Moralisme en bloesemkracht

Edward Bach en zijn remedies

door Richard Monvoisin

Bach Bloesem Remedies houden het midden tussen homeopathie en natuurgeneeskunde, en lijken een vaste plaats te hebben veroverd als alternatief middel.

De uitvinder van de Bach Bloesem Remedies is Edward Bach (1886-1936, spreek uit betsj). Hij werd geboren in Moseley nabij Birmingham in Engeland. In 1912 behaalde hij zijn artsdiploma en in de volgende twee jaar bij diverse instellingen aanvullende diploma’s. Vanaf 1913 had hij een praktijk aan Harley Street in Londen. Details over zijn levensloop en de volledige tekst van zijn boeken zijn te vinden op www.edwardbach.org.

Hij werd in 1917 ernstig ziek. Hij bleek kanker van de milt te hebben, werd geopereerd, en herstelde ondanks dat hij te horen had gekregen dat hij nog maar drie maanden te leven had. Zijn genezing zou te danken zijn aan zijn volharding en zijn geestelijke krachten. Dat vormde de inspiratie voor zijn spirituele verklaring van ziekten; hij bleef echter tamelijk ziekelijk. Als doodsoorzaak noemt zijn death certificate uit 1936 ‘sarcoma’. In 1919 maakte hij kennis met de homeopathie en hij trad in dienst bij het London Homoeopathic Hospital (het werd pas in 1948 ‘Royal’). Daar wijdde hij zich aan de uitwerking van de zogeheten zeven nosoden van Bach. Nosoden zijn de algemene naam voor homeopathische middelen verkregen uit ziekteproducten, in Bach’ geval uit feces, urine, pus, bloed, cerebrospinale vloeistof en afgestorven weefsel van aangetaste organen. Deze oraal toegediende middelen zouden volgens Bach zeven verschillende typen ingewandsbacteriën bestrijden die hij had weten te isoleren (Weeks 1994; Bach 2004).

Voortbouwend op de ingevingen van de grondlegger van de homeopathie, Samuel Hahnemann en diens Organon, ontwikkelde Bach een eigen medisch systeem. Bach meende eerst dat Hahnemanns universele ziekteoorzaak psora (letterlijk: schurft) eigenlijk de bacillen waren die hij bestudeerd had, en voorts dat er een verband was tussen de persoonlijkheid van zijn patiënten en de bacteriën die in hun ingewanden voortwoekerden. Zo kwam hij tot de conclusie dat de persoonlijkheid de echte oorzaak van ziekte is, en dat zijn nosoden toch niet de correcte aanpak waren.

Bach onderscheidde vervolgens zeven negatieve gemoedstoestanden (angst, onzekerheid, gebrek aan interesse, eenzaamheid, overgevoeligheid, wanhoop, overbezorgdheid) met overeenkomstige positieve geestelijke instellingen (moed enzovoorts). Deze koppelde hij ook aan de essenties van bloemen die hij in het wild aantrof. Hij meende dat de bloemen de essentie van de actieve principes van de plant bevatten en dat zij dus vol zaten met natuurlijke geneeeskracht en dat zij energetisch zouden kunnen resoneren met mensen. Zo zouden de bloemen mensen kunnen beter maken, als ze tenminste bij het karakter van de patiënten pasten.

Rotswater

Bach verliet Londen om zich te kunnen wijden aan deze bloemenessenties en ging naar Noord-Wales nabij het dorpje Bettws-y-coed, maar vertrok vandaar hetzelfde jaar naar Cromer in Norfolk. Zijn eerste werkje was ongeveer viermaal de lengte van dit artikel, en hij schreef het tijdens een vakantie aan zee in Abersoch in Wales. Het is getiteld Heal Thyself: An Explanation of the Real Cause and Cure of Disease (Londen, 1931). Er staan geen recepten in. In dat boekje zijn trouwens de zeven oerziekten de volgende: trots, wreedheid, haat, eigenliefde, onwetendheid, onstandvastigheid en hebzucht, een variatie op de zeven hoofdzonden. Ondertussen had hij al vanaf 1928 op diverse plekken planten verzameld en in Free Thyself (1932) noemt hij de volgende twaalf: reuzenbalsemien, maskerbloem, bosrank, waterviolier, ijzerhard, agrimonie, chichorei, duizendguldenkruid, loodkruid, gentiaan, zonneroosje, hardbloem. Eerder gevonden planten zoals cipres en akkermelkdistel waren kennelijk bij nader inzien toch niet goed genoeg. Loodkruid is om precies te zijn Ceratostigma willmottiana, een gewas dat afkomstig is van de Tibetaanse hellingen van de Himalaya en pas in 1908 op de Britse eilanden ingevoerd. Maskerbloem is de Amerikaanse plant Mimulus luteus. Vanaf 1932 kreeg Bach ook last met medische autoriteiten vanwege zijn reclame voor zijn kruidenmiddelen.

