Dodelijke proeven

Nazi’s en alternatieve geneeskunde

door Andrea Kamphuis

Rijkscommissaris Heinrich Himmler was een groot voorstander van alternatieve geneeswijzen. In zijn concentratiekampen liet hij experimenten uitvoeren met homeopatica en Rode Zonnehoed.

De chemisch-farmaceutische industrie heeft haar rol tijdens het Derde Rijk inmiddels, na intensief aandringen van buitenaf, ten dele verwerkt. Maar wat de geschiedenis van de alternatief-geneeskundige firma’s en organisaties tussen 1933 en 1945 betreft, is er nog weinig gebeurd. Dat de firma Madaus tijdens het Derde Rijk bij twee nationaal-socialistische onderzoeksprojecten betrokken was, staat niet op de website (www.madaus.de), noch in de chronologie van jubileumuitgaven, noch in een dissertatie over de oprichter dr. Gerhard Madaus, die door een medewerker van de firma werd geschreven.

Aangeklaagde nazi-artsen tijdens het proces in Neurenberg (1946-47).
Aangeklaagde nazi-artsen tijdens het proces in Neurenberg (1946-47).

Dr. Madaus formuleerde in 1925 zijn onvrede over de reguliere geneeskunde als volgt: ‘Wij zien de geneeskunde, de geneeskunst in de ruimere zin, dus inclusief de Volksgesundheitslehre, niet slechts als een medische opgave, maar als een volksopgave, ja als een Schicksalsfrage … Uit deze opvatting blijkt duidelijk onze tegenstelling tot de reguliere geneeskunde … We voelen ons in het brandpunt van de grote strijd tussen de Geesten van de Duisternis en het Principe van de Waarheid en het Licht, van de slavernij met de vrijheid. De zekerheid dat na de duisternis licht, na de nacht de ochtend moet aanbreken, geeft ons hoop dat ons werk niet tevergeefs zal zijn.’

Enkele jaren later gloorde de dageraad voor de parageneeskunde: Reichsführer-SS Heinrich Himmler, een verklaard tegenstander van de chemisch-farmaceutische industrie, gebruikte zijn machtspositie om revolutionaire ontwikkelingen tegen te houden en de vergeten volksgeneeskunde weer tot leven te wekken. Zijn arts zei daar later over: ‘Er was een bepaalde groep in het Derde Rijk, mensen als Himmler en Hess, die uitgesproken van mening waren, dat op deze vermoeide burgerlijke grond niets nieuws en actiefs meer zou kunnen ontstaan. En men moest daarnaast nieuwe wegen zoeken met de steun van jonge, miskende talenten. … Himmler … was een aanhanger van een wild geworden, verkeerd begrepen oudheid. Terwijl de hele moderne ontwikkeling enkel specialistendom is, aparte vakken, aparte faculteiten, had hij de voorstelling van de Universitas. En dat was deze vriendenkring en het militair-geneeskundig instituut en Ahnenerbe – ik weet totaal niet hoe dat allemaal heette – en hierin zaten natuurkundigen, artsen en natuurgenezers en van alles. En hieruit haalde hij betrekkelijk veel goeds en ook heel veel slechts.’

Etterinjecties

Op de ziekenafdeling van concentratiekamp Dachau werd midden 1942 een in eerste instantie 20 bedden omvattend ‘biochemisch proefstation’ geopend, dat door dr. Heinrich Schütz werd geleid. Onder ‘biochemie’ verstond men toen iets heel anders dan tegenwoordig. Het ging om een parageneeskundig systeem, dat inhield dat ziekten op een stoornis van de weefselzouten in de lichaamscellen berusten. De ontbrekende zouten in homeopathische verdunning toedienen zou genezing bewerkstelligen, ook van virale en bacteriële infecties. In eerste instantie vonden de nationaal-socialisten deze biochemie verdacht, omdat de Biochemische Bund Deutschlands veel joodse leden had. Maar in mei 1942 besloten Himmler, Gebhardt, Reichsartz-SS Dr. Ernst Grawitz en Arthur Nebe, de leider van de Rijksrecherchedienst, ‘biochemische’ zouten te testen als alternatief voor de door de reguliere geneeskunde gebruikte sulfonamiden bij zware etterende infecties, bloedvergiftigingen en andere ziekten, waarbij deze middelen volgens de biochemische literatuur zou moeten aanslaan; daaronder malaria en chronische ischias.

