Bigfoot

Bigfoot leeft!

door Rob Nanninga

Met wat gevoel voor romantiek kan men zich misschien voorstellen dat er ergens op aarde, in een zeer afgelegen gebied, een grote en nog onbekende primatensoort leeft. Maar het lijkt belachelijk om te veronderstellen dat er ook in de Verenigde Staten apen verborgen zitten. Sterker nog: reusachtige mensapen van ruim twee meter, die op twee benen rondlopen!

Toch zijn er veel Amerikanen die geloven dat daar goede bewijzen voor zijn. Jaarlijks worden er in de VS meerdere congressen en symposia georganiseerd waar de nieuwste verhalen en onderzoeksresultaten worden gepresenteerd. Ook de stroom van boeken over Bigfoot is nog lang niet opgedroogd. De grootste vereniging van Bigfootonderzoekers is de BFRO, die op haar website vermeldt dat zelfs de bekende Britse ethologe Jane Goodall in Bigfoot gelooft. Wie dat uit haar eigen mond wil horen, kan de dvd aanschaffen (zie www.bfro.net/news/goodall.asp).

Al in de 19de eeuw circuleerden er in Amerika geruchten over harige monsters. De oorsprong van de Bigfootlegende is echter te vinden in de buurt van het dorpje Harrison Hot Springs bij Lake Harrison in Brits-Columbia. Daar sprak de onderwijzer J.W. Burns in de jaren 1920 verscheidene indianen die een zogenoemde Sasquatch hadden gezien. Hij publiceerde er vanaf 1929 een reeks populaire artikelen over, die ook buiten Canada in kranten en weekbladen verschenen. De ooggetuigen zagen geen dieren, maar reusachtige indianen, die in de bergen woonden. Ze hadden heel lang hoofdhaar, maar geen vacht.

De journalist John Green was in de jaren 1950 eigenaar van een klein weekblad dat in de buurt van Harrison Hot Springs werd uitgegeven. Als aprilgrap publiceerde hij een verhaal over een Sasquatch die een mooie vrouw uit het plaatselijke hotel had ontvoerd. In 1956 kreeg hij bezoek van René Dahinden, een geëmigreerde Zwitser, die verklaarde dat hij samen met een vriend naar de Sasquatch wilde gaan zoeken. Green wist de Zwitser te ontmoedigen, maar kwam later op andere gedachten. Ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van Brits-Columbia mochten de bewoners van Harrisons Hot Springs 600 dollar besteden aan een speciaal project. Iemand stelde voor een beeld van de Sasquatch te laten maken, maar men besloot in plaats daarvan een ‘jacht op de Sasquatch’ te organiseren. Een lumineus idee, omdat het heel veel publiciteit opleverde voor het toeristendorpje. René Dahinden werd uitgenodigd om de jacht te leiden. Het provinciale bestuur stak er een stokje voor, maar dat was geen probleem omdat het publicitaire doel al was bereikt.

Naar aanleiding van de krantenberichten kwam er een reactie binnen van William Roe, een natuurliefhebber die beweerde dat hij twee jaar eerder een Sasquatch had gezien. Roe dacht eerst dat het een grizzlybeer was, maar toen hij dichterbij kwam, bleek het een kolossale en geheel behaarde aapvrouw te zijn, die bladeren at. Op verzoek van Green stelde Roe een beëdigde verklaring op schrift. Green heeft Roe echter nooit ontmoet en niemand heeft hem later nog gesproken.

Vrijwel meteen nadat het verhaal over Roe in de krant verscheen, trad er een nieuwe ooggetuige voor het voetlicht. Het was Albert Osman, die beweerde dat hij in 1924 in zijn slaapzak was ontvoerd door een tweeënhalve meter grote aapmens. Hij werd gedwongen om bij de familie van het monster te logeren en communiceerde met gebarentaal. Als hij achteruit moest gaan, zeiden de apen ‘sooka sooka’. Gelukkig bedacht hij na enkele dagen een slim ontsnappingsplan. Hij gaf telkens wat snuiftabak aan de grote Sasquatch, die daardoor zo gretig werd, dat hij de snuifdoos afpakte en de inhoud in zijn mond ledigde. De Sasquatch voelde zich meteen hondsberoerd en ging luid schreeuwend op zoek naar water, waardoor Osman de gelegenheid kreeg het hazenpad te kiezen.

