoek aan het licht heeft gebracht. (12) Sirius, de helderste ster aan de hemel en een van de sterren die het dichtst bij ons zonnestelsel staan, is inderdaad meervoudig. Het heeft een met het blote oog onzichtbare begeleider die alleen met grote telescopen zichtbaar is. De begeleider beschrijft een ellipsvormige baan om de hoofdster met een periode van 50 jaar en werd pas in 1862 ontdekt. Onderzoek vanaf de jaren ’20 van deze eeuw toonde aan dat deze ster een zogenaamde witte dwerg is, met andere woorden een bijna uitgedoofde ster die zich aan het einde van zijn evolutie bevindt. De begeleider is iets zwaarder dan onze Zon maar in omvang nog kleiner dan de Aarde. Hij is samengesteld uit gedegenereerde materie met een extreem hoge soortelijke massa en werd, voor de ontdekking eind jaren ’60 van neutronensterren en zwarte gaten, algemeen gezien als de meest compacte vorm van materie. Ook meenden sommige astronomen in de jaren ’20 en ’30 dat er nog een tweede begeleider aanwezig was in het Siriusstelsel. Deze zou nog zwakker zijn dan de begeleidende witte dwerg en daar vermoedelijk zelfs omheen draaien. Deze derde ster is echter nooit bevestigd en latere nauwkeurigere metingen sluiten de aanwezigheid van een derde begeleidende ster nu vrijwel zeker uit.

Alhoewel Griaule en Dieterlen in een voetnoot opmerkten dat de door de Dogon opgegeven 50-jarige periode van de ster Digitaria verbazingwekkend goed klopt met de baanperiode van de lichtzwakke witte dwerg die Sirius begeleidt, gingen zij niet dieper in op de vraag hoe de Dogon deze en andere gegevens over het Siriusstelsel hadden verkregen. Ook hoe het 60-jarige Siguifestival dan door deze 50-jarige periode geregeld werd bleef onverklaard. Het artikel, gepubliceerd in een Frans etnologisch tijdschrift, en ook een samenvatting hiervan in een Engelstalige publicatie, (13) zou vooralsnog niet de aandacht van pseudo-wetenschappers trekken.

Sirius en de Nommos

Zandtekening Siriusstelsel
Zandtekening Siriusstelsel

Nadat Griaule in 1956 was overleden werd zijn werk door zijn leerling Germaine Dieterlen voortgezet. Deze publiceerde in 1965 de tot nog toe meest uitgebreide versie van het scheppingsverhaal van de Dogon in het werk Le Renard Pâle. (14) Hierin werd een nog complexere versie van het scheppingsverhaal gegeven dat op vele punten zelfs tegenstrijdig was met de eerdere versie van Ogotemmêli. Ook over het Siriusstelsel worden nieuwe onthullingen gedaan: het zou bekend staan als het ‘land van de vissen’ en de ‘placenta van Nommo’. De Nommos, amfibische wezens van een planeet in het Siriusstelsel, zouden in een ver verleden de Aarde bezocht hebben en daar de ontwikkeling van de mens een nieuwe wending gegeven hebben. De mens, oorspronkelijk geschapen naar het beeld van de onvolkomen en imperfecte Ogo (‘De Vale Vos’), zou pas met de komst van de Nommos haar huidige gestalte en graad van ontwikkeling verkregen hebben. Om dit alles te bewerkstelligen moesten de Nommos grote offers brengen die uiteindelijk zelfs voerden tot hun kruisiging, dood en wederopstanding. De vele parallellen met het Christusverhaal zijn op zijn minst opmerkelijk te noemen. Ook zouden de taken van de Nommos nog niet geheel vervuld zijn en een terugkeer in de (nabije?) toekomst lag nog in het verschiet.

Verder zouden de Dogon kennis hebben van het feit dat de planeten niet om de Aarde maar om de Zon draaien, dat de planeet Saturnus ringen bezit, dat de planeet Jupiter vier met het blote oog onzichtbare manen heeft en dat de Melkweg uit sterren is opgebouwd. Wederom zaken waarvan moderne wetenschappers pas sinds enkele eeuwen kennis hebben dankzij ingewikkelde en kostbare instrumenten terwijl deze kennis schijnbaar al eeuwenlang opgeslagen lag in de cultuur van de Dogon.