In augustus 1942 schreef dr. Grawitz aan zijn chef Himmler: ‘In het SS-lazaret Dachau werden in de verslagperiode 40 gevallen met biochemische middelen behandeld. De aanwijzingen van de biochemie volgend kwamen de volgende middelen aan bod, al naar gelang de situatie: Kalium phosphoricum D6, Ferrum phosphoricum D6 en D12, Silicium D6 …[zes andere zouten in D6]. De gevallen van sepsis werden voornamelijk kunstmatig veroorzaakt. Als voorlopig resultaat is te constateren dat het ongunstige verloop bij bijna geen enkele van de zware ziekten door de biochemische middelen tot staan kon worden gebracht. Alle gevallen van sepsis kwamen ad exitum (dood, red.) De gevallen van malaria bleven onbeïnvloed. … Wat opviel is dat vooral zwaar zieken na korte tijd de biochemische tabletten heftig weigerden, omdat het voor hen erg belastend was om de middelen om de 5 minuten, ook ’s nachts, in te nemen,. Ten slotte valt op te merken dat bij een totaal van 40 gevallen één positief geval en 4 onder voorbehoud positieve gevallen tegenover 35 mislukkingen staan, waarvan er 10 gestorven zijn.’

De mislukking leidde niet tot het einde van de proef. Op 11 september 1942 schreef Himmler aan Grawitz dat de opmerking dat zieken tabletten weigerden, hem duidelijk maakte dat Grawitz probeerde om onder een onaangename taak uit te komen. ‘Ik ben ervan overtuigd dat u, die de titel van professor heeft gekregen en deze titel, als ik me niet vergis, graag gebruikt, bij deze proeven de mogelijkheid heeft om uw wetenschappelijke bijdrage te geven en het fundament voor deze professorentitel achteraf te leggen.’ Himmler liet Grawitz verder weten dat hij moest ophouden zo ijdel te zijn, en dat hij voor de SS nu eens serieus door de zure appel moest bijten.

Men besloot om de ervaren biochemicus dr. Rudolf Kiesswetter uit Maagdenburg aan te trekken en in november 1942 gingen in Dachau de twee volgende proeven met ieder 20 personen van start. Een detail onthult wat er achter de nuchtere formulering ‘kunstmatig veroorzaakte sepsis’ schuil ging: de gezonde proefpersonen werden ingespoten met ‘purolin’: van bacteriën wemelende etter van andere patiënten. De homeopathische zoutpreparaten hielden de dodelijke afloop van de bloedvergiftigingen niet tegen en de afmatting door het gebrek aan slaap zal de pijnlijke dood versneld hebben.

Naast deze groots opgezette homeopathische waanzin lijken de twee projecten waarbij de firma Madaus betrokken was, relatief onschuldig. Daarbij was hun wetenschappelijke basis beter dan bij de zouttherapie: in beide gevallen moesten – in niet-homeopathische dosering – planten gebruikt worden die al dan niet in de volksgeneeskunde voor geneesmiddel werden aangezien.

‘biologische geneeskunde’

De voorkeur van Gerhard Madaus voor de natuurgeneeskunde is voor een deel terug te voeren op de succesvolle genezing van zijn broer Hans (die kinderverlamming had) door een bekende natuurgeneeskundige, dominee Felke. Verder kreeg Madaus als legerarts tijdens de Eerste Wereldoorlog bijwerkingen van inentingen tegen tyfus en cholera onder ogen, die hem tot een heftige tegenstander van inentingen maakten. Van toen af wees hij elke staatsbemoeienis met geneesmiddelen en hygiëne categorisch van de hand. In 1919 richtte Gerhard met zijn broers de firma Madaus op, die van 1929 tot 1944 in de buurt van Dresden zat. Daar hield Madaus zich bezig met ‘biologische geneeskunde’, die hij afbakende van de homeopathie. De biologische geneeskunde zou de zelfgenezende krachten van het lichaam stimuleren, doordat ze de aan de hand van de symptomen te herkennen storingen van het fysiologische evenwicht niet remt, maar nog versterkt, maar dan niet met minieme doses zoals in de homeopathie. Hiermee volgde Madaus de prikkeltheorie van zijn leermeester Hugo Schulz