Einde 1933 stelde hij een mengsel samen dat beroemd geworden is onder de naam Rescue Remedy. Het was bedoeld voor ernstig geschokte patiënten, ongeacht de oorzaak van hun trauma. (Later, in 1961, zou het ook als zalf verkocht worden.) In 1934 verhuisde hij naar Sotwell, een klein dorpje nabij Wallingford op 15 kilometer van Oxford. Zijn woning daar was een landhuisje genaamd Mount Vernon, dat hij Bach Centre doopte. Hij werd voornamelijk bijgestaan door Nora Gray Weeks, die later het winstgevende Centre van hem erfde. Tezamen wisten zij voor zijn dood in november 1936 welgeteld 38 bloemessences te verzamelen, elk geassocieerd met een deelaspect van een der zeven negatieve geestestoestanden. Daaronder is ook rotswater, oftewel bronwater.

Volgens Bach viel er na die 38 middelen niets meer te ontdekken, aldus Weeks (McCutcheon 1995). Het Bach Centre richtte zich op de productie van de oertincturen volgens oorspronkelijk recept, en ontwikkelde geleidelijk een monopolie op de fabricage, hoewel Bach zelf vijf weken voor zijn dood nog aan zijn uitgever geschreven had over zijn ‘genezingswerk dat edelmoedig aan de mensheid was aangeboden’ (Bach 1936-1994). Er zijn overigens veel concurrenten in diverse landen, met exotische namen als Perelandra, Himalaya, Bailey, Deva, Alaska, Findhorn en vele andere.

Impatiens bij ongeduld

Bach geloofde in het pythagorische idee dat de geur van bloemen eigenlijk hun ziel is, en dat de genezende krachten van een plant dus in de bloem zitten. Die krachten gaan over in dauwdruppels op de bloem die door de zonnestralen verwarmd worden (Tyler 1993). Men kan die krachten bemachtigen door de bloemknoppen te plukken vlak voor ze opengaan en voor negen uur ’s morgens, en ze in de zon in een glazen kom met water te leggen. Het is belangrijk dat de bloemen op een zo ongerept mogelijke plaats in het wild groeien, en dat ze niet met de hand worden aangeraakt.

Bach werkte twee extractieprocédés tot in detail uit. Voor de zonne-extractie moet de kom half gevuld zijn met plaatselijk bronwater. De kom met bloemen moet drie uur in de felle zon staan en men moet zorgvuldig vermijden dat er een schaduw over valt. Als de bloemblaadjes beginnen te verkleuren, moeten ze uit de kom gevist worden, liefst met een steeltje van dezelfde bloem, en het ‘extract’ wordt dan gefilterd en overgegoten in een glazen fles en daarna verdund met een gelijke portie brandewijn om alle chemische reacties te stoppen. Dan laat men het geheel 48 uur staan onder een doek.

Soms wordt ook de kookmethode gebruikt, bijvoorbeeld voor twijgjes van bomen als noot, lariks, iep. Men neemt dan een pan die voor driekwart gevuld is met bloemen en mineraalwater, en die men een half uur laat koken (roeren met een takje van dezelfde plant). Na afkoeling verder als het zonneprocédé.

