Atheïstisch bijgeloof

Caesar aan het kruis in Buitenhof

door Anton van Hooff

Francesco Carotta denkt dat Jezus eigenlijk Caesar was, en kopstukken van humanistisch Nederland tuinen enthousiast in een nieuwe pseudowetenschap.

Laat ik bij het begin beginnen. Een half jaar geleden belde televisiemaker en mederepublikein Jan van Friesland (van het programma Buitenhof) mij opgewonden op. Wat hij nu aan het lezen was, was zo opzienbarend dat hij het met een deskundige moest delen. Iemand had bewezen dat Jezus niet bestaan had! Eigenlijk was Hij gewoon Julius Caesar. Na enkele argumenten gehoord te hebben, zei ik: ‘Maar Jan, dit is de zoveelste variant op von Däniken.’ (Deze fantast baarde eind jaren 1960 opzien met zijn Waren de goden astronauten?). ‘Nee, nee, dit was serieuze wetenschap.’ Ik zou de belangrijkste stukken van het boek in kopie krijgen en bij lezing wel tot andere gedachten komen. Wel, de lectuur van de sleutelpassages uit Francesco Carotta’s War Jesus Caesar? : 2000 Jahre Anbetung einer Kopie?, uitgegeven in 1999 in eigen beheer (inmiddels vertaald als Was Jezus Caesar? Een onderzoek) bevestigde mijn ergste vermoedens. Deze ex-seminarist van Italiaanse afkomst probeert de lezer wijs te maken dat de overeenkomsten tussen Caesar en Jezus zo frappant zijn, dat hier sprake moet zijn van een en dezelfde persoon.

Er klopt niets van Carotta’s inval. Hij presenteert zijn boek als onderzoek – zie de Nederlandse ondertitel. Een onderzoek begint, zo leren wij onze studenten, met een goede vraagstelling. Die moet aannemelijk en onderbouwd zijn. Carotta’s werkhypothese berust op twee pijlers. In de eerste plaats meent hij dat er een voorstelling van de lijdende Caesar is. Deze veronderstelling baseert hij op enkele late portretkoppen van Caesar. Daar heeft de dictator wat groeven in het gelaat, gewoon Romeins realisme in de kunst. Met de idee-fixe van de Lijdende Caesar in het achterhoofd kijkt Carotta vervolgens naar de begrafenis van de vermoorde populist. Daarvan heeft Caesars partijganger Marcus Antonius een heel spektakel gemaakt. Hij had zelfs een wassen beeld van de vermoorde laten maken dat hij den volke toonde. Hoe dat ging weten wij niet, maar Carotta weet zeker dat de wassen beeltenis aan een soort kruis hing. Een bizarder idee bestaat niet. Het kruis was namelijk het executie-instrument voor de minste misdadigers, bijvoorbeeld voor de rovers die samen met Jezus ter dood werden gebracht. Ter vergelijking, men stelle zich voor dat Mat Herben het lijk van Pim Fortuyn aan een galg had gehangen en zo naar Westerveld had gereden.

De eerste pijler van Carotta’s vraagstelling heeft dus geen bodem. Ook het tweede element van de vergelijking slaat nergens op. Carotta wil aannemelijk maken dat die ‘lijdende Caesar’ is overgegaan in de lijdende Jezus. Maar die bestaat ook al niet! In de eerste eeuwen beeldden de christenen Jezus uitsluitend allegorisch uit, bijvoorbeeld als de bebaarde leraar. Jezus is ook vaak de Goede Herder, maar nooit de Gekruisigde of Man van Smarten. Die voorstelling zou haaks staan op Zijn goddelijkheid, die juist in de eerste eeuwen centraal staat. De zeer menselijke, lijdende Jezus aan het kruis is iets van de late middeleeuwen.