Ook dit materiaal zou aanvankelijk alleen maar onder een kleine kring van etnologen enige beroering opwekken, niet zo zeer vanwege de sterrenkundige implicaties, maar meer vanwege het feit dat deze kennis schijnbaar alleen maar bij de Dogon bekend was. Met name Angelsaksische etnologen die naburige culturen rondom het Dogongebied hadden bestudeerd hadden hier geen spoor van teruggevonden.

Guerrier en Temple

Dit veranderde in 1975 toen, onafhankelijk van elkaar, de Franse architect Eric Guerrier en de Engelse oriëntalist Robert K.G. Temple, ieder op basis van de publicaties van Griaule en Dieterlen, hun theorie ontvouwden hoe de geheime kennis van de Dogon over Sirius en de andere hemellichamen op eeuwenoude geheime tradities teruggingen die uiteindelijk naar de Egyptenaren en de Soemeriërs terugvoerden. (15) De laatsten zouden deze op hun beurt ontvangen hebben van mysterieuze buitenaardse wezens die van een planeet uit het Siriusstelsel afkomstig waren waarmee de koppeling met de Oannesmythe van Berossus compleet was.

Over de route die deze geheime kennis bewandeld had voordat ze uiteindelijk bij de Dogon terecht kwam hadden de beide auteurs zo hun eigen ideeën. Volgens Guerrier had de kennisoverdracht via de Soemeriërs naar de Babyloniërs plaatsgevonden en was deze dan vervolgens met een van de Tien Verloren Stammen van Israël die na de beëindiging van de Babylonische Ballingschap niet naar Palestina teruggekeerd waren uiteindelijk in West-Afrika beland. De door Temple voorgestelde overleveringsketen is complexer: van de Soemeriërs via de Babyloniërs naar de Egyptenaren. Vandaar naar Griekse kolonisten uit Lemnos (die zichzelf als afstammelingen van de Argonauten omschreven) die zich als de Garamantiërs in het Atlasgebergte in Noord-Afrika hadden gevestigd en later zuidwaarts het Sahelgebied binnentrokken waar zij zich met de lokale negroïde bevolking vermengden. In elke spirituele splintergroepering waar Temple het gebruik van geheime kennis vermoedde (zoals hermetici, gnostici en neoplatonici) of in teksten waarin het getal vijftig, de baanperiode van de compacte begeleider van Sirius, opdook (het 50 mina zware harnas van Gilgamesh, de 50 roeiers van het Schip Argo, de 50 dochters van Dardanos, etc.) werd het bewijs voor zijn theorie gezien.

Kritiek en ongeloof

Vooral het uitvoerig gedocumenteerde werk van Temple maakte aanvankelijk veel indruk en ook onder sterrenkundigen veroorzaakte het enige ophef. (16) De algemene reactie was echter ongeloof en de recensies van zijn werk waren zonder uitzondering afwijzend. (17) Enkelen wezen erop dat de Dogon helemaal niet zo primitief en geïsoleerd leefden als Guerrier en Temple hen afschilderden. De streek ligt niet ver van de Niger en het ligt aan een van de belangrijke handelsroutes die de Sahel doorkruisen. Het gebied was al sinds het einde van de vorige eeuw onder Frans bestuur en het was ook al voor de komst van Griaule veelvuldig door Europeanen bezocht. Ook enkele leden van de Dogon hadden al vroeg Europa bezocht en tijdens de Eerste Wereldoorlog was er zelfs een Frans regiment waarin Dogon rekruten hadden gediend. Vanaf 1907 waren Franstalige scholen in de streek gevestigd. Veel waarschijnlijker dan de ingewikkelde verklaringen van Guerrier en Temple leek het om aan te nemen dat de ‘geheime kennis’ van de Dogon over Sirius (die uiteindelijk pas na 1946 werd opgetekend!) via een Europese zegsman in hun mythologie was terechtgekomen. Misschien had rond de eeuwwisseling wel een enthousiaste en sterrenkundig onderlegde missionaris of een onderwijzer een keer hun verhalen aangehoord en hen vervolgens op de hoogte gebracht van wat de ‘christelijke’ (westerse) wetenschap over de ster Sirius, die kennelijk zo’n grote rol in hun geloof speelde, te weet was gekomen. Vol ontzag over deze ‘openbaringen’ zouden de Dogon deze informatie vervolgens in hun eigen tradities hebben opgenomen en tegen de tijd dat Griaule en zijn medewerkers deze neerschreef was deze hiermee zo innig verweven dat de westerse herkomst niet meer herkenbaar was. Het zou zeker niet de eerste keer zijn geweest dat etnografen (onbewust) zo misleid werden. (18)

