Johann Sebastian Bach. Portret door Elias Gottlob Haussman uit 1748

De botten van Bach

door Richard Zegers – Skepter 30.1 (2017)

De Thomaskerk in Leipzig trekt honderden bedevaartgangers per jaar: hier immers ligt het gebeente van Johann Sebastian Bach, een van de grootste componisten aller tijden. Dat er botten in het graf van Bach liggen, is wel zeker, of ze werkelijk van Bach zijn, veel minder. Het wetenschappelijke bewijs laat nogal te wensen over, en nieuw onderzoek wordt door de kerk niet op prijs gesteld.

Gedurende zijn leven genoot Johann Sebastian Bach een zekere bekendheid, vooral als uitvoerend musicus: zijn roem als componist kwam pas vele tientallen jaren later. Al snel na zijn begrafenis — hij overleed in 1750 op 65-jarige leeftijd in Leipzig — wist dan ook niemand meer precies waar Bach lag. Zo’n anderhalve eeuw na zijn heengaan werd een grootschalige en serieuze poging ondernomen zijn laatste rustplaats te lokaliseren, en tegenwoordig wordt er algemeen van uitgegaan dat Bachs botten rusten in de Thomaskerk in Leipzig.

Wustmann

De eerste die probeerde het graf van Bach op te sporen was collega-componist Robert Schumann in 1836, maar zijn zoektocht liep op niets uit. Ook pogingen door minder bekende personen in de navolgende jaren bleven zonder resultaat. De Leipzigse archivaris Gustav Wustmann wist rond 1890 te achterhalen dat Bach in zogenaamde ‘vlakke aarde’ was begraven, en daarover werd, anders dan bij familiegraven, geen administratie bijgehouden. In Bachs tijd was het ongebruikelijk een grafsteen of kruis op het graf te plaatsen. Tussen 1741 tot 1770 werden in Leipzig in totaal slechts 37 grafstenen geplaatst, in 1750 geen enkele. Wel werd Bach — in tegenstelling tot de meeste overledenen — in een eikenhouten kist ter aarde besteld: van de 1400 doden in Leipzig in 1750 werden slechts 12 in een eikenhouten kist begraven. Van 1741 tot 1770 gingen in totaal 450 eikenhouten kisten de grond in.

Dat graven al snel onvindbaar waren, was dus niet zo vreemd. Ook destijds veel bekendere personen dan Bach, zoals bijvoorbeeld zijn opvolgers als Thomascantor in Leipzig, Johann Friedrich Doles, Johann Adam Hiller en Johann Gottfried Schicht, die respectievelijk stierven in 1797, 1804 en 1823, verdwenen na hun begrafenis al snel in de anonimiteit. Wolfgang Amadeus Mozart zou een zelfde lot ondergaan — hij verdween in 1791 zelfs in een massagraf.

Maar voor Bachs laatste rustplaats was er in ieder geval nog een overgeleverde mondelinge traditie, die zei dat het graf zich op zes stappen van de zuidelijke deur van de Johanneskerk in Leipzig zou bevinden: ‘Von der kleinen Thür an der Südseite der Kirche sechs Schritte geradeaus — dort sei das Grab gewesen.’ Daar staat tegenover dat deze aanwijzing kwam van een 75-jarige man die het zestig jaar eerder had vernomen van een toen 90-jarige tuinman van het kerkhof. Wustmann verklaarde het zoeken naar Bachs stoffelijke resten dan ook een hopeloze onderneming.

Niettemin werd, toen de kerk in 1894 van de grond af herbouwd moest worden, met deze aanknopingspunten — een 65-jarige man in een eikenhouten kist, op een diepte van 2,37 meter (de gebruikelijke diepte van een vlak graf), op zes passen van de zuidelijke kerkingang — die zoektocht op touw gezet. Dit geschiedde onder leiding van de Leipzigse anatoom professor Wilhelm His.

De eerste eikenhouten kist die werd gevonden bevatte het skelet van een jonge vrouw. In de daaropvolgende eikenhouten kist die uit de correcte diepte van ruim twee meter tevoorschijn kwam, zat het skelet van een oudere man, waarvan His overtuigd was dat het Bach betrof. Er werd vervolgens niet meer verder gezocht.

His publiceerde zijn bevindingen in een boekje, Anatomische Forschungen über Johann Sebastian Bach’s Gebeine und Antlitz, nebst Bemerkungen über dessen Bilder, dat in 1895 het licht zag. Nadat zijn onderzoek was beëindigd, werd het skelet op een houten plaat gefixeerd en voor het altaar in de Johanneskerk opnieuw begraven.

