God als misvatting

door Jan Willem Nienhuys

De bekende Engelse atheïst Dawkins is tegen religie, maar lijkt er weinig van te snappen. Zijn ‘memen’-verklaring van de persistentie van godsdienst lijkt verdacht veel op pseudowetenschap.

Richard Dawkins is een onvermoeibare strijder tegen godsdienst. Zijn jongste boek, The God Delusion, staat in de VS hoog op de bestsellerlijsten, en in Nederland is het vertaald onder de iets mildere titel God als misvatting. Dawkins kan onderhoudend schrijven, maar veel nieuws staat er niet in zijn boek. Na een voorwoord van maar liefst acht pagina’s wordt de religie van Albert Einstein besproken, een soort van ontzag voor de grootsheid van de kosmos, waarna Dawkins uitlegt dat ‘religie’ geen speciale aanspraak kan maken op respect.

Met de mystiek van een natuurkundige en wat rabiate moslims als voorbeelden is religie echter niet gedefinieerd, wat de auteur er niet van weerhoudt om in het volgende hoofdstuk de Godhypothese van Dawkins (GHD) te formuleren: ‘Er bestaat een bovenmenselijk, bovennatuurlijk wezen dat doelbewust het universum met alles erin, inclusief ons mensen, heeft ontworpen en geschapen.’ Op dat ogenblik heeft hij eigenlijk al verloren. Wat gelovige mensen met hun goden bedoelen is buitengewoon gevarieerd, en doorgaans vol innerlijke tegenstrijdigheden waarvoor de ultieme oplossing meestal is dat de goden onbegrijpelijk zijn. In Nederland loopt in het dagblad Trouw al geruime tijd een tweewekelijkse serie waarin predikanten en publicisten uitleggen hoe ze omgaan met een God die niet persoonlijk gedacht wordt. Tot grote ophef leidt dit niet meer. In Dawkins’ eigen land maakte bisschop John Robinson al in 1963 furore met zijn popularisatie van de ‘God-is-dood’-theologie in Honest to God. Door in zijn betoog te doen alsof de keus tussen een en geen (persoonlijke) God is, geeft Dawkins de godisten al half gelijk, maar zeker wat Nederland en West-Europa betreft, voert hij een strijd tegen half-vergane windmolens. Dawkins heeft het ook in niet minder dan vier hoofdstukken over de maagdelijke geboorte van Jezus, iets dat in de VS door wel 80 procent van de totale bevolking geloofd wordt. Onder dominees daar schijnt het percentage lager te zijn. Ik vraag me af hoeveel Nederlanders dat Mariadogma geloven, de moslims wellicht, maar wie nog meer?

Voor de meeste gelovigen is het niet zo interessant of en zo ja hoe hun goden de wereld geschapen hebben. Alleen de extremistische Amerikaanse mythe van Intelligent Ontwerp gaat over doelbewust ontwerp. Net zo min als de bedenker van het schaakspel het hele spel overzag, hoeft een eventuele bouwer van het universum echter het geheel in enig detail gepland te hebben. Ook met de extra aanname dat de schepper tevens een detailplanner is, maakt Dawkins zich de opvattingen van enkele van zijn meest radicale tegenstanders eigen.

Religies interesseren zich niet echt voor de GHD. Atheïsten als Dawkins redeneren: religies hangen de GHD aan, want ze hameren op de letterlijke waarheid van de Bijbel in het algemeen en Genesis in het bijzonder. Maar iemand die verder dan pagina 1 van de Bijbel leest, ziet achtereenvolgens twéé scheppingsverhalen. Het eerste verhaal begint met een waterige boel en een scheiding van de verschillende soorten water, en pas droog land op de derde dag, daarna schepping van vissen en vogels, dan planten en dieren en ten slotte de mens, man en vrouw. Daarna komt er vanaf Genesis 2:4 een totaal ander verhaal. Dat begint met een onbegroeide woestijn, de schepping van de man uit vochtige aarde, vervolgens alle planten en dieren en een tuin met grote rivieren en daarna de vrouw. Die twee verhalen kunnen niet allebei waar zijn. Dat interesseert de gelovigen kennelijk niets. De scheppende activiteit van het opperwezen in de Bijbel is een volstrekt perifeer gebeuren. De ontwikkelde monotheïst met enig gevoel voor poëzie maakt uit deze verhalen op dat de methode van scheppen er niet toe doet, en desnoods bestaat uit de evolutie haar werk (selectie, selectie, selectie) laten doen, met eventueel het theologische voorbehoud dat de menselijke ziel (een theologische constructie) geen evolutieproduct is.

