Astrale koehoorns

De filosofie van biologisch-dynamische landbouw

door Bram de Boer

Biologische landbouw wordt dynamisch door toevoeging van heel veel kosmische krachten, op geleide van warrige gedachtespinsels van Steiner en een zaaikalender van het Goetheanum.

Het is een hele toer in woordenboeken en encyclopedieën nadere informatie te ontdekken over de diepere betekenis van de toevoeging dynamisch in de term biologisch-dynamische landbouw. Ik vind het overigens nog altijd verwarrend als er reclame gemaakt wordt voor biologische kippen en eieren. Scharrelkippen zeggen mij wel iets, maar het wordt wat moeilijk als de producten daarvan worden geadverteerd als biologische eieren en zelfs biologische eierkoeken.

In de dertiende druk van Van Dale staat achter biologische landbouw: ‘zonder of met beperkt gebruik van kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen’. Dat is duidelijk; maar het is op de toevoeging ‘of met beperkt’ na hetzelfde als wat enige regels verder staat als verklaring van het begrip biologisch-dynamisch.

Het begrip wordt ook niet juist verklaard in de achtste druk van de Winkler Prins. Daar wordt biologisch-dynamische landbouw beschreven als een methode waarbij zo veel mogelijk met natuurlijke middelen wordt gewerkt, als alternatief voor de methode waarbij chemische bestrijdingsmiddelen en grote hoeveelheden kunstmest worden ingezet om maar een zo groot mogelijke productie te bereiken. Zo wordt ook hier de onjuiste indruk gewekt dat biologisch-dynamische landbouw synoniem is met ‘schone’ biologische landbouw; dat de methode berust op bepaalde discutabele filosofische principes, wordt aan het eind van het stuk slechts zijdelings vermeld, zonder nadere uitleg over bijvoorbeeld de belangrijke betekenis die in het denken van grondlegger Rudolf Steiner wordt toebedeeld aan bijvoorbeeld koehoorns als astrologische stralingszenders.

Ik herinner mij dat ik kennis maakte met de term biologisch-dynamische landbouw in april 1945, vlak voor mijn woonplaats Deventer bevrijd werd. Een paar dagen voordat wij onze met balken versterkte kelder indoken omdat voor ons huis straatgevechten plaatsvonden tussen de Canadese bevrijders en de Duitse bezetter, was ik nog even naar de boekwinkel in het centrum geweest: ik was eind maart net 17 geworden en mocht een boek kopen. Het werd De Vruchtbaarheid der Aarde, haar behoud en haar vernieuwing, door Ehrenfried Pfeiffer (1938) en had als ondertitel: Het biologische-dynamische principe in de natuur. Het was een cadeau van mijn vader, die zich zelf intensief bezighield met het groeiend probleem van de kwalijke gevolgen voor de natuur van de toenmalige mechanisering van de landbouw.

Nergens ontdekten wij al lezend een duidelijke verwijzing naar een landbouwsysteem waarbij rekening wordt gehouden met de veronderstelde geestelijke wisselwerking tussen aarde en kosmos zoals de biologisch-dynamische landbouw veel later door Hulspas en Nienhuys zou worden beschreven in Tussen waarheid en waanzin. Ik denk dat een academisch geschoold landbouwkundige die vandaag het boek van Pfeiffer zou lezen, zich er net als wij indertijd hooguit over zou verbazen dat hier vaag wordt verwezen naar Goethes omstreden ‘natuurwetenschap’ maar behalve deze vage sympathiebetuiging zal hij niet veel storends ontdekken. Ons vielen indertijd alleen de cryptische opmerkingen op over Rudolf Steiner. Die kenden wij alleen van discussies met een familielid dat grote bewondering had voor theosofie en antroposofie. Die bron namen wij niet serieus, en aangezien de verwijzingen naar Steiner volstrekt irrelevant waren voor de inhoud van het boek, was het voor ons gewoon een boek over biologische landbouw.