Nadat die kerk in de Tweede Wereldoorlog was platgebombardeerd, werden de botten in 1949 naar de Thomaskerk overgebracht — wel zo passend, omdat Bach daar lange tijd als cantor en organist had gewerkt. Voordat de overblijfselen in 1950 voorgoed onder de grond verdwenen, werden ze nog eenmaal onderzocht; ditmaal door de Berlijnse hoofdhalschirurg Wolfgang Rosenthal. Hij kwam tot de stellige conclusie dat het skelet inderdaad van Bach moest zijn. Dit is de laatste gelegenheid geweest dat iemand het skelet heeft kunnen bestuderen.

Het graf van Bach in de Thomaskerk te Leipzig

His

In het eerste deel van het boekje van Wilhelm His beschrijft hij zeer uitgebreid alle aspecten van de schedel. Hij schonk extra aandacht aan de slaapbeenderen, in de hoop aanwijzingen te vinden voor een buitengewoon ontwikkeld gehoor. Volgens de door His geraadpleegde Weense oorspecialist Ádám Politzer zou de botstructuur van de schedel inderdaad wijzen op een zeer sterk ontwikkelde hersenschors precies daar waar de auditieve functie zetelt.

In het tweede deel van het boekje beschrijft hij zijn onderzoek naar de relatie tussen spier-, vet- en steunweefsel van een gezicht en de onderliggende botstructuur bij 37 schedels. Hij gaf zijn bevindingen, met een exacte replica van de door hem gevonden schedel en afbeeldingen van Bach (waaronder het uit 1748 stammende portret geschilderd door Elias Gotlobb Haussmann; algemeen beschouwd als de meest authentieke afbeelding) aan de Leipzigse kunstenaar Carl Seffner, die vervolgens met klei het gezicht van Bach op de schedel boetseerde. Het resultaat was een gezicht dat grote gelijkenis vertoonde met het portret van Haussmann.

Deze treffende gezichtsreconstructie, gecombineerd met de vindplaats van de eikenhouten kist op de juiste diepte en de geschatte leeftijd van de botten, deed His tot de conclusie komen dat het gevonden skelet zeer waarschijnlijk dat van Bach was. Ook de aanvankelijk zo sceptische Wustmann was zonder meer overtuigd.

Rosenthal

Chirurg en concertzanger Wolfgang Rosenthal constateerde in 1949 bij zijn onderzoek aan de overblijfselen geen bijzonderheden aan de schedel, maar wel aan andere delen van het skelet: benige uitsteeksels op het bekken, op de onderste wervels en op de hielen. Hij bedacht dat deze afwijkingen zouden kunnen zijn veroorzaakt door intensief spiergebruik van armen en benen en dat dit zou kunnen passen bij iemand die van jongsaf veel orgel had gespeeld. Om deze hypothese te testen, nam Rosenthal röntgenfoto’s van professionele kerkorganisten die, net als Bach, al op jonge leeftijd waren begonnen met spelen. Hij vond bij alle elf organisten eveneens benige uitsteeksels op bekken en wervels; voor hem het bewijs dat het bespelen van het kerkorgel leidde tot deze afwijking. Hij doopte dit fenomeen Organistenkrankheit. Dit alles leidde bij Rosenthal dan ook tot de conclusie dat de onderzochte botten werkelijk van Bach waren. Zijn bevindingen aan het skelet en bij de kerkorganisten werden in 1962 gepubliceerd in de Mitteilungen der Deutschen Akademie der Naturforscher Leopoldina (dl. 8/9, p. 235–41).

Organistenziekte

Om na te gaan of er zoiets als Organistenkrankheit bestaat, hebben wij het onderzoek van Rosenthal gereproduceerd. Wij namen röntgenfoto’s van de bekkens van 12 kerkorganisten, gemiddeld 65 jaar oud, en vergeleken die met de bekkens van een even oude controlegroep. Bij de organistenbekkens lieten 4 van de 12 röntgenfoto’s benige uitsteeksels zien, in de controlegroep 9 van de 12.

Aangezien in ons weliswaar kleine onderzoek slechts 33 procent van de organisten duidelijk afwijkingen liet zien — in tegenstelling tot de 100 procent van Rosenthal — concludeerden we dat het bestaan van Organistenkrankheit niet door onze studie kan worden onderbouwd.

Zegers RH, Maas M, Koopman AT, Maat GJ. Are the alleged remains of Johann Sebastian Bach authentic? Med J Aust. 2009;190:213-6, PMID 19220191.

