Misleid door de goochelaar

door Rob Nanninga

Een goede goochelaar is in staat de aandacht, de verwachtingen en de interpretaties van de toeschouwers in de gewenste richting te sturen. Hij zorgt ervoor dat ze verkeerde conclusies trekken en niet beseffen wat er werkelijk gebeurt.

In het jaar 1900 verscheen in The American Journal of Psychology een lang artikel over goochelen. De auteur was Norman Triplett, die op het onderwerp promoveerde. Ook enkele andere psychologen verdiepten zich destijds in de goochelkunst. Daarbij ging het hen niet zozeer om de technische foefjes, maar om de psychologische misleidingstechnieken waarvan goochelaars gebruikmaken. Triplett merkte op dat goocheltrucs het beste slagen wanneer de toeschouwers van te voren niet weten wat de goochelaar van plan is. Daardoor weten ze niet waarop ze moeten letten. Essentiële details waarin het geheim van de truc verscholen ligt, worden over het hoofd gezien, zodat er achteraf geen enkele logische verklaring mogelijk lijkt.

Triplett voerde een aardig experiment uit met 165 kinderen uit de hoogste klassen van een basisschool. Zij zagen hoe een bal werd opgeworpen door een man die voor de klas achter een bureau zat. Hij wierp de bal een meter omhoog, ving hem weer op en liet zijn handen langzaam onder het tafelblad zakken. De twee keer wierp hij de bal wat hoger en liet hem daarna ongemerkt in zijn schoot vallen. De derde worp zag er net zo uit als de voorafgaande. Opnieuw hield de man zijn handen gereed om de bal weer op te vangen, maar die kwam niet meer naar beneden.

Na afloop werden alle kinderen afzonderlijk over hun ervaringen ondervraagd. Bijna de helft (78) vertelde dat ze hadden gezien hoe de bal de derde keer omhoog werd gegooid en toen plotseling in de lucht verdween. Een deel van hen wist niet meer zeker of ze de bal in zijn vlucht hadden waargenomen. Maar er waren ook verscheidene kinderen die precies konden vertellen waar de bal zich bevond toen hij in het niets verdween. Zij creëerden schijnbaar zelf een imaginair beeld dat bij de gewekte verwachtingen aansloot.

Identieke kaarten

Sinds 1900 is er in de academische vakliteratuur weinig meer verschenen over de psychologische geheimen van de goochelkunst. Wie daar meer over te weten wil komen, kan het beste enkele klassiekers uit de internationale goochelliteratuur aanschaffen, die echter niet bij de gewone boekhandel of in de bibliotheek te vinden zijn. Een voorbeeld is het boek Magic by Misdirection. Daarin beschrijft Dariel Fitzkee onder meer een verbluffende kaarttruc, die zeer eenvoudig is uit te voeren.

Leg twee pakken kaarten op tafel en laat een assistent één spel kiezen. Zelf pakt u het andere spel, dat u begint te schudden. Geef uw assistent de opdracht al uw handelingen na te volgen. Nadat beide spellen goed zijn geschud, overhandigt u uw kaarten aan de assistent, die zijn eigen pak aan u moet geven. Trek nu een willekeurige kaart uit het spel en leg de rest van het pak dicht op tafel. Bekijk de gekozen kaart aandachtig en leg hem vervolgens bovenop het spel, dat u coupeert. Uw helper doet ondertussen precies hetzelfde met zijn eigen kaarten. Ten slotte worden de spellen opnieuw geruild. Blader het spel door en zoek de kaart die u eerder in gedachten had genomen. Laat uw assistent zijn eigen kaart opzoeken in het spel dat hij zojuist met u geruild heeft. Beide kaarten worden dicht op tafel gelegd. Leg ze kruiselings op elkaar en doe hetzelfde met de twee spellen.

Nu wordt het tijd om alles nog even te recapituleren. De goochelaar zegt tegen de assistent: ‘Zoals je hebt gezien, heb je precies hetzelfde gedaan als ik. Jij hebt mijn kaarten geschud en ik die van jou. We hebben allebei een willekeurige kaart getrokken en die in gedachten genomen. Ik heb mijn eigen kaart op tafel gelegd en jij ook. Zou het niet paranormaal wezen als we elk dezelfde kaart hadden gekozen?’ En zowaar, de kaarten blijken identiek te zijn!