Vervolgens prepareert men de ‘medicijnvoorraad’, namelijk door twee druppels oertinctuur in een flesje brandewijn van 30 milliliter te deponeren. Dit verdunningsproces wordt op de voorraadvloeistof nogmaals toegepast om het ‘medicijn’ zelf te maken. De alcoholische oplossingen mogen in eikenhouten vaten bewaard worden, eik is immers Bach Bloesem Remedie nummer 22. (1)

De gelijkenis met de homeopathie is treffend; het verdunnen, maar ook het signatuuridee (reuzenbalsemien oftewel Impatiens glandulifera bij ongeduld, Mimulus luteus of maskerbloem bij angsten, eik voor betrouwbaarheid en een Tibetaanse – dus niet-Engelse – plant voor gebrek aan zelfvertrouwen) en ook het idee dat het om geestelijke effecten gaat en dat het gebrek aan materiële basis irrelevant is. In tegenstelling tot de homeopathie wordt aangenomen dat een overdosis geen gevaar oplevert. Van teveel kamperfoelie (tegen spijt) wordt men geen psychopaat.

Goddelijke straf

De leer van Bach heeft diverse oude wortels. Ten eerste herkennen we er de hippocratische humorenleer in, maar in plaats van vier lichaamsvloeistoffen die in evenwicht moeten zijn, gaat het om een balans van zeven positieve en negatieve psychologische toestanden. Dat geeft aanleiding tot veel pseudodiagnostiek en gemoraliseer. De nadruk op de verantwoordelijkheid van de zieke voor de eigen ziekte is echter meer christelijk geïnspireerd, terwijl de equivalentie van negatief en positief manicheïsch genoemd kan worden. De religieuze boventonen klinken ook door in Bach’ bewering dat zijn elixirs gaven van God zijn (Hahnemann zei net zoiets over de homeopathie).

Bach houdt er in feite een dualistische visie op de wereld op na. Het paar lichaam-ziel is een speciaal geval van materie-ether. Het is eigenlijk een ‘poreus’ dualisme: men dient bruggen te slaan tussen materie en geest om ze zo te verenigen in een Grote Harmonie (Baer 1992). Dit religieuze idee is ook het leitmotiv van Bach’ therapeutische onderneming, en trouwens van de holistische visioenen van de new age. Het is ook een van de gedachten achter de populaire afwijzing van de wetenschappelijke ‘reductionistische’ moderne geneeskunde (Brandon 1985).

De verering van de ‘natuur’ is een andere component van Bach’ leer. De natuur is goed, gezond, logisch en normaal, en wat daar tegenin gaat het tegenovergestelde. De natuurgeneeskunde beweert dat ze bij uitstek de krachten van de natuur inzet, die uiteraard zo heilzaam zijn omdat ze natuurlijk zijn (Beyerstein 1997, 1998).

Behalve allerlei vage vitalistische ideeën behelst het natuurgeneeskundige gedachtegoed de notie dat het lichaam ontgift moet worden, en dat ziekten een natuurlijke methode zijn om het lichaam te ontdoen van afvalstoffen en toxines. Dit is een oeroud magisch idee verwant aan de opvatting dat ziekte een goddelijke straf is, en dat ziekenzorg dus iets voor priesters is. Het voornaamste risico van de natuurgeneeskunde en dus ook van de Bach Bloesem Remedies is dat ernstig zieken deze prefereren boven een werkzame behandeling op basis van de wetenschappelijke geneeskunde, met voorspelbare noodlottige gevolgen (Martin 1990).

Een laatste component van de filosofie van Bach is de signatuurleer, een oud beginsel dat zegt dat stinkende gouwe helpt tegen geelzucht omdat het sap geel is (het veroorzaakt leverkwalen). Evenzo zou de addertong tegen slangenbeten werken. Het uiterlijk van de plant voorspelt de farmacologische eigenschappen. Het is in feite een soort similiabeginsel of sympathetische magie. Paracelsus (1968) systematiseerde dit beginsel, en wordt daarom ten onrechte wel als de bedenker ervan aangemerkt. Er klopt natuurlijk niets van, en dat onder de enorme hoeveelheid planten en bijbehorende eigenschappen toevallig bijvoorbeeld wilgenbast de eraan toegeschreven werking heeft, is niet erg verrassend (Court 1985). Wie met zoveel hagel schiet, raakt altijd wel iets.

