Op zoek naar bekering

Hoe word je lid van een sekte?

door Rob Nanninga

Aanhangers van nieuwe religieuze bewegingen menen de weg naar het heil gevonden te hebben. Tegenstanders noemen het hersenspoeling. En sociologen onderzochten hoe een bekering feitelijk verloopt.

Toen de socioloog John Lofland in 1962 een congres over UFO’s bijwoonde, werd hij aangesproken door een jonge vrouw die hem uitnodigde voor een lezing over de Goddelijke Beginselen. Deze nieuwe openbaring bleek afkomstig uit Korea en was in het Engels vertaald door de theologe Young Oon Kim, die zich samen met vijf Amerikaanse bekeerlingen in San Francisco had gevestigd. Loflands eerste kennismaking met de groep was een zware beproeving, want Miss Kim liet hem tweeënhalf uur lang luisteren naar een dodelijk saaie, op de band ingesproken samenvatting van de nieuwe heilsleer. Zij was naarstig op zoek naar meer effectieve wervingsmethoden, maar had de juiste aanpak nog niet gevonden. Lofland maakte een jaar lang studie van de groep en schreef er een fascinerend boek over. Hij kon destijds nog niet vermoeden dat de beweging tien jaar later zou uitgroeien tot de wereldberuchte ‘Moonsekte’, de Verenigingskerk van de Koreaan Sun Myung Moon, die samen met zijn vrouw het eerste ‘Ware Ouderpaar’ der mensheid vormt.

Loflands analyse van het bekeringsproces vond veel weerklank bij andere sociale wetenschappers. In zijn model onderscheidt hij zeven belangrijke factoren. Om bekeerd te raken tot een nieuwe religieuze beweging is het volgens hem noodzakelijk dat iemand (1) gedurende lange tijd aan hevige spanningen blootstaat, (2) zijn problemen vanuit een religieus perspectief bekijkt, (3) zichzelf gaat beschouwen als een religieuze zoeker, (4) op een keerpunt in zijn leven in contact komt met een religieuze beweging, (5) affectieve relaties vormt met leden van deze beweging, (6) geen hechte banden heeft met personen buiten de beweging, en (7) na intensieve omgang met de groep hun wereldbeeld overneemt en zich totaal aan de beweging gaat toewijden.

Kneusjes

Uit diverse psychologische onderzoeken is gebleken dat een deel van de bekeerlingen toegaf dat zij voor hun toetreding grote persoonlijke problemen hadden gekend. Dit sluit aan bij de wijdverbreide opvatting dat bekering voortkomt uit onvrede met de eigen levenssituatie, waarvoor de religieuze beweging compensatie biedt of een oplossing aanreikt. Als iemand bijvoorbeeld sociaal geïsoleerd is, ontevreden met zichzelf, gefrustreerd, onzeker of verward, dan kan de beweging uitkomst bieden door hem op te nemen in een hechte geloofsgemeenschap die zijn leven meer zin, richting en waarde geeft.

Marc Galanter, een Amerikaanse professor in de psychiatrie, constateerde dat bijna veertig procent van een groep van 237 ‘Moonies’ in het verleden grote emotionele problemen had gehad. Na de bekering bleken de spanningen duidelijk te zijn afgenomen. Ook de Britse sociologe Eileen Barker constateerde dat van een groep van 380 Moonies ruim eenderde zich naar eigen zeggen niet gelukkig voelde in de periode voordat ze met de Verenigingskerk in contact kwamen. Ruim tien procent voelde zich ronduit miserabel, hoewel slechts vijf procent psychiatrische problemen had gehad. Dit laatste percentage werd ook gevonden in een Duits onderzoek. Barker concludeerde echter dat veruit de meeste Moonies niet konden worden beschouwd als ‘kneusjes’ die extra ontvankelijk waren voor een nieuwe heilsboodschap.

