Aardse UFO’s

Boekbespreking

door Wim van Utrecht

De veronderstelling dat UFO’s testvliegtuigen zijn die in het geheim vervaardigd worden door een of andere grootmacht, is zo oud als de ufologie zelf. Onlangs zagen twee boeken het daglicht die deze theorie oprakelen. Als we de auteurs mogen geloven ligt de oorsprong van de vliegende schotels in nazi-Duitsland. Een belachelijk idee? Misschien niet helemaal…

In 1980 verschijnt Genesis, een opmerkelijke novelle van de hand van sf-schrijver William A. Harbinson. Het thema: vliegende schotels zijn het werk van gevluchte nazi’s die zich op een geheime basis op de zuidpool verschansen. Deze thesis, die tot dan toe bijna uitsluitend in neonazistische kringen populariteit genoot, vormt het kader waarin zich een vlot leesbaar avontuur afspeelt. In het nawoord geeft Harbinson een samenvatting van twee jaar speurwerk dat aan het boek voorafging en waaruit moet blijken dat zijn novelle geen loutere science fiction is maar dat zij op authentieke gegevens is gebaseerd.

Bij nazicht blijkt al vlug dat hij het merendeel van zijn bronnen overnam uit een nummer van Luftfahrt International. In 1975 onderzocht dit gezaghebbende luchtvaartmagazine de mogelijkheid dat er ten tijde van nazi-Duitsland vliegende schijven zouden zijn gebouwd. Harbinson ‘vergeet’ evenwel de conclusie van Luftfahrt International te vermelden: ‘Es hat keines dieser Geräte gegeben, sie sind weder gebaut worden, geschweige denn zum Flug gekommen’.

Harbinson-ufo-coverIn zijn nieuwe boek, Projekt UFO, probeert Harbinson het vraagstuk van door mensenhanden vervaardigde vliegende schotels wat vollediger te behandelen. Hijzelf noemt het een poging om de feiten van de fictie te scheiden. Voor de lichtgelovigen onder ons worden eerst de gaten in de polen gedicht. Volgens Harbinson zijn de verhalen over UFO’s die vanuit een holle aarde opereren allemaal fabeltjes. Een hele geruststelling. Groter is de kans dat ze hun basis elders hebben, bijvoorbeeld op Antarctica, in de uitgestrekte wouden van Canada of in de Bermudadriehoek.

De selectie tussen feiten en fictie lijkt vooral te steunen op vooringenomen standpunten. Zo is er het gegeven dat hemelverschijnselen die in een ver verleden werden gesignaleerd, moeilijk te verzoenen zijn met het uitgangspunt dat UFO’s hoogtechnologische fabrikaten zijn van aardse komaf, en dus worden die vroege meldingen al in het eerste hoofdstuk herleid tot slecht begrepen natuurverschijnselen. UFO-verhalen uit de moderne tijd worden door Harbinson daarentegen veel sneller geaccepteerd. Voor de auteur begint het UFO-tijdperk dan ook pas rond het einde van de 19de eeuw, toen boven enkele Noord-Amerikaanse staten vreemde luchtschepen werden opgemerkt.

Harbinson benadrukt dat het geen toeval kan zijn dat amper drie jaar na die waarnemingen het eerste gemotoriseerde luchtschip de lucht inging, en het lijkt inderdaad niet ver gezocht om te veronderstellen dat in de jaren vóór die eerste officiële vlucht al in het geniep met niet-gepatenteerde luchtschepen werd proefgevlogen.

Ondergrondse ateliers

Het valt op dat Harbinson bijna uitsluitend terugvalt op oud materiaal. In Projekt UFO vinden we geen enkele verwijziging naar de lange reeks uitvinders die in de jaren ’60 en ’70 pogingen hebben ondernomen om luchtwaardige schijfvormige toestellen te bouwen. (Misschien omdat hun probeersels nooit erg succesvol waren.) Hij spurt van de verhalen over geheime nazi-wapens, via de Amerikaanse ‘Flying Flapjack’ (een bijna-cirkelvormig vliegtuig uit de jaren ’40) naar de AVROcar (een authentieke vliegende schotel uit de jaren ’50) om ten slotte te belanden bij de Stealth-vliegtuigen die pas voor enkele jaren de pers haalden. Ook heel wat ooggetuigeverslagen waarbij directe verbanden opvallen met experimentele vliegtuigen worden niet uitgediept. Eén van de weinige uitzonderingen is het verhaal van politieman Lonnie Zamora, die in 1964, nabij de militaire basis van White Sands in New Mexico, oog in oog kwam te staan met een eivormig toestel en twee in overall geklede manspersonen. Helemaal onbegrijpelijk is dat Harbinson weinig over de huidige situatie vertelt. Er is door ufologen nochtans zelden zoveel over experimentele vliegtuigen gepalaverd als gedurende de laatste tien jaar. Denk maar aan de recente UFO-golven in de VS, in Groot-Brittannië en in België. Onvermeld blijven ook het recente succes van uitvinder Paul Moller, die er na een kwart eeuw zwoegen eindelijk is in geslaagd om zijn zelfgebouwde schotel van de grond te krijgen. Ook de zeer recente proefvluchten die de firma Sikorsky met een ringvormig, telegeleid toestel uitvoerde hadden een paragraafje verdiend. Naast het feit dat Projekt UFO verre van actueel is, bevat het enkele onvergeeflijke typografische slordigheden. Zo lezen we twee keer ‘atokinesis’ (i.p.v. ‘autokinesis’) en vijf keer ‘Wernher von Braun’ waar het ‘Werner von Braun’ moet zijn.