Een onderzoek dat twee niet bestaande zaken vergelijkt, komt natuurlijk nergens. Iedere docent zou het onderzoeksvoorstel daarom afkeuren. Onverdroten gaat Carotta echter door. Honderden, zo niet duizenden argumentjes moeten zijn these adstrueren. Het gaat dan om ‘verbluffende’ overeenkomsten van het kaliber: Caesar trekt de Rubico over – Jezus laat zich in de Jordaan dopen. Zowel Jezus als Caesar worden verraden. Cleopatra valt Octavianus Augustus te voet in een poging gespaard te worden – Maria Magdalena wast Jezus’ voeten met mirre. Pilatus is een doorzichtige verbastering van Lepidus, Nazareth is eigenlijk Ravenna. De evangelist Marcus, want die is volgens Carotta de boze genius, moet wel aan een ernstige vorm van dyslexie hebben geleden. Nog een voorbeeld van carottaanse etymologie: Christos is een samensmelting van Archiereus Megistos (grootste opperpriester, een Griekse titel van Caesar). Ter vergelijking wordt verwezen naar Keulen, dat is ontstaan uit het Latijnse Colonia. Maar deze verandering, die we in diverse stadia kunnen volgen, voltrok zich in de loop van vele eeuwen. En zelfs dan: de medeklinkers zijn al die tijd niet veranderd. Men hoeft echt geen taalkundige te zijn om aan te voelen dat al die ‘verbluffende’ etymologieën niet kloppen. Dus niet alleen is de vraagstelling onhoudbaar, ook de argumenten ter verifiëring zijn groteske onzin. De overvloed aan argumenten kan misschien de leek versteld doen staan. De wetenschappelijk geschoolde weet echter dat een overkill aan ‘verbluffende toevalligheden’ het onmiskenbare teken van voos denken is. Zo bewees de psychoanalyticus Immanuel Velikovsky met ruim duizend geleerde voetnoten in zijn Worlds in Collision (1950) dat een kosmisch gooi- en smijtgebeuren tal van historische rampen had veroorzaakt die hun sporen in allerlei mythen en sagen en met name in de Bijbel hadden achtergelaten. Velikovsky is nog heilig vergeleken bij Carotta, want hij citeert zelfs werken van de jaren 1930 en begin jaren 1940, terwijl Carotta niet verder komt dan 1906.

Wat ‘verbluffend’ ontbreekt in Carotta’s bewijsvoering zijn ondersteunende getuigenissen van antieke antichristenen. Er waren genoeg intellectuelen die met alle mogelijke argumenten de onzin van het christendom aantoonden: natuurlijk had die Maria een slippertje gemaakt en gaf zij God de schuld. Maar Celsus (ca. 180), Porphyrios (ca. 260) en Julianus de Afvallige (ca. 360) reppen niet van Jezus Caesar. Deze belezen tegenstanders, die dicht bij de gebeurtenissen stonden, hadden geen benul van de waarheid die Carotta meer dan 1600 jaar later ontdekte.

Een vraagstelling dient niet alleen met deugdelijke argumenten te worden geverifieerd. De serieuze onderzoeker kijkt of een theorie gefalsifieerd kan worden. Kan dat? Jawel, Carotta’s kaartenhuis wordt omvergeblazen door het getuigenis van Tacitus. Deze Romeinse geschiedschrijver spreekt in Annales 15,44 (geschreven omstreeks 115) met grote laatdunkendheid over het verderfelijke bijgeloof, exitiabilis superstitio, van de christenen. Ze zijn een kwaad en ze maken zich schuldig aan haat tegen de mensheid. In dit verband legt Tacitus de lezer even uit waar het christendom vandaan kwam. ‘De naam is afgeleid van de Christus die tijdens het bewind van Tiberius door toedoen van de procurator Pontius Pilatus was terechtgesteld’, zo vertaalt M.A. Wes de passage, die door alle moderne uitgevers van de Latijnse tekst als echt wordt erkend. Maar Carotta weet het beter: laten we nu net hier te maken hebben met een vervalsing van gemene monniken!

Zondagsschoolprent

Ik dacht Van Friesland behoed te hebben voor een wetenschappelijke kwakzalver totdat even later de spraakmakende cultuurhistoricus Thomas von der Dunk in Vrij Nederland van 6 april getuigde dat Carotta een ‘bom onder het christendom’ had gelegd, die kennelijk al jaren in Duitsland had liggen smeulen zonder opzienbarende gevolgen voor het Duitse christendom. Hij kon de argumenten wel niet beoordelen, maar de bewijzen waren zo overvloedig dat hier een belangrijke ontdekking moest zijn gedaan. (Zie ook Parariteiten in Skepter, juni 2002). In een discussie per e-mail probeerde ik Von der Dunk te overtuigen dat hij er grandioos naast zat.

Op 28 november was ik uitgenodigd ter gelegenheid van de presentatie van de Nederlandse editie (vertaald door een ‘experimenteel psycholoog’) voor een debat. Ter plaatse bleek het de bedoeling dat de bijbelkundige Alex van Heusden en ik zouden luisteren naar een lezing van Carotta, maar uiteindelijk bedongen we evenveel spreektijd. We hebben toen de vloer aangeveegd met Carotta’s groteske onzin. Carotta, door zijn aanhangers beschreven als een buitengewoon hoffelijk man, verloor zijn vriendelijkheid en schold mij voor een ezel uit.