David Bromley en Anson Shupe, twee Amerikaanse sociologen die eveneens uitgebreid studie maakten van de Verenigingskerk, waren van mening dat de Moonies niet meer problemen en spanningen hadden ondervonden dan de meeste andere jongeren. Zij zagen weinig heil in de motivationele benadering, die stressfactoren tracht te vinden om te kunnen verklaren waarom iemand zich tot een religieuze beweging voelt aangetrokken. Als je goed zoekt, kun je bij iedereen wel problemen vinden, maar deze leiden zelden rechtstreeks tot bekering. Dat blijkt alleen al uit het feit dat het aantal mensen met problemen honderd maal groter is dan het aantal leden van religieuze bewegingen.

We moeten er bovendien rekening mee houden dat veel bewegingen hun leden bewust maken van problemen die ze eerder nog niet zo duidelijk hadden opgemerkt en benoemd. De beweging wijst de problemen nadrukkelijk aan, verklaart aan welke universele oorzaak ze kunnen worden toegeschreven en versterkt de motivatie om ze op de aanbevolen wijze te overwinnen. De aanvankelijke behoeften en nog vage idealen van de nieuwkomers worden tijdens het bekeringsproces omgevormd en in nieuwe termen gegoten, zodat zij zichzelf en hun levenssituatie met andere ogen gaan bezien.

Een kenmerk van bekering is, dat men ook het eigen verleden gaat herinterpreteren, waarbij sommige ervaringen en gebeurtenissen worden benadrukt en andere genegeerd. Dit kan er toe leiden dat de bekeerlingen hun vroegere leven veel negatiever gaan afschilderen dan zij het destijds ervoeren, zodat het moeilijk is om daarover betrouwbare informatie te krijgen.

Dikwijls worden zij aangemoedigd om te getuigen van de heilzame invloed van hun geloof. Door hun oude persoonlijkheid duidelijk te contrasteren met hun ware identiteit, die zij dank zij de beweging hebben ontdekt, overtuigen ze niet alleen anderen maar ook zichzelf van de ingrijpende transformatie die zij menen te hebben ondergaan. De getuigenissen van geloofsgenoten fungeren daarbij als voorbeelden, die hun leren welke ervaringen belangrijk zijn en hoe deze dienen te worden geïnterpreteerd. Daarom vertellen de getuigenissen ons vaak meer over iemands huidige ideologie dan over de factoren die daadwerkelijk een rol speelden in het bekeringsproces.

Bekeerlingen oordelen vaak extreem positief over hun nieuwe leven. Dat bleek bijvoorbeeld uit een vragenlijst die eind 1983 aan honderd leden van de Bhagwangemeenschap in Oregon werd voorgelegd. Meer dan tachtig procent verklaarde volmaakt gelukkig te zijn. Slechts vijf procent was dat naar eigen zeggen ook al voor de bekering, terwijl ruim twintig procent zich destijds ongelukkig voelde. Dergelijke oordelen kunnen echter snel veranderen. Dat bleek nog geen twee jaar later, toen Bhagwan zijn naaste medewerkster (Sheela) ervan beschuldigde dat zij de commune in een concentratiekamp had veranderd. Opeens zagen zijn volgelingen in dat zij het fascisme aan den lijve hadden ervaren. Sheela’s vertrek werd als een bevrijding gevierd, haar valse religie (het Rajneeshisme) werd officieel afgeschaft en haar dure jurken werden ritueel verbrand!

Zoekers

We kunnen ons afvragen of het niet van een vooroordeel getuigt indien we een afwijkende geloofsovertuiging in alle gevallen willen toeschrijven aan specifieke problemen en tekortkomingen van de bekeerling. Er zijn ongetwijfeld jongeren die de harde realiteit trachten te ontvluchten door zich terug te trekken in een hechte gemeenschap met duidelijke leefregels en door zich over te geven aan een heilige meester die bovennatuurlijke bescherming biedt. Maar er zijn ook velen die er vooral naar streven bepaalde idealen te verwezenlijken.

