Hoe misleid ik een verslaafde?

door Janneke Donkerlo

Artsen en bedrijven in Oost- en West-Europa behandelen verslaafden met een nepmethode. Implantaten en injecties gaan zogenaamd de hunkering naar alcohol en drugs tegen. In werkelijkheid gaat het om nepmiddelen, overgoten met een wetenschappelijk sausje.

Wanhopige verslaafden willen maar al te graag in een handomdraai verlost worden van hun probleem. En dat is precies wat de artsen doen die patiënten behandelen met bepaalde nepinjecties en -implantaten. Ze vertellen er een wetenschappelijk verhaaltje bij waarmee ze de patiënt overtuigen dat deze na de behandeling niet meer naar drugs zal talen. Of – een andere mogelijkheid – dat de patiënt juist dood zal gaan als hij na de behandeling opnieuw alcohol of drugs gebruikt. Sommige patiënten zijn er heilig van overtuigd dat hun hersens geherprogrammeerd kunnen worden. Afhankelijk van de arts, kliniek of het land, wordt de nepmethode ingezet bij alcohol-, cocaïne- of heroïneverslaafden. Het zou zelfs werken bij stotteren en gokverslaving. Wat een opluchting moet dat zijn: in een klap verlost van alle ellende! Waar de middelen uit bestaan is echter vaak onbekend, dus er is geen wetenschappelijk bewijs, en voor zover het om een bekend middel gaat, zijn de doses absurd klein.

Voor alle duidelijkheid: het gaat bij deze implantaten niet om Naltrexon, een middel dat wetenschappelijk zijn werking bij heroïneverslaafden heeft aangetoond. Bij de nepinjecties- en implantaten zou het gaan om een andere werkzame stof: disulfiram. Disulfiram is een oud middel, ook wel bekend als Antabus of refusal. De werkzame stof werd bij toeval ontdekt in de rubberindustrie in Denemarken kort na de Tweede Wereldoorlog. In het lichaam wordt alcohol (CH3CH2OH) normaal stapsgewijs geoxideerd, eerst tot aceetaldehyde (CH3CHO) dat dan onmiddellijk verder wordt geoxideerd tot azijnzuur (CH3COOH). Disulfiram blokkeert de werking van het enzym dat de tweede omzetting doet. Vele oosterlingen hebben te weinig van dat enzym en krijgen al een rood hoofd van slechts een beetje wijn. Dus wie ook maar een klein beetje alcohol in het bloed heeft, zal door disulfiram meteen heel beroerd worden (rood worden, versnelde hartslag, hoofdpijn, misselijkheid, kortademigheid, verwardheid, ademnood en flauwvallen, om maar eens wat te noemen) want aceetaldehyde is gemeen spul. Wie een half etmaal eerder alcohol gebruikt heeft, kan maar beter geen disulfiram nemen, zelfs het nuttigen van een kersenbonbon geeft dramatische effecten bij iemand die disulfiram heeft ingenomen.

Er zijn berichten dat disulfiram ook zou werken bij cocaïneverslaving, maar dat zou kunnen komen doordat cocaïnegebruik vaak samen gaat met drankgebruik. Sterker nog, cocaïne wordt wel gebruikt om meer te kunnen drinken, dus het is niet verwonderlijk dat het cocaïnegebruik daalt als men niet meer kan drinken. Disulfiram doet nog wel wat meer in het lichaam dan een enzym voor alcoholafbraak blokkeren, en de aanwijzingen dat het bij cocaïne ook echt iets doet kunnen niet helemaal genegeerd worden. Hoe dan ook, voor een andere werking dan alcoholconsumptie onplezierig maken bestaat nog geen solide bewijs. Disulfiram doet niets aan oorzaken of gevolgen van alcoholisme en het heeft verslechterde wondheling als bijwerking.