Green ontdekte dat een plaatselijke krant al in 1941 melding maakte van een harig monster dat indianen op de vlucht had gejaagd. Het beest liet voetafdrukken achter van 45 bij 20 centimeter. Men noemde het een Sasquatch. Green spoorde oude getuigen op en kwam tot de conclusie dat hun verhalen goed aansloten bij die van Roe en Osman. Het ging hier dus niet om een Sasquatch die op een indiaan leek. Tegenwoordig worden de namen Sasquatch en Bigfoot als synoniemen gebruikt.

De eerste tastbare voetafdrukken werden in augustus 1958 ontdekt door de bulldozerchauffeur Jerry Crew, die een houthakkersweg aanlegde in Bluff Creek, een natuurgebied in het noordwesten van Californië. Crew vond meermaals verse afdrukken rond zijn bulldozer. Hij maakte uiteindelijk op advies van een bevriende dierenpreparateur een grote gipsafdruk, waarmee hij in oktober naar de lokale krant stapte. Het was de geboorte van Bigfoot.

Green en Dahinden waren al snel ter plaatse, samen met de avontuurlijke oliemiljonair Tom Slick, die een jaar eerder in het Himalayagebergte naar de yeti had gezocht. Inmiddels is het duidelijk geworden dat de voetafdrukken waarschijnlijk werden gemaakt door Ray Wallace, de werkgever van Crew. Toen hij in 2002 overleed, onthulden zijn familieleden dat hij Mr. Bigfoot was, en ze toonden een paar houten voeten die hij had laten maken. Wallace stond bekend als een vrolijke practical joker. Hij maakte jarenlang grote voetsporen en vertelde allerlei ongeloofwaardige verhalen. Bigfootonderzoekers erkennen dat, maar ze geloven desondanks dat de afdrukken uit 1958 echt waren. De houten voeten werden pas later gebruikt en de vorm stemde niet overeen met de oorspronkelijke sporen.

De voormalige rodeorijder Roger Patterson zorgde in 1967 voor een nieuw hoogtepunt door in hetzelfde Bluff Creek een Bigfoot op film vast te leggen. Hij werkte samen met een vriend aan een low budget documentaire en had een paar dagen eerder al een scène gefilmd waarin hij een zelfgemaakte voetafdruk met gips vulde. Terwijl de mannen te paard door de streek reden, zagen ze opeens een vrouwelijke Bigfoot. Patterson kon nog net van afstand filmen hoe het wezen via een droge rivierbedding het bos inliep. De schamele beelden bleken goud waard te zijn (vermoedelijk wel $100.000) en kwamen volgens onderzoekers overeen met de bijbehorende voetafdrukken.

Patterson (1933-1972) was de eerste die een boek over Bigfoot schreef. In 2004 verscheen er ook een boek over Patterson, The Making of Bigfoot van Greg Long. Daaruit bleek dat Patterson bij velen als onbetrouwbaar bekend stond. Verscheidene slachtoffers verklaarden dat ze door hem waren bedrogen of opgelicht. Long sprak ook met een zekere Bob Heironimus, die vertelde hoe hij in opdracht van Patterson voor Bigfoot had gespeeld in een aangepast gorillapak. Hoewel anderen het verhaal bevestigden, waaronder de kostuumhandelaar, is het volgens Bigfootaanhangers een verzinsel.

