Cardano’s Kosmos

Boekbespreking

door Marcel Hulspas

cardanoRenaissance betekent wedergeboorte, en voor Gerolamo Cardano betekende dat de wedergeboorte van de astrologie. Een laatste poging om deze oeroude kennis te redden van de ondergang.

Er waren wel eerder horoscopen van Jezus Christus getrokken. Vaak wordt gedacht dat Cardano’s horoscoop een unieke uitdaging aan de theologie was, maar handgeschreven exemplaren circuleerden ruim voordien van astroloog naar astroloog. Het was wél een gevaarlijke uitdaging want als het leven van Christus reeds bij zijn geboorte in de sterren besloten lag, hoe zat het dan met zijn komst, zijn wonderbaarlijke geboorte en zijn verrijzenis uit de doden: waren die onontkoombaar, waren dat dan geen door God gegeven ingrepen in de kosmische orde?

De kerk, uiteraard op de hoogte van dergelijke pogingen, had de astrologie nog niet veroordeeld (dat gebeurde pas rond 1580) en voor Cardano stond er veel op het spel. Hij was ervan overtuigd dat uit een dergelijke horoscoop enorm veel geleerd kon worden. Beroemde personen – geleerden, pausen, koningen, keizers en de stichters van godsdiensten – moesten vanwege hun grootse prestaties of hun spectaculaire ondergang opmerkelijk helder te duiden horoscopen opleveren.

Dat Cardano’s horoscoop van Christus toch een enorme publiciteit kreeg (en hem nóg beroemder maakte) was om twee redenen. Ten eerste omdat hij haar niet rondstuurde maar daadwerkelijk publiceerde, en wel in het hart van zijn omvangrijke en veel geprezen commentaar op hét klassieke astrologische standaardwerk, de Tetrabiblos van Ptolemeus. Ten tweede omdat hij grotendeels voorbij ging aan de reeds circulerende horoscopen en daarmee onder collega’s veel verontwaardiging oogstte. Zelf was hij zeer tevreden over het resultaat. Als geboortetijd nam hij simpelweg middernacht van 25 december van het jaar voorafgaand aan 1, en hij trof op dat moment niet minder dan tien astrologische voortekenen van komende grootheid aan, waaronder een komeet (een laat-antieke toevoeging aan het geboorteverhaal) en uiteraard de ster van Bethlehem, volgens Cardano geen komeet, maar een waar teken te midden van de sterrenbeelden.

Cardano schreef dapper dat deze horoscoop zó nauwgezet de geboorte en levensloop van Christus aankondigde dat Ptolemeus zijn werk uitsluitend op basis van deze ene horoscoop had kunnen ontwikkelen.

Gerolamo Cardano (1501-1576) was wiskundige (zijn Ars Magna onthulde hoe men vergelijkingen van de derde en vierde graad kan oplossen, en hij schreef de eerste verhandeling over kansberekening) en hoogleraar wijsbegeerte en geneeskunde te Milaan. In totaal schreef hij meer dan 200 boeken op allerlei gebied. Hij verwierf ook faam door het perpetuum mobile te ontkennen, en hij populariseerde de sinds de klassieke oudheid bekende `cardanische’ ophanging, die hij overigens toeschreef aan een zekere Turriano uit Cremona, en die het principe is achter de cardankoppeling in auto’s. Astrologie was aanvankelijk een onderdeel van zijn medische activiteiten, maar gaandeweg raakte hij ervan overtuigd dat de astrologie door eeuwen van slordig lezen van de bronnen en van slordig ontwerpen van horoscopen, zwaar in verval was geraakt. Er zat veel meer in de astrologie dan de platte voorspellingen van slechte zomers, politieke omwentelingen en (tegen het eind van hun goedkope traktaten) natuurrampen en het Einde der Tijden. Cardano’s eerste publicaties waren geen haar beter, maar al spoedig ontbrandde in hem de ambitie om deze wetenschap weer in haar oude glorie te herstellen.

Ideaal en commercieel

Hij was daarin niet de enige, maar de meningen over de waarde van de astrologie waren in de Renaissance verre van unaniem. Critici waren er genoeg, en ze schermden met illustere voorgangers als Cicero en Augustinus die al lijsten met rationele en theologische kritiekpunten hadden opgesteld. (Met als bekendste uiteraard de volledig verschillende levenslopen van vlak na elkaar geboren tweelingen als Jacob en Ezau.) Fundamenteler was de kritiek van de 14de-eeuwse Franse bisschop en wetenschapper Nicole d’Oresme, die stelde dat het astrologisch systeem zó gecompliceerd was dat het onmogelijk was dat astrologen dat langs empirische weg (sinds de zondvloed) hadden kunnen opbouwen.

De scherpste en hardste aanval op de astrologie was de Disputationes adversus astrologiam divinatricem (1493) van de Florentijnse filosoof Pico della Mirandola. Hij richtte zijn sarcasme vooral op de astrologen die de opkomst en ondergang van koninkrijken meenden te kunnen voorspellen. Pico, die de astrologie zeer grondig bestudeerd had, lanceerde oude maar nog veel meer nieuwe tegenargumenten en toonde onder andere aan dat vooraanstaande astrologen met de jaartallen hadden gesjoemeld om de grote planetaire conjuncties (die grote politieke verschuivingen zouden voorspellen) op de juiste plaats te krijgen.

Pico had de astrologie `zo zwaar beschadigd dat er geen hoop meer was voor haar,’ schreef een ex-astroloog korte tijd later. Anderen bleven volharden. De pamflettenstrijd laaide rond 1500 op, met de (volgens astrologen in de sterren terug te vinden) komst van de syfilis naar Europa, en een kwart eeuw later opnieuw, naar aanleiding van de vele alarmerende voorspellingen voor het jaar 1524. In dat jaar vond een serie veelbetekenende astrologische coïncidenties plaats, maar de van alle kanten voorspelde natuurrampen inclusief een nieuwe zondvloed, bleven achterwege.