Het technische foefje dat bij deze truc wordt gebruikt, is doodsimpel. Terwijl uw assistent zijn kaarten schudt, bekijkt u heimelijk de onderste kaart van uw eigen spel. Dit is de enige kaart die u moet onthouden. Nadat de spellen zijn geruild, bekijkt de assistent een willekeurige kaart die hij daarna op de stapel legt. Wanneer hij het spel vervolgens coupeert, komt de onderste kaart bovenop de gekozen kaart te liggen, zodat u die later gemakkelijk kunt terugvinden. De kaart die u aan het slot op tafel legt, is niet de kaart die u eerder heeft getrokken maar de kaart die door uw assistent is bekeken.

In feite bent u dus alleen in staat de kaart van uw assistent op te sporen. Het tweede spel speelt daarbij geen rol, want het maakt niet uit welke kaart u daaruit trekt. U hoeft die kaart ook niet te onthouden. Toch is het essentieel dat u hem aandachtig bekijkt alsof u de kaart echt in uw geheugen wilt prenten. Daardoor raken de toeschouwers op het verkeerde spoor en komen ze aan het slot tot de conclusie dat de twee gekozen kaarten identiek zijn. Ook de misleidende samenvatting die u geeft, draagt ertoe bij dat ze de gebeurtenissen verkeerd gaan interpreteren.

Het succes van deze kaarttruc komt voort uit de listige wijze waarop de handelingen van de goochelaar worden vermomd. Daardoor gaan de toeschouwers geloven dat ze iets hebben gezien wat in werkelijkheid niet is gebeurd. Vrijwel elke goocheltruc berust voor groot deel op handelingen die een ander doel dienen dan de toeschouwers veronderstellen. Daarbij komt het erop aan dat de valse handelingen niet van echt te onderscheiden zijn.

Een getal voorspellen

De volgende truc illustreert hetzelfde principe. De goochelaar toont een gesloten envelop en vertelt dat deze een voorspelling bevat. Hij wijst een toeschouwer aan en laat haar een getal onder de duizend te noemen. ‘Ongelooflijk’, roept hij uit. ‘Helemaal correct. U heeft hier talent voor. Hmmm…. Laten we nog eens iets anders proberen.’ De goochelaar lijkt nog niet genegen de envelop te openen. In plaats daarvan schrijft hij er wat op en zegt: ‘Ik heb een Nederlands woord opgeschreven. Weet u welk woord dat is?’ De toeschouwer zegt ‘nee’, waarop de goochelaar quasi-verheugd uitroept: ‘Alweer goed! Kijk maar eens wat ik heb opgeschreven.’ Hij draait de envelop om en daar staat inderdaad het woord ‘nee’. De toeschouwers tonen zich uiteraard niet onder de indruk, maar dat verandert wanneer de goochelaar de envelop opent en daar duidelijk zichtbaar een kaart uithaalt. Daarop staat het getal dat door de toeschouwer werd genoemd.

Voor deze truc heeft de goochelaar twee attributen nodig: een balpen zonder inkt en een stukje carbonpapier dat tegen de binnenkant van de envelop wordt geplakt. Tijdens de voorstelling schrijft hij met de lege balpen het gekozen getal op de envelop, zodat dit via het carbonpapier op de kaart terechtkomt. Het woord ‘nee’ had hij er al van te voren opgeschreven. Het lijkt alsof de goochelaar humoristisch probeert te zijn door de toeschouwer dit woord te laten ‘raden’. Maar in werkelijkheid fungeert zijn grap als een excuus om ongezien iets op de envelop te kunnen schrijven zonder dat dit argwaan wekt. De toeschouwers nemen als vanzelfsprekend aan dat hij het woord opschrijft dat ze later te zien krijgen.

Kunstgrepen die noodzakelijk zijn om een goocheltruc te laten slagen, dienen zoveel mogelijk vermomd te worden als onbelangrijke details of als handelingen die een ander doel dienen. De toeschouwers moeten ervan overtuigd raken dat ze op elk moment weten wat de goochelaar aan het doen is. Zijn handelingen mogen niet onnatuurlijk of onlogisch zijn. Een goede goochelaar zal de toeschouwers ook niet vertellen wat ze moeten geloven. Hij zal bijvoorbeeld niet beweren dat hij een gewone envelop in handen heeft, want dat wekt alleen maar achterdocht. Als een voorwerp er normaal uitziet, dan hoeft dat niet te worden benadrukt. Het is beter om er geen bijzondere aandacht aan te schenken, zodat de toeschouwers niet op de gedachte komen dat het geprepareerd zou kunnen zijn.