Preparaat 500

Toen ik zelf het boek van Pfeiffer jaren later met een zeker gevoel van nostalgie weer opensloeg, had ik inmiddels kennis genomen van de praktische leidraad voor de biologisch-dynamische boer, getiteld Enige beginselen van de biologisch-dynamische landbouwmethode, dat in 1970 was uitgegeven door de Nederlandse Vereniging tot Bevordering der Biologisch-dynamische Landbouwmethode. Ik had daarin gelezen dat bij de biologisch-dynamische landbouw een belangrijke rol is weggelegd voor de astrologie en dierenriem, kiezelkrachten en etherkrachten, en voor buitenaardse invloed vanuit de kosmos door de planeten, maar Saturnus en Jupiter komen in Pfeiffers boek niet voor. Toch ontdekte ik door een toeval dat het boek van Pfeiffer alleen in schijn een onschuldige wetenschappelijke verantwoorde publicatie was. Mijn oog was namelijk gevallen op een lofzang op het biologisch-dynamische preparaat 500. Dat wekt geen argwaan, tenzij men even opzoekt wat preparaat 500 voor tovermiddel is. Ik geef even het recept; het wordt onthuld in Enige beginselen uit 1970.

Men moet koemest verzamelen, die omstreeks september op de weide ligt. Daar vult men verse koehorens mee. Vervolgens graaft men deze in de bouwvoor van een humueuze akker in tot het voorjaar. Omstreeks Pasen kan men ze weer uitgraven. Die preparaten zijn nuttig, want dieren en planten zijn vaak specialisten, waar het de verwerking van astrale en etherische krachten betreft. De koe, bij uitstek spijsverteringsdier, verzamelt een overmaat aan ether- en astrale kracht in zijn organisme. Het oogsten van de horens moet in september gebeuren als de zon in het dierenriemteken Maagd staat. Dan overheersen bepaalde kosmische krachten. Waarom een koehoorn? Omdat een koe horens heeft om bij zich zelf datgene naar binnen te richten, wat astraal-etherisch vorm moet geven, wat zelfs tot in het spijsverteringsorganisme door moet dringen. De werking in het spijsverteringsorganisme ontstaat door straling, die van de horens en hoeven uitgaat.

Dat maakt nieuwsgierig. Dus consulteren wij voor nadere informatie de website van Demeter, het keurmerk voor biologische producten afkomstig van biologisch-dynamische boerderijen. Daar vinden we het document Voorwaarden Demeter Landbouw, waarin de mysterieuze bereidingen als preparaat 500 ook zonder toelichting vermeld worden. De betreffende paragraaf begint met een algemene mededeling over de verplichting het biologisch-dynamische bedrijf te runnen vanuit holistische gezichtspunten, maar bovendien ‘zoals Rudolf Steiner expliciet heeft aangeduid in de Landbouwcursus’ dat rekening moet worden gehouden met de noodzaak om rekening te houden met de kosmische ritmen in de plantenteelt en de veehouderij.

Omdat per saldo uitsluitend de door Steiner in juni 1924 in Koberwitz (in de buurt van Breslau) gehouden Antroposofische Landbouwcursus vermeld wordt als bron, heb ik mij deze kort geleden in linnen prachtband opnieuw in Nederlandse vertaling uitgegeven cursus aangeschaft, maar die helpt mij ook niet veel verder. In tegenstelling tot Pfeiffer is Steiner, hoezeer hij ook vereerd wordt, geen begenadigd schrijver. De schaarse inhoudelijke informatie over de praktijk van de biologisch-dynamische landbouw is in het onderhavige boek volledig ondergesneeuwd onder vage en onbegrijpelijke filosofische uitwijdingen van de meester.