In de eerste hoofdstukken weet Harbinson de schijn hoog te houden dat hij pro en contra tegen elkaar wil afwegen. Af en toe verbaast hij zich aldus over het bizarre ideeëngoed dat sommige UFO-fanatici erop nahouden. Hier is hij op zijn best, maar de verrassing komt met de synthese achterin het boek waar hij plots alle zin voor kritiek laat varen. In hoofdstuk 9 bereikt zijn paranoïde denken een hoogtepunt wanneer hij onomwonden insinueert dat UFO-ontvoeringen op touw worden gezet door een of andere totalitaire staat die er op uit is om een superras te creëren. Ondanks het feit dat hij naar het einde van zijn boek geen enkel concreet bewijsstuk overhoudt, luidt het ten slotte in de conclusie dat een grootschalige productie van vliegende schotels niet vergezocht is en dat het inrichten van reusachtige ondergrondse werkateliers ‘would present no major obstacle in this day and age’. Waar rook is, is vuur, moet Harbinson gedacht hebben toen hij zijn documentatie erop nasloeg, maar de indruk die de kritische lezer opdoet is dat de rook in werkelijkheid niet meer is dan een dik pak mist.

Wervelwindkanon

Dat de tijd rijp is voor dit soort boeken heeft ook David Hatcher Childress begrepen. Childress kan misschien nog het best vergeleken worden met Von Däniken. Hij reist de wereld af op zoek naar archeologisch raadsels, om er dan in snel tempo een boek aan te wijden. Op zijn recente Man-made UFOs prijkt echter ook de naam van Renato Vesco. Deze ex-technicus bij de Italiaanse luchtmacht schreef in 1968 een bizar maar minutieus gedocumenteerd werkje met de titel Intercettateli Senza Sparare (in 1971 naar het Engels vertaald als Intercept – but don’t shoot). Man-Made UFOs is een herdruk hiervan, voorzien van een voorwoord van Harbinson (die voor zijn eigen boeken al royaal uit het werk van Vesco had geput), maar dat voorwoord is zelf weer een herdruk van het voorwoord dat hij vijftien jaar eerder voor Genesis schreef!

Childress-manmade-ufos-coverHet komt er dus op neer dat Childress twee oude teksten opnieuw uitgeeft, zonder zelfs aan hun opmaak iets te wijzigen. Childress is wél verantwoordelijk voor het inlassen van een grote hoeveelheid illustraties die nogal lukraak uit de UFO-pers, enkele luchtvaarttijdschriften en wat geschiedenisboeken zijn geplukt. Bronnen worden niet vermeld en wat de UFO-foto’s betreft: zij tonen inderdaad door mensenhanden gemaakte toestellen, zij het dan dat deze in werkelijkheid slechts enkele centimeters groot zijn en ofwel aan dunne touwtjes bengelen ofwel op een vensterraam werden getekend of geplakt. Het boek sluit af met een fotoserie waarop iets te zien is dat (volgens het bijschrift) wel eens een gelande anti-gravitatiemachine zou kunnen zijn. In werkelijkheid gaat het om een half afgewerkt model voor een Poolse sf-film.

Achter de tekst van Vesco duiken nog twee nieuwe hoofdstukjes op waarin Childress het woord neemt en vertelt over een geheime stad die in 1937 in een uitgedoofde vulkaankrater – in het Amazonewoud – werd aangelegd. Topwetenschappers uit alle delen van de wereld zouden hier kosmische energie benutten om met zelfgebouwde vliegende schotels naar de maan en naar Mars te reizen. Het genie achter dit ultra-geheime project is de beroemde Italiaanse uitvinder Guglielmo Marconi (niet Ian Fleming, zoals u wellicht had begrepen) want, u leest het goed, in tegenstelling tot wat men ons op school altijd voorhield, is de uitvinder van de draadloze telegrafie helemaal niet gestorven in 1937 maar naar Venezuela getogen om er een UFO-stad te beginnen. Kortom, wat Vesco nog tot het rijk der fabeltjes rekent (anti-gravitatie, samenzweringstheorieën, geheime nazi-bases) is voor Childress pas écht spannend.