De billen van Bigfoot

In 2003 mocht John Green een openingstoespraak houden op een Internationaal Bigfoot Symposium. Hij verving Jane Goodall, die dringend naar de Kongo moest. Green blikte terug op zijn carrière als Bigfootonderzoeker en -auteur. Hij gaf toe dat hij in het begin wel erg goedgelovig was geweest. Sterke verhalen zoals de belevenissen van Osman, die in zijn slaapzak werd ontvoerd, zou hij nu nooit meer serieus nemen. Zijn database bevat echter gegevens van ruim 4000 waarnemingen, en die kunnen toch niet allemaal onwaar zijn. Green probeerde statistische verbanden in de data te ontdekken, maar kwam daar door gebrek aan computerkennis niet ver mee. Wel rapporteerde hij dat vrouwelijke Bigfoots, die herkenbaar zijn aan hun grote borsten, in minder dan 2 procent van de gevallen zijn waargenomen. Hij concludeerde daaruit dat de mannetjes blijkbaar minder schuw zijn.

Volgens gegevens van de BFRO worden Bigfoots het meest gezien in de staten Washington, Californië, Oregon, Ohio en Texas – dikwijls vanuit een auto. Alleen in Hawaii zijn ze nog nooit gesignaleerd. De beste bewijzen zijn de voetafdrukken, die op talloze plaatsen zijn gevonden, in allerlei soorten en maten. Het langste spoor werd in 1969 ontdekt door de veldonderzoeker Ivan Marx. Het telde 1089 voetstappen in de sneeuw en men kon duidelijk zien dat de rechtervoet kreupel was. Maar ook Marx was niet zo zuiver op de graat, want hij probeerde later geld te verdienen met een valse film van de kreupele Bigfoot.

Hoewel de geschiedenis van Bigfoot lijkt op een aaneenschakeling van onbetrouwbare waarnemingen, verzinsels en bedrog, zijn er enkele erkende wetenschappers die menen dat niet alle voetsporen door mensen (of beren) kunnen zijn gemaakt. Een van hen is dr. Jeffrey Meldrum van de Idaho State University, gespecialiseerd in de anatomie van primaten. Hij concludeerde dat er afdrukken bestaan die goed aansluiten bij onze anatomische kennis van echte voeten en die specifieke kenmerken hebben. Zo is het middengedeelte buigzamer dan de menselijke voet. Ook toonden enkele afdrukken papillairlijnen, kenmerkend voor primaten. Volgens Jimmy Chilnutt, een forensisch expert op het gebied van vingerafdrukken, komen deze papillairlijnen niet overeen met die van bekende primaten en is het vrijwel onmogelijk om ze zo goed na te maken.

Een groot onderzoeksteam van de BFRO bivakkeerde in september 2000 een week lang in het Gifford Pinchot Natuurpark in de staat Washington. Men probeerde Bigfoot te lokken door op verschillende plaatsen appels en meloenen neer te leggen. Ook werden er ’s nachts geluidsopnamen van vermeende Bigfoots afgespeeld. In een gebied dat bekend staat als Skookum Meadow had men wat voedsel in een modderpoel gelegd. Bigfoots zijn echter heel slim en weten dat ze geen voetafdrukken in de modder moeten achterlaten wanneer er mensen in de buurt zijn. Daarom was een Bigfoot op de grond gaan zitten en had hij het voedsel gepakt door zich op zijn zij uit te strekken. Dat leverde unieke afdrukken op van zijn gigantische achterwerk, dij, onderarm en hiel compleet met papillairlijnen en minstens 40 procent groter dan van een gewone man. Ook werden er haren gevonden die niemand kon thuisbrengen. Geleerden buigen zich nog steeds over het gipsen afgietsel en velen zijn ervan overtuigd dat de billen van Bigfoot onweerlegbaar zijn bestaan aantonen.

Noten

Dr. Anton Wroblewski maakte aannemelijk dat de afdruk bij de modderpoel in Skookum Meadow van een liggende Amerikaanse eland was. Rond de modderpoel waren ook veel hoefafdrukken zichtbaar en er werden haren van een eland gevonden.

Uit: Skepter 18.1 (2005)

Zie ook het artikel over de dode Bigfoot hoax in Georgia (2008) en het artikel over Texaanse Bigfootjagers in Skepter 24/2 (2011), dat nog niet online staat.

Rob Nanninga was hoofdredacteur van Skepter van 2002 tot 2014