In de anti-sekteliteratuur worden de bekeerlingen steevast afgeschilderd als passieve slachtoffers van geraffineerde wervingsmethoden die inspeelden op de problemen die zij in een kwetsbare fase van hun leven ondervonden. Volgens deze opvatting is niemand immuun voor sekten, omdat iedereen het wel eens moeilijk heeft. In werkelijkheid heeft men echter herhaaldelijk vastgesteld dat de meerderheid van de bekeerlingen al langere tijd geïnteresseerd was in religieuze vragen en idealen. Velen waren actief op zoek naar transcendente ervaringen, innerlijke krachten, nieuwe zingevingssystemen en methoden om zichzelf spiritueel te ontwikkelen of een harmonische staat van bewustzijn te bereiken. De bekering was niet iets wat hen overkwam zonder dat ze er enige controle over hadden, maar een proces waaraan ze zelf actief meewerkten.

Marc Galanter ontdekte dat maar liefst 90 procent van de door hem onderzochte Moonies al eerder contacten had onderhouden met andere religieuze bewegingen. Ook andere onderzoekers vonden dergelijke hoge percentages. Bekeerlingen voelen zich vaak tot een bepaalde beweging aangetrokken omdat deze aansluit bij hun eigen waarden en idealen. Zo bleek tachtig procent van een groep aanhangers van de Divine Light Mission er bij hun eerste kennismaking al van overtuigd te zijn geweest dat ‘meditatie op de universele energie’ sociale en persoonlijke problemen kan oplossen. Een groep deelnemers die zich uiteindelijk niet bij deze beweging aansloot, had veel minder vertrouwen in oosterse praktijken en ook minder vrienden die zich voor nieuwe religies interesseerden.

Een toenemend aantal mensen hecht weinig of geen geloof meer aan de traditionele dogma’s en rituelen van de gevestigde kerken, maar heeft wel belangstelling voor allerlei andere ‘bovennatuurlijke’ zaken zoals reïncarnatie, meditatie en magie. Goed opgeleide twintigers geloven tegenwoordig eerder in reïncarnatie dan in het christelijke godsbeeld. Nieuwe religieuze bewegingen sluiten aan bij deze veranderende belangstelling. Ze bieden snelle en concrete methoden om spirituele ervaringen en inzichten op te doen, innerlijke spanningen weg te zuiveren en de goddelijke kern in jezelf te ontdekken. Er zijn echter maar weinig religieuze zoekers die ervan overtuigd raken dat de volledige waarheid in één bepaalde beweging te vinden is.

Hiermee is nog niet verklaard waarom iemand op zoek gaat. Helaas verschaft de literatuur op dit punt nog weinig duidelijkheid. In Oosterse bewegingen lijken psychedelische drugs dikwijls een motiverende rol te hebben gespeeld, met name aan het begin van de jaren ’70. Dergelijke drugs kunnen spirituele of mystieke ervaringen opwekken die aansluiten bij het Oosterse wereldbeeld, waarin God geen persoon is, maar een soort universele energie. Velen verklaarden dat hun drugservaringen de deur hadden geopend naar een andere en meer bevredigende perceptie van de werkelijkheid. Ook alternatieve psychotherapieën kunnen religieuze idealen wakker maken, zoals onder meer tot uiting komt in de Scientology Kerk en de Bhagwanbeweging.

Vriendschappen

Psychologen vragen zich vooral af waarom iemand zich heeft aangesloten bij een bepaalde beweging. Wat heeft deze hem te bieden? Sociologisch georiënteerde onderzoekers zijn daarentegen meer geïnteresseerd in de vraag hoe het bekeringsproces plaatsvindt. Zij hechten meer belang aan de laatste drie factoren in Loflands model, die betrekking hebben op de sociale interacties van de bekeerling.

De ideologie van een beweging heeft doorgaans niet zoveel aantrekkingskracht dat zij rechtstreeks tot bekering leidt. Het is van essentieel belang dat de potentiële bekeerling intensieve contacten onderhoudt met leden van de beweging en hen gaat beschouwen als vrienden en vertrouwelingen. De affectieve banden zorgen ervoor dat hij zich steeds meer gaat richten naar de normen en waarden van de groep. Hij neemt niet in de eerste plaats een bepaalde geloofsovertuiging over, maar past zich aan bij de verwachtingen van de groepsleden en volgt hun voorbeeld na. Zo leert hij geleidelijk zijn eigen situatie te zien vanuit het perspectief van zijn nieuwe referentiegroep.