Therapietrouw is bij disulfiram een groot probleem: het vergt veel discipline om elke dag een pil te slikken waar je ziek van kunt worden als je drinkt, op het moment dat je juist hunkert naar alcohol. Disulfiram wordt officieel daarom alleen bij uitzondering en alleen in pilvorm gebruikt. Langwerkende implantaten zouden uiteraard een uitkomst zijn, net als de prikpil bij anticonceptie. In Scandinavië experimenteerden artsen daarom in de jaren 1990 met disulfiramdepots die onder de huid werden gebracht. De werkzame stof kwam echter ongelijkmatig in het bloed. En in het beste geval zou het middel hoe dan ook niet langer werken dan een paar dagen, in tegenstelling tot wat de artsen beweren: een maand tot zelfs wel vijf jaar.

Doodsangst

Toch is het idee van een wonderimplantaat blijven hangen bij verslaafden. Hoewel het in het Westen officieel niet wordt toegepast, krijgt het Trimbosinstituut gemiddeld elke maand nog wel een vraag van een verslaafde waar hij of zij een disulfiramimplantaat kan krijgen. Ook op internet blijven de verhalen rondzingen. En sommige artsen (vaak chirurgen of anesthesisten) blijven de implantaten gebruiken. Zij doen dit om ‘humanitaire redenen’ bij verslaafden die aandringen en er heilig in geloven. Het Poolse farmaceutische bedrijf dat de implantaten produceert, liet weten dat het sinds 2010 221 pakketten aan België had verkocht.

In Zweden verleende de Swedish Medical Agency sinds 2009 329 maal een vergunning aan artsen om implantaten te importeren. In Denemarkten werden 144 vergunningen verleend. Op verzoek van het onderzoeksteam heeft het KNMP belangeloos de implantaten uit Polen geanalyseerd. Deze bevatten inderdaad de bestanddelen die op de verpakking staan, inclusief de hoeveelheid disulfiram. Alleen: wetenschappelijk is allang bekend dat de implantaten niet werken.

Patiënten en artsen willen geen commentaar geven, wellicht uit schaamte of omdat ze niet uitgelachen willen worden door collega’s. Geldwolven zijn deze artsen in ieder geval niet. Een Belgische chirurg in Deurne bracht voor het implanteren slechts een paar honderd euro in rekening.

Anders is het in het voormalige Sovjetblok. Tijdens het communisme waren nepbehandelingen bij verslaafden en psychiatrische patiënten de normaalste zaak van de wereld. Door gebrek aan onderzoek en medicijnen deden artsen wat ze konden om wat verlichting te brengen. Deze patiënten bleken meer dan normaal ontvankelijk voor placebopillen. Eerst gebruikte men pillen, later kwamen daar injecties en implantaten bij. Een deel van de artsen is na de val van de muur op dezelfde voet doorgegaan. De Amerikaanse onderzoeker Eugene Raikhel deed in 2009 uitgebreid onderzoek naar nepbehandelingen in Rusland.

Raikhel interviewde artsen en psychiaters die onder meer uitlegden dat de placebobehandeling aanvankelijk enig effect had, maar dat de patiënten geen reden zagen of geen geld hadden om aan hun psychische probleem te werken. Ze kwamen daardoor steeds weer terug voor nieuwe ‘behandelingen’ die telkens minder effect hadden. De verslaafden verwachtten een wondermiddel, maar kregen uiteindelijk een nog grotere kater.

Naast goedbedoelende artsen zijn er echter ook lieden die de behandeling beschouwen als een gat in de markt. De Russische anesthesist Michael Zobin is zo iemand. Zobin begon zijn carrière in de jaren 1980 in het Russische leger. Veel Russische soldaten in Afghanistan raakten verslaafd aan de heroïne. Op bevel van de communistische regering ontwikkelde Zobin een extra effectieve behandelvorm, gebaseerd op injecties en doodsangst. Hij claimde uitzonderlijke resultaten. Sindsdien behandelt Zobin patiënten uit de hele wereld, voor een ruime vergoeding uiteraard.

