Non-lokale biologie

Misleidende citaten van Pim van Lommel

door Gert Korthof

Pim van Lommel zoekt steun in de biologie voor zijn claim dat de geest buiten het lichaam bestaat. Maar hij geeft een verdraaide voorstelling van zaken.

Bijna-doodervaringen kunnen volgens de cardioloog Pim van Lommel niets te maken hebben met processen in de hersenen. Hij beschouwt ze als een bewijs dat we ons bewustzijn niet te danken hebben aan ons brein. In Eindeloos bewustzijn: een wetenschappelijke visie op de bijna-dood ervaring betoogt hij dat bewustzijn geen materiële basis heeft. Ons bewustzijn bevindt zich naar zijn overtuiging in een metafysische, non-lokale ruimte, ‘een verborgen werkelijkheid die constant invloed uitoefent op onze fysieke wereld’. Al onze herinneringen liggen als golffuncties in deze non-lokale ruimte opgeslagen. ‘De hersenen en het lichaam functioneren slechts als een opvangstation … .’

Van Lommel neemt aan dat er via het DNA voortdurend informatie wordt uitgewisseld tussen het lichaam en het non-lokale bewustzijn. ‘Ons individuele DNA ontvangt informatie uit de non-lokale ruimte’, schrijft hij. Om deze stelling te onderbouwen citeert hij meermaals uit gezaghebbende bronnen, maar daarin staat vaak wat anders dan hij beweert.

Een treffend voorbeeld is te vinden op pagina 173, waar een citaat is afgedrukt uit The Astonishing Hypothesis (1993) van de Nobelprijswinnaar Francis Crick. Deze schreef: ‘Tot nu toe kunnen wij niet één gebied in de hersenen aanwijzen waarin de activiteit van neuronen exact overeenkomt met het levendige beeld van de wereld dat wij voor onze ogen zien.’ Het citaat suggereert dat Crick evenals Van Lommel tot de conclusie kwam dat het bewustzijn niet in het brein te vinden is. Maar in werkelijkheid is zijn ‘verbazingwekkende hypothese’ door en door reductionistisch en materialistisch. Crick veronderstelt dat onze geest volledig kan worden verklaard door de interacties van zenuwcellen.

Ratten en resistentie

Op pagina 269 van hoofdstuk 13 (‘De continuïteit van het veranderende lichaam’) wordt een artikel uit Nature aangevoerd als ondersteuning voor de non-lokale theorie:

Naar mijn mening is deze immunologische informatie ook in de non-lokale ruimte opgeslagen en via non-lokale informatie-uitwisseling voor het individuele DNA in elke cel rechtstreeks toegankelijk. Dit wordt bevestigd door een artikel in Nature waarin resistentieontwikkeling van bacteriestammen tegen bepaalde antibiotica is aangetoond bij het in het wild levende dieren in volstrekt afgelegen gebieden, waardoor er onmogelijk contact met dat antibioticum kon zijn geweest. Deze resistentie is alleen te verklaren door te veronderstellen dat het DNA van deze bacteriën via de non-lokale ruimte informatie heeft ontvangen van stammen die resistent zijn geworden door onverantwoordelijk en onzorgvuldig gebruik van antibiotica elders op de wereld.

Van Lommel verwijst hier naar Gilliver et al. (1999), maar daarin is geen bevestiging te vinden voor zijn exotische stelling. In het artikel staat: ‘Fazantenvoedsel dat het antibioticum tylosine bevattte, werd soms verspreid op de tweede locatie, maar verder hadden de knaagdieren minimaal contact met antibiotica of met huisdieren of vee dat routinematig daarmee behandeld werd.’ Terwijl de auteurs heel voorzichtig ‘minimaal contact’ schrijven, maakt Van Lommel daar ‘onmogelijk contact’ van. En terwijl de auteurs schrijven ‘De oorsprong(en) van de resistentie en de selectiemechanismen (…) zijn onbekend’, meent Van Lommel zeker te weten dat er ‘via de non-lokale ruimte’ informatie werd overgedragen.

Het misleidende van deze werkwijze is, dat hij een conclusie trekt die niets met het onderzoek te maken heeft en die in het artikel ook niet wordt ondersteund. Hij wekt de indruk dat zijn conclusie onontkoombaar is en dat de auteurs het met hem eens zijn, hoewel die uitdrukkelijk zeggen dat ze de oorzaak niet weten.
Wat Van Lommel over DNA beweert, is geen theorie die binnen de gevestigde wetenschap serieus wordt genomen en die door gerichte experimenten wordt ondersteund. De theorie verklaart ook weinig. Zo blijft het onduidelijk hoe een cel precies de juiste informatie kan verkrijgen uit de veronderstelde non-lokale ruimte waarin onvoorstelbaar veel informatie aanwezig zou zijn. Als deze informatie-overdracht ongecontroleerd en in het wilde weg zou plaatsvinden, zouden alle sporen van gemeenschappelijke afstamming van organismen gewist worden. En dat is niet wat we zien.