Miss Kim pakte het aanvankelijk helemaal verkeerd aan door de bezoekers van de Verenigingskerk te laten luisteren naar een abstracte samenvatting van de Goddelijke Beginselen. Het was te verwachten dat vrijwel niemand deze vuurproef doorstond. Vijftien jaar later boekte de beweging veel meer succes door nieuwelingen zo snel mogelijk bij de groepsactiviteiten te betrekken. Velen sloten zich aan terwijl ze nog maar weinig wisten van de ideologie. Zij voelden zich op de eerste plaats aangetrokken tot de groepsleden en hun idealistische levenswijze. Dit had wel tot gevolg dat hun geloof sterk afhankelijk was van sociale ondersteuning, zodat het gemakkelijk weer verloren ging in situaties waarin zij op zichzelf waren aangewezen. Zelfs de meest toegewijde Moonies haakten dikwijls af als ze in hun eentje naar een nieuw missiegebied werden gestuurd.

Omdat sociale banden zo belangrijk zijn, verspreiden religieuze bewegingen zich het beste via bestaande vriendschapsnetwerken. Uit onderzoek is gebleken dat doorgaans een aanzienlijk deel van de leden via vrienden of familieleden met de beweging in contact was gekomen. Dat gold bijvoorbeeld voor ongeveer de helft van de ondervraagde Bhagwanaanhangers, voor tweederde van een groep scientologen en voor meer dan driekwart van de aanhangers van de Divine Light Mission.

In bijna alle bewegingen vinden we een hechte groep kernleden die hun gehele leven in dienst hebben gesteld van het heilig ideaal. Als bijna alle leden van een beweging tot deze categorie behoren, zoals in het verleden het geval was bij de Verenigingskerk, dan bestaan er weinig sociale banden met buitenstaanders. De Moonies moesten mede daarom veel werk verzetten om anderen voor hun geloof te interesseren. Zij waren genoodzaakt vreemdelingen van de straat op te pikken, waarbij vooral religieuze zoekers, vakantiegangers en jongeren met weinig vrienden en veel vrije tijd zich lieten verleiden om een workshop te bezoeken. Minder dan een kwart kwam via vrienden met de beweging in contact.

Eerst doen, dan geloven

Als een beweging veel nieuwe leden wil werven, dan zal zij haar heilsboodschap zo goed mogelijk trachten af te stemmen op de bestaande behoeften, overtuigingen en interesses van de potentiële bekeerlingen. De geloofsaspecten die daarbij aansluiten worden aanvankelijk benadrukt, terwijl de meer esoterische doctrines pas in een later stadium worden onthuld. Alles is erop gericht de potentiële bekeerling te laten meedoen met de groep en hem ertoe te bewegen haar heilsweg te beproeven. Geloof is in dit stadium nog niet noodzakelijk.

Als de nieuweling het idee krijgt dat de beweging hem iets te bieden heeft, dan kan hij besluiten het voorbeeld van de groepsleden na te volgen en zich aan te passen bij hun verwachtingen, om zo zelf te onderzoeken wat dat hem oplevert. Al doende leert hij zijn ervaringen interpreteren in het jargon van de groep en mede dank zij hun positieve feedback krijgt hij het gevoel vooruitgang te boeken. De ondersteuning van de groep wordt steeds belangrijker in zijn leven, vooral indien hij weinig of geen diepgaande contacten met buitenstaanders onderhoudt. Door zich af te schermen tegen invloeden van buiten en zo veel mogelijk onder geloofsgenoten te verkeren, leert hij zichzelf en de wereld zien vanuit een nieuw perspectief. De innerlijke overtuiging ontwikkelt zich dus pas nadat hij zich uiterlijk als een bekeerling is gaan gedragen. Hij gaat als het ware geloven in wat hij feitelijk al aan het doen is.