Het was even zoeken voordat ik in de oorspronkelijke versie de bron van het koehorenverhaal vond in de Cursus. Ik moest 84 bladzijden doorploegen met voor een mythologisch slecht geschoolde exacteling grotendeels onbegrijpelijke teksten voor ik las dat een koe horens heeft ‘om daarmee diep naar binnen te sturen wat astraal-etherisch vorm moet geven, wat moet doordringen tot in de diepte van het spijsverteringsorganisme, zodat er een grote bedrijvigheid ontstaat in dat spijsverteringsorganisme, met name door de straling die van de horens en hoeven uitgaat. Een horen is namelijk heel geschikt om de krachten van het leven en de astrale krachten terug te stralen naar het inwendige leven.’ Zo gaat het dan nog 200 pagina’s door (zie ook kader).

Woedende wetenschappers

Al in de eerste van de acht voordrachten vertelt Steiner dat de landbouw te lijden heeft onder de moderne cultuur die ‘vernietigende vormen’ heeft aangenomen. Hij hekelt dat er economische lezingen worden gehouden over de landbouw en noemt dat, net als het schrijven van dito artikelen letterlijk ‘overduidelijke onzin’. Maar de redding is nabij. Neem nou de biet. ‘Die is misschien voor zijn groei afhankelijk van ontelbare omstandigheden die helemaal niet op de aarde, maar in de kosmische omgeving van de aarde te vinden zijn. Door die beperkte benadering hebben de verschillende levensgebieden daar enorme schade door geleden, en die schade zou nog veel duidelijker zijn als er niet, tegen alle wetenschap van de laatste eeuwen in, nog een zeker instinct was overgebleven uit de tijd waarin men met het instinct en niet met de wetenschap werkte.’ (p.18) In plaats van de moderne wetenschap verkondigt Steiner een mysterieuze groeitheorie en een even wonderlijke ‘mineralencyclus’.

Op pagina 111 schrijft hij, dat planten uit de aarde de stoffen opzuigen die uit de ‘kosmische omgeving’ komen: kwikzilver, arsenicum, kiezelzuur zuigen zij uit de bodem op nadat deze stoffen zelf door instraling in de bodem zijn gekomen. Wij mensen kunnen het de bodem onmogelijk maken om dat wat de planten toegestraald krijgen op te nemen. Als we lukraak doormesten, zouden wij de aarde kunnen beletten om uit de kosmische omgeving kiezelzuur, lood en kwikzilver op nemen, die in de fijnste homeopathische dosering werkzaam zijn. Door het element silicium (kiezel) worden de zegenrijke invloeden van de buitenplaneten (Saturnus, Jupiter en Mars) in de ondergrond opgevangen en teruggestraald in de plant. Deze buitenplaneten bewerken namelijk de kwaliteit van het gewas.

Dat alles kan bereikt worden door de mediterende biologisch-dynamische boer.

… zo’n boer die in de ogen van een geleerde niet geleerd is. Ja, die geleerde zegt wel dat een boer dom is, maar eigenlijk is dat niet waar, om de eenvoudige reden dat hij mediteert. Wat hij afmediteert in zijn winternachten is werkelijk heel veel. En inderdaad maakt hij zich iets eigen als een soort verwerven van geestelijk inzicht. Hij kan het alleen niet uitspreken. Het is iets wat plotseling opduikt. Je loopt door het veld, en ineens is het er. Je weet iets, en probeert het dan uit. (….) Want ziet u, het kan geen kwaad wanneer iemand die in de landbouw werkt kan mediteren. Hij maakt zich daardoor ontvankelijk voor de openbaringen van de stikstof. En geleidelijk aan krijgt het beoefenen van de landbouw (…) een totaal ander karakter. (p.65)

Die ideale boer maakt niet de fout die de wetenschap de laatste eeuwen heeft gemaakt, de wetenschap die ‘met grofmazige verstandelijke begrippen dingen wil doorzien die nu eenmaal fijner geweven zijn’.