(zie Skeptische Notitie 6). Madaus volgde Hahnemann met het gebruik van verse planten. Maar diens constitutietypen – gebaseerd op de volksgeneeskundige signatuurleer – en de sterke verdunningen van de homeopathie verwierp hij in krachtige bewoordingen. De homeopaten, zo meende hij, waren ‘waarschijnlijk huns ondanks voortreffelijke psychotherapeuten’ die met leidingwater hetzelfde succes zouden boeken. Ook moest Madaus niets hebben van Hahnemanns dogma dat men alleen enkelvoudige middelen mocht gebruiken, wat een omslachtig gezoek naar het ‘simillimum’ met zich meebracht. (Madaus’ moeder Magdalene had een van eerste complexmiddelen van Duitsland in de handel gebracht.) Om zijn biologische geneeskunde te onderbouwen stichtte Madaus in 1935/36 een ‘biologisch instituut’, waar met behulp van onder andere dierproeven onderzoek werd gedaan. Madaus – die aan astma en diabetes leed – stierf op 26 februari 1942. Zijn broers wisten veel van het firmamateriaal uit Russische handen te houden. In 1947 werd het werk van de firma in Keulen voortgezet. Zijn dochter Hannelore zei in 1989 dat haar vader volledig apolitiek was geweest. Hij was automatisch lid van de NSDAP geworden toen zijn veteranenvereniging werd ingelijfd. Hij zou nooit medewerkers aangespoord hebben om ook lid te worden en hij had ook anti-fascisten en voormalige politieke gevangenen in dienst gehad. Alleen bij een enge opvatting van de term politiek kan men Madaus echter als ‘apolitiek’ betitelen. Zijn inzet voor de ‘biologische geneeskunde’ is wel degelijk politiek in een ruimere zin. Zo citeerde hij in 1938 met instemming zinnen van een collega uit 1931 als: ‘Haar [de biologische geneeskunde – ak] einddoel is de schepping en instandhouding van een krachtig en gezond volk.’ En: ‘Meer dan ooit kan een arts tegenwoordig tot staatsman worden, tot de Asklepios politikos in de zin van Plato.’

Brandwonden en Zonnehoed

In het Biologisch Instituut werden aanwijzingen uit de volksgeneeskunde van verschillende culturen onderzocht. Zo werd met behulp van proeven op ratten en konijnen onderzocht of Echinacea inderdaad de antiseptische werking heeft die de Noord-Amerikaanse volksgeneeskunde daaraan toeschrijft. Nadat dit was bevestigd, maakte de firma Madaus vanaf 1938 uit Echinacea purpurea (zie Skepter, december 1995) het product Echinacin®, dat het immuunstelsel zou stimuleren en de wondgenezing zou versnellen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden brandbommen gebruikt, die een mengsel van fosfor en rubber bevatten, en die de huid van slachtoffers ernstig verbrandden doordat het mengsel eraan vast bleef plakken. Dr. Erwin Ding (hoofd van de vlektyfusen virusonderzoeksgroep van de Waffen-SS in Buchenwald) kreeg de opdracht om de invloed van Echinacin op de genezing van zulke wonden te onderzoeken. Sturmbannführer Ding, die zijn bevelen van Grawitz kreeg, heeft een bedrijfsjournaal bijgehouden, dat in 1945 door toedoen van Dings secretaris in de handen van de Amerikaanse Military Intelligence Service viel. Ding pleegde na zijn arrestatie zelfmoord.