Onder de skeptici leek het toen een duidelijke zaak. De Dogonkennis over Sirius was helemaal niet eeuwenoud noch inheems maar slechts een fantasievolle en halfbegrepen weergave van enige moderne astronomische feiten omtrent het Siriusstelsel. (19) Voor UFO-adepten ligt dit natuurlijk anders: het werk van Temple wordt nog immer aangevoerd (zie de vele Internetsites over buitenaardse beschavingen) als een van de meest overtuigende bewijzen dat er buitenaards leven is en dat ruimtewezens onze Aarde in een ver verleden hebben bezocht. Volgens sommigen vinden deze bezoeken nog tot op de dag van vandaag plaats en leven zij zelfs onder ons, als dolfijnen en walvissen in onze oceanen waarin zij nog het meest het oorspronkelijke leefmilieu van hun waterige planeet terugvonden.

Een bedrieger?

Tot dus ver had het werk van Griaule en Dieterlen buiten elke vorm van kritiek gestaan. Toch waren er ook onder etnografen twijfels gerezen. Sinds de jaren ’70 is de werkmethodiek van Griaule het onderwerp van enkele studies geweest. Zo wezen Dirk Lettens (20) en James Clifford (21) op het feit dat Griaule zelf de taal van de Dogon niet sprak en dat zijn onderzoek alleen dankzij de hulp van tolken mogelijk was geweest. De bevindingen van de Utrechtse etnograaf Walter van Beek waren ronduit vernietigend. (22) Een nieuw veldonderzoek van de Dogoncultuur, uitgevoerd in de jaren 1978 tot 1990, had een veel minder complex systeem van tradities opgeleverd dan die Griaule en Dieterlen dertig jaar eerder hadden opgetekend. Veel van wat de Franse onderzoekers hadden geschreven werd zelfs ronduit ontkend. Waren de Dogon misschien minder openhartig geweest en hadden zij hun geheimste kennis liever niet aan deze nieuweling geopenbaard? Van Beek meent van niet en vermoedt een andere verklaring.

Na het eerste onderzoek van Griaule in de jaren ’30 was er, ten gevolge van Tweede Wereldoorlog, een langdurige onderbreking geweest in de westerse belangstelling voor de Dogon. Toen Griaule in 1946 weer terugkeerde om zijn onderzoek voort te zetten werd hij met open armen ontvangen en zijn informanten, die door hun sessies met Griaule een zekere status binnen hun stam hadden verkregen, stonden klaar om hem van dienst te zijn. Vermoedelijk is toen de door alle etnografen zo gevreesde situatie ontstaan van een wederzijdse beïnvloeding waarbij de speculatieve vragen en interpretaties van de ondervrager bewust bevestigd worden door een behulpzame informant die wel degelijk wist dat de zaken eigenlijk anders of veel eenvoudiger lagen maar die zijn enthousiaste ondervrager niet wilde teleurstellen. Zo ontstond er een fascinerend complex systeem van Dogonlegenden, -tradities en -rituelen die een schijnbaar oorspronkelijke Afrikaanse sfeer opriepen maar waarin allerhande uitheemse elementen en interpretaties waren terechtgekomen die daar niet in thuis hoorden.

De Dogonkennis over Sirius zou voor een groot deel zelfs van Griaule zelf afkomstig kunnen zijn, want, in tegenstelling wat meestal beweerd wordt, was hij op het gebied van de sterrenkunde helemaal niet zo onkundig. Het artikel van Van Beek veroorzaakte binnen de groep van Afrikaanse etnologen vanzelfsprekend de nodige opschudding. (23) Vooral Franse etnologen klommen meteen furieus in de pen om de eer van hun bezoedelde landgenoot te herstellen, terwijl anderen hun instemming met Van Beeks interpretaties betuigden. De discussie over de betrouwbaarheid van Griaules werk zal onder etnologen vermoedelijk nog lang doorsudderen – voor skeptici zal de kwestie van de geheime Dogonkennis over Sirius echter nog maar weinig raadsels opwerpen.

Noten en literatuur

1. Met name dankzij de publicaties van R.D. Story, The Space-Gods Revealed: A Close Look at the Theories of Erich von Däniken (Harper & Row, New York, 1976) en Guardians of the Universe? (St. Martin’s Press, New York, 1980). Terug.