Een van zijn patiënten was Aleksa, een jonge Nederlandse man uit Lelystad met Servische ouders. Aleksa probeerde van alles, maar hij kon niet clean blijven. Hij en zijn familie waren wanhopig. Zijn moeder verkocht haar schoonheidssalon om voor zijn behandeling te kunnen betalen. Maar eerst moest hij nog even afkicken, want er mocht geen heroïne meer in zijn bloed zitten. Dit deed hij thuis, cold turkey. Clean maar zwak stapte hij op het vliegtuig en reisde naar het militaire ziekenhuis in Moskou. Aleksa: ‘Eerst legde Zobin uitgebreid uit hoe de behandeling werkte. De vloeistof in de injectie zou de opiaatreceptoren in mijn hersens blokkeren. Tegelijkertijd zou mijn lichaam het gelukshormoon endorfine gaan produceren.’

Vervolgens moest Aleksa gaan liggen en kreeg hij een injectie toegediend. Een half uur lang verkeerde hij in een soort roes. Aleksa: ‘Ik staarde naar het plafond en voelde me erg gelukkig. Toen ging ik terug naar mijn hotel. Ik voelde me slap, maar wel heel aangenaam. En het belangrijkste was dat mijn hunkering naar heroïne weg was!’

Drie dagen later moest Aleksa terug komen, zogenaamd om te laten controleren of de blokkade in de hersens was geslaagd. Aleksa: ‘Zobin vertelde dat hij me ditmaal heroïne in zou spuiten. Als ik het benauwd kreeg, was dat het teken dat de blokkade geslaagd was en dat mijn hersens geherprogrammeerd waren. Maar als er niets zou gebeuren, moest de behandeling opnieuw. Toen gaf hij me de injectie. Opeens kon ik niet meer ademen. Ik flipte gewoon! Net toen ik dacht dat ik dood ging, zette Zobin een zuurstofkapje op mijn gezicht. Na enige tijd nam hij het kapje weg en opnieuw ging ik bijna dood. Dit gebeurde vier keer. Toen ik weer helemaal zelf kon ademen, drukte Zobin mij op het hart: ‘Vergeet niet, dit is wat er gebeurt als je binnen vijf jaar ooit nog weer heroïne gebruikt. Alleen ben ik er dan niet om je te redden!’

Terug in Nederland nam Aleksa geen enkel risico en gebruikte nooit meer heroïne: dood wilde hij nog lang niet. Bijna tien jaar later is hij nog steeds clean. Hij is vol energie, hij heeft een vrouw en een kind en een eigen bedrijfje. Dit is een succesverhaal. Maar volgens een onderzoeksjournalist in Servië zouden andere mensen psychotisch zijn geworden na een bezoek aan Zobin en daarna zelfmoord hebben gepleegd.

Duitse, Oostenrijkse en Zwitserse media besteedden een paar jaar later aandacht aan de ‘Rätselhafter Zobin’. Vorig jaar kondigde de voormalige legerarts in het Zwitserse dagblad Tages Anzeiger aan dat hij binnenkort een kliniek zou openen in kandidaat-EU-lidstaat Montenegro. In 2011 plaatste Zobin bovendien een filmpje op YouTube waarin hij de behandeling voordoet op een Griekse patiënt. Het filmpje pretendeert een hoog journalistiek gehalte, maar is niets anders dan een advertorial. In het filmpje zegt Zobin dat hij niet kan onthullen wat er in de injecties zit. Dit is zijn ‘Berufsgeheim’. Elk nuchter mens weet natuurlijk dat beroepsgeheim iets heel anders betekent, namelijk dat je vertrouwelijke informatie van patiënten of cliënten niet openbaar maakt.

Bewezen onwerkzaam

Ook West-Europese ondernemers hebben geld geroken. Zoals PVV-senator Machiel de Graaf en zijn levenspartner Frans Geert de Groot. In 2010 richtten zij Expertcleanics op voor de behandeling van cocaïneverslaafden. Cocaïneverslaafden hebben namelijk meer geld te besteden dan alcoholisten of junks. Met de slogan ‘Afkicken in Vrijheid ‘ namen ze cliënten mee naar Lviv, een beroemde historische stad in Oekraïne, vroeger bekend als Lemberg en als Lvov. Lviv is de geboorteplaats van de psychiater Boris Sobetov. Sobetov ontwikkelde net als Zobin een speciale, geheime vloeistof. Sobetov noemt zijn versie Tetlong-250. Het nummer 250 verwijst naar de exacte hoeveelheid aanwezige disulfiram. Of er wel disulfiram in zit, en zo ja hoeveel, is echter onbekend. Bovendien is 250 mg de hoeveelheid in een pilletje disulfiram en die werkt slechts een dag en niet een maand. Voor Expertcleanics maakte dat niks uit: disulfiram is officieel – in pilvorm – toegestaan in Europa en daarmee was het wetenschappelijke bewijs volgens hen geleverd.