Dawkins beschrijft hoe het door hem bedachte oergodsbegrip door diverse religies is aangekleed. Er is natuurlijk geen logisch verband tussen zijn schepperfictie en de andere kenmerken van goden, en hij houdt het er maar op dat al die extra’s verzinsels zijn. Hij keert dus de zaak om door de god van de creationisten voor de wortel van het godsidee aan te zien, en begrijpt dan ook niet echt waar al die aangroeisels vandaan komen.

In dit hoofdstuk komen ook diverse vormen van rationalisme aan de orde en Dawkins kondigt aan dat hij de GHD zal ontkrachten ten voordele van de evolutietheorie. Eerst bespreekt hij diverse godsbewijzen. Een aantal daarvan proberen ‘God’ te bewijzen uit eigenschappen die ‘God’ in de hoogste mate zou moeten hebben, waarbij het bestaan van het desbetreffende maximum als logisch noodzakelijk wordt gezien. Maar dat hoeft niet te bestaan, net zo min als het ‘laatste’ punt van een cirkel of het grootste getal bestaat. Dawkins laat nog enkele andere bewijzen de revue passeren, waaronder het bewijs door persoonlijke ervaring. Ik denk dat voor heel wat mensen ‘persoonlijke ervaring’ helemaal bovenaan staat, met daarna een hele tijd niets.

Vanuit die persoonlijke ervaring is de fundamentalistische afkeer van de biologie en van andere bezwaren tegen Genesis wel te begrijpen. De gelovige ervaart die bezwaren tegen zo’n ondergeschikt punt als onredelijk. Hij manoeuvreert de wetenschapper graag in een soortgelijke positie door deze te confronteren met grote en kleine onopgeloste puzzels, zodat de discussie tussen wetenschap en religie er een wordt met oordoppen in waarbij beide partijen hetzelfde roepen: ‘Ons verhaal klopt in grote lijnen, met hier en daar nog wat ontbrekende details, maar jullie verhaal is een samenraapsel van verzinsels met fatale lacunes.’

De sleep van de pauw

In het volgende hoofdstuk probeert Dawkins uit te leggen waarom hij de GHD verwerpt. In het kort komt dat neer op ‘wie heeft God dan gemaakt’? Hij speelt dit via de kansrekening, wat een slecht idee is. Kansrekening werkt prima als het beschouwde verschijnsel zich vaak genoeg voordoet en voldoende goed wordt begrepen. Men kan dan abstraheren van specifieke oorzaken en het verschijnsel min of meer gelijkstellen aan het opgooien van een munt. Als het gaat over het ontstaan van het universum of de menselijke soort is er zegge en schrijve maar één voorbeeld en dan valt er niks te kansrekenen. Daarmee wordt dit hoofdstuk, dat Dawkins zelf als het centrale deel van zijn boek beschouwt, tot een vermakelijk stukje pseudowetenschap, statistiek met ‘n = 1′.

Vervolgens vraagt Dawkins zich af wat de oorsprong van religie is. Zou religie troostrijk zijn of saamhorigheid bevorderen? Misschien, maar hoe het geloof in een ID-schepper dat voor elkaar zou kunnen krijgen, laat hij in het midden.