Zuiver mens

De Bach Bloesem Remedies, of beter het verhaal dat eromheen verteld wordt, is typisch pseudowetenschappelijk in de zin dat woorden zoals energie en resonantie (de homeopathische dynamisatie is ook zo’n woord) klinken alsof ze aan de natuurwetenschap ontleend zijn, maar daar eigenlijk niets mee te maken hebben. De termen energie en kracht worden trouwens door elkaar gebruikt en schijnen een mystieke lading te hebben, temeer daar de beheersing van de hogere vormen ervan niet voor gewone mensen is weggelegd. Vaak spreekt men over energie alsof het een vloeistof is die stroomt, bijvoorbeeld van de helende handen van de genezer naar de zieke. De energie neemt de rol over van de alomtegenwoordige demiurg (een scheppende god van lagere rang) uit het religieuze denken. Alles wat maar enigszins doet denken aan actie op afstand noemt men energie, of het nu om magnetisme of liefde gaat, en als het even kan wordt Einstein (‘alles is energie’) er ook nog bijgehaald.

Resonantie is in de natuurkunde eenvoudig het beginsel dat een schommel steeds harder gaat als men hem in het goede ritme aanduwt. Op atomair niveau is het iets ingewikkelder, maar niettemin een nauwkeurig te meten, te beschrijven, te berekenen en nuttig verschijnsel: zonder resonantie geen MRI. Bij Bach is resonantie echter een vage overeenkomst tussen een organisme en een subtiele energie. De zieke verneemt dat hij of zij nog niet in goede resonantie is. Daar valt weinig tegenin te brengen want die resonantie is op geen enkele manier zichtbaar te maken. De mythe van resonantie wordt levend gehouden door een grote hoeveelheid boeken waarin men kan lezen hoe men verschillende bewustzijnsgraden moet doorlopen om in de begeerde resonerende staat te komen. Wie resonantie zegt, zegt natuurlijk trillingen en golven, en daar wordt dan ook veel over gepraat in de pseudowetenschap. Dat de kwantummechanica beweert dat alles trilling is, komt in dit verband goed uit.

Een van de opvallendste kenmerken van pseudogeneeskunde is de mythologie die rond de grondlegger geweven wordt. Edward Bach wordt afgeschilderd als een goed en zuiver mens, met een grote intuïtie, die grote offers bracht voor de lijdende mensheid en die belangeloos gedreven wordt door een verlangen het publiek te dienen, en die in zijn eenzame strijd de geneeskunde op een hoger plan bracht. In samenhang hiermee worden zijn woorden en voorschriften als een onveranderlijk evangelie beschouwd, en wordt er niet al te zwaar getild aan de afwezigheid van elk bewijs of logische redenering. Enig commentaar op de hypothese dat er precies zeven negatieve psychologische toestanden zijn die ten grondslag liggen aan precies 38 zielstoestanden zal men niet vernemen van de vereerders van Bach, evenmin als kritiek op het feit dat de werking van de Rescue Remedy is gebaseerd op waarneming aan één enkel geval. Er zijn nog wel meer kenmerken van pseudogeneeskunde zoals vermenging met allerlei andere alternatieve geneeskunde en paranormaal geloof, en bevordering van zelfmedicatie zonder medische kennis, maar daar gaan we niet op in.

Examenvrees

Als puntje bij paaltje komt, is het enige dat telt de uitkomsten van deugdelijk wetenschappelijk onderzoek. Alle succesverhalen van goedgelovige of niet medisch onderlegde gebruikers, alle anekdotiek, het weegt niet op tegen één goed uitgevoerd onderzoek. Dat weten de pseudogeneeskundigen diep in hun hart ook wel, want hoe hard ze ook schelden op de officiële geneeskunde, als er per ongeluk een wetenschappelijk resultaat geboekt wordt dat hun goed uitkomt, zijn ze buiten zichzelf van vreugde.

De Britse onderzoeker van alternatieve geneeswijzen Edzard Ernst publiceerde een nauwkeurig en systematisch overzicht van studies gewijd aan Bach Bloesem Remedies (Ernst 2002). Maar als men slechts kijkt naar klinische studies die echt van goede kwaliteit waren, zonder evidente methodologische fouten, blijft er niet zoveel over. Een bekende schaal voor kwaliteit is die van Jadad (1996). Dat wil zeggen, de steekproef moet valide zijn, het onderzoek moet aangepast zijn aan de te onderzoeken variabelen, er moet een controlegroep zijn, en er moet uiteraard goed verloot worden en dubbelblind gewerkt worden en de uitvallers en dergelijke moeten behoorlijk verantwoord worden. Er waren maar twee studies die hieraan voldeden, namelijk die van Armstrong en Ernst (1999) en van Walach, Rilling en Engelke (2001).