De patiënten van Expertcleanics ontvingen hun eerste injectie in Oekraïne van dokter Sobetov zelf. De patiënten zouden elf keer maandelijks een vervolginjectie moeten krijgen. De ampullen hiervoor namen ze in hun koffer mee terug in het vliegtuig (import van kleine hoeveelheden niet-geregistreerde geneesmiddelen voor persoonlijk gebruik is toegestaan). De kosten van de gehele behandeling: 7.000 tot 10.000 euro. Na mijn artikel in 2011 over het bedrijf in NRC Handelsblad verdween de website van Expertcleanics. Machiel de Graaf heeft zich inmiddels weer helemaal aan de politiek gewijd, en zit sinds de verkiezingen van 12 september 2012 in de Tweede Kamer.

In Engeland hebben soortgelijke ondernemers – die net als de ondernemers van Expertcleanics zelf geen arts zijn – deze nepbehandeling als melkkoe ontdekt. Zij nemen hun patiënten mee naar respectievelijk Letland of Litouwen. En net als Expertcleanics vragen ze hoge bedragen voor de behandeling: tot 4000 pond. De BBC wijdde er in 2010 zelfs een lovende uitzending aan. Ons verzoek aan een van de ondernemers om als journalist een bezoek te mogen brengen aan de kliniek in Letland, werd in eerste instantie enthousiast ontvangen. De vraag of we met patiënten konden praten, lag al wat moeilijker. Herhaaldelijke mails en ingesproken boodschappen bleven uiteindelijk onbeantwoord.

Zowel de injecties van Zobin als die van Sobetov worden door de behandelaars in eigen beheer geproduceerd. Alleen zij kennen de samenstelling; analyse van de middelen is taboe. Sobetov probeert op congressen over verslavingszorg zijn behandeling bij collega’s onder de aandacht te brengen. Onderzoek is volgens hem echter niet nodig; zijn Tetlong-250-injectie werkt gewoon, of het nu het kleurtje geel of roze heeft, dat maakt niet uit. Hij houdt de productie in eigen hand en verkoopt het aan klinieken in voormalige Oostbloklanden. De productie van de Poolse implantaten is minder geheimzinnig qua inhoud, maar zoals gezegd: het is bewezen dat ze niet werken.

Steeds meer artsen in het voormalige Sovjetblok vinden het onethisch om patiënten niet eerlijk voor te lichten. Toch berichten media in deze landen vaak nog lovend over de wonderbehandelingen, ook al beseffen de journalisten dat het om een placebo-effect gaat. Een Oekraïense tv-journalist: ‘Natuurlijk weten we dat het onzin is. De artsen geven dit toe achter de schermen, maar who cares? Zolang verslaafden denken dat het goed voor ze is…’

In september 2012 beschrijft het grootste onafhankelijke internetmedium Origo hoe disulfiramimplantaten nog volop in Oost-Europa worden toegepast. Hongaarse alcoholisten denken dat deze behandeling hun redding zal zijn, maar Origo wijst ze erop dat het om nepmiddelen gaat. ‘Er zijn wel andere, effectieve behandelmethodes, maar daarvoor is geen geld.’

Verslaving heeft vaak gecompliceerde oorzaken en ernstige gevolgen. Als artsen om wat voor reden dan ook besluiten om nepmiddelen te gebruiken, zijn goede afspraken hierover in de EU geen overbodige luxe.

Voor dit artikel werkte Janneke Donkerlo samen met buitenlandse collega’s: Helene Cheret uit Denemarken, Milda Celiesiute uit Litouwen, Zsuzsanna Wirth uit Hongarije en Milorad Ivanovic uit Servië.

Uit: Skepter 25.1 (2012)

Janneke Donkerlo is onderzoeksjournalist.