2. Wellicht het meest origineel in dit genre zijn de interpretaties van de Soemerisch-Babylonische Oannesmythe (zie verder) van G. Michanowsky, The Once and Future Star (Hawthorn Books Inc., New York, 1977) en in de 4-delige The Earth Chronicles cyclus van Z. Sitchin: The 12th Planet (1976), The Stairway to Heaven (1980), The Wars of Gods and Men (1985) en The Lost Realms (1990). Terug.

3. I.S. Shklovskii & C. Sagan, Intelligent Life in the Universe (Holden-Day, San Francisco, 1966), p.455-461. Terug.

4. Het oorspronkelijke werk van Berossus is verloren gegaan, maar fragmenten van zijn Babyloniaca zijn door latere schrijvers overgeleverd, zie: S.M. Burstein, The Babyloniaca of Berossus (Undena Publications, Malibu, 1978). Terug.

5. Populaire uiteenzettingen van de Dogon kunst en cultuur zijn o.a. te vinden in J. Laude, African Art of the Dogon (Viking Press, New York, 1973) en S. Pern & B. Alexander (eds.), Masked Dancers of West Africa: The Dogon (Time-Life Books, New York, 1982). Daarnaast zijn ook tijdschriftartikelen zoals: P.J. Meyer, ‘Foxes Foretell the Future in Mali’s Dogon Country’, National Geographic Magazine, vol. 135, nr. 3 (1969), p.430-448 en D. Roberts, ‘Mali’s Dogon People’, National Geographic Magazine, vol. 178, nr. 4 (1990), p.100-127. Terug.

6. M. Griaule, Masques Dogons = Travaux et Mémoires de l’Institut d’Ethnologie, vol. 33 (1938). Terug.

7. M. Griaule, Dieu d’Eau: Entretiens avec Ogotemmêli (éditions du Chêne, Parijs, 1948); Engelse vertaling: Conversations with Ogotemmeli: An Introduction to Dogon Religious Ideas (Oxford University Press, Oxford, 1965); Duitse vertaling: Schwarze Genesis: Ein afrikanischer Schöpfungsbericht (Verlag Herder KG, Freiburg im Breisgau, 1970). Terug.

8. M. Griaule & G. Dieterlen, ‘Un système soudanais de Sirius’, Journal de la Société des Africanistes, vol. 20 (1950), p.273-294. Engelse vertaling in Temple, (noot 15), p.35-51]. Terug.

9. De aanvang van het laatste Siguifestival, waarbij gedurende een periode van acht jaar diverse Dogon nederzettingen werden aangedaan, vond in 1967 plaats. Aan de hand van inkervingen op rituele maskers en andere artefacten zou de viering dit festival tot in de 12de eeuw teruggevoerd kunnen worden. Zie G. Dieterlen, ‘Les Cérémonies Soixantenaires du Sigui chez les Dogon’, Africa, vol. 41 (1971), p.1-11. Terug.

10. Po is de Dogonbenaming van een in West-Afrika voorkomende graansoort dat daar algemeen bekend staat als fonio. De officiële botanische benaming is Digitaria exilis. Terug.

11. In hun latere werk Le Renard Pâle uit 1965 zou deze periode als 32 jaar opgegeven worden. Terug.

12. Zie bijv. R.H. van Gent, ‘Sirius, de Hondsster’, Sterrengids 1989 (Stichting De Koepel, Utrecht, 1988), p.141-144. Terug.

13. M. Griaule & G. Dieterlen, ‘The Dogon of the French Sudan’, in D. Forde (ed.), African Worlds: Studies in the Cosmological Ideas and Social Values of African Peoples (Oxford University Press, Londen, 1954), p.83-110. Terug.

14. M. Griaule & G. Dieterlen, Le Renard Pâle: La Mythe Cosmogonique: La Création du Monde, tome I, fasc. 1 = Travaux et Mémoires de l’Institut d’Ethnologie, vol. 72 (1965). Engelse vertaling: The Pale Fox (The Continuum Foundation, Chino Valley, 1986). Een beknopte Engelse samenvatting is te vinden in A.F.i Roberts, ‘The Serious Business of Dogon Cosmology’, Archaeoastronomy, vol. 10 (1987/88), p.148-153. Van het oorspronkelijk meerdelig opgezette werk zijn tot nu toe geen verdere delen verschenen; wel bevat de nagenoeg onveranderde herdruk van 1991 een voorlopige inhoudsopgave van het toekomstige tweede deel dat de eerste 66 jaar van het verblijf van de Nommos op Aarde zal beslaan. Terug.