Dawkins neemt het voorbeeld van de sleep van de pauwhaan. Dat is een nutteloos en waarschijnlijk schadelijk ornament, zoiets als religie dus. Naar verluidt kreeg Darwin het al benauwd als hij een pauw zag, maar kwam toen op het idee van seksuele selectie. Ik denk dat er meer achter zit. In het leven der pauwen loopt de hen een aanzienlijk risico dat ze tijdens het broeden met eieren en al door een roofdier wordt opgegeten. Veel kenmerken van pauwen, zowel uiterlijk als gedrag, zowel bij de hennen als de hanen, kunnen worden uitgelegd als gericht op verkleining van dat risico. De opvallende kleuren van de haan, zijn oorverdovende gegil en zijn gepronk trekt natuurlijk de aandacht van de hennen. Die hebben inderdaad een voorkeur voor een opvallende waaier. Maar dat het de aandacht van roofdieren van de broedende hen afleidt, is voor de hen zelf en voor haar eieren (waar de genen van de haan in zitten) van groot belang. Een roofdier dat denkt aan de haan een makkelijke prooi te hebben, komt natuurlijk bedrogen uit, want pauwen kunnen goed zien en vliegen en de haan heeft van zijn vederlichte sleep net zo min last als een hagedis van zijn staart. Het afleiden van de aandacht lukt ook prima bij de evolutiebiologen, want geen van hen lijkt deze verklaring zelfs maar te willen bespreken. Mij lijkt het een prima verklaring, want in de loop van bijna tien jaar heb ik persoonlijk het verdwijnen van broedende pauwhennen in het rustige Noord-Brabant verscheidene malen meegemaakt. Er zijn trouwens nog andere verklaringen die deze niet hoeven uit te sluiten, bijvoorbeeld een advertentie voor een reëel bestaand voordeel zoals gezondheid of voedselrijkdom in het territorium.

Memen

Een andere metafoor die Dawkins gebruikt, is het verschijnsel dat nachtvlinders en dergelijke op lampen en brandende vlammen afvliegen. Ze doen dat omdat ze normaal lichtbronnen zoals de maan voor navigatie gebruiken door onder een constante hoek met de richting van zo’n lichtbron te vliegen, wat natuurlijk tot een spiraal leidt als de bron een nabije lamp of vlam is.

Zou het zoiets zijn? De mogelijkheden liggen voor het opscheppen, en zijn ook herhaalde malen genoemd. Onze menselijke neiging om overal mensen, desnoods onzichtbare, als oorzaken te vermoeden, mogelijk ons vermogen om ons met het grootste gemak ook heel veel te kunnen voorstellen, en dat gecombineerd met onze buitengewoon nuttige neiging om als kind alles wat ons verteld wordt, kritiekloos te accepteren, al deze menselijke eigenschappen zouden een rol kunnen spelen.

Dawkins gooit het gedeeltelijk op de mementheorie. De clou van de evolutie is dat je dingen (genen) hebt met een vermenigvuldigingsmechanisme dat variatie mogelijk maakt, en waarop dan selectie kan werken, waardoor juist die genen overblijven die in een bepaalde omgeving om welke reden dan ook de beste kansen hebben. Dat werkt net zo goed met ideeën, met het menselijk brein als vermenigvuldiger. Het moeten dan wel ideeën zijn die zich laten vermenigvuldigen. Deze gedachte is het verst uitgewerkt door Susan Blackmore in haar boek The meme machine (1999). Kort geleden mocht ik met haar debatteren over dit onderwerp. Volgens Dawkins zijn memen eenheden van culturele overerving, maar Blackmore vindt dat ‘eenheden’ al te ver gaat, want dat riekt naar kleinst deelbare eenheden, een soort atomen of moleculen. Voor haar zijn memen ‘dat wat geïmiteerd kan worden’. Dat is vrijwel alles. Blackmore geeft persoonlijke herinneringen als voorbeeld van iets dat geen meme is. Die kan men echter verwerken in een kunstwerk en zo aan anderen ter imitatie aanbieden, dus erg overtuigend is dat niet. Bovendien worden herinneringen sterk gekleurd door cultuur. Motorische vaardigheden die men slechts door oefening kan verwerven, zouden een ander voorbeeld van ‘geen meme’ zijn. Dus fietsen is een meme, maar niet wat je precies moet doen om niet van een fiets af te vallen. Het lijkt me een kunstmatig onderscheid.