Epigenetica

Van Lommel gelooft dat zijn ideeën over DNA worden ondersteund door de epigenetica. Hij verwijst daarbij naar een artikel van Lederberg (2001):

Volgens de Nobelprijswinaar Joshua Lederberg blijken de functieverschillen tussen genen lang niet altijd het gevolg te zijn van de overgeërfde structuur van DNA maar van omgevingsfactoren rondom DNA. Epigenetica is de studie van omkeerbare functieveranderingen van genen die tot stand komen zonder verandering in de volgorde van het DNA in de celkern. (…) Dit ondersteunt de zienswijze dat de functie van DNA wordt bepaald door informatie van buiten het DNA, en mogelijk speelt non-lokale informatie-uitwisseling via resonantie hierbij een essentiële rol.’ (p.265)

Epigenetica is erfelijkheid die niet is gebaseerd op het DNA in celkernen. Het gaat om allerlei zaken in en rond het DNA, onder andere de histonen. Dat zijn eiwitten waaromheen het DNA opgewonden ligt. De interacties tussen het DNA en de histonen zijn inderdaad iets ‘buiten het DNA’ dat van belang is voor de bouw en het functioneren van het organisme, en dat over vele generaties doorgegeven wordt. Maar Van Lommel lijkt niet goed te hebben begrepen wat er wordt bedoeld met ‘niet gebaseerd op DNA’. Hij interpreteert het ten onrechte als een soort invloed op afstand.

Op de volgende pagina schrijft hij: ‘Kan het DNA instructies krijgen via (non-lokale) informatie-uitwisseling? Zoals gezegd is dit de theoretische basis van de epigenetica.’ Hij voegt hier en passant het woord ‘non-lokale’ toe, alsof het een onderdeel is van de definitie van epigenetica, terwijl het daar niks mee te maken heeft. Door op zo’n manier met de wetenschappelijke literatuur om te gaan, zet hij de lezers op het verkeerde been.

Van Lommel beroept zich ook op de beroemde fysicus Erwin Schrödinger. Negen jaar voor de ontdekking van de dubbele helix door Watson en Crick schreef hij in zijn invloedrijke What is Life? (1944): ‘Wij geloven dat een gen, of misschien wel de hele chromosoomvezel een aperiodieke vaste stof is.’ Iets dat bestand is tegen de ‘statistische’ warmtebeweging, kon volgens Schrödinger alleen maar de binding tussen atomen zijn, zoals in een kristal of een molecuul. Van Lommel parafraseert dit als dat ‘het DNA een “niet-statistisch” macromolecuul zou kunnen zijn’ en omarmt Schrödinger als een geestverwant: ‘volgens zijn [ES] theorie kan DNA functioneren als “kwantumantenne” voor niet-lokale communicatie’.

Van Lommel heeft een vreemd idee van wat statistisch inhoudt. Hij denkt dat het staat voor ‘voorspelbaar, ordelijk en regelmatig’ en afkomstig uit de non-lokale ruimte van dode materie. Kwantummechanica is volgens hem onordelijk en dus afkomstig uit de non-lokale ruimte van de levende materie. Kortom ‘Volgens Schrödinger zou het DNA van levende organismen een “ontvangst”- of “resonantie”-mogelijkheid hebben om informatie uit de non-lokale ruimte te ontvangen en te decoderen.’

Van Lommel doet hier hetzelfde als met de resistente ratten en de epigenetica: een losse zin uit een publicatie wordt volslagen verkeerd geïnterpreteerd, met als conclusie dat het alles te maken heeft met de ‘non-lokale ruimte’. Als Schrödinger het kon horen, zou hij zich in zijn graf omdraaien.

Biofotonen

Voor Van Lommel staat het vast dat DNA informatie ontvangt uit de non-lokale ruimte. Om deze gedachte te ondersteunen, beroept hij zich ook op onderzoek dat nog geen erkenning heeft gevonden. Zo zou Cleve Backster, de uitvinder van de leugendetector, hebben aangetoond dat witte bloedlichaampjes op een afstand van 12 tot 20 km reageren op het vertonen van afschuwelijke of seksueel opwindende afbeeldingen aan de eigenaar van de cellen (p.275). Deze onderzoeksresultaten staan niet in wetenschappelijke tijdschriften maar in boeken zoals Primary Perception: Biocommunication with Plants, Living Foods, and Human Cells en Het geheime leven van je cellen (Ankh-Hermes). Daarin kunnen we lezen dat zelfs bakjes yoghurt (‘living foods’) gevoelens hebben.

Ook met de biofotonen betreden we het terrein van de buitengewone, controversiële of perifere wetenschap. Ik had nog nooit van biofotonen gehoord, maar inmiddels weet ik: ‘Levende cellen stralen coherent licht uit, een pulserende stroom van enkele tienduizenden fotonen per sec./cm2[sic], hetgeen ongeveer honderd miljoen maal zwakker is dan daglicht’ (p.267). Marco Bischof schreef er een Duits boek over waarin hij claimt dat DNA de bron is van een coherent veld van fotonen. Het DNA zou om deze reden als interface kunnen functioneren tussen de non-lokale ruimte en het levende organisme (p.267). Van Lommel zegt er eerlijk bij: ‘deze theorie is echter nog niet definitief bewezen’. Dat lijkt een understatement, want het gaat om erg controversiële materie. Zo kunnen we ons afvragen hoe fotonen coherent (dus zoals in een laser) kunnen zijn, zonder dat het genoemde licht monochromatisch is.