In hoeverre het uitblijven van een ramp toen bij heeft gedragen aan de verdere aantasting van het geloof in de astrologie is onduidelijk; pausen en koningen hielden hun astrologen in ieder geval in ere. Maar het was duidelijk dat er in de astrologie veel kaf onder het koren zat, en de roep om hervorming, om een wedergeboorte, werd steeds groter.

Nauwgezette bestudering van de levensloop en het karakter van beroemde personen – en hun horoscopen – kon hier uitkomst brengen, dacht Cardano. En het tekent de man dat hij op deze wijze het nuttige en het ideale met elkaar wist te verbinden. Immers, alleen van de rijken waren de geboortetijdstippen met enige zekerheid bekend (alhoewel hofastrologen de cijfers uiteraard graag in een gunstiger richting masseerden); alleen de rijken ook konden voor een uitgebreide horoscoop betalen, en alleen de horoscopen van beroemdheden waren interessant om te publiceren voor een groot publiek. Praktische, wetenschappelijke en commerciële kansen vonden elkaar.

Wat publiceren betreft wist Cardano als geen ander hoe men drukkers en lezers moest bespelen. Ook hier geldt weer dat er al vele horoscopen van beroemdheden in manuscriptvorm in omloop waren, maar Cardano was de eerste die ze publiceerde en het grote publiek zo mee liet smullen van deze `astro-politieke roddel’, zoals een historicus het ooit omschreef. De sterren onthulden, de lezers smulden. Na een eerste bescheiden verzameling lanceerde hij een bundel van niet minder dan honderd horoscopen, lopend van Romeinse keizers tot beruchte boeven, van godsvruchtige pausen tot beroemde humanisten en bekende vrienden. Zijn ware magnum opus op het gebied van de persoonlijke horoscoopanalyse was echter toch weer een uniek exemplaar: zijn eigen horoscoop, nauwgezet ontleed in zijn intieme autobiografie. Niet alleen een doorbraak in dit literaire genre (het is misschien wel de openhartigste zelfanalyse sinds Augustinus’ Belijdenissen) maar ook de geboorte van de astrologie als psychotherapeutisch hulpmiddel. Cardano stond ervan te kijken hoe nauwgezet de sterren zelfs de miniemste details van zijn leven en karakter voorspelden.

Geen fundament

Cardano heeft nooit getwijfeld aan de waarde van de astrologie. Hij zette uitsluitend vraagtekens bij de bezigheden van haar beoefenaars. Velen waren het met hem eens, en deden net als hij dappere pogingen om de astrologie uit incompetente handen te redden. De bekendste was wellicht Johannes Kepler, wiens hele astronomische bouwwerk vol harmonische relaties bedoeld was om de astrologie een wetenschappelijk, objectief fundament te geven. Kepler trok horoscopen, dat was zijn bestaansreden als astroloog aan het Deense hof, maar vond dat vorsten er voorlopig veel verstandiger aan deden om deze links te laten liggen en uitsluitend te luisteren naar de rationele adviezen van hun adviseurs.

Een wiskundig strakke basis, daar ging het hem om, en toen hem duidelijk werd dat deze in de gang der planeten niet te vinden was (zijn schitterende ontdekking van de ellipticiteit van de baan van Mars en zijn beroemde drie wetten legden de basis voor de zwaartekrachttheorie) liet hij het hele project los. Kepler dwong de astrologie en de astronomie gescheiden wegen te gaan. Er was geen gezamenlijk fundament. Geleidelijk aan verdwijnt daarmee in wetenschappelijke kringen het geloof in het oude neoplatoonse adagium `zo boven, zo beneden’. Boven en beneden kwamen los van elkaar. Wanneer Pierre Gassendi in zijn Syntagma (1659) opnieuw de aanval op de astrologie opent, is van het cardaniaanse en kepleriaanse geloof in die kosmische eenheid niets meer te vinden. Gassendi nam de horoscopen van Nostradamus (ook al zo’n verzamelaar van `beroemde’ horoscopen, om dezelfde redenen) en legde er de levenslopen naast. Typisch Cardano, die aanpak, zeker – zijn invloed valt niet te ontkennen – maar Gassendi toont honend aan dat de beroemde ziener er steevast naast zat.

Cardano’s poging om de astrologie opnieuw te grondvesten is uiteindelijk mislukt. Ze raakte in de loop van de 17de eeuw grondig uit de mode en behoort sindsdien tot de verworpen, occulte wetenschappen. De achterliggende oorzaak waren de doorbraken in de observationele sterrenkunde, in ons inzicht in de structuur van het zonnestelsel. De astrologie werd niet weerlegd, ze kón ook niet weerlegd worden want (en dat was het doolhof waar Cardano haar in stuurde) de samenhang tussen de ontelbare kosmische invloeden en de kronkelwegen van de menselijke geest waren nog lang niet in kaart gebracht. Cardano en zijn geestverwanten hebben voor haar nieuwe, eindeloze wegen geopend, en haar daarmee in wezen van de totale ondergang gered.

Anthony Grafton, Cardano’s Cosmos. The worlds and works of a Renaissance astrologer. Harvard University Press, $35.00. Paperbackeditie verschijnt in oktober 2001.

Uit: Skepter 14.2 (2001)

Marcel Hulspas is wetenschapsjournalist en was hoofdredacteur van Skepter van 1988 tot en met 2002