Uit het dagboek blijkt dat er tal van experimenten zijn gedaan met Echinacin en met ‘R17’ (waarschijnlijk tetrachloorkoolstof). Daarbij werden niet alleen konijnen opzettelijk van brandwonden voorzien, maar ook een vijftal mensen. Het kwam tot deze experimenten nadat de in Dresden gestationeerde höhere SS- und Polizeiführer Udo von Woyrsch van Gerhards broer Hans verhalen had gehoord over succesvolle proeven met konijnen, waarbij Echinacea tegen fosforbrandwonden werd ingezet. Na twee rondleidingen op uitnodiging van Madaus door de fabriek werd Grawitz door von Woyrsch op de hoogte gesteld. Grawitz stuurde Dings in november 1943 langs om nog eens te kijken, waarna Dings meteen met de proeven in Buchenwald begon.

Een Poolse vrouw toont de littekens die zij overhield aan experimenten die twee nazi-artsen op haar uitvoerden.
Een Poolse vrouw toont de littekens die zij overhield aan experimenten die twee nazi-artsen op haar uitvoerden.

Tijdens de oorlog werd het gebrek aan arbeiders een toenemend probleem voor de Duitse economie. De gedachte kwam op om miljoenen ‘minderwaardigen van andere rassen’ (joden, Russische gevangenen, Polen, enzovoorts) als arbeiders in te zetten, in plaats van ze op te sluiten en te vernietigen. Tegenover deze gedachte stond de angst dat deze personen zich zouden kunnen voortplanten. Steriliseren leek een voor de hand liggende optie. De aandacht ging uit naar snelle, goedkope en voor de desbetreffende personen onmerkbare sterilisatiemethoden. Er waren drie voorstellen. Het eerste betrof de sterilisatie van mannen en vrouwen door röntgenstraling. De slachtoffers zouden aan een lessenaar een formulier moeten invullen, terwijl ze stiekem werden bestraald. Het tweede behelsde sterilisatie van vrouwen door het in de baarmoeder spuiten van een bepaalde vloeistof. Het derde stelde voor mannen en vrouwen door middel van geneesmiddelen te steriliseren.

Sterilisatie met pijlgif

In Auschwitz werd de tweede methode onderzocht. Daarbij kregen bijna 400 vrouwen een ernstige baarmoederbeschadiging. Vele werden vervolgens vergast; de overlevenden hielden levenslang schade. De röntgenmethode werkte slecht. Door de hoge dosis verbrandde het weefsel. Als de straling slecht werd gericht, kreeg het slachtoffer onherstelbare schade aan de darmen. Het derde voorstel, de sterilisatie door geneesmiddelen, was gebaseerd op een publicatie van Madaus uit 1941, die hij samen met dr. Friedrich E. Koch geschreven had, zijn vriend en tevens hoofd van het Biologisch Instituut.

Madaus was sinds het begin van de jaren 1930 geïnteresseerd in de in zijn optiek hormoonachtige werking van veel plantaardige stoffen op het menselijk lichaam. Hij had dier- en mensproeven gedaan met Vitex agnuscastus, oftewel monnikspeper, die volgens de volksgeneeskunde bij vrouwelijke steriliteit, melkgebrek en het uitblijven van de menstruatie wordt aanbevolen. Vrouwelijke vrijwilligers berichtten na inname over uitstel van de menstruatie.

Eveneens in de jaren 1930 hoorde Madaus bij een bezoek aan Noord-Amerika dat een extract van de plant Caladium seguinum (Dieffenbachia seguine) als pijlgif of in voedsel vermengd, door enkele indianen werd gebruikt om hun vijanden onvruchtbaar te maken. Omdat Caladium in de homeopathie bovendien werd gebruikt bij potentieproblemen, steriliteit en frigiditeit, vermoedde Madaus hier een schoolvoorbeeld van het omkeereffect van Hugo Schulz (lage doses bevorderen de levenskracht, maar grote doses remmen die), die hij verklaarde als een soort overcompensatie door de natuurlijke afweer. Om te weten te komen of deze volkswijsheid op waarheid berustte, werd in 1936/37 begonnen met dierproeven. De resultaten waren niet eenduidig. In 1937 werden tien mannelijke muizen na toediening van extract steriel, maar de proef kon niet met succes herhaald worden. Madaus en Koch vermoedden dat de concentratie van de werkzame stof in de plant sterk schommelde of dat het middel te kort was toegediend.