De memen worden vermenigvuldigd door menselijke hersenen, en memen leveren een soort strijd om de aandacht, zodat alleen de best kopieerbare overblijven. Dit is een nogal ongrijpbare theorie, want wat die memen nou zijn is onduidelijk, en wat er precies in de hersenen zit dat van alles en nog wat kopieert, is ook onduidelijk. Mensen imiteren natuurlijk veel, maar in een hoofd waarin vele tienduizenden woorden of beelden kunnen worden opgeslagen (in een vorm die we eigenlijk niet zo goed kennen), is onduidelijk waar de selectie uit bestaat. Observatie van mensen leert dat de reden om iets te imiteren geen intrinsieke eigenschap van het geïmiteerde is. Wij imiteren succesvolle anderen, personen die we op de een of andere manier als meerderen beschouwen. De Franse filosoof René Girard heeft betoogd dat mimetische begeerte (met een onaardig woord: naijver, jaloezie), dingen willen hebben omdat een ander ze heeft, een belangrijke motor in de samenleving is. (1)

De mementheorie is net als de homeopathie en net als de morfogenetische velden van Sheldrake een collectie ideeën waarin metaforen en vage gelijkenissen (tussen een meme en zijn kopie of tussen memen en genen) de voornaamste rol spelen. De theorie voorspelt ook weinig en kan niet uitleggen waarom de ene meme snel weer uit de mode raakt, en de andere eeuwen blijft bestaan. Het contrast met de biologie is enorm, want elk levend wezen zit vol met organen en eigenschappen waarvan het nut voor overleving en voortplanting overduidelijk is, terwijl de memen doorgaans niets hebben dat hun voortbestaan verklaart. De enige functie die de mementheorie schijnt te hebben, is dat ze het raadselachtige feit ‘verklaart’ dat religies maar blijven bestaan.

Onzichtbare baas

Hier lijken de religie-evolutionisten een merkwaardige blinde vlek te hebben. Laat ik voor ik verder ga religie even zelf definiëren: het ontzag voor bovennatuurlijke wezens (mystiek, moraal en riten dus niet). Of die wezens de wereld geschapen hebben is niet belangrijk. De Griekse en Germaanse goden hadden dat zeker niet, en de lichtbollen en vooroudergeesten die moderne mediums prediken al helemaal niet, en evenmin de UFO-religie. Duivels en demonen en heiligen vallen ook onder dit begrip. Men moet ontzag ruim opvatten, namelijk niet alleen verering, maar ook alle handelingen die rekening houden met de macht en willekeur van deze gasvormige gewervelden vallen er onder. Verreweg de meeste van deze wezens denkt men zich met een bepaalde macht om ons te schaden of te helpen.

Sinds onheuglijke tijden, waarschijnlijk lang voordat ze mensen waren, leefden onze voorouders in groepen. Zulke groepen primaten, en tal van andere groepen dieren zijn hiërarchisch georganiseerd. Er is meestal een zogeheten alfamannetje de baas. Zelfs bij kippen ziet men een pikorde, er zijn ‘hoge’ en ‘lage’ hennen. Er is geen enkele reden om te denken dat mensen hierop een uitzondering zijn. Het wemelt in vrijwel elke maatschappij van de rangen en standen, met leiders in alle soorten en maten, van slavendrijvers tot Führers. Onder de paus is een hiërarchie, maar onder de bovenbaas van een groot bedrijf ook, en eveneens in het leger, bij de overheid enzovoorts. De bovennatuurlijke wezens zijn niet zomaar mensachtig en onzichtbaar, maar ze zijn ook leiders. Wij zijn, denk ik, biologisch geprogrammeerd om ons te schikken in hiërarchieën. Een onzichtbaar wezen dat enige macht heeft, zal gemakkelijk worden gezien als een leider. Proeven zoals die van Milgram laten zien hoe vlot een ‘leider’ zich gezag verwerven kan. Personen die aannemelijk kunnen maken dat zij hun macht van die Hoogste Leider krijgen, bevestigen daardoor hun eigen macht. Het nut van religie is dan een van de vormen van het nut van een hiërarchische structuur: het houdt de boel bij elkaar, net zoals een centraal zenuwstelsel een prima manier is om een meercellig organisme te besturen, en een centrale stam of stengel met vertakkingen een handig bouwprincipe is voor een plant. Ons gedachteleven draait grotendeels om andere mensen, en we zijn veel tijd kwijt met opletten wie onze leiders zijn, en wie juist van ons afhankelijk zijn (onze jonge kinderen bijvoorbeeld) en hoe we een beetje vooruit kunnen komen in de hiërarchie (met jaloersheid en mimetische begeerte als onontkoombaar neveneffect).