Het ware beter geweest indien Childress, in plaats van de sensatie op te drijven, voor een index had gezorgd. Het eigenlijke boek (dat van Vesco dus) is immers wél het lezen waard en ook opmerkelijk goed gestoffeerd. Allerhande fantastisch wapentuig uit de nazi-tijd passeert de revue. Naast heuse vliegende schijven (‘Flugkreisel’) is er ook sprake van kannonnen die windhozen produceren (‘Wirbelringkanone’) en van vuurbollen die vanop afstand naar hun doel worden geleid (de ‘Feuerball’ of ‘Kügelblitz’; deze laatste worden in verband gebracht met de ‘foo fighters’ of spooklichten die geallieerde piloten de stuipen op het lijf joegen, maar waarschijnlijk waren dat bolbliksems die in oorlogstijd voor een geheim nazi-wapen werden aanzien). Vesco geeft gedetailleerde beschrijvingen en vermeldt data, namen en plaatsen, maar, ondanks uitvoerige noten, is niet altijd duidelijk waar hij zijn gegevens vandaan heeft. Ook is het vreemd dat doorheen de jaren blijkbaar niet één van deze wonderwapens ooit effectief werd ingezet, wat toch verwacht mag worden.

Vliegende pannenkoek

Niemand is er ooit in geslaagd om een bemand discusvormig toestel probleemloos in de lucht te houden. Steeds weer blijkt dat die tuigen onstabiel worden zo vlug zij 1 à 2 meter van de grond komen. (Maar men geeft de moed nog steeds niet op. Ook in onze eigen Lage Landen worden er in de achtertuintjes van enkele excentrieke uitvinders nog steeds kleine vliegende schotels gebouwd en uitgetest.) De waarheid achter de door mensenhanden gemaakte schotels is dus veel minder fantastisch dan Vesco, Harbinson en Childress laten uitschijnen.

Wellicht de meest succesvolle poging van nazi-Duitsland om een vliegtuig te bouwen met een cirkelvormige omtrek was een houten toestel met een stalen frame dat 3 à 4 m omhoog hopte vooraleer het tegen de grond kwakte. Dikwijls genoemd door Vesco en Harbinson is het werk van Luftwaffe-ingenieurs Miethe, Schriever en Habermohl. Details over hun pogingen doken in het begin van de jaren ’50 op in de Duitse pers. In de loop der jaren namen de geruchten mythische proporties aan, maar het bewijsmateriaal overtuigt niet en veel meer dan enkele naoorlogse ontwerpschetsen en schaalmodellen werd nooit teruggevonden.

Waar Vesco en Harbinson gelijk in hebben is dat het werk van deze Luftwaffetechnici van belang was voor onder meer de constructie van de ‘Flying Flapjack’ door de Amerikaanse marine. Dit toestel leek niet echt op een vliegende schotel. Het was een log, halfcirkelvormig gevaarte met een uit de kluiten gewassen landingsgestel en aan weerszijden van de cockpit twee enorme propellers. De testen met deze ‘vliegende pannenkoek’ werden in 1945 opgeschort. Miethe zou meegewerkt hebben aan de bouw van de AVROcar, een Canadees-Amerikaans project uit de jaren ’50-’60. De AVROcar zag er wél uit als een vliegende schotel maar kwam nooit meer dan één meter van de grond. Hij staat nu in een Amerikaans transportmuseum opgesteld.

Een feit dat volstrekt aansluit bij de nazi-hypothese, maar waar alle drie de auteurs aan voorbijgaan is de overbekende waarneming van Kenneth Arnold. De details zijn genoegzaam bekend: Arnold zag op 24 juni 1947 vanuit zijn vliegtuig negen halvemaanvormige voorwerpen passeren die af en toe het zonlicht reflecteerden. Zijn eerste indruk was dat hij experimentele vliegtuigen had gezien. Misschien was dat inderdaad het geval. Zijn beschrijving doet alleszins sterk denken aan de experimentele vliegende vleugels die in die periode door vliegtuigfabrikant Northrop werden getest. Deze toestellen zonder romp of staart waren de opvolgers van een lange reeks prototypes gebouwd door de gebroeders Horten voor nazi-Duitsland. Hun concept leidde tientallen jaren later tot de bekende B-2 Stealth-bommenwerper. In die zin zou de thesis van Vesco en Harbinson dus toch niet zo vergezocht zijn als men op het eerste gezicht zou denken.

W.A. Harbinson, Projekt UFO – The Case for Man-Made Flying Saucers. Boxtree, London, 1995.
D.H. Childress, Man-made UFOs 1944-1984. 50 Years of Suppression. Adventures Unlimited Press, USA, 1994.

Uit: Skepter 9.1 (1996)

Wim van Utrecht is projectleider van CAELESTIA, een publicatie- en onderzoeksinitiatief voor niet-geïdentificeerde luchtverschijnselen. Meer info op www.caelestia.be