Op 1 december vertelde ik in het VPRO-radioprogramma Onvoltooid Verleden Tijd nog maar eens dat Carotta een wetenschappelijke charlatan is. Wie schetst mijn verbazing toen een uur later Paul Cliteur, hoogleraar filosofie en boegbeeld van het Nederlandse humanisme in Buitenhof zonder een spoor van ironie poneerde: ‘Jezus heeft bestaan, maar in werkelijkheid was hij Julius Caesar. Zo heeft Julius Caesar na zijn moord aan het kruis gehangen, als wassen beeld met dolkstoten in de zij. Deze ontdekking gooit de hele cultuurgeschiedenis omver.’ Bij deze woorden toonde hij een soort zondagsschoolprent waarin Caesar wordt getoond als het kruisbeeld dat Carotta als jongeling aan de muren van zijn seminarie zag hangen.

Het was voor Cliteur een kleine moeite geweest even bij een deskundige zijn licht op te steken. Die inspanning heeft hij zich niet getroost, terwijl hij van zijn maatjes Thomas von der Dunk en Jan van Friesland (eindredacteur van Buitenhof) wist dat deze klassiek historicus zich in het carottisme had verdiept. Ik hoopte daardoor de zielen van Jan van Friesland en Thomas von der Dunk te redden, want beide mensen zijn mij sympathiek.

Volgens Van Friesland had ik mij niet serieus verdiept in Carotta. Hij heeft evenwel zelf voor mij de krachtigste bewijzen uitgezocht en toegestuurd (Lepidus=Pilatus en zo). Ik heb zelfs Carotta’s webstek bezocht (www.carotta.de). Daar worden Thomas von der Dunk en Paul Cliteur als Carotta’s apostelen onder de Friezen gevierd. Van Friesland blijft mij verwijten dat ik niet de moeite heb genomen het hele boek te bestuderen. Wel dat heb ik – min of meer – toen de Nederlandse editie in november uitkwam. Het werk is echter zo’n kwelling voor het verstand dat ook Martin Ros het na twintig pagina’s opgaf. Paul Cliteur was tegenover mij zo eerlijk te bekennen dat hij het boek pas voor de helft had gelezen toen hij in Buitenhof het evangelie naar Carotta verkondigde. Inmiddels geeft hij privé toe dat er geen lijdende Jezus in de oudheid bestaat. Daarmee valt hij het hele ‘onderzoek’ van Carotta af, want als het tweede lid van de vergelijking ontbreekt, is er geen vergelijking meer. Hopelijk geeft Cliteur ooit toe, liefst in Buitenhof, dat hij zich in zijn verlangen om met Kerstmis in aantocht grappen te maken over het Caesaristisch Democratisch Appèl, heeft laten meesleuren in atheïstische pseudowetenschap.

Is er nog hoop voor Van Friesland? Toen ik in De Gelderlander op 14 december 2002 een column aan deze farce wijdde, reageerde hij als door een wesp gestoken op 19 december in dezelfde krant en Von der Dunk volgde hem op de 24ste. Ik betwijfel echter of de zielen van het drietal Van Friesland-Cliteur-Von der Dunk nog te redden zijn. Wie het zijpad van pseudowetenschap en bijgeloof inslaat, laat doorgaans alle rede varen, en vindt daarom zelden de weg naar de waarheid terug.

Uit: Skepter 15.4 (2002)

Lustrum-naschrift 4 november 2007

Vijf jaar later blijkt dit groteske atheïstisch bijgeloof nog springlevend. Jan van Friesland heeft een documentaire gemaakt om Carotta’s gelijk te bewijzen. Opnieuw mobiliseerde hij zijn medianetwerk om een maximum aan publiciteit te krijgen. Op 2 november was er voor genodigden een voorvertoning. De VARA is van plan dit product uit te zenden. In de Metro van 29 oktober 2007 wordt Paul Cliteurs uitlating in de NOVA-uitzending van 23 december 2002 aangehaald: ‘Dit is een ontdekking die gelijk staat aan de denkbeelden van Darwin en Galileo. Carotta’s theorie zet de hele wereld op zijn kop.’

Paul Cliteur, zo verneem ik bij geruchte, geeft binnenskamers toe dat hij zich heeft laten inpakken, maar dat openlijk toegeven, ho maar. Integendeel, als ik hem uitdaag, vindt hij mij een stalker. Misschien verandert hij van gedachte als hij verneemt hoe oude uitlatingen van hem worden gebruikt.

Onze Verlichtingsapostelen hebben (net als ik) niet zoveel op met het christelijk geloof. Maar waarom geloven ze dan in absurditeiten die zich kunnen meten met de verhalen omtrent verwekking, geboorte, dood enzovoorts van de persoon die in de evangeliën is beschreven? Men kan toch best ongodist zijn zonder de hulp van een pseudowetenschapper die de zoveelste speculatie over Jezus neerpent?

Ik heb in het bovenstaande stuk slechts minieme correcties aangebracht, en in essentie is wat ik vijf jaar geleden schreef nog precies even waar.

Anton van Hooff is klassiek historicus