15. E. Guerrier, Essai sur la cosmogonie des Dogon: L’arche du Nommo (éditions Robert Laffont, Parijs, 1975); R.K.G. Temple, The Sirius Mystery (Sidgwick & Jackson, Londen, 1975). Nederlandse vertaling, Het mysterie Sirius: Dogon-cultuur in Afrika, mogelijke resten van buitenaardse beschaving (Gottmer, Haarlem, 1978). Terug.

16. Kort voor het verschijnen van het boek van Temple hadden enkele sterrenkundigen al melding gemaakt van de mysterieuze astronomische kennis van de Dogon – zie: W.H. McCrea, ‘Astronomer’s Luck’, Quarterly Journal of the Royal astronomical Society, vol. 13 (1972), p.506-519; W.H. McCrea, ‘Sirius: A Conjecture and an Appeal’, Journal of the British astronomical Association, vol. 84 (1973), p.63-64; R.G. Daniels, ‘Human Visual Acuity’, Journal of the British astronomical Association, vol. 84 (1974), p.383-384; R.K.G. Temple, ‘Response to Appeal from W.H. McCrea concerning Sirius’, The Observatory, vol. 95 (1975), p.52-54. Terug.

17. Zie: I.W. Roxburgh & I.P. Williams, ‘The Dogon Tribe and Sirius’, The Observatory, vol. 95 (1975), p.215; M.W. Ovenden, ‘Mustard seed of mystery’, Nature, vol. 261 (1976), p.617-618; P. Pesch & R. Pesch, ‘The Dogon and Sirius’, The Observatory, vol. 97 (1977), p.26-28; J.-C. Pecker, ‘Review of R.K.G. Temple’s The Sirius Mystery’, The Observatory, vol. 97 (1977), p.31-33. Terug.

18. Carl Sagan gaf in dit verband ooit het mooie voorbeeld van een Indiaanse stamoudste die zich tijdens een interview met een Amerikaanse etnograaf herhaaldelijk in zijn tent terugtrok om de ‘ouden’ te raadplegen en volgens weer met een gedetailleerd en ‘juist’ antwoord terugkeerde. Bij navraag bleek dat deze zich steeds even afzonderde om een oud beduimeld handboek te raadplegen dat zo vol stond over de tradities van zijn eigen volk die zijn leergierige blanke ondervrager klaarblijkelijk niet kende. Zie: C. Sagan, Broca’s Brain: Reflections on the Romance of Science (Random House, New York, 1979), p.66-80. Terug.

19. K. Brecher, ‘Sirius Enigmas’, Technology Review, vol. 80, nr. 2 (1977), p.52-63, herdrukt in: K. Brecher & M. Feirtag (eds.), Astronomy of the Ancients (MIT Press, Cambridge/Londen, 1979), p.91-115; I. Ridpath, Messages from the Stars: Communication and Contact with Extraterrestrial Life (Harper & Row Publ., New York, 1978), p.176-187; I. Ridpath, ‘Investigating the Sirius Mystery’, The Skeptical Inquirer, vol. 3 (1978), p.56-62; J. Randi, Flim-Flam! Psychics, ESP, Unicorns, and other Delusions (Prometheus Books, Buffalo, 1982), p.68-70; D.B. Herrmann, Rätsel um Sirius: Das astronomische Geheimwissen der Dogon (Paetec, Berlijn, 1994). Terug.

20. D.A. Lettens, Mystagogie et mystification: Evaluation de l’oeuvre de Marcel Griaule (Presses Lavigerie, Bujumbura, Burundi, 1971). Terug.

21. J. Clifford, ‘Power and Dialogue in Ethnography: Marcel Griaule’s Initiation’, in G.W. Stocking (ed.), Observers Observed: Essays on Ethnographic Fieldwork (University of Wisconsin Press, Madison, 1983), p.121-156. Terug.

22. W.E.A. van Beek, ‘Dogon Restudied: A Field Evaluation of the Work of Marcel Griaule’, Current Anthropology, vol. 32 (1991), p.139-158. Terug.

23. Zie Current Anthropology, vol. 32 (1991), p.158-167, p.434-437, p.575-577 & vol. 33 (1992), p.214-216. Terug.

Uit: Skepter 9.2 (1996)

Rob van Gent was in 1996 redacteur van Skepter