De eerste van deze twee werd in 1998 uitgevoerd in het instituut van Ernst, het Department for Complementary Medicine van de Universiteit van Exeter. Het onderzocht de werkzaamheid van de Rescue Remedy tegen examenvrees. Honderd proefpersonen namen een tot vier doses van de Rescue Remedy of een placebo, op zeven opeenvolgende dagen. Hun angst voor het naderende examen werd gemeten met de Spielberger State-Trait Anxiety Inventory (1983). Van de antwoorden was 45 procent bruikbaar. Er was geen significant verschil tussen de groepen. Armstrong en Ernst concludeerden dan ook: ‘Deze studie levert geen enkel bewijs dat de Rescue Remedy werkzaam is onder de gegeven omstandigheden.’ Hoewel Bach zijn middeltje niet voor examenvrees schijnt te hebben aanbevolen, wordt het daar wel op grote schaal voor gebruikt (Ernst 2001).

Walach en de zijnen voerden hun proef uit in het Institut für Umweltmedizin und Krankenhaushygiene in Freiburg. Ze gingen uit van 66 proefpersonen (studenten), maar er werden 55 uiteindelijk behandeld, ook tegen examenvrees. Deze waren gemiddeld 28 jaar oud, en zij ontvingen hetzij een placebo, hetzij een combinatie van tien Bach Bloesem Remedies in de vorm van vier druppels per dag. Hoewel de studenten in de eerste examenweek ongeveer half om half een placebo of een verum kregen, ontvingen ze (zonder dat te weten) in de tweede examenperiode twee weken later allemaal het verum. De test voor examenvrees was deze keer de Duitse versie van de Test Anxiety Inventory (TAI-G) (Hodapp 1991). Na analyse bleek dat in beide groepen de examenvrees flink gezakt was, maar er was geen enkel verschil tussen de groepen. De conclusie van deze studie was dan ook: ‘Het innemen van Bach Bloesem Remedies helpt tegen examenvrees, maar waarschijnlijk door het sterke placebo-effect dat zij oproepen.’ Dit is vrijwel hetzelfde als de algemenere conclusie van Ernst uit 2002, namelijk: de hypothese dat de bloesemremedies meer doen dan een placebo, wordt niet gesteund door serieus onderzoek.

De populariteit van de Bach Bloesem Remedies is een indicatie voor zowel een verontrustend gebrek aan kritische vermogens als een bereidheid om te geloven in toverkunst in flesjes, hoewel opgemerkt moet worden dat vele gebruikers geen flauw idee hebben wat die remedies eigenlijk zijn en hoe ze bereid worden. Het belangrijkste is echter het effect op de volksgezondheid. De propagandisten voor Bach Bloesem Remedies maken in feite antireclame voor serieuze geneeskunde, terwijl ze tegelijk hun gelovigen wijsmaken dat karaktertrekken en stemmingen in wezen ziektes zijn, en dat die vermeende ziektes medicamenteus behandeld moeten worden.

Noot

1. Deze passage en ook de volgende alinea is iets gewijzigd; het homeopathische schudden is geen onderdeel van de bereiding; volgens Monvoisin bevelen veel Franse verkopers dit echter wel aan als een middel te lang gestaan heeft.