Geleidelijk krijgt de bekeerling ook belangstelling voor meer aspecten van de beweging. Hij ziet nieuwe doelen en mogelijkheden, en gaat zich met woord en daad inzetten voor de belangen van de beweging, die hem nieuwe taken en verantwoordelijkheden toeschuift. En naarmate hij meer offers heeft gebracht en meer tijd, geld en energie heeft geïnvesteerd, zal hij zich sterker met de groep verbonden voelen. Zijn oorspronkelijke motivatie is dan vaak geheel naar de achtergrond verdwenen.

Sociologisch beschouwd is een bekering dus geen individuele ervaring maar eerder een vorm van socialisatie: een proces waarbij iemand leert beantwoorden aan de verwachtingen die horen bij zijn rol als groepslid. Deze rol verschaft hem een nieuwe identiteit, die door zijn medegroepsleden wordt bevestigd. Door intensief met hen om te gaan, neemt hij hun normen en waarden over en leert hij de wereld en zichzelf op hun manier ervaren en interpreteren.

Hersenspoeling

Het is voor ouders vaak moeilijk te accepteren als hun zoon of dochter zich volledig gaat richten naar een nieuwe referentiegroep die een vreemde religie praktiseert. Hoe is het mogelijk dat iemand met een helder verstand en goede toekomstperspectieven plotseling afstand doet van zijn persoonlijke autonomie, een dwingeland als heiland gaat vereren, en al zijn energie in baarlijke nonsens steekt? De ouders trachten hun kind (dat doorgaans al in de twintig is) van gedachten te doen veranderen, maar ze krijgen geen vat meer op hem.

Via populaire literatuur en contacten met hulpverleners en ouders van andere ‘sektekinderen’ dient de hersenspoelingshypothese zich aan als een aanvaardbare verklaring. Deze gaat er impliciet van uit dat iemand met een gezond verstand zich nooit vrijwillig bij een sekte zal aansluiten. Sekteleden worden beschouwd als slachtoffers van ongeoorloofde beïnvloedingstechnieken die hen hebben beroofd van hun vrije wil en eigen persoonlijkheid. Hun vreemde gedrag (bijvoorbeeld het voortdurend herhalen van mantra’s) maakt duidelijk dat ze niet meer normaal functioneren en dringend behoefte hebben aan deskundige hulp.

In de VS lieten honderden ouders hun kinderen behandelen door zogenaamde deprogrammeurs, die zich daar goed voor lieten betalen. In Nederland werd deze methode gepropageerd door de bekende evangelist Sipke van der Land. Een deprogrammatie houdt gewoonlijk in dat het sektelid tegen zijn wil wordt vastgehouden en dat er net zo lang emotioneel op hem wordt ingepraat tot hij erkent te zijn gehersenspoeld en zich verzoent met zijn wanhopige ouders. De getuigenissen van succesvol gedeprogrammeerden leken de methode te rechtvaardigen. Zij vertelden hoe ze door de sekte waren misbruikt en hoe blij ze waren uit haar greep te zijn verlost. Psychologen wezen bovendien op de geestelijke schade die de ex-leden tijdens het verblijf in de sekte hadden opgelopen. Meestal duurde het nog geruime tijd voordat alle symptomen waren verdwenen.

Sociologen ontkennen niet dat sommige bewegingen manipulatieve technieken gebruiken, maar zij zijn van mening deze niet kunnen worden beschouwd als hersenspoeling, omdat er geen sprake is van fysieke dwang. Bovendien zijn de methoden veel minder effectief dan wordt beweerd. Eileen Barker verzamelde gegevens van ruim duizend personen die in 1979 een tweedaagse workshop van de Londense Verenigingskerk bezochten. Tijdens deze workshops gebruikten de Moonies de beruchte ‘love-bombing’ techniek, waarbij zij de deelnemers met liefde overspoelden zolang deze bereid waren zich bij de groep aan te passen. De meerderheid voelde zich naar eigen zeggen wel thuis bij hun nieuwe vrienden en vond ook de lezingen interessant, wat uiteraard mede te danken was aan het feit dat zij een voorgeselecteerde groep vormden. Dit betekende echter niet dat ze geruisloos werden ingelijfd. Slechts 30 procent ging door naar de 7-daagse workshop en 18 procent volgde daarna de 21-daagse workshop. Uiteindelijk besloot 8 procent full-time lid te worden, maar daarvan stapte de helft binnen twee jaar weer op. Het aantal ex-Moonies dat de beweging vrijwillig heeft verlaten, is inmiddels veel groter dan het aantal dat nog lid is, en hetzelfde geldt voor diverse andere bewegingen. In Europa en Amerika zijn er waarschijnlijk nooit meer dan 10.000 Moonies geweest, terwijl minstens 30.000 de beweging hebben verlaten. Daaruit blijkt dat een deprogrammatie beslist niet de enige weg naar buiten is.