Bischof blijkt directeur en oprichter te zijn van het International Institute of Biophysics. Zijn website vermeldt dat hij een Diploma in Breathing Therapy and Education bezit en dat hij Culturele en Medische Antropologie, Geschiedenis der Religies en Psychologie heeft gestudeerd aan de Universiteit van Zürich. Deze vakkencombinatie kan interessante inzichten opleveren, maar lijkt me niet zo relevant voor iemand die baanbrekend biofysisch onderzoek wil doen. Bischof is geen bioloog of fysicus en dus niet goed gekwalificeerd voor zijn onderzoekswerk.

In theorie blijft het natuurlijk mogelijk dat het biofotonenonderzoek in de toekomst zal worden beloond met een Nobelprijs. Het komt wel eens voor dat een geniale wetenschapper die zijn tijd ver vooruit is, niet wordt begrepen of zelfs belachelijk wordt gemaakt, en pas later erkenning krijgt voor zijn verdiensten. Een goed voorbeeld in de biologie is Carl Woese, de ontdekker van de Archaea, een aparte tak van organismen die hij onderscheidde van de Bacteria. Woese werd lange tijd als een zonderling gezien, een outsider bovendien, die krankzinnige dingen beweerde en zich baseerde op onbegrijpelijke technieken en data. Dus misschien is er nog hoop voor het biofotonenonderzoek dat Van Lommel citeert, maar dan moet er wel hard aan worden gewerkt!

Teleportatie

Pim van Lommel benadrukt dat er nog veel is wat biologen niet weten: ‘Na de aanvankelijke hoerastemming die ontstond na de ontdekking van de volledige structuur van het menselijke DNA is het enthousiasme wat getemperd doordat steeds minder duidelijk werd hoe het DNA precies werkt. Met name de functie van junk-DNA bleef onbegrepen.’ Wat dat laatste betreft heeft hij gelijk, maar hij kan moeilijk ontkennen dat we sinds 1953 juist steeds beter weten hoe DNA werkt. Dit onderzoek werd beloond met meerdere Nobelprijzen. Er is veel voor nodig om met recht te mogen concluderen dat het heel anders functioneert dan alle geleerden dachten.

Van Lommel bereikt een climax op pagina 272, waar hij zijn opzienbarende inzichten als volgt samenvat:

Volgens de in dit hoofdstuk genoemde theorie bevat DNA niet zelf het erfelijk materiaal, maar is het in staat erfelijke, morfogenetische (vormgevende) en persoonsspecifieke informatie uit het non-lokale bewustzijn te ontvangen.

Dat is pas revolutionair: DNA bevat niet zelf het erfelijk materiaal! Alles wordt geregeld vanuit het non-lokale bewustzijn.

Van Lommel kan tot zulke theorieën komen omdat hij totaal geen onderscheid maakt tussen reguliere wetenschap en onbevestigde onderzoeksresultaten in de marge van de wetenschap. Hij vertelt met dezelfde vanzelfsprekendheid over DNA (waar geleerden Nobelprijzen mee verdienen) als over cellen die op grote afstand met elkaar communiceren. Hij beschrijft zelfs experimenten waaruit zou zijn gebleken dat er in China kinderen bestaan die voorwerpen (waaronder kleine radiotoestellen) over tientallen meters kunnen teleporteren. Alles wat in zijn kraam te pas komt, lijkt even welkom te zijn. Van Lommel maakt de lezers niet duidelijk waar de wetenschap ophoudt en de speculaties beginnen. Hij spoedt zich met reuzensprongen en misleidende citaten naar een vooraf bepaald doel, het non-lokale bewustzijn dat alle raadselen verklaart.

De fysieke werkelijkheid bestaat alleen dankzij het bewustzijn, dat kan bepalen wat we zullen waarnemen en ervaren. Het bewustzijn ligt aan de basis van alles, alle materie wordt erdoor gevormd. Dat is de kern van de boodschap, die eerder religieus of spiritueel dan wetenschappelijk kan worden genoemd. Maar veel lezers zullen daar vermoedelijk geen bezwaar tegen hebben.

Noten

Gilliver, M.A., Beneet, M., Begon, M., Hazel , S.M. Hart , C.A. (1999). Antibiotic resistance found in wild rodents. Nature 401, 233.
Lederberg, J. (2001). The meaning of Epigenetics. The Scientist 15 (18), 6.

Uit: Skepter 20.2 (2007)

Zie ook:

De klepels kwijt – Van Lommel over kwantummechanica
Eindeloos bewustzijn – kritische boekbespreking

Gert Korthof is bioloog. Zijn weblog is evolutie.blog.com