In 1939/40 volgde verdere, systematischere experimenten op dieren. Madaus en Koch publiceerden daarover in 1941. Volgens het tweetal maakt Caladium beide geslachten steriel. De tijd tussen eerste toediening en werking kan echter sterk verschillen. Veel dieren stierven voor het einde van het experiment, en volgens de auteurs was de steriliteit bij de vrouwtjesdieren misschien tijdelijk. Het artikel oppert herhaaldelijk toepassing op mensen. Bijvoorbeeld over de behandeling van de mens: ‘Het schijnt ons echter van belang om te onderzoeken of de steriliserende werking van Caladium als experimentele therapeutische test bruikbaar is.’

De interpretatie van deze passage was later onderwerp van ondervragingen tijdens het artsenproces in Neurenberg, omdat de enige aangeklaagde in deze zaak, dr. Adolf Pokorny, ter verdediging beweerde dat hem als specialist voor huid- en geslachtsziekten bij het lezen van dit artikel meteen duidelijk was geweest, dat mensensterilisatie met Caladium seguinum volledig onmogelijk is. De hieronder geciteerde brief aan Himmler was volgens Pokorny als afleidingsmanoeuvre bedoeld; als vertraging of verhindering van de massasterilisatie van joden en Oost-Europeanen.

Gedragen door de gedachte, dat de vijand niet slechts overwonnen, maar ook vernietigd moet worden, voel ik me verplicht, u als de Reichsbeauftragten zur Festigung des deutschen Volkstums het volgende te melden: … Bij het lezen van dit artikel is mij het ongelooflijke belang van dit geneesmiddel voor de huidige strijd van ons volk duidelijk geworden. Als het zou lukken op basis van deze onderzoeken zo snel mogelijk een geneesmiddel te maken, dat na relatief korte tijd een onopvallende sterilisatie bij mensen veroorzaakt, dan zouden we een nieuw en effectief wapen in handen hebben. Alleen al de gedachte dat de huidige drie miljoen gevangen bolsjewieken zouden kunnen worden gesteriliseerd, zodat ze als arbeiders ter beschikking zouden staan, maar zich niet zouden kunnen voortplanten, opent grote perspectieven. … Als de door mij uitgesproken gedachte uw instemming heeft, dan moet het volgende gebeuren: 1: Dr. Madaus mag geen artikelen van dit soort meer publiceren (Feind hört mit!). 2: Het kweken van de plant (makkelijk in kassen). 3: Onmiddellijk onderzoek bij mensen (misdadigers) om dosis en duur van de behandeling vast te stellen. 4: Zo snel mogelijk vaststellen wat de chemisch werkzame stof is. 5: Deze stof kunstmatig vervaardigen. Ikzelf als Duitse arts en Oberarzt van de Duitse Wehrmacht voel mij verplicht om over deze zaak volledig te zwijgen. Heil Hitler! Dr. Pokorny, Komotau, oktober 1941.

Himmler was onder de indruk en schreef op 10 maart 1942 aan Oswald Pohl, een SS-econoom, om contact op te nemen met Madaus, om hem te vragen niet meer te publiceren over deze zaak en samenwerking voor te stellen om de sterilisatie op misdadigers uit te proberen. In juni 1942 meldt Pohl dat hij met Koch heeft gespoken (Madaus was in februari gestorven), en hij krijgt via Himmlers persoonlijke adviseur Rudolf Brandt te horen dat Himmler erop aandrong ook andere planten met soortgelijke werking te onderzoeken. Koch zei toe niet meer hierover te zullen publiceren. De proeven werden niet meer verder gevoerd, omdat de aanvoer van de plant uit Noord-Amerika vrijwel onmogelijk was geworden. (Dat de plant ook buiten Noord-Amerika groeide was niet bekend.) Pohl zou voor Koch een grotere kas laten bouwen. (Koch zou later beweren dat Pohl hem deze grotere kas had opgedrongen.) Het lukte echter niet om de chemische structuur van de werkzame stoffen te achterhalen; ook al werd daar door meerdere wetenschappers aan gewerkt.