Deprogrammatie en uittreding

David Bromley verzamelde informatie over bijna vierhonderd Moonies die een gedwongen deprogrammatie ondergingen. In 64 procent van de gevallen leverde dat het gewenste resultaat op, maar van de Moonies die langer dan drie jaar lid waren, keerde de meerderheid weer naar de beweging terug. Bromley stelde eveneens vast dat degenen die (al of niet vrijwillig) door een therapeut of deprogrammeur waren behandeld, beduidend meer psychische klachten rapporteerden dan degenen die zonder hulp waren uitgetreden. Zo vertelde ruim de helft van de behandelde groep last te hebben van dwanggedachten, terwijl dat slechts voor drie procent van de niet-behandelde groep gold. Bovendien hadden gedeprogrammeerden veel meer tijd nodig om zich weer bij de samenleving aan te passen, terwijl de lengte van deze herstelperiode niet samenhing met de hoeveelheid tijd die iemand in de sekte had doorgebracht. De ‘hulpverlening’ aan sekteleden lijkt dus eerder problemen te veroorzaken dan op te lossen.

Gedeprogrammeerden leren zichzelf zien als een slachtoffer van hersenspoeling en worden aangemoedigd hun sekteverleden zo negatief mogelijk af te schilderen. Op deze manier verschaffen ze hun ouders een rechtvaardiging voor hun drastische ingreep en kunnen ze zelf niet meer verantwoordelijk worden gesteld voor hun ‘misstap’. Na afloop van de deprogrammatie volgt doorgaans een resocialisatieproces waarbij het ex-lid wordt opgenomen in de anti-sektebeweging, die hem een nieuwe identiteit en ideologie verschaft. Er kleven echter ook nadelen aan zijn rol als sekteslachtoffer. Hij zal moeten erkennen dat hij zijn eigen oordeelsvermogen blijkbaar niet meer kan vertrouwen. Bovendien is hij gedwongen om al zijn positieve gevoelens ten opzichte van de sekte te onderdrukken, waardoor innerlijke conflicten kunnen ontstaan. Wat eerst wit leek, moet nu plotseling als zwart worden geïnterpreteerd.

Het proces van vrijwillige uittreding verloopt veel geleidelijker en kan verschillende oorzaken hebben. Sommige leden kwamen na verloop van tijd in opstand tegen de autoritaire structuur of het grillige en onverantwoordelijke gedrag van hun goeroe. Anderen raakten gedesillusioneerd door het gebrek aan tastbare resultaten of de discrepanties tussen de hoge idealen en de dagelijkse praktijk. Ongeveer een kwart van de Moonies was niet tevreden met de huwelijkspartner die Moon voor hen had uitgezocht. En nadat de contacten met de buitenwereld weer waren toegenomen, verkozen velen een maatschappelijke carrière boven een gestigmatiseerd bestaan als sektelid. Zonder contacten met de anti-sektebeweging kwam echter vrijwel niemand tot de conclusie te zijn gehersenspoeld. Een ruime meerderheid was van mening dat ze in de beweging waardevolle ervaringen hadden opgedaan, al vonden ze deze baten uiteindelijk niet opwegen tegen de kosten.

Literatuur

Cults and new religious movements: a bibliography

Uit: Skepter 4.4 (1991)

Rob Nanninga was hoofdredacteur van Skepter van 2002 tot 2014