Religie is een onderdeel van dit proces, alleen met een onzichtbare leider bij wie men natuurlijk evengoed moet proberen in een goed blaadje te komen. Of die hoogste leider een vreeswekkende tiran is of een almachtige goede vader is niet zo belangrijk. Dit is de blinde vlek van de religie-evolutionisten. Misschien kennen ze als onafhankelijke geleerden niet de onweerstaanbare aandrang om achter een goeroe aan te lopen of een politicus, prinses of popster te aanbidden, en zien ze dit proces ook niet in de tallozen die hen enthousiast napraten en hun boeken kopen. Het lijkt me dat zelfs godisten zouden kunnen instemmen met deze onzichtbarebaastheorie: God heeft direct of indirect ervoor gezorgd dat we geen moeite hadden met hoger gezag te aanvaarden, zelfs als dat uitgeoefend wordt door iemand die zich zelden echt laat zien. God zou dit gedaan hebben analoog aan de manier waarop hij ons heeft voorzien van een natuurlijk vermogen om God of ‘het goede’ (of beide) te kennen en zo tot het licht te geraken en verlost te worden.

De mementheorie ziet al die bazige bovennatuurlijke wezens als ideeën die zich, om redenen die er kennelijk niet zo toe doen, goed laten kopiëren door de universele kopieermachine tussen onze oren. Waarom het baasidee zo aantrekkelijk is, en waarom de goden niet allemaal betrekkelijk machteloze goedaardige natuurwezentjes en vooroudergeesten zijn, laat deze theorie in het midden.

Confucius

In hoofdstuk zes wordt het verband tussen religie en moraal besproken. Zoals bekend doen tal van religies alsof ze de moraal hebben uitgevonden, net zoals ze de mystiek en dergelijke hebben geannexeerd, in die mate dat sommigen zelfs denken dat moraal en mystiek de essentie zijn van religie. Dawkins verwaardigt zich zelfs niet eens om te bespreken hoe ‘religie’ tot deze aanspraken komt. Vanuit de onzichtbarebaastheorie van de religie spreekt het echter vanzelf, want in elke Leider schuilt ook een Regelneef. Gewone burgerlijke overheden produceren trouwens veel en veel meer wetten dan de allerstrengste religies.

Dawkins legt omstandig nog maar eens uit waarom religie niet het monopolie op fatsoenlijk gedrag heeft, en hoe altruïstisch gedrag een product van de evolutie zou kunnen zijn. Dat is lastig te verkopen in een cultuur waarin ‘goddeloos’ nog steeds voor diep verdorven, misdadig en gruwelijk staat, maar niet erg origineel, want dat moraal zonder religie kan, is in het Westen al in de 18de eeuw bedacht, terwijl de notoire agnost Confucius dat al verkondigde toen Socrates nog maar een kleuter was. Confucius is befaamd om uitspraken als ‘ik weet nog niet genoeg van het leven, wat zal ik me met de dood bemoeien’ en hij hield zich afzijdig van het bovennatuurlijke. ‘Hemel’ is in het confucianisme niet meer dan een vage abstractie, een moreel gezag ontleend aan het welzijn van het volk. Dawkins noemt het confucianisme echter een religie (‘godsdienst’ in de Nederlandse vertaling). Daar snapt hij dus ook niets van. Overigens waren in de tijd van Confucius belangrijke scheppergoden van de Chinese cultuur al gemuteerd tot mythische heersers en hun ministers, die de mensheid onderwezen in vuur maken, landbouw, jacht, visserij, zijderupsenteelt, waterbeheersing enzovoorts.