Literatuur

Armstrong, N. en E. Ernst (1999), A randomised, double-blind placebo-controlled trial of a Bach Flower Remedy, Perfusion, vol. 11, p. 440-446.
Bach, E. en C.E. Wheeler (2004), Chronic disease: A working hypothesis, Diet, bowel flora and chronic disease, Minerva Homeopathic Books.
Bach E. (1977) Heal Thyself, an explanation of the real cause and cure of disease in The Bach Flower Remedies, Keats Publishing, New Canaan, Conn. (oorspronkelijke uitgave C.W. Daniel, Essex, 1931)
McCutcheon, Lynn (1995), Bach flower remedies: Time to stop smelling the flowers? Skeptical Inquirer vol. 19 (4), p. 33-35, 55.
Bach E. (1994), Brief van 22 oktober 1936 aan zijn uitgever, in: Les écrits originaux du Dr Bach, Le Courrier du Livre, p. 178-179.
Baer H.A. (1992), The potential rejuvenation of American naturopathy as a consequence of the holistic health movement. Medical Anthropology, vol. 13, p. 369-383.
Barnard, J. (1998), The Collected Writings of Edward Bach. Bath, Ashgrove.
Beyerstein, B.L., Downie S. (1998), Naturopathy. Scientific Review of Alternative Medicine, vol. 2 (1). p. 20-28.
Beyerstein, B.L. (1997), Why bogus therapies seem to work. Skeptical Inquirer, vol. 21 (5), p. 29-34.
Brandon, R.N. (1985), Holism in philosophy of biology. In: Examining Holistic Medicine, D. Stalker and C. Glymour (eds.). Buffalo, NY: Prometheus Books, p. 127-136.
Court W.E. (1985), The doctrine of signatures or similitudes, Trends Pharmacol Sci , vol. 6, p. 225-227.
Eisenberg, David M., Roger B. Davis, Susan L. Ettner, Scott Appel, Sonja
Wilkey, Maria Van Rompay, et al. (1998.) Trends in Alternative Medicine Use in the United States, 1990-1997. Journal of the American Medical Association, vol. 280, p. 1569-1575.
Ernst, E. (2001), E. Ernst’s rejoinder to P. Mittman and D. Ullman on the Bach Flower Remedy Study, Comp. Health Pract. Rev., vol. 6 (3), p. 247-248.
Ernst, E. (2002), “Flower remedies” : a systematic review of the clinical evidence. Wien. Klin. Wochenschr.; vol. 114 (23-24), p. 963-966.
Fraser, J.G. (1994), The Golden Bough: A Study in Magic and Religion (abridged), Oford University Press. De oorspronkelijke eerste druk is van 1890, de derde druk bestaande uit 12 delen is van 1906-1915.
Hodapp V. (1991), Das Prüfungsängstlichkeitsinventar TAI-G : Eine erweiterte und modifizierte Version mit vier Komponenten. Zeitschrift für Pädagogische Psychologie, vol. 5, p. 121-130.
Jadad, A.R, A. Moore, D. Carroll, C. Jenkinson, D.J.M. Reynolds, D.J. Gavaghan, et al. (1996), Assessing the quality of reports of randomised clinical trials: is blinding necessary?, Controlled Clin. Trials, vol. 17, p. 1-12.
Martin, N. (1990), AIDS fraud rampant in Houston. Nutrition Forum, vol. 7, p. 16.
Paracelsus (1968). Œuvres médicales, traduction de Bernard Gorceix, PUF.
Rozin, P., en Nemeroff, C.J. (1990), The laws of sympathetic magic : A psychological analysis of similarity and contagion. In: Cultural Psychology: Essays on comparative human development, J. Stigler, G. Herdt en R.A. Shweder (eds.), Cambridge, England, p. 205-232.
Spielberger, C.D. (1983), State-trait anxiety inventory for adults, Mind Garden Inc. Palo Alto, California.
Tyler, V.E. (1993). The Overselling of Herbs. In: The Health Robbers, S. Barrett en W.T. Jarvis (eds.) Buffalo, Prometheus N.Y, p. 213-224.
Walach, H., C. Rilling, U. Engelke (2001), Efficacy of Bach-flower remedies in test anxiety: A double-blind, placebocontrolled, randomized trial with partial crossover, Journal of Anxiety Disorders, vol. 15 (4), p. 359-366.
Weeks N. (1994). The medical discoveries of Edward Bach, Physician, Keats publishing, New Canaan, CT, 1994. Vertaald in: Edward Bach: Genezing door bloemen, Amsterdam, 1991. Oorsponkelijke uitgave 1940.

Dit is een bewerking van een artikel dat eerder verscheen in Annales Pharmaceutiques.

Uit: Skepter 19.3 (2006)

Richard Monvoisin is een fysicus die kritisch denken doceert aan de Universiteit Joseph Fourier (Grenoble 1).