Dubieus

De lokalisatie van het opgegraven skelet — begraven zonder markering en niet geregistreerd in het archief — is gebaseerd op een mondelinge traditie, waarvan de oorsprong op zijn minst dubieus is te noemen. De waarde van de eikenhouten kist is eveneens betrekkelijk, aangezien er in de drie decennia rondom Bachs begrafenis 450 eikenhouten kisten de grond in gingen. Bovendien stopte His na de tweede kist met zoeken, het blijft dus onduidelijk hoeveel meer eikenhouten kisten met oudere mannen mogelijk in dat gebied zouden zijn gevonden.
Tussen muzikale virtuositeit en een overontwikkelde hoeveelheid massa hersenschors is nooit een verband aangetoond, dus aan de constatering van Politzer lijkt geen waarde te kunnen worden gehecht.

Reconstructie van Bachs aangezicht in het Bachhuis in zijn geboorteplaats Eisenach. (foto: Crowded Earth Kitchen)

Met behulp van portretten van Bach werd Bachs gezicht gereconstrueerd op de schedel, om vervolgens aan de hand van diezelfde portretten te constateren dat de gelijkenis treffend was: dit getuigt niet van een gedegen wetenschappelijke aanpak. Interessant genoeg zou ruim honderd jaar later nogmaals een reconstructie van Bachs gelaat plaatsvinden, ditmaal met computertechnieken. Dit werd in 2008 gedaan door Caroline Wilkinson, forensisch antropoloog van de Schotse universiteit te Dundee en onder andere bekend van haar gelaatsreconstructies van het ‘meisje van Nulde’ (de in 2001 vermoorde 4-jarige Rowena Rikkers) en het ‘Maasmeisje’ (de in 2006 vermoorde 12-jarige Gessica Gomes). Voor de reconstructie van het gelaat van Bach kreeg Wilkinson de beschikking over een laserscan van (een replica van) de schedel en — wederom — het portret van Haussmann. ‘Plots is Bach betonvlechter’, schreef de Volkskrant op 29 februari 2008 bij de foto. En wederom, met exact dezelfde dubieuze wetenschappelijke aanpak, bleek de reconstructie een treffende gelijkenis met het schilderij van Haussmann te vertonen.

Rosenthals gesuggereerde organistenziekte is een interessant idee, maar niet reproduceerbaar, zoals ons onderzoek aantoont. Ook het feit dat Rosenthal zijn bevindingen pas in 1962 publiceerde — twaalf jaar nadat hij het skelet bestudeerde — zal zijn interpretaties niet ten goede zijn gekomen.

Gezien al deze dubieuze of soms zelfs pertinent onjuiste aannames, is de kans dan ook uitermate klein dat het werkelijk de botten van Bach zijn, onder de grote koperen gedenkplaat in de Thomaskerk.

DNA

In een poging aan alle twijfel een einde te maken, hebben musicus Ton Koopman, fysisch antropoloog George Maat en ik in 2006 een gedetailleerd onderzoeksvoorstel voorgelegd aan het kerkbestuur van de Thomaskerk. Wij wilden het skelet met moderne methoden onderzoeken, op een CTscan vastleggen, en vooral ook kijken of er DNA kon worden geëxtraheerd. Dit laatste had dan kunnen worden vergeleken met het DNA van een van Bachs zonen, Carl Philipp Emanuel, van wie de stoffelijke resten in de Sint-Michiel in Hamburg liggen en waarvan de identiteit wel vaststaat. Ook zijn er mogelijkheden DNA-onderzoek te doen met behulp van nazaten die een voorvader met Bach gemeen hebben; zelfs in Nederland lopen deze heden ten dage nog rond.

Het voorstel werd helaas door het kerkbestuur verworpen, aangezien dat ervan overtuigd is dat het de stoffelijke resten van Bach beheert. Ook andere onderzoekers hebben inmiddels bot gevangen. Zo stelde Walther Parson in 2011 eveneens tevergeefs voor DNAonderzoek te verrichten aan het skelet in de Thomaskerk. Parson had eerder door DNA-onderzoek aangetoond dat de filosoof Friedrich Schiller niet in het graf lag dat men tot dan toe had aangewezen.

Het zal er vermoedelijk wel een keer van komen dat het skelet in de Thomaskerk nog eenmaal bovenkomt, zodat het (DNA-)onderzoek kan worden verricht dat definitief uitsluitsel kan geven. Tot die tijd zullen we het moeten doen met fraaie legendes, gedegen archiefonderzoek en zeer discutabele wetenschappelijke bewijsvoering.

Uit: Skepter 30.1 (2017)

Richard Zegers is oogarts