Het is heel begrijpelijk dat Dawkins niet kan uitleggen waarom God in de ogen van Zijn aanhangers zo op moraal gesteld is. Het is nu eenmaal moeilijk om van een ID-schepper te beredeneren dat die zich wat aantrekt van wat zijn schepsels zoal uitspoken. Voor de gewone gelovigen is die schepperkwestie een der uitvloeisels van de andere aspecten van hun godsvoorstellingen, en ze redeneren niet: wie de wereld heeft gemaakt, die moeten wij per definitie aanbidden.

Atheïstische dictators

Vervolgens bespreekt Dawkins de Bijbel. Hij is daar wat ambivalent over. De hele ‘geschiedenis’ van het Joodse volk zoals die daarin beschreven staat, is waarschijnlijk een grotendeels bedacht verhaal, opgeschreven vele eeuwen nadat de veronderstelde gebeurtenissen zich hadden afgespeeld. Een heroïsch ontstaansverhaal en een glorieus verleden zijn, waar of niet, prima middelen om het saamhorigheidsgevoel van een volk wat op te peppen. Maar in hoofdstuk zeven van God als misvatting praat Dawkins er niet over alsof hij het heeft over de geschiedenis van Koning Arthur en zijn Ridders van de Ronde Tafel. Hij maakt bezwaren tegen allerlei passages, alsof het gaat over echte gebeurtenissen. Dat werkt vervreemdend, net of men een ontwikkeld persoon een episode van Star Wars ziet bespreken alsof het een historische documentaire was. Door aldus gedeeltelijk in de huid van de fundamentalist te kruipen, verliest het betoog aan kracht.

In de Bijbel vinden we natuurlijk ook de Tien Geboden. Vier daarvan gaan uitsluitend over de verering van Jahweh, en het is onbegrijpelijk dat men in de VS, waarin de scheiding van kerk en staat nog steeds een officieel grondbeginsel is, lang moet soebatten om voorstellingen van de Tien Geboden uit gerechtshoven te verwijderen. Met het verbieden van moorden, stelen en meineed is natuurlijk niets mis, maar de liefde voor ouders en echtgenoten dwingend voorschrijven is overdreven regelzucht. Dawkins laat hier, net als alle andere ongodisten, een kans lopen om een alternatief stel heldere ethische regels te formuleren. Ergens op internet vond hij de Gouden Regel ‘Wat gij niet wilt, …’ (zonder de bronvermelding Gezegden van Confucius 15:23), aangevuld met al dan niet door hem bedachte zouteloosheden als: wees altijd blij, stel altijd vragen, en geniet van je eigen seksleven. Misschien moeten we maar blij zijn dat hij niet een van de ellenlange hoogdravend-snorkende lijsten van humanistische beginselen heeft overgeschreven.

In dit zelfde hoofdstuk probeert Dawkins het dictatorargument te ontkrachten. Dat argument gaat als volgt: religie heeft weliswaar wat vervelende bijwerkingen, maar dat haalt het niet bij wat bekende recente atheïstische dictators hebben aangericht (met als absolute topper Mao Zedong die ruim 50 miljoen mensen om zeep hielp terwijl linkse intellectuelen over de hele wereld hem aanbaden, maar die niet door Dawkins genoemd wordt). Dawkins’ tegenargument is dat Hitler katholiek was, en dat er geen causaal verband was tussen het atheïsme van Stalin en diens moordlust. Een beetje flauw, want het theïstische argument betoogt impliciet dat religieuze dictators zich nog een beetje inhouden, in tegenstelling tot God natuurlijk die zich geregeld aan massavernietiging te buiten gaat.