Caladium seguinum (uit: Hooker, W.J., Exotic Flora, 1823)
Caladium seguinum (uit: Hooker, W.J., Exotic Flora, 1823)

In september 1942 meldt Pohl aan de SS-leiding dat het onderzoek zeer goed verloopt en dat met de firma Madaus is afgesproken om snel te beginnen in de concentratiekampen. Koch ontkende tijdens het artsenproces een dergelijke afspraak. Wel meldde hij dat er tot zijn schrik generaals en officieren van de SS in de proeftuin op bezoek waren gekomen, maar dat hij sinds de eerste ontmoeting met Pohl niets meer met Caladium had gedaan. Nu moest hij het onderzoek weer oppakken en verder onderzoeken of inheemse planten dergelijke werkzame stoffen bevatten.

Karl Tauböck, een medewerker van IG Farben, had ondertussen de opdracht gekregen om de werkzame stof van Caladium seguinum te achterhalen. Tauböck bezocht de firma Madaus en kwam tot de conclusie dat sterilisatie met Caladium seguinum mogelijk en praktisch haalbaar was. Op de terugweg van Dresden naar Berlijn werd hem door ss’ers de achtergrond van de zaak verteld. Nadat Tauböck een eed van geheimhouding had afgelegd, kreeg hij ook te horen dat Himmler zelf had bevolen dat de methode onmiddellijk op concentratiekampgevangenen moest worden uitgeprobeerd. Hij begon echter met fruitvliegjes te experimenteren, en ontdekte dat een bladerextract veel beter werkte dan Madaus’ verse sap. Omdat hij daarbij de bladeren verhitte, vermoedde hij dat de indianen hun gif ook hadden verhit. Tauböck beweert het criminele van het project meteen te hebben gezien en daarom het onderzoek niet verder te hebben uitgevoerd. Ook Koch was na het bezoek van de generaals met fruitvliegjes begonnen, maar dat was op niets uitgelopen. Proeven met muizen mislukten eveneens. De dieren stierven ‘aan een besmettelijke ziekte’. Een vijfde en laatste experiment met 60 ratten, dat bijna een jaar duurde, werd midden 1944 afgesloten, en toen hadden Himmler en Pohl wel wat anders aan hun hoofd.

Omdat Koch meteen na het eerste gesprek met Pohl een slecht gevoel had, hebben volgens hem hij en zijn medewerkers de experimenten bewust vertraagd, opzettelijk laten mislukken en vertekend, hoewel ze er ogenschijnlijk veel energie in stopten. Na 1940 was er geen sprake meer van serieuze wetenschap, volgens Koch. Of dit werkelijk de houding van de medewerkers van de firma Madaus was, is zeer moeilijk vast te stellen. Vast staat dat er geen bewijzen zijn dat er experimenten op mensen in concentratiekampen zijn geweest. Of de firma Madaus het povere resultaat van dit project werkelijk aan de vertragingstactiek te danken heeft of eerder aan de zwakke werkzaamheid van verse sappen, waarvan het exclusieve gebruik in de ‘biologische’ filosofie van de firma lag verankerd, kan ik niet beoordelen. Maar Koch sprak niet helemaal de waarheid. Hij had in zijn experiment nummer 5 met wel 116 ratten gewerkt en ook heel loyaal nog 7 andere stoffen onderzocht, waaronder extracten van hop en gele theeroos en nog twee andere planten.

Ook wat betreft de proeven met brandwonden in Buchenwald gedroeg Koch zich niet zo fraai. Toen hij het onderzoeksverslag van Dings onder ogen kreeg, haastte hij zich om de prioriteit van zijn ontdekking door middel van een wetenschappelijk artikel veilig te stellen. ‘Ik kon slechts vermoeden dat de brandwonden onder dwang waren aangebracht’, zei hij tijdens het proces.