Een bankbiljet kiezen

Een fraai staaltje van misleiding is de geforceerde keuze. De goochelaar laat drie toeschouwers elk een biljet van tien gulden opvouwen, dat uit hun eigen portemonnee komt. De biljetten moeten zo worden gevouwen dat de kop van Frans Hals aan de buitenkant zichtbaar is. De toeschouwers leggen hun biljetten op het notitieblok dat de goochelaar in zijn hand houdt. De goochelaar laat ze vervolgens op een tafel vallen. Een andere toeschouwer mag één van de biljetten uitkiezen en de goochelaar schrijft daarna een lang getal in zijn notitieblok. Dit blijkt het serienummer van het gekozen biljet te zijn.

Bij deze truc maakt de goochelaar gebruik van een vierde biljet, waarvan hij het serienummer kent. Dit biljet wordt onder het notitieblok vastgehouden. Wanneer de goochelaar het blok boven de tafel omkeert, laat hij zijn biljet – dat hij een onopvallens merktekentje kan geven – vallen, samen met twee andere biljetten. Het derde biljet houdt hij met zijn duim tegen het blok geklemd. Hij stopt het later ongemerkt in zijn zak wanneer hij daar een pen uithaalt. Nu is het de bedoeling dat een toeschouwer het biljet van de goochelaar kiest. Dat gaat als volgt.

De goochelaar laat de toeschouwer die hem assisteert, twee bankbiljetten van tafel pakken. Als zijn eigen biljet op tafel achterblijft, mag de assistent de twee biljetten aan de eigenaren teruggeven omdat ze niet meer nodig zijn. Maar als het gewenste biljet samen met een ander biljet wordt opgepakt, zegt de goochelaar: ‘Geef er maar één aan mij.’ Wanneer dat niet zijn eigen biljet is, pakt hij het resterende biljet van tafel en geeft beide biljetten aan de toeschouwers terug. Krijgt hij wel het goede biljet, dan houdt hij dit boven zijn hoofd om het serienummer op paranormale wijze te kunnen opvangen. De toeschouwers krijgen de illusie dat het biljet willekeurig is gekozen omdat ze niet beseffen dat de goochelaar zijn spelregels bij de gebeurtenissen aanpast, zodat hij altijd het gewenste biljet overhoudt. Bovendien zullen ze waarschijnlijk na afloop niet meer exact kunnen navertellen hoe de procedure verliep.

Afleidingsmanoeuvres

Zoals eerder gezegd, boeken goochelaars succes door hun handelingen te vermommen, zodat de toeschouwers niet beseffen wat er werkelijk gebeurt. Soms is dat echter niet goed mogelijk. In dat geval kan de goochelaar gebruikmaken van allerlei afleidingsmanoeuvres die de aandacht van de toeschouwers in de verkeerde richting sturen. Zo was er goochelaar die een tafel had geconstrueerd waarin een levende kip verborgen kon worden. Als hij een open zak tegen de voorkant van deze tafel hield, werd de kip daar automatisch ingeschoten. Het probleem was, dat deze handeling erg verdacht leek. Daarom liet hij eerst een andere truc zien, waarbij hij naar het scheen een ei onder de zool van zijn schoen vandaan haalde. Terwijl hij op één been stond, leunde zijn rechterhand, waarin hij de zak hield, tegen de voorkant van de tafel. De kip werd in de zak gedaan op het moment dat alle toeschouwers naar het ei keken.

Een moment van ontspanning, wanneer de goochelaar zojuist een miraculeus effect heeft vertoond, is in het algemeen zeer geschikt om de volgende truc heimelijk voor te bereiden. Een goochelaar kan de aandacht van de toeschouwers ook gemakkelijk naar zijn gezicht sturen door eerst naar zijn handen te kijken. Vervolgens maakt hij met zijn rechterhand een gebaar in de richting van zijn hoofd, terwijl hij de hand met zijn ogen blijft volgen. Wanneer zijn hand het hoogste punt heeft bereikt, richt hij zijn hoofd op, kijkt een toeschouwer aan en maakt een opmerking. Er zal dan waarschijnlijk niemand zijn die op dat moment nog ziet wat de goochelaar met zijn linkerhand doet.

Een goede goochelaar hoeft niet vingervlug te zijn. Het is veel belangrijker dat hij erin slaagt de aandacht en de interpretaties van de toeschouwers te manipuleren. Daarbij dient hij zich goed bewust te zijn van de zwakke plekken in zijn trucs. Die moeten zodanig worden verhuld, dat de toeschouwers ze niet opmerken. Er moet steeds een andere manier worden gevonden om de handelingen natuurlijk, ongedwongen en overtuigend te laten lijken. Goochelaars dienen daarom beslist over enig acteertalent te beschikken.

Uit: Psychologie, juli/augustus 1996

Rob Nanninga was hoofdredacteur van Skepter van 2002 tot 2014