Steiner wordt fel en emotioneel als dit conflict tussen de gevestigde wetenschap en zijn met dit soort helderziende wijsheid begiftigde leek aan de orde komt. Op 11 juni 1924 houdt hij ter gelegenheid van de oprichting van de ‘Onderzoekskring’ een rede die ook in het boek is opgenomen. ‘Zo hebben we meegemaakt dat deze wetenschappers, met hun voortreffelijke exacte methoden, woedend werden wanneer de antroposofen kwamen en niets anders deden dan dezelfde methoden toepassen.’ Drie regels verder: ‘Al die mooie dingen die wij op die manier kunnen doen – er is niets anders uitgekomen dan dat de mensen woedend waren wanneer onze wetenschappers in hun lezingen over dezelfde methoden spraken.’ Een halve bladzijde opnieuw: ‘De toehoorders waren woedend. “Wat is dat voor beunhazerij? Dat zijn toch brutale rakkers, dat zijn vlerken, die daar als amateurs in onze wetenschap rondknoeien!”‘ Uiteindelijk volgt dan een lofzang op de bekeerlingen die eerst woedend waren en dan beginnen enthousiast ‘vlam te vatten’ als ze horen dat het hier gaat om een stuk antroposofie dat uit het bovenaardse is gehaald. (p.222)

Draagbare telefoon

De situatie is moeilijk voor de biologisch-dynamische boer die de verwijzing naar de cursus serieus neemt en dit boek ter hand te neemt om Steiners warrige gedachten te doorgronden, maar niet beschikt over de handleiding uit 1970. Ook in een recenter boekwerkje uit 1994, getiteld Anders omgaan met de aarde, met als ondertitel Biologisch-dynamische landbouw voor nu en later, is de informatie vaag. Hier zijn de ideeën van Steiner ingebed in de na-oorlogse ontwikkeling van de landbouw: de wederopbouw, de gevolgen van herverkaveling en de nadelen van de explosieve opkomst van kunstmest. Men moet dus wel even zoeken om te ontdekken dat de basis van de praktische landbouw ligt bij de astrologische invloed van de ons omringende hemellichamen. Die invloed van de hemellichamen op het leven en de groei van planten en dieren is, lees ik, al vanouds bekend maar wordt tegenwoordig ten onrechte als achterhaald beschouwd.

Er staat in dit boek nog veel meer van dit soort esoterie die ontsproten is aan het intuïtieve brein van Steiner en die we niet tegenkomen in het studieprogramma van de Universiteit in Wageningen. Maar hoewel het boek als enige authentieke bron voor de biologisch-dynamische landbouw wordt gepresenteerd, zal men er vergeefs in zoeken naar praktische voorschriften ten behoeve van de biologisch-dynamische boer. Maar een boer die biologisch-dynamisch wil werken kan toch de factoren voor het ingrijpen der verschillende ‘ethersoorten’ zo gunstig mogelijk maken. Hij moet er onder meer voor zorgen dat de planeten op de goede plaats staan op het moment dat hun invloed nodig is. Het antroposofische Goetheanum helpt door sterrenkalenders te verschaffen met uitvoerige aanwijzingen om precies op het goede moment te zaaien en te planten.

In het geciteerde boekje uit 1994 staan veel illustraties, van een legbatterij, een moderne koeienstal, een natuurvoedingswinkel. Ook een foto met als onderschrift Een BD-boer in gesprek. We zien dan een moderne landbouwer met een draagbare telefoon in de hand: blijkbaar de moderne versie van de domme, helderziende boer uit 1924. Ik vraag mij af of het aantrekkelijk is voor de moderne boer anno 2003 zijn bedrijf te leiden op basis van de magische en metafysische onzin die Rudolf Steiner anno 1924 tijdens zijn cursus debiteerde. Volgens mij kan hij zich beter met de serieuze kant van de biologische landbouw bezighouden.

Koehoorns op internet

De ideeën van Steiner leven nog volop, zoals een rondgang langs internet duidelijk maakt.

Het vullen der koehoornsDe site van Demeter meldt:

‘De BD-Vereniging levert ook enkele grondstoffen voor het zelf maken van preparaten:

* Ruwe kiezel en hertenblazen zijn altijd op voorraad.