Ook dit is een schimmenspel, want Napoleon, Hitler, Stalin en Mao waren ook Leiders net als God. Het oordeel moet luiden dat elke absolute heerser, denkbeeldig of niet en gelovig of niet, een enorm risico inhoudt. Aangezien God geen hoger gezag erkent, is Hij net zo atheïstisch als Mao en Stalin. Het nadeel van denkbeeldige leiders is dat hun aardse volgelingen naar believen kunnen verzinnen wat de Leider wil. De theïsten hebben natuurlijk gelijk als ze vinden dat van een Leider meer te verwachten valt als die zich gebonden voelt aan humanitaire beginselen. In China had je ook goede heersers die zich hielden aan de adviezen van het confucianisme, namelijk dat de heerser hart voor zijn onderdanen moet hebben en goed moet luisteren naar zijn adviseurs (iets wat Mao niet deed, die elimineerde systematisch al zijn rivalen en critici). Datzelfde confucianisme had trouwens ook ruim tweeduizend jaar voor de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring al een theorie van gerechtvaardigde opstand tegen heersers die er een potje van maken; daar waren er dan ook genoeg van in China. Met andere woorden: met leiders kun je het treffen of niet, het gaat erom te bevorderen dat je goede meesters en ministers hebt. Misschien werkt religie wel enigszins, maar wat religie kan, zal nog beter gaan als men allerlei bovennatuurlijke randvoorwaarden aan de kant zet.

Blaffen tegen de maan

Hoofdstuk acht is een uitvoerige opsomming van wat Dawkins aan onaangename dingen aan religie (voornamelijk christendom en islam) wist te ontdekken. Een van de zorgelijke aspecten die hij noemt, is dat religies vaak prediken dat het einde der tijden nabij is. De haveloze zwerver die iets dergelijks aankondigt, is zelfs een standaardtype getekende grap. Het christendom begon trouwens zelf als zo’n beweging. De Japanse gifgassekte Aum Shinrikyo was een boeddhistische variant, en de diverse zelfmoordsekten zijn andere variaties op dit thema. Met name in de VS zijn er grote aantallen christenen die het einde der tijden verwachten. Als die dat proces een handje gaan helpen, zijn de gevolgen niet te overzien.

In het slothoofdstuk komt de mogelijke rol van religie (of God) als troost en inspiratie aan bod, maar de auteur geeft het al helemaal op om uit te leggen welke inspiratie de religie of de GHD geeft, en stapt meteen over op wat de wetenschap te bieden heeft op dit terrein, namelijk vooral verbreding van onze kennis van de werkelijkheid. Wat de gewone mensen daaraan hebben, is onduidelijk. Die leven grotendeels in een wereld die bestaat uit menselijke relaties. Voor hen is ‘het universum’ een volstrekt perifeer verschijnsel, gespeend van emotie. De natuur, dat is waar het pannenkoekenhuis staat, zoals Midas Dekkers eens zei, met andere woorden de natuur zoals de wetenschap die ziet, zegt de gewone mensen niets. Mij lijkt dat de radicale humanist beter ‘andere mensen’ als inspiratie kan aanvoeren.

Samenvattend, wie van de stijl van Dawkins houdt, moet het boek beslist kopen (en zich niet te veel ergeren aan het paternalisme van de vertaler), maar het is een beetje blaffen tegen de maan: indrukwekkend kabaal tegen een onwezenlijk en verkeerd begrepen verschijnsel.

Noot

1. Hans Achterhuis. Het rijk van de schaarste: van Thomas Hobbes tot Michel Foucaul. Ambo, Baarn, 1988.

Richard Dawkins (2006), God als misvatting. Amsterdam:Nieuw Amsterdam Uitgevers.

Uit: Skepter 19.4 (2006)

Jan Willem Nienhuys is redacteur van Skepter en secretaris van Skepsis