Het artsenproces

Dr. Adolf Pokorny
Dr. Adolf Pokorny

Het ‘artsenproces’ duurde van oktober 1946 tot augustus 1947. Er waren 23 aangeklaagden. De belangrijkste aanklachten waren oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. Na maanden werden zeven aangeklaagden ter dood veroordeeld, vijf tot levenslang en vier tot forse gevangenisstraffen. De rest, waaronder Pokorny, werd vrijgesproken. Pokorny verdedigde zich met de opmerking dat hij zijn brief aan Himmler alleen maar had geschreven om erger te voorkomen. Hij zei dat hij de publicatie van Madaus en Koch meteen voor wetenschappelijk oninteressant had gehouden. Hij zou er zeker van zijn geweest dat Caladium-preparaten geen mensen zouden kunnen steriliseren. Om deze uitspraken op waarde te kunnen schatten, werden meerdere specialisten ingeschakeld.

Deze beaamden dat het zonder meer duidelijk was dat sterilisatie met Caladium seguinum niet reëel is. De import was vanwege de oorlog niet mogelijk; succesvolle kweek in Duitsland was onwaarschijnlijk; nog meer dierproeven zouden veel tijd kosten; omrekening van de rattendosis op de mens leidde tot hoeveelheden die onmogelijk heimelijk aan de slachtoffers konden worden gegeven; en het hoge sterftecijfer wekte de indruk dat Caladium gewoon een algemeen vergif was, zoals nicotine of morfine. Eén specialist, dr. Friedrich Scheiffarth, vond het werk van Madaus en Koch wel – met de nodige kanttekeningen – interessant.

De eerder genoemde Tauböck liet weten dat hij er zeker van was dat Caladium invloed heeft op het menselijk lichaam. Het is duidelijk dat hij de betreffende literatuur goed kende. Bovendien had hij als enige van de specialisten zelf met Caladium dierproeven gedaan. Ten onrechte was hij echter van mening dat Madaus en Koch de ratten het sap gewoon te drinken hadden gegeven. Koch beweerde dat dit per maagsonde was gebeurd. Dit detail is van belang, omdat Tauböck dacht dat de door Madaus gebruikte planten de effectieve stof niet bevatten, anders zouden de ratten het niet zomaar hebben opgedronken. Een volgende specialist, dr. Friedrich Jung, hield Tauböck voor incompetent, en betoogde dat een enigermate farmacologisch geschoolde arts zich niet door het artikel zou laten bedriegen, zeker gegeven dat Madaus een soort homeopaat was, die er alleen maar wat aan gelegen was de homeopathische toepassingen van Caladium te ondersteunen.

Vrijgesproken

De rechtbank had het niet makkelijk: het Caladium-project was niet afgesloten, de kwaliteit en de relevantie ervan werd door de specialisten zeer verschillend beoordeeld en de verhoren verliepen gedeeltelijk zeer moeizaam, omdat men zeer verschillende belangen had. Veel van wat er gezegd werd, was voor de rechtszaak zelf onbelangrijk, omdat niet de firma Madaus aangeklaagd was, noch de homeopathie, de volksgeneeskunde of de plantengeneeskunde, maar alleen maar Pokorny, en wel wegens feitelijke proeven op mensen. Bij gebrek aan enig bewijs daarvoor richtte de aanklager zich op de bewering van de verdediging dat het zonneklaar was dat sterilisatie met Caladium volslagen onmogelijk was.

Het laatste woord was en is aan de rechters: ‘In de zaak Pokorny is het de aanklagers niet gelukt om zijn schuld te bewijzen. Hoe schandalig en laag de voorstellen in de brief ook zijn, er is geen bewijs dat ooit iets is ondernomen om deze proeven bij mensen uit te voeren. Wij verklaren daarom dat de aangeklaagde vrijgesproken moet worden, niet vanwege, maar ondanks zijn verdediging die hij naar voren heeft gebracht.’

Dit artikel is een verkorte versie van een bijdrage in Skeptiker 14.2 (2001). Vertaald en bewerkt door Walter Heijder.

Uit: Skepter 15.1 (2002)

Andrea Kamphuis is biologe, vertaler en redacteur van Skeptiker