* Koehoorns moeten in juli besteld worden om levering te garanderen (dit wordt meestal in het ledenblad Dynamisch Perspectief aangekondigd). Vervoer van grotere hoeveelheden koehoorns wordt in overleg geregeld.’ (www.demeter-bd.nl/Preparaten.asp)

‘Adopteer een koe’ is een initiatief van de Stichting Milieubewustzijn. Op hun website vinden we de volgende informatie :

‘Hoe bijzonder een koehoorn is, blijkt uit het gebruik van het hoornmestpreparaat in de biologisch-dynamische landbouw: koehoorns (bewaard na het slachten) worden gevuld met koemest en ’s winters in de aarde begraven. Aarde en kosmische krachten werken in op de mest, die dan kruimelig wordt. Als de mest in water wordt opgelost en over het land verspreid vóór het inzaaien, kiemen de zaden beter. De mest die in een stierenhoorn wordt begraven, gaat rotten en heeft géén groeibevorderende werking.’ (www.adopteereenkoe.nl/download/Koevoet.okt.nr.3.pdf)

‘Uit eigen waarneming merken wij dat de uitstraling van een koe (noem het aura als je wilt) voornamelijk te voelen is vóór en boven haar kop. Precies op de plaats waar de hoorns zitten. De meeste van onze koeien laten zich liever niet ‘frontaal’ benaderen, doet iemand dat ongevraagd toch, dan weet ze precies de afstand van hoorn naar hand in te schatten.’ (www.adopteereenkoe.nl/download/Koevoet9feb03.pdf)

Ook in Vlaanderen worden de gedachten van Steiner voor wetenschap versleten (www.biotiek.be/nieuwsbrief.htm):

‘c) Het gebruik van koehoorns in de biodynamische teelt.
Veel van de (homeopathische) attributen die gebruikt worden in de biodynamische teelt worden gemaakt in koehoorns. Heeft dat zin? Tegenstanders van de biodynamische praktijken, of zeggen we misschien beter verdedigers van de conventionele praktijken met overvloedig gebruik van chemische hulpmiddelen, lachen dergelijke zaken weg. Deze praktijk steunt nochtans op wetenschappelijke gronden. Voor de koe is de hoorn niet zomaar een ornaat (zoals bij het hert bv.) maar een werktuig dat de externe en interne stromen naar het verteringsstelsel voert. De hoornen zijn een verlengstuk van de huid waar op geïntensifieerde manier alle indrukken uit de omgeving naar het middelpunt van het lichaam gevoerd worden. De hoorn is dus een essentieel orgaan van de koe, waarlangs alle astrale en etherische krachten opgevangen worden.’

Men kan grote oppervlakken bemesten met de inhoud van een enkele koehoorn. De biotiek-website legt uit:

‘Uit analyse blijkt dat de inhoud miljoenvoudig geconcentreerd is zodat deze met water vermengd kan verstoven worden … Deze menging met water gebeurt echter niet zomaar. Het poeder wordt in een ton putwater gegoten en dan wordt met een speciale stok de inhoud in grote snelheid eerst rechts rondgedraaid, tot men de bodem van de ton ziet en dan plots naar links. Zo creëert men orde gevolgd door chaos. Dit moet gedurende een uur voortgezet worden. Op die manier wordt ook het water nog eens extra gedynamiseerd. Daarop moet binnen het uur de inhoud verstoven worden…, om geen dynamiek verloren te laten gaan.’

Behalve preparaat 500 is er volgens deze website er ook preparaat 501 dat uit gepoederd kwarts bestaat, en dat eveneens in koehoorns ondergronds moet, maar dan in de zomer, en dat na opgraving in verstoven vorm de poriën van de bladeren vergroot zodat zonlicht en dauw beter kunnen worden opgevangen. (rn en jwn)

Uit: Skepter 16.4 (2003)

Bram de Boer is wiskundig econoom en publicist